TIENDE HOOFDSTUK.

Twee geluksboden.

Binnen de hooge muren van den grooten burcht was van dat oogenblik af,

groote bedrijvigheid. Groote ketels werden boven putten aan ijzeren

staven gehangen. De ketels werden gevuld met pek, teer en zwavel, en

heele vaten vol met deze stoffen, werden naar de muren gerold. Onder de

ketels werd droog hout gelegd, dat maar wachtte om in brand gestoken te

worden. Wat dan in de ketels was, zou op de hoofden der stormloopende

Zwitsers geworpen worden.

Zware keien werden onder tegen den muur gelegd om die van den muur af

op de stormladders neer te werpen. Bakken vol zware pijlen kregen er

eene plaats naast bijlen, goedendags, zwaarden en lansen.

Zoo verliep de dag en viel de avond.

Het was een donkere avond, en voor den tijd van het jaar eigenlijk veel

te warm.

In het kamp om den Zwing-Uri was alles wel kalm, maar in rust was men

toch niet. Hier en daar hadden zich enkele groepjes gevormd en was men

in een zacht, maar druk gesprek met elkander.

Wat het onderwerp van dat gesprek was, behoeft wel niet gezegd te

worden. Tell's meesterschot, de kleine Walter, de dood van Friedel,

die eerst Tell bedrogen en daarna diens oudste zoontje geroofd had,

werden besproken en nog eens besproken, hier met bewondering, daar met

medelijden, ginds met koele onverschilligheid. Maar allen waren het

eens, dat Tell de eerste oorzaak was van hetgeen er nu gebeuren zou.

En gebeuren moest er wat, dat stond vast, want Geszler zou den dood van

zijn' trouwen en slimmen Friedel niet ongewroken laten. Onderwierp men

zich, dan zou Walter Fürst natuurlijk als offer vallen moeten, en Tell

zou niet te redden zijn.

Het was toen reeds als nu: iedereen liet graag zijn eigen licht

schijnen, en meende de zaken veel beter in te zien dan een ander, die

er naar zijne meening niets van wist. Vooral was er één troepje al heel

wijs. Luisteren wij!

Hier was er een, die het met Walter Fürst hield, en meende, dat het

eenige middel om ineens een einde aan al die verdrukking te maken, was:

den vijand overal terstond aanvallen.

Daar was er een, die Stauffacher en Attinghausen gelijk gaf en een

weinig uitstel veel beter vond.

Een derde meende alweer, dat men zeer goed eens probeeren kon

Oostenrijker te worden. Als men maar goed geregeerd werd en veel

vrijheid genoot, wat kwam het er dan op aan wie er regeerde?

Terwijl die mannen zoo stonden te redeneeren, klonk in hunne

onmiddellijke nabijheid een luid gelach, en nijdig wendden allen zich

naar de plaats vanwaar dat geluid kwam.

„Ik wensch je goeden avond,” sprak nu een man, die uit het kreupelhout

te voorschijn trad.

„Waar kom jij vandaan?” riep een uit het troepje.

„Hier uit het kreupelhout,” was het antwoord. „Maar mag ik vragen, wat

jeluî hier doet?”

„Wakker blijven en wachthouden, wat anders?”

„Mooi wachthouden! Ik sta hier wel al een kwartier, en als ik om al je

wijsheid niet in den lach geschoten was, dan stond ik er nog. Wil je me

bij Walter Fürst brengen?”

„Wie ben je? We kennen je niet! Als we niet wisten dat Claus, die

op den Sarnenstein diende, dood was, dan hielden wij je voor hem,

tenminste als je dan ook doof was, als hij.”

„Mijn naam doet niets ter zake! Breng me maar bij Walter Fürst of bij

een' anderen Bevelhebber!”

„Wij zullen je bij Ridder Rudolf van Reding brengen! Ga maar mee!”

De persoon, die zoo onverwachts verschenen was en die werkelijk niemand

anders was dan Claus, keek bij het hooren noemen van „Ridder Rudolf

van Reding” vreemd op, en een paar der wachters volgend zeide hij nu:

„Ridder Rudolf van Reding zeg je?”

„Ja! Wat er tegen?”

„De man, de oude man, die zich met de zaken nog niemendal bemoeid,

heeft en die zoo lang, als mij heugt met een paar oude bedienden op den

Redingfelz woont?”

„Dezelfde, man! Dezelfde!”

