Twee geluksboden.
Binnen de hooge muren van den grooten burcht was van dat oogenblik af,
groote bedrijvigheid. Groote ketels werden boven putten aan ijzeren
staven gehangen. De ketels werden gevuld met pek, teer en zwavel, en
heele vaten vol met deze stoffen, werden naar de muren gerold. Onder de
ketels werd droog hout gelegd, dat maar wachtte om in brand gestoken te
worden. Wat dan in de ketels was, zou op de hoofden der stormloopende
Zwitsers geworpen worden.
Zware keien werden onder tegen den muur gelegd om die van den muur af
op de stormladders neer te werpen. Bakken vol zware pijlen kregen er
eene plaats naast bijlen, goedendags, zwaarden en lansen.
Zoo verliep de dag en viel de avond.
Het was een donkere avond, en voor den tijd van het jaar eigenlijk veel
te warm.
In het kamp om den Zwing-Uri was alles wel kalm, maar in rust was men
toch niet. Hier en daar hadden zich enkele groepjes gevormd en was men
in een zacht, maar druk gesprek met elkander.
Wat het onderwerp van dat gesprek was, behoeft wel niet gezegd te
worden. Tell's meesterschot, de kleine Walter, de dood van Friedel,
die eerst Tell bedrogen en daarna diens oudste zoontje geroofd had,
werden besproken en nog eens besproken, hier met bewondering, daar met
medelijden, ginds met koele onverschilligheid. Maar allen waren het
eens, dat Tell de eerste oorzaak was van hetgeen er nu gebeuren zou.
En gebeuren moest er wat, dat stond vast, want Geszler zou den dood van
zijn' trouwen en slimmen Friedel niet ongewroken laten. Onderwierp men
zich, dan zou Walter Fürst natuurlijk als offer vallen moeten, en Tell
zou niet te redden zijn.
Het was toen reeds als nu: iedereen liet graag zijn eigen licht
schijnen, en meende de zaken veel beter in te zien dan een ander, die
er naar zijne meening niets van wist. Vooral was er één troepje al heel
wijs. Luisteren wij!
Hier was er een, die het met Walter Fürst hield, en meende, dat het
eenige middel om ineens een einde aan al die verdrukking te maken, was:
den vijand overal terstond aanvallen.
Daar was er een, die Stauffacher en Attinghausen gelijk gaf en een
weinig uitstel veel beter vond.
Een derde meende alweer, dat men zeer goed eens probeeren kon
Oostenrijker te worden. Als men maar goed geregeerd werd en veel
vrijheid genoot, wat kwam het er dan op aan wie er regeerde?
Terwijl die mannen zoo stonden te redeneeren, klonk in hunne
onmiddellijke nabijheid een luid gelach, en nijdig wendden allen zich
naar de plaats vanwaar dat geluid kwam.
„Ik wensch je goeden avond,” sprak nu een man, die uit het kreupelhout
te voorschijn trad.
„Waar kom jij vandaan?” riep een uit het troepje.
„Hier uit het kreupelhout,” was het antwoord. „Maar mag ik vragen, wat
jeluî hier doet?”
„Wakker blijven en wachthouden, wat anders?”
„Mooi wachthouden! Ik sta hier wel al een kwartier, en als ik om al je
wijsheid niet in den lach geschoten was, dan stond ik er nog. Wil je me
bij Walter Fürst brengen?”
„Wie ben je? We kennen je niet! Als we niet wisten dat Claus, die
op den Sarnenstein diende, dood was, dan hielden wij je voor hem,
tenminste als je dan ook doof was, als hij.”
„Mijn naam doet niets ter zake! Breng me maar bij Walter Fürst of bij
een' anderen Bevelhebber!”
„Wij zullen je bij Ridder Rudolf van Reding brengen! Ga maar mee!”
De persoon, die zoo onverwachts verschenen was en die werkelijk niemand
anders was dan Claus, keek bij het hooren noemen van „Ridder Rudolf
van Reding” vreemd op, en een paar der wachters volgend zeide hij nu:
„Ridder Rudolf van Reding zeg je?”
„Ja! Wat er tegen?”
„De man, de oude man, die zich met de zaken nog niemendal bemoeid,
heeft en die zoo lang, als mij heugt met een paar oude bedienden op den
Redingfelz woont?”
„Dezelfde, man! Dezelfde!”
