Morgarten en Brunnen.
Den vierden Mei zijn niet alleen de mannen van Uri, Schweiz en
Unterwalden op de Rütli bijeen, maar ook de Afgevaardigden van al de
andere kantons zijn er.
De oude Werner van Attinghausen zal de bijeenkomst leiden.
Hij staat op en geeft den dienaar bij het schild het teeken, en luid
klinkt de bijlslag op het schild, als een bewijs, dat de vergadering
geopend is.
De kantons worden afgeroepen, en iedere Afgevaardigde geeft voor zijn
kanton antwoord. Alleen Aargau ontbreekt, en dat verwondert niemand,
want Aargau is geheel in Oostenrijksche handen, en algemeen is het
bekend, dat Keizer Albrecht in dat kanton, en wel te Baden, een groot
jachtfeest vieren zou, en dat er wellicht zelfs een tornooi zou
gehouden worden.
Van Attinghausen wil beginnen, doch op eenmaal hoort men uit de verte
het geroep: „Wachten! Wachten! Aargau komt!”
Het zijn mannen te paard, die naderen.
„Aargau komt!” Wat zou er gebeurd zijn?
De mannen springen van de paarden, dringen zich door het volk, en als
ze voor den Landamman staan, wachten ze diens vraag niet af, maar
roepen: „Keizer Albrecht is dood! Hij is op de jacht vermoord door
zijn' neef Hertog Johan, den zoon van 's Keizers broeder Rudolf! Heel
het kanton is in opstand. Hertog Frederik de Schoone zal zijn' Vader in
de erflanden opvolgen! Alle Oostenrijkers zijn uit het kanton gevlucht.
Aargau is vrij en--Aargau is nu ook een deel van het Eedgenootschap!”
„Mannen,” sprak van Attinghausen, „God is met ons! Thans hebben we
de handen volkomen vrij en is er in den eersten tijd geen gevaar
te duchten. Gaat allen naar huis! Zwitserland is vrij! Wij, als
Landammans, zullen een wakend oog op Oostenrijk houden, en indien één
uwer iets verneemt van een' aanval uit dat land, dat hij zich dan
haaste ons dat mede te deelen! De Landdag is gesloten!”
De schildslag werd gegeven en met een luid gejubeld: „Halli! Halli!
Hallo!” ging de vergadering uiteen.
Zeven jaar lang hadden de Zwitsers tijd om hun werk te doen en zich
voor te bereiden op een' aanval van Oostenrijksche zijde. Dat deze al
niet vroeger had plaats gehad was niet zonder reden.
De dood van Keizer Albrecht had heel Duitschland in beroering gebracht,
en vooral in de Oostenrijksche landen was, door de vervolging, die
tegen den moordenaar ingesteld werd, de verwarring groot. Als opvolger
van Keizer Albrecht werd Graaf Hendrik van Luxemburg benoemd, en
natuurlijk aarzelden de Zwitsers geen oogenblik hem als zoodanig te
erkennen. Deze Keizer mocht evenwel slechts vier jaar regeeren, want in
1312 maakte de dood een einde aan zijn leven. Een deel der Keurvorsten
koos Hertog Frederik van Oostenrijk, doch de meerderheid benoemde
Hertog Lodewijk van Beieren tot Keizer, en de Zwitsers behoorden
alweer tot de eersten om den laatste te huldigen.
Hertog Frederik was hierover woedend, doch hij had de handen te vol om
zich te wreken. Zijn vijand Keizer Lodewijk, eenmaal zijn boezemvriend,
dwong hem tot handelen. De oorlog brak uit en Zwitserland werd er bij
betrokken. Nu zond Hertog Frederik zijn' dapperen, maar onstuimigen
broeder, Hertog Leopold, aan het hoofd van een groot leger uit om de
bondgenooten van Keizer Lodewijk te dwingen de zijde van Oostenrijk te
kiezen.
„Met mijn' voet zal ik dat Zwitsersche ongedierte vertrappen,” zeide
Hertog Leopold, en eer de Zwitsers het vernamen, stond hij reeds aan de
grenzen.
