Tell's Meesterschot en Geszler's plannen.
Het kon dien dag zoo ongeveer elf uur in den morgen zijn, dat Tell in
zijne onderaardsche gevangenis het gerucht van nadere schreden vernam
en spoedig daarop verschenen eenige Oostenrijkers.
„Volg ons,” sprak de Aanvoerder. „Gij moet voor den Rijksvoogd
verschijnen.”
Zonder te vragen waarom, stond Tell op en volgde de soldaten, die hem
door eene reeks gangen voerden, welke allengs lichter werden. Hoewel
Tell nu nog maar kort in de duisternis vertoefd had, was die langzame
overgang van donker tot licht toch zeer goed voor hem en kon hij nu
goed zien, zonder dat de oogen hem pijn deden toen hij voor Geszler en
Landenberg stond.
„Zijt gij niet nieuwsgierig waarom wij u hebben laten roepen?” begon
Geszler.
„Naar de daden van mannen, die hun Volk verraden hebben, ben ik nooit
nieuwsgierig,” sprak Tell.
Geszler glimlachte valsch en zeide: „Gij zijt een zeer dapper
man, Tell! Maar daar gij niet nieuwsgierig zijt, moeten wij u wel
zeggen, waarom wij u hebben laten roepen. Ik heb met Landenberg eene
weddenschap aangegaan. Ziet gij dit appeltje?”
Hij liet een appeltje zien.
„Ik zie het,” sprak Tell.
„Welnu, ik, die weet, welk een meester schutter gij zijt, heb tot
Landenberg gezegd, dat gij het op een' afstand van vijftig uwer
schreden gemakkelijk raken kunt, onverschillig waarop het staat, als
gij het maar zien kunt. Hij wilde dat niet gelooven. Nu stel ik u voor
om te toonen, dat ik u niet te veel geprezen heb. Raakt ge den appel,
welnu, dan schenk ik u de vrijheid en wil voor dezen keer vergeten, dat
gij den Hertog van Oostenrijk beleedigd hebt door het teeken zijner
waardigheid niet te groeten. Neemt gij het aan, dan trekken we terstond
naar Altorf, waar ge dan op het Marktplein uwe kunst toonen kunt!”
„Mag ik eerst den boog zien, dien gij mij geven zult,” sprak Tell.
„Hier, de mijne staat u ten dienste.”
Geszler bood hem den boog aan; Tell onderzocht dien en zeide: „De boog
is vrij goed; ik neem het aan.”
Spoedig was men nu buiten den Zwing-Uri op weg naar Altorf en reeds
verwonderde het Tell, dat er zooveel volk op de been was.
„Heer Geszler,” sprak Tell opeens en hij bleef staan, „gij speelt toch
geen valsch spel met me? Hoe weten zij allen, die daar op de Markt
staan, wat er gebeuren zal?”
„Het is ernst, Vrijjager! en als gij ziet waarop de appel, dien ge
wegschieten moet, staat, zult ge zelf de eerste zijn om te zeggen,
dat het geen spel, maar ernst is. En wat het volk betreft, ge ziet
zelf wel, dat het de mijnen en die van den Sarnenstein zijn, die hunne
nieuwsgierigheid niet bedwingen kunnen om uw meesterschot te zien!”
„Het is dan toch wel vreemd, dat ze allen gewapend zijn!” merkte Tell
aan, „en zie, daar komt Beringer van Landenberg ook al met een gewapend
gevolg! Zeg, Heer Geszler, wat beduidt dat alles? Moet het soms eene
terechtstelling worden en hebt gij geen' moed het mij te zeggen?”
„Een Oostenrijker brak nog nooit zijn woord, Vrijjager!” sprak Geszler
op hooghartigen toon.
„Als gij Oostenrijker waart, zou ik u gelooven! Gij weet wel, dat gij
het niet zijt, en dat gij eens een Zwitser geweest zijt. Nu zijt ge
nóch het een, nóch het ander. Uw eerewoord is voor mij geen eerewoord.”
Woedend zag Geszler den stouten spreker aan, doch hij zweeg, bij
zichzelven denkend: „Nog een oogenblik slechts en ik heb hem klein
gekregen.”
Zonder dus eenig antwoord op die hatelijke woorden te geven, zette hij
zijn paard aan om Landenberg te gaan begroeten en Tell schreed langzaam
voort tusschen Geszlers gewapend gevolg.