„En die is Ridder zeg je?”

„Hij draagt ten minste eene gouden spoor, en als hij te paard zit, zoo

heelemaal in blinkend ijzer en een helm met wuivenden vederbos op het

grijze hoofd, hij is zoo even hier nog geweest, dan maakt hij eene heel

andere vertooning dan wanneer hij achter den ploeg loopt of aan de

wijnpers staat!”

„Belangrijk nieuws voor me! Ik brand van nieuwsgierigheid om hem te

zien!” zeide Claus.

„Geduld maar, manlief! We zijn er gauw. Hier, in deze tent. Zullen we

op je wachten?”

„Niet noodig! Goeden nacht!”

Juist wilde Claus den ingang der tent zoeken toen de Ridder zelf

verscheen en vroeg: „Wien zoekt gij hier en wie zijt gij?”

„Is u Ridder van Reding?” vroeg Claus.

„Ik ben het!”

„Dan zal u zeker „Dooven Claus” van den Sarnenstein wel te woord willen

staan? Ik heb een stout plan, dat gemakkelijk ten uitvoer gelegd kan

worden en ons van veel voordeel zal zijn, als het welslaagt.”

„Ik heb door Stauffacher, Attinghausen en Fürst van u hooren spreken,

en ofschoon ik vermoed, dat het uw plan is om door de verborgen gang

den Sarnenstein binnen te dringen en in te nemen, en ik het goed vind,

acht ik het toch beter, dat de anderen ook hunne meening zeggen. Volg

me! Ze zijn hier dicht bij!”

Na eenige schreden gedaan te hebben bereikten ze eene vervallen hut,

die jaren geleden dienst gedaan had, als woning voor een' kluizenaar of

heremiet. Zulk een heremiet heeft steeds eene zeer slechte woning, zóó

slecht, dat we een arbeiders-huisje, dat bijna op instorten staat, eene

„hermitage” noemen. Weten we nu, dat de kluizenaar al een twintigtal

jaren geleden gestorven was, en dat men in al dien tijd niets aan die

kluis gedaan had, dan zullen we wel begrijpen, dat de Bevelhebbers van

de Zwitsers al zeer ellendig gehuisvest waren, en toch was deze kluis,

die voor een deel in de rotsen uitgehouwen was, nog een paleis te

noemen in vergelijking met de tent, die men van takken en waardelooze

lappen linnen in de grootste haast voor Ridder Rudolf opgericht had.

Had de uitslag van den opstand voor de Zwitsers afgehangen van de

verblijfplaatsen der Bevelhebbers, dan zouden de Oostenrijkers al eene

gemakkelijke overwinning behaald hebben! Gelukkig was dat zoo niet. Het

leven op en tusschen de bergen, niet maar zoo eens voor een paar mooie

weken in het hartje van den zomer, maar jaar in jaar uit, bij koude en

warmte, bij sneeuwjacht en voor- of najaarsstormen, had hen misschien

nog meer gehard dan de zware en harde strijd om het bestaan. Ze waren

niet verwend de Zwitsers van die dagen, en brachten zonder schade voor

hunne gezondheid en zonder nadeel voor hunne kleederen, den nacht op

den grond slapend door. Zelfs Stauffacher, van Attinghausen en Walter

Fürst, die het thuis zooveel beter gewoon waren, klaagden niet over de

ongemakken van de meer dan bouwvallige hermitage. Ook zij waren door de

weelde niet verwend geworden.

„Wees welkom, Claus!” riep Stauffacher den wakkeren gezel toe. „Nu de

kogel door de kerk is, behoeven we niet meer zoo geheimzinnig met u te

spreken, en kunnen we ons gerust vertoonen. Welk nieuws brengt ge van

den Sarnenstein? Heer Beringer was dezen middag zeker heel gauw terug.

Ik zag het hoe hij, toen Tell geschoten had en hier, onze Walter Fürst,

met de zijnen toesnelde, als de wind zoo vlug, gevolgd door zijn volk,

de Markt verliet en, zonder zich met Geszler te bemoeien, zich haastte,

wat hij kon om den Sarnenstein te bereiken. Een held is die man niet!”

