DERTIENDE HOOFDSTUK.

Morgarten en Brunnen.

Den vierden Mei zijn niet alleen de mannen van Uri, Schweiz en

Unterwalden op de Rütli bijeen, maar ook de Afgevaardigden van al de

andere kantons zijn er.

De oude Werner van Attinghausen zal de bijeenkomst leiden.

Hij staat op en geeft den dienaar bij het schild het teeken, en luid

klinkt de bijlslag op het schild, als een bewijs, dat de vergadering

geopend is.

De kantons worden afgeroepen, en iedere Afgevaardigde geeft voor zijn

kanton antwoord. Alleen Aargau ontbreekt, en dat verwondert niemand,

want Aargau is geheel in Oostenrijksche handen, en algemeen is het

bekend, dat Keizer Albrecht in dat kanton, en wel te Baden, een groot

jachtfeest vieren zou, en dat er wellicht zelfs een tornooi zou

gehouden worden.

Van Attinghausen wil beginnen, doch op eenmaal hoort men uit de verte

het geroep: „Wachten! Wachten! Aargau komt!”

Het zijn mannen te paard, die naderen.

„Aargau komt!” Wat zou er gebeurd zijn?

De mannen springen van de paarden, dringen zich door het volk, en als

ze voor den Landamman staan, wachten ze diens vraag niet af, maar

roepen: „Keizer Albrecht is dood! Hij is op de jacht vermoord door

zijn' neef Hertog Johan, den zoon van 's Keizers broeder Rudolf! Heel

het kanton is in opstand. Hertog Frederik de Schoone zal zijn' Vader in

de erflanden opvolgen! Alle Oostenrijkers zijn uit het kanton gevlucht.

Aargau is vrij en--Aargau is nu ook een deel van het Eedgenootschap!”

„Mannen,” sprak van Attinghausen, „God is met ons! Thans hebben we

de handen volkomen vrij en is er in den eersten tijd geen gevaar

te duchten. Gaat allen naar huis! Zwitserland is vrij! Wij, als

Landammans, zullen een wakend oog op Oostenrijk houden, en indien één

uwer iets verneemt van een' aanval uit dat land, dat hij zich dan

haaste ons dat mede te deelen! De Landdag is gesloten!”

De schildslag werd gegeven en met een luid gejubeld: „Halli! Halli!

Hallo!” ging de vergadering uiteen.

Zeven jaar lang hadden de Zwitsers tijd om hun werk te doen en zich

voor te bereiden op een' aanval van Oostenrijksche zijde. Dat deze al

niet vroeger had plaats gehad was niet zonder reden.

De dood van Keizer Albrecht had heel Duitschland in beroering gebracht,

en vooral in de Oostenrijksche landen was, door de vervolging, die

tegen den moordenaar ingesteld werd, de verwarring groot. Als opvolger

van Keizer Albrecht werd Graaf Hendrik van Luxemburg benoemd, en

natuurlijk aarzelden de Zwitsers geen oogenblik hem als zoodanig te

erkennen. Deze Keizer mocht evenwel slechts vier jaar regeeren, want in

1312 maakte de dood een einde aan zijn leven. Een deel der Keurvorsten

koos Hertog Frederik van Oostenrijk, doch de meerderheid benoemde

Hertog Lodewijk van Beieren tot Keizer, en de Zwitsers behoorden

alweer tot de eersten om den laatste te huldigen.

Hertog Frederik was hierover woedend, doch hij had de handen te vol om

zich te wreken. Zijn vijand Keizer Lodewijk, eenmaal zijn boezemvriend,

dwong hem tot handelen. De oorlog brak uit en Zwitserland werd er bij

betrokken. Nu zond Hertog Frederik zijn' dapperen, maar onstuimigen

broeder, Hertog Leopold, aan het hoofd van een groot leger uit om de

bondgenooten van Keizer Lodewijk te dwingen de zijde van Oostenrijk te

kiezen.

„Met mijn' voet zal ik dat Zwitsersche ongedierte vertrappen,” zeide

Hertog Leopold, en eer de Zwitsers het vernamen, stond hij reeds aan de

grenzen.