„Nu gij er zijt, zullen we niet wachten tot den middag,” sprak Geszler
zijn' zoogenaamden vriend toe. „Ik vertrouw de kalmte der Zwitsers
niet! Hebt gij op uw' tocht van den Sarnenstein geen gewapend volk
gezien?”
„Ja, en heel wat ook! Ze schenen haast te hebben om zich te verzamelen,
en ik vermoed zoo dat ze er zoo goed als alles van weten.”
„Dat kan niet! Hoe zouden ze het te weten gekomen zijn? Alles is in de
grootste stilte geschied!”
„Hoe weten ze alles? Geszler moest die vraag niet doen! Ik geloofde
gisteren nog, dat men Tell en zijn' zoon in de bergen verongelukt
waande, nu geloof ik het niet meer. Ik zou zelfs willen voorstellen
om dat pijlschot niet hier te laten doen. Op de binnenplaats van den
Zwing-Uri zijn we veiliger!”
Geszler keek Beringer minachtend aan en zeide: „Neen, niet op de
binnenplaats van mijn' burcht, maar hier op de Markt, en op dezelfde
plaats waar hij stond om den Keizer, onzen Hertog te beleedigen, hier
zal hij zijne straf ondergaan. Als gij bang zijt, verwijder u dan en
verschans u achter de muren van den Sarnenstein. Ik ben geen lafaard en
vrees het Zwitsersche gepeupel niet. Ik zal vandaag aan al die schelmen
toonen, dat Oostenrijk heerscht over dit oproerige volk!”
Geszler draaide Beringer den rug toe om de noodige bevelen te geven,
want Tell was op de strafplaats aangekomen.
Op de Markt stond eene breedgetakte eeuwenoude linde, waaromheen een
aantal mannen stonden om voor het oog der toeschouwers wat te verbergen.
Te paard keek Geszler over de hoofden heen en glimlachte toen hij den
kleinen Walter daar zag staan.
„Let wel op, Friedel,” sprak hij tot den ons welbekenden deugniet. „Als
ik Tell een' pijl overgeef en dan naar de linde wijs, moet ge dadelijk
al het volk verwijderen zoodat de knaap heel alleen tegen den boom
staat met den appel op het hoofd!”
„Het is goed, Heer! Het zal geschieden,” sprak Friedel.
Geszler reed naar de plaats waar Tell te midden van gewapende
Oostenrijkers stond te wachten.
„Geef hem uw' boog, Franz,” sprak hij tot een' der zijnen.
Deze deed het, doch toen Tell den boog in handen had, wierp hij hem
neer en zeide: „Kinderspeelgoed! Met dien boog kan ik niet schieten.
Gisteren hebt ge mij immers den uwen beloofd, Heer Rijksvoogd, en die
is waarlijk nog gebrekkig genoeg!”
„Welnu, hier is hij dan,” sprak Geszler en gaf hem zijn' eigen
boog. „Gij vreest niet te zullen treffen en zoekt nu kinderachtige
uitvluchten!”
Tell bekeek den boog van alle kanten, wond hem met eene kleine windas
op, en na hem, zonder een' pijl er op, eens aangelegd te hebben, sprak
hij: „Ik zal treffen, Heer Rijksvoogd!”
„Dat zal te bezien staan, grootspreker,” snauwde Geszler. „Hier is een
pijl en,”--hij wees naar de linde,--„daar is uw doel!”
Opeens verliet al het volk, dat om de linde stond, de ruimte onder den
boom en...
Kleine Walter stond alleen met den appel op het blondgelokte hoofdje en
zijn boogje in de hand tegen den knoestigen stam.
Sterk, ijzersterk was Tell, maar toen hij zijn' oudsten jongen daar zag
staan, met het welbekende boogje in de hand, werd de sterke man zwak.
Eene doodelijke bleekheid toog over zijn gelaat, zijne knieën knikten,
zijne handen beefden; tranen verduisterden zijne oogen, en hij
schreeuwde het uit: „Walter! Walter! Mijn kind!”
„Dag, Vader! Dag, Vader!” riep Walter, en niet denkend aan den appel,
en nog veel minder aan het doel waarom hij daar stond, kwam hij met
uitgespreide armen op zijn' Vader toesnellen, den appel van het hoofd
latende vallen.