In allerijl riep nu Heer Rudolf van Reding het volk te wapen, en het
gelukte hem bij Morgarten een dertienhonderd man bij elkander te
brengen. Hij verdeelde dit hoopje volks op de bergen, last gevend om
het leger van Hertog Leopold, als het door de holle wegen trok, met
steenen uit de hoogte te begroeten.
Geen vijand ziende, trok Hertog Leopold bijna zorgeloos verder. Wie
zulk een leger weerstand durfde bieden, moest een machtiger zijn dan de
Zwitsers.
Zoo dacht hij, zoo dachten al de Ridders, die hem volgden.
Maar opeens kwam met donderend geweld een rotsblok naar beneden en viel
midden in het Oostenrijksche leger. Die eerste steen was het sein voor
allen, die op de bergen stonden. Van alle kanten daalden rotsblokken
neer en er ontstond eene verschrikkelijke verwarring.
„Valt aan!” klonk nu het bevel van Heer Rudolf.
In den nauwen weg aan beide zijden door de bergen ingesloten konden
de opeengepakte Ridders zich niet bewegen. De aanval geschiedde van
voor en van achter en eindelijk op verscheidene plaatsen midden in
de lange rij. Slechts anderhalf uur duurde het gevecht. Wie van de
Oostenrijkers vluchten kon, vluchtte. Tot die gelukkige vluchtelingen
behoorde ook Hertog Leopold, doch negenduizend der zijnen waren
omgekomen.
Eene maand later leed Hertog Leopold eene nieuwe nederlaag bij Brunnen
en was hij genoodzaakt om een' wapenstilstand te sluiten. Weldra trok
hij af en de Zwitsers waren voorloopig alweer vrij. Ieder keerde naar
zijne woning en naar zijn werk terug, want hoe moedig ze ook pal
stonden als het op de verdediging van hunne vrijheid aankwam, geboren
krijgslieden waren ze niet. Ze beminden den vrede boven den oorlog.
Natuurlijk keerde Tell ook tot de zijnen terug, en daar de overlevering
hem, zelfs na den dood van Geszler, niet meer noemt, zoo is het wel
waarschijnlijk, dat hij als Vrijjager aan de zijde van vrouw en
kinderen het bloedige oorlogswerk vergat, om zich geheel te kunnen
wijden aan zijne dagelijksche bezigheden.
Hebben nu de geschiedschrijvers, die zeggen, dat Willem Tell nooit
geleefd heeft, gelijk, dan kunnen we toch veilig gelooven, dat er tal
van mannen in Zwitserland geleefd hebben, die genoeg voor de vrijheid
van hun land deden om den eernaam van Willem Tell te dragen. Alleen
aan mannen als Attinghausen, Stauffacher, Fürst, Rudolf van Reding en
zoovele anderen heeft Zwitserland zijne vrijheid te danken.
[Decoratie]
Correcties gemaakt door de bewerker:
pagina originele tekst correctie
9 Zij heetten Alemanen, Zij heetten Allemanen,
25 op de de grenzen van op de grenzen van
40 heeft ons afgegevaardigd heeft ons afgevaardigd
52 een eerlijk Chistenmensch een eerlijk Christenmensch
53 Kom, laten we binnnen gaan, Kom, laten we binnen gaan,
80 Geszler en Landenburg Geszler en Landenberg
110 iets zoo te hooren, zoo iets te hooren,
116 Ik zal hem waarschuwen? Ik zal hem waarschuwen!
116 Hedwich kon niet spreken. Hedwig kon niet spreken.
144(p) „Vader, schiet!” riep Walther. „Vader, schiet!” riep Walter.
148 Intusschen wij moeten het Intusschen moeten wij het
185 de woede de elementen de woede der elementen
191 „Wat hebt hij gebroken, Kuno?” „Wat hebt gij gebroken, Kuno?”
191 „Gesler zelf heeft het mij „Geszler zelf heeft het mij
192 voor den wortelstrijd, voor den worstelstrijd,