Claus deelde nu het afgeluisterde gesprek tusschen Ludwig en Albrecht

mede, zooals we u dat in het vorige hoofdstuk verhaalden en zeide

dan: „Ge kunt begrijpen met welk eene spanning ik de terugkomst van

Landenberg en het andere volk tegemoet zag. Lang behoefde ik niet te

wachten. Ik hoorde weldra Beringer schreeuwen: „De brug op! De poort

dicht! Wachten overal verdubbelen! De Zwitsers zijn in oproer gekomen!”

„En wie van de bezetting zich aanmeldt om binnen te komen, Heer?” vroeg

Ludwig.

„Laat je binnen, ezel!” snauwde Beringer en snelde, gevolgd door

Herman, zijn' trouwsten Onderbevelhebber, naar de zaal.

Ik haastte mij om in den kelder onder die zaal te komen en hoorde nu,

wat er gebeurd was.

„En wat is nu uw voornemen, Heer?” vroeg Herman.

„De Sarnenstein is ruim van levensmiddelen voorzien en wij kunnen

onbekommerd langer dan een jaar eene belegering doorstaan. Van ééne

zijde slechts is de burcht te naderen, en voor een groot deel kunnen

wij dien weg zoo onbruikbaar maken, dat wij hem gemakkelijk tegen een'

grooten hoop verdedigen kunnen. Zoodra het avond geworden is, moet al

het volk buiten de poort gaan om dien weg te vernielen. Wij laten den

Sarnenstein belegeren, dan kunnen we op ons gemak denken en overleggen,

wat we doen zullen!”

Zou het niet beter zijn om den Sarnenstein te verlaten en ons te

vereenigen met den anderen Rijksvoogd, Heer Geszler? De Zwing-Uri is

ook sterk!”

„Als we dat doen, zal Geszler, omdat hij ouder is dan ik, het bevel

willen voeren, en dat kan ik niet dulden. Wij blijven hier! We zijn

veilig, en de Keizer, zal, als hij vernomen heeft, wat er gaande is,

ons komen ontzetten. Dus vannacht den weg onbruikbaar maken.”

Zoodra ik dit gehoord had, wist ik genoeg en wachtte tot een uur voor

zonsondergang. Ik vertoonde mij voorzichtig aan den uitgang in den

boom, en daar ik niemand zag, verliet ik hem en ging eerst, maar langs

een' omweg, naar Heer Attinghausens huis, waar ik vernam, dat ik hem

voor den Zwing-Uri kon vinden. Nu ben ik hier!'

„En wat zou je willen?” vroeg Stauffacher.

„Vijftig gewapende mannen, om terstond langs den geheimen weg den

burcht in te nemen terwijl de bezetting bezig is den weg onbruikbaar

te maken. Heer Beringer zal doen, wat hij iederen avond doet, als hij

alleen is, zich dronken drinken. Slechts een paar man zullen in den

burcht zijn, en dezen maken wij onschadelijk. Wij nemen allen gevangen,

halen de brug op en sluiten de poort. Zij, die buiten zijn, moeten daar

blijven, of worden door u aangevallen, wat natuurlijk nog beter is.”

„Een uitnemend plan, Claus,” zeide Heer Rudolf. „Zou Walter Fürst

vijftig mannen voor u hebben?”

„Tachtig, als het noodig is,” zeide Walter.

„Neen, vijftig man is meer dan genoeg. Ik weet, dat de heele bezetting

niet meer dan zestig man telt. Is nu de helft buiten, dan blijven

er dertig over. Die dertig verwachten geen' aanval, en wanneer ze

overrompeld worden, dan zullen ze spoedig genoeg zich overgeven. Claus

weet er overal den weg; hij zal die vijftig man aanvoeren. Maar hoor,

Claus, geen wreedheden begaan, verstaat ge! Oostenrijkers zijn ook

menschen. Als ge echter kunt, brengt ge Heer Beringer hier! Op den

Redingfelz is plaats voor hem. Hij zal tegen Tell uitgeleverd worden.”

„En wat moet ik dan doen?” vroeg Walter Fürst eenigszins ontevreden.

„Gij zijt met het overige deel van uw volk thuis noodig. Gij weet, dat

de Sarnenstein het dichtst bij uwe hoeve ligt, en gij begrijpt wel,

dat de Oostenrijkers, die buiten den burcht gesloten worden, zullen

trachten wraak te nemen. Vinden ze nu op uwe hoeve niets anders dan

vrouwen en kinderen, dan hebben ze immers alweer gijzelaars? Rept je

maar, want we zullen straks een vreeselijk onweder hebben! En nu, geluk

op uw pad! Voort mannen!”