Daar was Walter bij Vader, maar... wat deed Vader raar! Geen enkel
woord kwam over zijne lippen, en de oogen, die nu geene tranen meer
hadden, keken het kind zoo vreemd aan. Geene hand werd uitgestoken om
het kind welkom te heeten!
O, zoo, zóó was Vader nooit, neen, nooit geweest!
„Vader! Vader!” kreet Walter, die bang van hem werd.
Daar kwam leven in dat standbeeld!
De armen strekten zich uit en Walter werd opgetild tot vlak voor Vaders
mond!
„Kind! Kind!” riep Tell, „hoe komt ge hier?”
Eer Walter hierop antwoord geven kon, kreeg Tell opeens den valsch
lachenden Friedel in het oog, en thans begreep hij er genoeg van.
„Wij rekenen af, man!” beet Tell hem toe, en zette Walter neer.
„Kom, kom, moet die zoetsappigheid nog langer duren?” riep Geszler,
die met angst steeds meer Zwitsers naderen zag en begreep, dat er gauw
een einde aan moest gemaakt worden of Tell's landgenooten zouden het
beletten.
„Walter, mijn kind,” sprak Tell, de hand op het hoofdje zijns zoons
leggend, „ga nu als een brave jongen naar den boom terug en zet den
appel weer op uw hoofd!”
„Ja, Vader!”
„En, en...” Tell's stem haperde, „niet toonen, dat gij bang zijt!”
„Ik ben niet bang, Vader! Waarom zou ik bang zijn? Zelfs Willem, die
niet zoo goed schiet als ik, zou lachen om zulk een proefschot!”
„Toch is het een zeer moeielijk schot voor--voor--mij, Walter! Ga nu,
ga, kind!”
Met eene houding, die aan een dapper praatsmakertje liet denken, ging
Walter naar den boom.
„Friedel, ga, en zet dien kwâjongen den appel op het hoofd,” beval
Geszler gejaagd, want van de bergen zag hij eene groote bende gewapende
Zwitsers naderen. „Maar haast je!”
„Kwâjongen,” schreeuwde Tell en smeet met een' ruk Friedel op den
grond, „mijn zoon is geen kwâjongen! Waag het niet hem aan te raken,
Oostenrijksche vlegel! Mijn zoon zal zichzelven helpen!”
Terwijl dit voorviel, was Walter al bij de linde gekomen en met den
appel op het hoofd ging hij staan, zooals hij gestaan had.
Friedel was opgestaan en kleine Walter riep hem met eene schelklinkende
kinderstem toe: „En nu zal je zien, leelijke heks, dat Vaders pijl niet
betooverd is!”
Tell nam den pijl, die reeds op den boog gereed lag, eraf, bekeek hem
even, boog den punt een weinig krom, stak hem in den koker, die ledig
aan zijne zijde hing, en zeide tot een' Oostenrijkschen boogschutter:
„Geef mij een' anderen; want deze pijl deugt niet voor dit doel!”
De boogschutter voldeed aan zijn verzoek en Tell legde nu dezen tweeden
pijl op den boog en begon op het doel te mikken.
Wild geschreeuw naderde van alle kanten. Het waren de Zwitsers, die
gehoord hadden, wat er gebeuren zou en die de wreedaardige daad wilden
beletten.
„Vader, schiet!” riep Walter.
Met bijna bovenmenschelijke kracht bedwong Tell thans zijne aandoening.
Kalm legde hij aan.
„Houd op! Houd op! Niet schieten!” werd er uit de verte geroepen.
Het was de stem van den ouden Walter Fürst.
Eén oogenblik was de hand kalm en het mikkend oog vast als altijd.
„Hemelsche Vader, bestuur den pijl,” bad Tell en...
Snorrend vloog de pijl van den boog, spleet den appel in tweeën en
drong diep in den stam.
Geszler, Landenberg en Friedel knarsten op de tanden van woede.
Hun doel was geheel mislukt.
„Waartoe was die pijl, Tell?” vroeg Geszler, die den onvergelijkelijken
schutter genaderd was, en nu op den pijl in den koker wees.
„Als mijne hand mijn kind gedood had, laffe moordenaar en verrader, dan
was die pijl voor jouw hart bestemd geweest!” sprak Tell somber.
„In de boeien! In de boeien met dien man!” schreeuwde Geszler.