„En die is Ridder zeg je?”
„Hij draagt ten minste eene gouden spoor, en als hij te paard zit, zoo
heelemaal in blinkend ijzer en een helm met wuivenden vederbos op het
grijze hoofd, hij is zoo even hier nog geweest, dan maakt hij eene heel
andere vertooning dan wanneer hij achter den ploeg loopt of aan de
wijnpers staat!”
„Belangrijk nieuws voor me! Ik brand van nieuwsgierigheid om hem te
zien!” zeide Claus.
„Geduld maar, manlief! We zijn er gauw. Hier, in deze tent. Zullen we
op je wachten?”
„Niet noodig! Goeden nacht!”
Juist wilde Claus den ingang der tent zoeken toen de Ridder zelf
verscheen en vroeg: „Wien zoekt gij hier en wie zijt gij?”
„Is u Ridder van Reding?” vroeg Claus.
„Ik ben het!”
„Dan zal u zeker „Dooven Claus” van den Sarnenstein wel te woord willen
staan? Ik heb een stout plan, dat gemakkelijk ten uitvoer gelegd kan
worden en ons van veel voordeel zal zijn, als het welslaagt.”
„Ik heb door Stauffacher, Attinghausen en Fürst van u hooren spreken,
en ofschoon ik vermoed, dat het uw plan is om door de verborgen gang
den Sarnenstein binnen te dringen en in te nemen, en ik het goed vind,
acht ik het toch beter, dat de anderen ook hunne meening zeggen. Volg
me! Ze zijn hier dicht bij!”
Na eenige schreden gedaan te hebben bereikten ze eene vervallen hut,
die jaren geleden dienst gedaan had, als woning voor een' kluizenaar of
heremiet. Zulk een heremiet heeft steeds eene zeer slechte woning, zóó
slecht, dat we een arbeiders-huisje, dat bijna op instorten staat, eene
„hermitage” noemen. Weten we nu, dat de kluizenaar al een twintigtal
jaren geleden gestorven was, en dat men in al dien tijd niets aan die
kluis gedaan had, dan zullen we wel begrijpen, dat de Bevelhebbers van
de Zwitsers al zeer ellendig gehuisvest waren, en toch was deze kluis,
die voor een deel in de rotsen uitgehouwen was, nog een paleis te
noemen in vergelijking met de tent, die men van takken en waardelooze
lappen linnen in de grootste haast voor Ridder Rudolf opgericht had.
Had de uitslag van den opstand voor de Zwitsers afgehangen van de
verblijfplaatsen der Bevelhebbers, dan zouden de Oostenrijkers al eene
gemakkelijke overwinning behaald hebben! Gelukkig was dat zoo niet. Het
leven op en tusschen de bergen, niet maar zoo eens voor een paar mooie
weken in het hartje van den zomer, maar jaar in jaar uit, bij koude en
warmte, bij sneeuwjacht en voor- of najaarsstormen, had hen misschien
nog meer gehard dan de zware en harde strijd om het bestaan. Ze waren
niet verwend de Zwitsers van die dagen, en brachten zonder schade voor
hunne gezondheid en zonder nadeel voor hunne kleederen, den nacht op
den grond slapend door. Zelfs Stauffacher, van Attinghausen en Walter
Fürst, die het thuis zooveel beter gewoon waren, klaagden niet over de
ongemakken van de meer dan bouwvallige hermitage. Ook zij waren door de
weelde niet verwend geworden.
„Wees welkom, Claus!” riep Stauffacher den wakkeren gezel toe. „Nu de
kogel door de kerk is, behoeven we niet meer zoo geheimzinnig met u te
spreken, en kunnen we ons gerust vertoonen. Welk nieuws brengt ge van
den Sarnenstein? Heer Beringer was dezen middag zeker heel gauw terug.
Ik zag het hoe hij, toen Tell geschoten had en hier, onze Walter Fürst,
met de zijnen toesnelde, als de wind zoo vlug, gevolgd door zijn volk,
de Markt verliet en, zonder zich met Geszler te bemoeien, zich haastte,
wat hij kon om den Sarnenstein te bereiken. Een held is die man niet!”