Vooral Claus, die er veel belang bij had spoedig in den burcht te zijn

om de poort gesloten te houden voor de mannen, die buiten werkten,

haastte zich, en hij was een uur met al het volk in de geheime gang.

Toen ze bij den put waren, hoorden ze Heer Beringer met dubbelslaande

tong schreeuwen: „Herman, zijn die twee oproermakers nu wel... wel...

wel... in...”

„U bedoelt of Ludwig en Albrecht achter slot en grendel zitten, Heer?”

„Wie--wie--anders? Ze hebben immers gezegd, dat--dat--die

Tell--neen--die--Geszler, een b--beu--beul was?”

„Ja, Heer, en niet alleen tot mij zeiden ze dat, maar tot al het volk!”

„Een voorbeeld, een-een voorbeeld! Morgen-ge-morgen-gehangen! Een

voor-voorbeeld! Help-help-me me naar-b-bed! Ik lijd-lijd weer-weer-aan

dui-dui-dui-d-d duize-lingen-lin-gen!”

Plof! daar viel de laffe dronkaard neer!

Het werd stil daar boven.

„Langs het touw van den emmer konden wel tien man naar boven

klauteren,” zeide Claus zacht. „Wie klimmen kan, kome hier staan.”

Veertien mannen kwamen bij hem.

„Goed,” zeide Claus. „Als je mij nu hoort roepen: „Weg met den

Oostenrijker!” dan klim je naar boven. Tien schreden links van den put

is de poort. Zorgt dat niemand daardoor ontsnapt! Sluit ze vooraf!”

Met de andere mannen kwam Claus nu door den kelder in het kasteel. Bij

een vat verrasten ze Herman, die van de gelegenheid gebruik maakte om

zich ook dronken te drinken. In een oogenblik was hij gekneveld en een

doek in den mond belette hem het schreeuwen. Met Heer Beringer hadden

ze nog minder moeite en de vijf of zes mannen, die nog in den burcht

achtergebleven waren, hadden het voorbeeld van den Rijksvoogd en Herman

gevolgd. Er werden slechts acht dronkaards gevonden en gekneveld.

„En die twee in de gevangenis?” vroeg een aan Claus.

Wat Claus van Ludwig en Albrecht wist, vertelde hij, en nu was er

niemand tegen, dat deze twee uit de gevangenis verlost werden en binnen

het kasteel hunne vrijheid behielden.

Spoedig was Claus bij hen en hij kon ze ook vrij laten loopen waar

ze wilden. Nu ze zóó behandeld waren geworden en zelfs den volgenden

dag opgehangen geworden zouden zijn, als de burcht niet overrompeld

was geworden, wilden ze noch Landenberg, noch Geszler langer dienen.

Ze vroegen alleen verschoond te mogen blijven om niet tegen hunne

landgenooten te moeten strijden.

Onder het genot van een' dronk krachtig bier zaten allen weldra buiten

op het plein bij elkander. Het was drukkend heet, wonderlijk heet zelfs.

„Dat wordt een booze nacht, mannen,” sprak Claus. „De föhn zal zich

alweer laten gelden. Zie, daar komt ze al. Naar de poort! De luî daar

buiten zullen er in willen.”

Een dichte, warme nevel omringde hen en eene sombere stemming maakte

zich van allen meester. Het duurde niet lang of de storm barstte los en

hevige donderslagen schenen in kracht met het bulderen van den storm te

wedijveren.

„Doet open! Neer de brug!” schreeuwde men daar buiten.

Claus hoorde het en ging naar de poort. Hij zette de handen voor den

mond en riep: „Doet de groeten aan Geszler, als je hem ziet, en zegt

hem, dat Claus met het volk van Walter Fürst zich van den Sarnenstein

heeft meester gemaakt, en dat Beringer van Landenberg onze gevangene

is. Zeg hem ook, dat hij die aardigheid aan mij, den dooven Claus, te

danken heeft!”--

Men wierp schoppen, bijlen en houweelen tegen de brug, maar deze viel

voor zulke zwakke werptuigen niet neer.

„Als het volk van Walter Fürst den burcht ingenomen heeft, dan is zijne

hoeve weerloos! Op, naar zijn huis! Wij zullen toch onder dak komen

en het vrouwvolk, dat daar is, zal het gelag betalen,” riep één der

aanvallers uit.