„Terstond naar den Zwing-Uri terug! Terstond!”
„Hier! Hier zijn we!” klonk de stem van Walter Fürst over het
Marktplein. „Terneer met dien schandpaal! Op! Op! Voor Zwitserland! Den
dood aan den Oostenrijker!”
Eenige mannen grepen den bontgeverfden paal met den Hertogshoed aan,
rukten hem uit den grond en vertrapten den hoed.
De oude Walter was intusschen naar de linde gesneld waar hij zijn'
kleinzoon gezien had.
Het was juist bijtijds.
„Zorg dat we het jong ook houden,” had Geszler tot Friedel geroepen.
„Haast je, rep je! Ik rijd met Tell naar den burcht! Voort!”
Gevolgd door een twintigtal lansknechten liep Friedel naar den boom
waar kleine Walter vol angst stond te snikken.
Reeds stak Friedel de hand naar het kind uit toen Walter Fürst,
gewapend met eene groote bijl, te midden der kinderroovers sprong.
De bijl daalde neer en... Friedels laatste daad was geschied; hij lag
ontzield op den grond.
Van alle kanten drongen de Oostenrijkers op den ouden man aan, maar
met kleinen Walter op den linkerarm, zwaaide hij met de rechterhand de
vreeselijke bijl, en brak er zich dwars door de vijanden baan mede.
Er kwam hulp ook en de Oostenrijkers sloegen in wanorde op de vlucht.
Walter Fürst nam zijn' kleinzoon, die in onmacht gevallen was, van den
arm, kuste hem op het bleeke gelaat en gaf hem aan' een zijner mannen
over, zeggende: „Breng het kind bij mijne vrouw en kom dan naar den
Zwing-Uri! De Vader moet ook bevrijd worden!”
Voor Tell kwam men echter te laat. Deze was met Geszler al binnen den
burcht, en de Zwitsers vonden de brug opgehaald en de poort gesloten.
Van alle kanten kwamen nieuwe benden gewapende Zwitsers aan en reeds
stond men gereed den burcht te gaan bestormen, toen de oude van
Attinghausen en Stauffacher op het tooneel van den strijd verschenen.
„Neen, neen, niet stormloopen!” riepen dezen.
„Wat dan? Tell is daar!” deed Walter Fürst zich hooren. „Zullen we hem
aan zijn lot overlaten? Zullen we den beul gelegenheid geven hem te
dooden?”
„Bedaar, Fürst, bedaar!” sprak van Attinghausen kalm. „Ge zijt door het
gebeurde te opgewonden, mijn vriend! Tell zal niet gedood worden!”
„Dat zal hij wel!”
„Dat zal hij niet! Nu de zaken zoo geloopen zijn, zal Geszler wel zoo
verstandig wezen om in te zien, dat Tell een gijzelaar is, die hem van
veel dienst zijn kan. Men omringe den burcht en drage zorg, dat
niemand hem verlaten kan. Als dat geschied is, beleggen we krijgsraad
om vast te stellen, wat er gedaan moet worden. Zooals we nu ons in het
wilde gewapend hebben, zouden we bij een stormloopen in de pan gehakt
worden, want er is ook geen orde of regel onder het volk. Waar door
eene kleine oorzaak de opstand een half jaar te vroeg uitgebroken is,
daar moeten wij zeer voorzichtig zijn, of wij delven het onderspit.”
[Illustratie: „Vader, schiet!” riep Walter.]
Walter Fürst moest bekennen, dat de oude Heer van Attinghausen gelijk
had en dat hoogstwaarschijnlijk een storm bloedig afgeslagen zou
worden. Hij begaf zich dus naar zijne mannen, die aan de andere zijde
van den burcht gereed stonden om onder zijne aanvoering den Zwing-Uri
te bestormen, en hun te zeggen, dat hieraan vooreerst geen gevolg
zou gegeven worden, omdat men groot gevaar liep op dit oogenblik de
nederlaag te lijden. Hij begreep wel dat dit tegenvallen zou, en
bedacht al, wat hij zeggen moest om hun duidelijk te maken, dat uitstel
noodzakelijk was, toen hij uit het hout zijn' vriend Rudolf van Reding
te voorschijn zag treden. Deze Rudolf was een Zwitsersch Edelman van
den echten stempel. Minder dan van Attinghausen en Stauffacher had hij
zich echter met de zaak des opstands ingelaten; hij had zijn koren
geoogst, zijne wijngaarden geplant en zijn land bebouwd zonder zich met
de samenzwering in te laten.
