Walter en Claus.
De eene week na de andere verliep zonder dat er in den toestand van
het Volk verandering kwam. Ook in den toestand van Tell bleef alles
hetzelfde, en als Claus er wat van vernam, dan was het niets anders dan
dit: men wachtte nog altijd bericht van den Keizer.
Intusschen was Tell niet als een gewoon misdadiger opgesloten en mocht
hij zich vrij bewegen, wanneer hij maar bleef binnen de buitenmuren van
den Zwing-Uri. Om het ontsnappen te voorkomen, werd hij evenwel steeds
gevolgd door twee wachters en mocht hij geen enkel wapen dragen. Van
alle kanten deed men moeite hem over te halen zich bij Oostenrijk aan
te sluiten, doch Tell bleef onverzettelijk. Hij schroomde zelfs niet
om eene uitnoodiging om bij Geszler een feestmaal bij te wonen, af te
slaan met de woorden: „Willem Tell viert alleen feest met vrienden van
Zwitserland, nimmer met verraders van hun Vaderland!”
Dat hooghartige gezegde deed Geszler in woede ontsteken, en was
oorzaak dat Tell thans alle vrijheid verloor en opgesloten werd in
een kerkerhol, waarin geen enkel zonnestraaltje doordrong, en waar de
vochtige bodem bewees, dat het hol diep onder den grond lag.
Had zijn verblijf daar lang moeten duren, dan zou hij stellig zeer
spoedig door den dood uit zijn lijden verlost zijn geworden.
En Willem Tell leed. Ook zijn geweten klaagde hem aan, dat de hoogmoed,
die zijn' boezem binnengeslopen was, de oorzaak van alles was.
Die hoogmoed deed hem de matigheid uit het oog verliezen en deed hem
Claus, den trouwen Claus vergeten. Hij alleen was dus de schuld van
alles. Hij, hij alleen had ramp over vrouw en kinderen gebracht.
Meer dan onder Gods helderen hemel, die dit jaar na het verdwijnen van
den winter zoo buitengewoon zonnig en warm was, dat alles eene maand
vroeger groen was en bloeide dan in andere jaren, sprak dat knagende
zelfverwijt, in het vochtige hol, waarin het altijd nacht was.
Zijn verblijf duurde in dat hol echter maar twee dagen. Dan zou hij het
verlaten om weer altijd vrij te zijn.
En hij, die aan zijne gevangenschap een einde maken zou, zou geene
bende gewapende vrienden, neen, het zou een achtjarig kind, het zou
zijn Walter zijn.
Na het gevangen nemen van Tell was in de bergwoning niets merkwaardigs
geschied. Treurig leefde ieder daar zijn leven, en al zong de leeuwerik
nog zoo schoon, al sjilpten de teruggekeerde zwaluwtjes, die onder
het uitstekende dak hunne nestjes bouwden of herstelden nog zoo
vriendelijk, men liet de zon schijnen, men liet groeien, bloeien,
zingen en sjilpen zonder er oog of oor voor te hebben.
Kuno en Eppo deden Tell's werk, en Hedwig deed, als naar gewoonte, het
hare.
Eens op een' schoonen Aprildag waren Kuno en Eppo met Bruno en Wolf
het gebergte ingegaan om te jagen. Kleine Willem had voorjaarskoorts
en lag te bed. Moeder Hedwig was bezig met brooddeeg kneden, en Walter
liep buiten met het boogje, dat zijn Vader voor hem gemaakt had. Hij
oefende zich iederen dag in het schieten en zelfs Kuno en Eppo moesten
erkennen, dat hij beter schoot dan één hunner. Alleen zijn boogje was
nog te zwak voor grof wild, maar anders, wel, hij deed schoten als zijn
Vader!
Met dat schieten had Walter een doel, dat hij met de grootste
zorgvuldigheid voor ieder verborgen hield.