Te midden van storm en onweder ijlden de mannen naar Walters hoeve,

doch inplaats van er heel gemakkelijk een onderkomen te vinden, werden

ze zóó ontvangen, dat tien hunner er het leven bij inschoten en

verscheidenen gewond werden.

De arme mannen namen nu de vlucht, doch velen bleven onderweg liggen,

verpletterd of zwaar gewond door de steenen, die van de rotsen

neersloegen.

Walter Fürst dacht aan geen achtervolgen en ging naar binnen. Een uur

later was de föhn voorbij en begon het te stortregenen.

„Men klopt, Grootvader,” zeide de kleine Walter, „men klopt aan het

vensterluik!”

„Ik hoorde het ook,” sprak de oude man. „Ik zal zien, wie er is!”

Hij verwijderde zich, doch kwam spoedig terug met een' pijl.

„Deze pijl zat in het luik,” zeî hij, „en dit strookje perkament was er

aan!”

Bij het licht van eene harsspaan las hij: „Ik ben vrij! Zeg het Walter!

Tell!”

Grootvader deed, na dit gelezen te hebben, een' luiden juichkreet

hooren. Hij greep den kleinen Walter, die te midden van al dit rumoer,

hoewel nu en dan knikkebollend, wakker gebleven was, aan, lichtte hem

op en fluisterde hem in het oor: „Kind, je Vader is vrij en--dat heb

jij eigenlijk dan toch zoo ver gebracht!”

Wat was het kind gelukkig!

„Tell vrij!” iedereen vernam het. Hoe hij vrij gekomen was, ja, dat

wist men niet, dat stond niet in het briefje. Hij was vrij, en dat was

genoeg om allen in eene blijde stemming te brengen. Hij kon natuurlijk

niet weten, wat er gaande was, en nu was hij maar zoo dichtbij gekomen,

dat hij zonder gevaar bij het licht van den aanbrekenden dag een' pijl

als bode afzenden kon.

En als nu Claus' onderneming eens geheel gelukt was! Dat hij den

Sarnenstein overrompeld had, was duidelijk, want als hem dat niet

gelukt was, dan zouden de mannen van de bezetting de hoeve van Walter

Fürst niet aangevallen hebben. De vraag was maar: „Is Beringer van

Landenberg gevangen genomen?”

Daar komt een ruiter aanhollen, maar niet van de zijde van den

Sarnenstein, maar wel van die van den Zwing-Uri.

Het is een dienstman van Walter en uit de verte roept hij al: „Wij

hebben den Sarnenstein ingenomen en acht gevangenen gemaakt. Een van

die acht is de Rijksvoogd!”

„Claus zeide, dat ik het bericht hiervan eerst bij Heer Rudolf moest

brengen en dan u,” sprak de man, die afsteeg.

„En ik heb ook goed nieuws! Tell is vrij! Met een' pijl schoot hij mij

dit bericht in het vensterluik,” riep Walter opgewonden.

„Dat moeten ze ginder ook weten,” jubelde de bode, sprong te paard en

keerde spoorslags naar den Zwing-Uri terug.

„Liesbeth, ouwentje,” dus riep Walter zijne vrouw toe, „dat is een

begin, zooals we niet hebben durven droomen! Nog geen etmaal in

openbaar verzet, en niet alleen een' burcht ingenomen, maar ook een'

Rijksvoogd in onze macht! We waren er te vroeg bij, geloofde men!

Tell had alles in de war gebracht, en... het zal gaan, het zal toch

gaan! Wist ik maar hoe het hem gelukt is vrij te komen! Maar hoe het

geschied moge zijn, dat doet er niet toe! Kleine Walter, mijn dapper

naamgenootje was toch oorzaak, dat hij vrij kwam. Zonder dat kind was

het pijlschot niet gedaan, en zonder dat pijlschot was Tell nog de

gevangene van dien wreeden Geszler. O, ik brand van verlangen om te

vernemen hoe die bevrijding geschied is!”

Was Walter nieuwsgierig, wij zijn het niet minder, en daarom doen we

maar, alsof we niet bij de overrompeling van den Sarnenstein geweest

zijn, en begeven ons bij het invallen van den nacht naar den Zwing-Uri,

want wij willen Tell's bevrijding ook bijwonen.

Willem Tell: De Zwitsersche vrijheidsheld · 第 19 / 22 题