„Ik ben nu vierenzeventig jaar,” zeide hij eens, „en te oud om mij
nog als man te laten gelden. Ik heb altijd mij van alle zaken vreemd
gehouden en het Volk kent mij niet genoeg. Laat mij de weinige dagen,
die de goede God mij nog schenken wil, leven als zoo vele jaren lang.
Kan dat echter niet en loopt ons land gevaar geheel in de macht van
den Oostenrijker te komen, welnu, dan zal ik komen zonder geroepen te
worden en nog doen, wat ik kan.”
Zoo had hij gesproken en men had den ouden man met rust gelaten. Kwam
zijn naaste buurman en oudste vriend, Walter Fürst eens bij hem, dan
trachtte deze wel, zijn' vriend te bewegen om toch ook deel te nemen
in de algemeene beweging en lid van het Eedgenootschap te worden, doch
geregeld luidde dan het antwoord: „Stil, Walter, stil, voor een oud man
is het de tijd nog niet!”
Zonder het te zeggen had Walter hem al lang verdacht van
bloohartigheid, en niet weinig vreemd keek hij op, nu zoo op eenmaal
dezelfde Rudolf, gewapend als een Ridder, te voorschijn te zien treden.
„Wat, Rudolf! Gij hier? En dat in het kleed eens Ridders, die tot den
strijd gereed is? Ik heb u nimmer zóó gezien! Hoe komt gij aan die
wapenrusting?”
„Niemand zag mij in Zwitserland ooit zoo, Walter! En toch kan ik u
verzekeren, dat ik Ridder ben en het recht heb om de gouden sporen te
mogen dragen.[4] Hierover straks. Waar gaat gij heen?”
[4] Alleen de Edelen, die tot Ridder geslagen waren hadden
het recht om gouden sporen te dragen. In het begin droeg
men maar één spoor.
„Mijn volk zeggen, dat de bestorming van den Zwing-Uri uitgesteld is.”
„Attinghausen en Stauffacher hadden geen wijzer besluit kunnen nemen,
Walter! Ik zie aan uw gezicht, dat gij me niet gelooft, en toch is het
zoo! Heb echter maar geduld; het zal nu geen maand meer duren. Ga naar
uwe mannen, en als gij hun de boodschap hebt overgebracht, kom dan weer
hier. Wij zullen dan samen naar Attinghausen en Stauffacher gaan.”
Walter Fürst haastte zich nu om zijne manschappen zoo goed mogelijk op
de hoogte der zaak te brengen, maande hen tot geduld aan, en drukte hen
op het gemoed eene zeer scherpe wacht te houden, en te beletten, dat
iemand den burcht van deze zijde verliet. Spoedig genoeg zouden ze tot
krachtdadig handelen geroepen worden.
„Walter heeft gelijk,” zeide de Onder-aanvoerder. „De zaak eischt
overleg, en zooals we nu zijn, zijn we niets anders dan ongeregelde
benden, die zonder eenige leiding slechts in het wilde zouden strijden,
wat ons slecht bekomen zou; want de Oostenrijkers staan onder strenge
tucht en onder Hoofden, die weten, wat ze willen. Laten we, al valt het
ons tegen, beginnen met te gehoorzamen aan de tucht.”
De anderen zagen nu ook in, dat men berusten moest in het uitstel en
lieten Walter heengaan, hem belovend, scherpe wacht te zullen houden.
Walter Fürst en Rudolf van Reding waren nauwelijks in het gezicht
van het kamp, dat de belegeraars metterhaast opgeslagen hadden, of
Stauffacher zeide tot Attinghausen: „Wie Walter daar nu bij zich hebben
mag? Het is een geharnast Ridder, dunkt me!”
„Dat is, wel, dat is, dat is niemand anders dan Rudolf van Reding. Hoe
is die zoo op eenmaal ontpopt van een' boer in een' Ridder? Zou het
gerucht indertijd dan toch waarheid gesproken hebben?”
„Welk gerucht?”