Claus deelde nu het afgeluisterde gesprek tusschen Ludwig en Albrecht
mede, zooals we u dat in het vorige hoofdstuk verhaalden en zeide
dan: „Ge kunt begrijpen met welk eene spanning ik de terugkomst van
Landenberg en het andere volk tegemoet zag. Lang behoefde ik niet te
wachten. Ik hoorde weldra Beringer schreeuwen: „De brug op! De poort
dicht! Wachten overal verdubbelen! De Zwitsers zijn in oproer gekomen!”
„En wie van de bezetting zich aanmeldt om binnen te komen, Heer?” vroeg
Ludwig.
„Laat je binnen, ezel!” snauwde Beringer en snelde, gevolgd door
Herman, zijn' trouwsten Onderbevelhebber, naar de zaal.
Ik haastte mij om in den kelder onder die zaal te komen en hoorde nu,
wat er gebeurd was.
„En wat is nu uw voornemen, Heer?” vroeg Herman.
„De Sarnenstein is ruim van levensmiddelen voorzien en wij kunnen
onbekommerd langer dan een jaar eene belegering doorstaan. Van ééne
zijde slechts is de burcht te naderen, en voor een groot deel kunnen
wij dien weg zoo onbruikbaar maken, dat wij hem gemakkelijk tegen een'
grooten hoop verdedigen kunnen. Zoodra het avond geworden is, moet al
het volk buiten de poort gaan om dien weg te vernielen. Wij laten den
Sarnenstein belegeren, dan kunnen we op ons gemak denken en overleggen,
wat we doen zullen!”
Zou het niet beter zijn om den Sarnenstein te verlaten en ons te
vereenigen met den anderen Rijksvoogd, Heer Geszler? De Zwing-Uri is
ook sterk!”
„Als we dat doen, zal Geszler, omdat hij ouder is dan ik, het bevel
willen voeren, en dat kan ik niet dulden. Wij blijven hier! We zijn
veilig, en de Keizer, zal, als hij vernomen heeft, wat er gaande is,
ons komen ontzetten. Dus vannacht den weg onbruikbaar maken.”
Zoodra ik dit gehoord had, wist ik genoeg en wachtte tot een uur voor
zonsondergang. Ik vertoonde mij voorzichtig aan den uitgang in den
boom, en daar ik niemand zag, verliet ik hem en ging eerst, maar langs
een' omweg, naar Heer Attinghausens huis, waar ik vernam, dat ik hem
voor den Zwing-Uri kon vinden. Nu ben ik hier!'
„En wat zou je willen?” vroeg Stauffacher.
„Vijftig gewapende mannen, om terstond langs den geheimen weg den
burcht in te nemen terwijl de bezetting bezig is den weg onbruikbaar
te maken. Heer Beringer zal doen, wat hij iederen avond doet, als hij
alleen is, zich dronken drinken. Slechts een paar man zullen in den
burcht zijn, en dezen maken wij onschadelijk. Wij nemen allen gevangen,
halen de brug op en sluiten de poort. Zij, die buiten zijn, moeten daar
blijven, of worden door u aangevallen, wat natuurlijk nog beter is.”
„Een uitnemend plan, Claus,” zeide Heer Rudolf. „Zou Walter Fürst
vijftig mannen voor u hebben?”
„Tachtig, als het noodig is,” zeide Walter.
„Neen, vijftig man is meer dan genoeg. Ik weet, dat de heele bezetting
niet meer dan zestig man telt. Is nu de helft buiten, dan blijven
er dertig over. Die dertig verwachten geen' aanval, en wanneer ze
overrompeld worden, dan zullen ze spoedig genoeg zich overgeven. Claus
weet er overal den weg; hij zal die vijftig man aanvoeren. Maar hoor,
Claus, geen wreedheden begaan, verstaat ge! Oostenrijkers zijn ook
menschen. Als ge echter kunt, brengt ge Heer Beringer hier! Op den
Redingfelz is plaats voor hem. Hij zal tegen Tell uitgeleverd worden.”
„En wat moet ik dan doen?” vroeg Walter Fürst eenigszins ontevreden.
„Gij zijt met het overige deel van uw volk thuis noodig. Gij weet, dat
de Sarnenstein het dichtst bij uwe hoeve ligt, en gij begrijpt wel,
dat de Oostenrijkers, die buiten den burcht gesloten worden, zullen
trachten wraak te nemen. Vinden ze nu op uwe hoeve niets anders dan
vrouwen en kinderen, dan hebben ze immers alweer gijzelaars? Rept je
maar, want we zullen straks een vreeselijk onweder hebben! En nu, geluk
op uw pad! Voort mannen!”