In allerijl riep nu Heer Rudolf van Reding het volk te wapen, en het

gelukte hem bij Morgarten een dertienhonderd man bij elkander te

brengen. Hij verdeelde dit hoopje volks op de bergen, last gevend om

het leger van Hertog Leopold, als het door de holle wegen trok, met

steenen uit de hoogte te begroeten.

Geen vijand ziende, trok Hertog Leopold bijna zorgeloos verder. Wie

zulk een leger weerstand durfde bieden, moest een machtiger zijn dan de

Zwitsers.

Zoo dacht hij, zoo dachten al de Ridders, die hem volgden.

Maar opeens kwam met donderend geweld een rotsblok naar beneden en viel

midden in het Oostenrijksche leger. Die eerste steen was het sein voor

allen, die op de bergen stonden. Van alle kanten daalden rotsblokken

neer en er ontstond eene verschrikkelijke verwarring.

„Valt aan!” klonk nu het bevel van Heer Rudolf.

In den nauwen weg aan beide zijden door de bergen ingesloten konden

de opeengepakte Ridders zich niet bewegen. De aanval geschiedde van

voor en van achter en eindelijk op verscheidene plaatsen midden in

de lange rij. Slechts anderhalf uur duurde het gevecht. Wie van de

Oostenrijkers vluchten kon, vluchtte. Tot die gelukkige vluchtelingen

behoorde ook Hertog Leopold, doch negenduizend der zijnen waren

omgekomen.

Eene maand later leed Hertog Leopold eene nieuwe nederlaag bij Brunnen

en was hij genoodzaakt om een' wapenstilstand te sluiten. Weldra trok

hij af en de Zwitsers waren voorloopig alweer vrij. Ieder keerde naar

zijne woning en naar zijn werk terug, want hoe moedig ze ook pal

stonden als het op de verdediging van hunne vrijheid aankwam, geboren

krijgslieden waren ze niet. Ze beminden den vrede boven den oorlog.

Natuurlijk keerde Tell ook tot de zijnen terug, en daar de overlevering

hem, zelfs na den dood van Geszler, niet meer noemt, zoo is het wel

waarschijnlijk, dat hij als Vrijjager aan de zijde van vrouw en

kinderen het bloedige oorlogswerk vergat, om zich geheel te kunnen

wijden aan zijne dagelijksche bezigheden.

Hebben nu de geschiedschrijvers, die zeggen, dat Willem Tell nooit

geleefd heeft, gelijk, dan kunnen we toch veilig gelooven, dat er tal

van mannen in Zwitserland geleefd hebben, die genoeg voor de vrijheid

van hun land deden om den eernaam van Willem Tell te dragen. Alleen

aan mannen als Attinghausen, Stauffacher, Fürst, Rudolf van Reding en

zoovele anderen heeft Zwitserland zijne vrijheid te danken.

[Decoratie]

Correcties gemaakt door de bewerker:

pagina originele tekst correctie

9 Zij heetten Alemanen, Zij heetten Allemanen,

25 op de de grenzen van op de grenzen van

40 heeft ons afgegevaardigd heeft ons afgevaardigd

52 een eerlijk Chistenmensch een eerlijk Christenmensch

53 Kom, laten we binnnen gaan, Kom, laten we binnen gaan,

80 Geszler en Landenburg Geszler en Landenberg

110 iets zoo te hooren, zoo iets te hooren,

116 Ik zal hem waarschuwen? Ik zal hem waarschuwen!

116 Hedwich kon niet spreken. Hedwig kon niet spreken.

144(p) „Vader, schiet!” riep Walther. „Vader, schiet!” riep Walter.

148 Intusschen wij moeten het Intusschen moeten wij het

185 de woede de elementen de woede der elementen

191 „Wat hebt hij gebroken, Kuno?” „Wat hebt gij gebroken, Kuno?”

191 „Gesler zelf heeft het mij „Geszler zelf heeft het mij

192 voor den wortelstrijd, voor den worstelstrijd,

Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld · 第 22 / 22 题