„Nu ruim veertig jaar geleden is hij op zekeren dag bij één' zijner
pachters gekomen en heeft hij gezegd: „Uli, ik heb vrouw noch kind
op de wereld. Ik ga op reis, en zoolang ik er niet ben, zorgt gij
voor alles. Blijf ik langer dan twintig jaar weg, zonder dat ge wat
van mij hoort, geloof dan maar, dat ik dood ben. Elke pachter krijgt
dan in eigendom alles, wat hij van mij in pacht heeft, en gij zijt
dan bovendien eigenaar van al mijne andere goederen. Hier is een
schriftelijk bewijs van alles. Vaarwel!”
Tien jaar lang bleef hij weg en intusschen liep het gerucht, dat hij
Koning Lodewijk van Frankrijk, als Ridder diende, dat hij met dezen
naar Tunis trok, tegen de Ongeloovigen streed en later met het lijk
des Konings naar Frankrijk terugkeerde. Op zekeren dag, een jaar of
vier na den dood des Konings keerde hij als pelgrim terug. In al den
tijd van zijne afwezigheid had geen enkele zijner pachters schot en
lot moeten opbrengen, en nu hij terug was, bleef dat niet alleen zoo,
maar hij gaf iederen pachter ten geschenke, wat deze van hem in pacht
had, zeggende, dat hij op zijn' tocht zooveel schatten verzameld had,
dat hij hun geld niet noodig had. Kort daarop kwamen twee negers met
beladen muilezels op den Redingfelz aan en bleven daar tot hun' dood,
zonder ooit de taal van het land te leeren, zoodat niemand er achter
komen kon, of het gerucht waarheid bevatte, dat hij als eenvoudig man
van wapenen den zevenden Kruistocht had medegemaakt, en na bestormen
van den burcht Karthago, om zijne dapperheid en heldenmoed, door Koning
Lodewijk tot Ridder geslagen was. Misschien zal het nu uitkomen, en
bevat het gerucht waarheid, dan kunnen we als Leger-aanvoerder geen'
beteren hebben dan hem.”
Toen de beide vrienden in het kamp aangekomen waren en allen, die met
eenig bevel zich belast hadden, bijeen waren, deelde Heer Rudolf mede,
dat hij thans besloten was om de zaak der Zwitsers te dienen, en dat
hij hoopte, dat zijne veeljarige ondervinding op het oorlogstooneel
zijn Land en Volk ten goede zou komen. Dat hij door Koning Lodewijk
IX tot Ridder geslagen was, bevestigde hij door Stauffacher en
Attinghausen de oorkonde hiervan terhand te stellen.
„Nu wij weten, wat ge eenmaal gedaan hebt en hoe ge, als Ridder, de
kunst van oorlogvoeren verstaat,” sprak Stauffacher, „stel ik voor,
dat gij onze Aanvoerder in den strijd zult zijn, en ik zou mij zeer
vergissen, indien één Zwitser zich daar tegen verklaarde. Intusschen
moeten wij het aan het oordeel van het Volk onderwerpen en daarom
zal ik allen, die de wapenen opgevat hebben om Tell en zijn' zoon
te bevrijden, bijeen roepen en voorstellen u als ons Legerhoofd te
erkennen.”
Stauffacher gaf hieraan gevolg, en toen de Zwitsers wisten wie en wat
Heer Rudolf van Reding was, was er niet één, die eenig bezwaar maakte.
„Ik neem die eervolle taak op me,” sprak de oude Ridder, „maar, let
wel, ik wil alleen maar Aanvoerder in den strijd zijn, doch het bestuur
over den heelen opstand moet bij Attinghausen en Stauffacher blijven.
Ik ben te oud om mij voor alles beschikbaar te stellen. De vraag echter
is: zullen we nu terstond den strijd aanvangen, of hiermede nog wachten
tot we andere en betere redenen tot verzet hebben. Wie zal spreken?”
„Ik,” zeide Attinghausen. „Het doet ons allen leed, dat door Tell's
onvoorzichtigheid de opstand een half jaar te vroeg uitgebroken is. We
zijn nog niet klaar. En dan, wij moeten niet vergeten, dat wij in het
oog van andere Volken en Vorsten tegen het wettig gezag opstaan. Al
wat Monarch, Hertog of Graaf is, en regeert, zal dat in ons afkeuren,
en het zal den Keizer niet moeielijk vallen daardoor bondgenooten te
verkrijgen. En wat dan?”