Vooral Claus, die er veel belang bij had spoedig in den burcht te zijn
om de poort gesloten te houden voor de mannen, die buiten werkten,
haastte zich, en hij was een uur met al het volk in de geheime gang.
Toen ze bij den put waren, hoorden ze Heer Beringer met dubbelslaande
tong schreeuwen: „Herman, zijn die twee oproermakers nu wel... wel...
wel... in...”
„U bedoelt of Ludwig en Albrecht achter slot en grendel zitten, Heer?”
„Wie--wie--anders? Ze hebben immers gezegd, dat--dat--die
Tell--neen--die--Geszler, een b--beu--beul was?”
„Ja, Heer, en niet alleen tot mij zeiden ze dat, maar tot al het volk!”
„Een voorbeeld, een-een voorbeeld! Morgen-ge-morgen-gehangen! Een
voor-voorbeeld! Help-help-me me naar-b-bed! Ik lijd-lijd weer-weer-aan
dui-dui-dui-d-d duize-lingen-lin-gen!”
Plof! daar viel de laffe dronkaard neer!
Het werd stil daar boven.
„Langs het touw van den emmer konden wel tien man naar boven
klauteren,” zeide Claus zacht. „Wie klimmen kan, kome hier staan.”
Veertien mannen kwamen bij hem.
„Goed,” zeide Claus. „Als je mij nu hoort roepen: „Weg met den
Oostenrijker!” dan klim je naar boven. Tien schreden links van den put
is de poort. Zorgt dat niemand daardoor ontsnapt! Sluit ze vooraf!”
Met de andere mannen kwam Claus nu door den kelder in het kasteel. Bij
een vat verrasten ze Herman, die van de gelegenheid gebruik maakte om
zich ook dronken te drinken. In een oogenblik was hij gekneveld en een
doek in den mond belette hem het schreeuwen. Met Heer Beringer hadden
ze nog minder moeite en de vijf of zes mannen, die nog in den burcht
achtergebleven waren, hadden het voorbeeld van den Rijksvoogd en Herman
gevolgd. Er werden slechts acht dronkaards gevonden en gekneveld.
„En die twee in de gevangenis?” vroeg een aan Claus.
Wat Claus van Ludwig en Albrecht wist, vertelde hij, en nu was er
niemand tegen, dat deze twee uit de gevangenis verlost werden en binnen
het kasteel hunne vrijheid behielden.
Spoedig was Claus bij hen en hij kon ze ook vrij laten loopen waar
ze wilden. Nu ze zóó behandeld waren geworden en zelfs den volgenden
dag opgehangen geworden zouden zijn, als de burcht niet overrompeld
was geworden, wilden ze noch Landenberg, noch Geszler langer dienen.
Ze vroegen alleen verschoond te mogen blijven om niet tegen hunne
landgenooten te moeten strijden.
Onder het genot van een' dronk krachtig bier zaten allen weldra buiten
op het plein bij elkander. Het was drukkend heet, wonderlijk heet zelfs.
„Dat wordt een booze nacht, mannen,” sprak Claus. „De föhn zal zich
alweer laten gelden. Zie, daar komt ze al. Naar de poort! De luî daar
buiten zullen er in willen.”
Een dichte, warme nevel omringde hen en eene sombere stemming maakte
zich van allen meester. Het duurde niet lang of de storm barstte los en
hevige donderslagen schenen in kracht met het bulderen van den storm te
wedijveren.
„Doet open! Neer de brug!” schreeuwde men daar buiten.
Claus hoorde het en ging naar de poort. Hij zette de handen voor den
mond en riep: „Doet de groeten aan Geszler, als je hem ziet, en zegt
hem, dat Claus met het volk van Walter Fürst zich van den Sarnenstein
heeft meester gemaakt, en dat Beringer van Landenberg onze gevangene
is. Zeg hem ook, dat hij die aardigheid aan mij, den dooven Claus, te
danken heeft!”--
Men wierp schoppen, bijlen en houweelen tegen de brug, maar deze viel
voor zulke zwakke werptuigen niet neer.
„Als het volk van Walter Fürst den burcht ingenomen heeft, dan is zijne
hoeve weerloos! Op, naar zijn huis! Wij zullen toch onder dak komen
en het vrouwvolk, dat daar is, zal het gelag betalen,” riep één der
aanvallers uit.