„Ik geloof, dat gij u vergist, Heer van Attinghausen,” zeide nu Walter
Fürst. „Het wettig gezag berust bij den Keizer en dezen willen wij
trouw blijven. Dat die Keizer nu meteen Hertog van Oostenrijk is,
kan niet in rekening gebracht worden. Den Hertog van Oostenrijk als
zoodanig kunnen we den oorlog aandoen.”
„Dat zou waar zijn, als de Hertog van Oostenrijk niet als Keizer,
Rijksvoogden aangesteld had. Voor het oog der wereld staan we dus wel
degelijk tegen ons wettig Hoofd op, als we Geszler en Landenberg, de
Rijksvoogden, den oorlog aandoen en dooden of verdrijven.”
„Alsof die Rijksvoogden, als Oostenrijkers, ons niet verdrukt hebben,”
meende Fürst.
„Er is veel voor en veel tegen,” sprak nu Heer Rudolf. „Mij dunkt, wij
blijven vandaag en vannacht hier om het oog te houden op den Zwing-Uri.
Morgen ochtend om acht uren komen we weer bij elkander. Heeft de
nacht dan raad gebracht, welnu, dan kunnen we een besluit nemen. Te
langzaam zijn in het besluiten, kan nadeelig zijn. Dat ondervond Koning
Lodewijk, die er maar niet toe te bewegen was om Tunis in te nemen
toen het zwak was. Wij zagen elken dag heele troepen Bedouïnen de stad
binnentrekken, en toen de Koning besloten was Tunis door bestorming te
nemen, was het te laat. Dus, vrienden, morgen ochtend het besluit!”
Terwijl dit alles vóór den Zwing-Uri plaats greep, zat Geszler ook niet
stil. Nu hij Tell opnieuw binnen den burcht gesleept had, vermoedde
hij, dat de Zwitsers, die hem woedend achtervolgden, terstond het
kasteel bestormen zouden. Hij hoopte er op, dat dit geschieden zou,
want hij wist zeker, dat hij met de vierhonderd zwaar gewapende
dienstmannen, die aan orde en tucht gewoon waren, al heel gemakkelijk
dien ordeloozen, dollen hoop Zwitsers zou kunnen terugdrijven, en als
het maar een weinig wilde, zou kunnen vernietigen. Zulk eene bloedige
nederlaag in het begin zou den heelen opstand doen mislukken.
Hij begon dus, zoodra hij Tell alweer in zijn' onderaardschen kerker
had doen opsluiten, alles voor de verdediging in gereedheid te brengen,
doch toen er een paar uren verliepen en de Zwitsers nog altijd schenen
te aarzelen om storm te loopen, meende Geszler dit aan angst en vrees
te moeten toeschrijven, en stond hij al gereed om de belegeraars aan te
vallen, toen over den muur een zijner mannen kwam klauteren.
„Waar kom jij van daan?” snauwde Geszler hem toe. „Je ziet er uit als
een geplukte vogel!”
„Heer, ik kon u niet volgen. Ik was bij Friedel toen deze door de bijl
van Walter Fürst doodgeslagen werd.”
„Wat?! Is Friedel gevallen?”
„Ja, Heer! In één slag dood! Door de verwarring, die ontstond bij het
redden van den kleinen Tell, lette men niet op mij, en wist ik in het
bosch te komen. Sluipend door heggen en struiken, zag ik opeens Walter
Fürst naderen. Ik dook onder ruigte van distels en doornen en pas was
ik verborgen, of ik zag aan den anderen kant van het pad een zwaar
gewapend Ridder op Walter toetreden en deze riep: „Wat, Rudolf, gij
hier?””
„Rudolf?” vroeg Geszler verbleekend. „Rudolf? Was hij een oud man?”
„O, Heer, u kent hem wel; wij kennen hem allen. Hij is die oude,
droomerige boeren-edelman van den Redingfelz. Als er niet zooveel
gevaar bij geweest was, zou ik eens hartelijk aan het lachen gegaan
zijn. Die boer in de wapenrusting eens Ridders! Ha! Ha!”
„Lach er niet om, lummel! Vertel verder!”
„Wel, Heer, waarom zou ik niet lachen? Verbeeld u, door afluisteren ben
ik te weten gekomen, dat ze dien ouden paai, dien verkleeden boer tot
Leger-bevelhebber hebben benoemd! Waar de Zwitsers zulke domme streken
uithalen, daar...”
„Zwijg, kerel, zwijg! Die oude boer is eenmaal Kruisridder geweest. Hij
was de dapperste onder de dapperen, en door zijn beleid een der beste
Ridders van Koning Lodewijk IX van Frankrijk. Juist die man alleen is
gevaarlijker dan een heel leger Zwitsersche boeren!”
Driftig en gejaagd liep hij even het plein op en neer en zeide toen tot
een' zijner Onder-bevelhebbers: „Alle wachten moeten verdriedubbeld
worden. De boeren hebben een' Aanvoerder gekregen voor wien zelfs de
Keizer sidderen en beven zou. Hij is de man, die den opstand tot een
goed einde brengen kan, en weet ook wel, dat het stormloopen nu de
nederlaag der Zwitsers ten gevolge zou hebben. Nu vrees ik! En--Tell
moet weg! Dezen nacht nog over het meer naar den Bruneck. Hij moet
onze gijzelaar blijven, en als gevangenis voor zulk een is de Bruneck
te verkiezen boven den Zwing-Uri. Zoolang de Zwitsers meenen, dat Tell
hier gevangen gehouden wordt, zullen ze voor geen' anderen burcht
oog hebben, dan juist voor dezen. Ik zelf zal hem dezen nacht naar
den Bruneck brengen. De weg over het meer is morgen wellicht niet
vrij meer, en vóór dien tijd ben ik alweer terug. Is Tell daar onder
goede bewaking, dan zal hij een gijzelaar voor ons zijn, als we geen'
beteren vinden kunnen, en van daar uit kan hij ook, als hier alles
verkeerd loopt, gemakkelijk naar Oostenrijk vervoerd worden. Zorg, dat
Ulrich, Heinrich en Gottlieb mij vannacht vergezellen. Zij moeten naar
alle burchten, waar wij volk in bezetting hebben om daar mijn bevel
over te brengen, dat ze nu van de gelegenheid gebruik maken, dat de
mannen afwezig zijn, om de hoeven te overvallen en vrouwen en kinderen
gevangen te nemen. In de eerste plaats moeten ze Tell's vrouw en
kinderen halen.”
„Maar, Heer,” waagde de Onder-bevelhebber te zeggen, „mij dunkt, dat ge
u den toestand veel te ernstig voorstelt. Wat zouden die ongeoefende
Zwitsersche boeren vermogen tegen eene macht, als de onze? Heer
Beringer van Landenberg met zijn volk is er toch ook nog!”
„Ik zie den toestand waarschijnlijk nog niet ernstig genoeg in,
Fabian! Nu die Rudolf van Reding aan het hoofd van de krijgsmacht der
opstandelingen staat, is alles te vreezen en niets te hopen. En wat
Heer Beringer betreft, een dwaas, die wat goeds van hem verwacht.
Gijzelf hebt nog gisteren onder mijn venster, toen ge niet wist, dat
ik alles hoorde, tot uw' vriend Gottlieb gezegd, dat hij de grootste
lafaard is, die ooit geleefd heeft. Welnu, wat zal deze man dan
doen? De Sarnenstein is onneembaar en ruim voorzien van levens- en
krijgsbehoeften. Hij zal rustig op den burcht blijven en daar den
loop der zaken afwachten. Delven we hier het onderspit, dan geeft hij
zich heel eenvoudig over, belooft van niet meer tegen de Zwitsers te
strijden, en trekt naar zijne goederen in het Schwarzwald. Geloof
me, Fabian, de toestand heeft voor Hertog Albrecht, onzen Keizer,
plotseling een' ongunstigen keer genomen. Ga, en doe, wat ik gezegd
heb, doch verzwijg voor het volk mijne vermoedens.”
Fabian groette beleefd en zag zijn' Heer driftig naar binnen gaan, en
glimlachte.
„Dat komt ervan,” zeide hij tot zichzelven, „als men dwaze dingen
doet. Die wraakoefening in het openbaar op dien driesten Tell was eene
dwaasheid, Geszler door trots ingegeven. Hij had, òf Tell en dien knaap
niet moeten oplichten, òf wel oplichten, doch om hen te dooden. Ik
geloof ook, dat de zaken een' ongunstigen keer genomen hebben. Maar,
wie wind zaait, zal storm oogsten!”