Te midden van storm en onweder ijlden de mannen naar Walters hoeve,
doch inplaats van er heel gemakkelijk een onderkomen te vinden, werden
ze zóó ontvangen, dat tien hunner er het leven bij inschoten en
verscheidenen gewond werden.
De arme mannen namen nu de vlucht, doch velen bleven onderweg liggen,
verpletterd of zwaar gewond door de steenen, die van de rotsen
neersloegen.
Walter Fürst dacht aan geen achtervolgen en ging naar binnen. Een uur
later was de föhn voorbij en begon het te stortregenen.
„Men klopt, Grootvader,” zeide de kleine Walter, „men klopt aan het
vensterluik!”
„Ik hoorde het ook,” sprak de oude man. „Ik zal zien, wie er is!”
Hij verwijderde zich, doch kwam spoedig terug met een' pijl.
„Deze pijl zat in het luik,” zeî hij, „en dit strookje perkament was er
aan!”
Bij het licht van eene harsspaan las hij: „Ik ben vrij! Zeg het Walter!
Tell!”
Grootvader deed, na dit gelezen te hebben, een' luiden juichkreet
hooren. Hij greep den kleinen Walter, die te midden van al dit rumoer,
hoewel nu en dan knikkebollend, wakker gebleven was, aan, lichtte hem
op en fluisterde hem in het oor: „Kind, je Vader is vrij en--dat heb
jij eigenlijk dan toch zoo ver gebracht!”
Wat was het kind gelukkig!
„Tell vrij!” iedereen vernam het. Hoe hij vrij gekomen was, ja, dat
wist men niet, dat stond niet in het briefje. Hij was vrij, en dat was
genoeg om allen in eene blijde stemming te brengen. Hij kon natuurlijk
niet weten, wat er gaande was, en nu was hij maar zoo dichtbij gekomen,
dat hij zonder gevaar bij het licht van den aanbrekenden dag een' pijl
als bode afzenden kon.
En als nu Claus' onderneming eens geheel gelukt was! Dat hij den
Sarnenstein overrompeld had, was duidelijk, want als hem dat niet
gelukt was, dan zouden de mannen van de bezetting de hoeve van Walter
Fürst niet aangevallen hebben. De vraag was maar: „Is Beringer van
Landenberg gevangen genomen?”
Daar komt een ruiter aanhollen, maar niet van de zijde van den
Sarnenstein, maar wel van die van den Zwing-Uri.
Het is een dienstman van Walter en uit de verte roept hij al: „Wij
hebben den Sarnenstein ingenomen en acht gevangenen gemaakt. Een van
die acht is de Rijksvoogd!”
„Claus zeide, dat ik het bericht hiervan eerst bij Heer Rudolf moest
brengen en dan u,” sprak de man, die afsteeg.
„En ik heb ook goed nieuws! Tell is vrij! Met een' pijl schoot hij mij
dit bericht in het vensterluik,” riep Walter opgewonden.
„Dat moeten ze ginder ook weten,” jubelde de bode, sprong te paard en
keerde spoorslags naar den Zwing-Uri terug.
„Liesbeth, ouwentje,” dus riep Walter zijne vrouw toe, „dat is een
begin, zooals we niet hebben durven droomen! Nog geen etmaal in
openbaar verzet, en niet alleen een' burcht ingenomen, maar ook een'
Rijksvoogd in onze macht! We waren er te vroeg bij, geloofde men!
Tell had alles in de war gebracht, en... het zal gaan, het zal toch
gaan! Wist ik maar hoe het hem gelukt is vrij te komen! Maar hoe het
geschied moge zijn, dat doet er niet toe! Kleine Walter, mijn dapper
naamgenootje was toch oorzaak, dat hij vrij kwam. Zonder dat kind was
het pijlschot niet gedaan, en zonder dat pijlschot was Tell nog de
gevangene van dien wreeden Geszler. O, ik brand van verlangen om te
vernemen hoe die bevrijding geschied is!”
Was Walter nieuwsgierig, wij zijn het niet minder, en daarom doen we
maar, alsof we niet bij de overrompeling van den Sarnenstein geweest
zijn, en begeven ons bij het invallen van den nacht naar den Zwing-Uri,
want wij willen Tell's bevrijding ook bijwonen.