Hij wilde zich zóó lang oefenen tot hij een dun geldstukje in den stam
van een' boom gestoken zesmaal achter elkaar raken zou. Kon hij dat,
dan zou hij naar den Zwing-Uri gaan, en zeggen: „Heer Rijksvoogd, als
ik zes schoten doe op dit geldstukje, dat ik in een' boom gestoken heb,
en het zesmaal zoo raak, dat het geheel in den boom gedreven is, krijg
ik dan wat ik vraag?” Geszler zal dit niet willen gelooven en „ja”
zeggen. Heb ik zesmaal geschoten en mijne belofte vervuld, dan vraag
ik, als loon: de vrijheid van Vader.
Zoo had Walter als kind geredeneerd, en nu was hij bezig te beproeven,
wat hij kon.
Zesmaal geraakt en, verdwenen in den boom het geldstukje! Het was hem
gelukt!
Nog eens geprobeerd, en werkelijk, met denzelfden uitslag.
„Nu naar den Zwing-Uri,” dacht hij, en weldra was hij op weg naar dien
vrij ver gelegen burcht.
Wat repten die kleine beentjes zich!
Wat keken die blauwe oogjes, stralend van onschuld, hoop en blijheid
uit naar alle kanten om zich te verbergen, als hij iemand zag aankomen,
die hem stellig alweer thuis brengen zou!
Wat stonden die stevige voetjes vast op het meer dan gevaarlijke pad
langs den afgrond!
Wat klopte dat jonge hart van levenskracht en levenslust!
Van levenslust?
Ja, zeker, van levenslust, van levensblijheid zelfs!
„Halli! Halli! Hallo!” jodelde hij eenmaal.
En waarom ook niet?
Zie, eer de zon alweer achter de bergen neerdook, zou hij immers hier
weer zijn? Maar dan niet alleen, doch met Vader bij zich!
Hé, wat zou hij grootsch zijn!
Daar bij den hoek vanwaar men hunne woning zien kon, zou hij eensklaps
voortijlen om tot Moeder te roepen: „Moeder! Moeder! Daar komt Vader!
Ik heb zijne vrijheid verdiend, door mij te oefenen in het schieten!
Ik heb woord gehouden, weet je dat wel, Moeder? Ik had het u immers in
het oor gefluisterd, en al lachten die Kuno en Eppo mij ook uit, ik gaf
er niet om, want ik wist, dat ik woord houden zou! Ja, en... daar komt
Vader!”
Arme Walter met uw moedig, goedig hart, wat bouwt gij daar in uwe
kinderlijke eenvoudigheid toch luchtkasteelen!
Hoe zal alles heel anders afloopen dan gij denkt!
Maar uw woord houden, ja, kind, dàt zult gij! Gij zult uw' Vader
vrijmaken, maar niet vandaag, neen, morgen nacht pas, en... gij zult er
niet bij zijn.
Toch, ja tòch zal zijne vrijheid uw werk zijn, beste jongen! En als die
nacht, waarvan ik sprak, voorbij zal zijn, dan zal Grootvader Walter
Fürst u wat in het oor fluisteren, dat u veel harder, veel mooier en
veel vroolijker dan zoo even zal laten jodelen: „Halli! Halli! Hallo!”
Ga gerust verder, beste zoon van zulke lieve Ouders! Op uw heerlijk en
schoon pogen zal de zegen des Hemels rusten! Ga naar den Zwing-Uri!
Ga voort! Ga verder, Walter!
Ziet gij daar die torens? Ja?
Rept u! Rept u! Dat is de Zwing-Uri! Daar zit Vader in een' donkeren,
vochtigen kerker, diep onder den grond.
Wat!? Doet gij het niet? Gaat gij er bij zitten?
Het is te gelooven, kind, dat ge moede zijt! De tocht was ook zoo
moeielijk en zoo ver!
Rust wat! Goed, dan hebt ge straks nieuwe kracht, en te vaster zal uw
handje zijn, als ge tot zesmaal achter elkander uw' pijl zóó wegschiet,
dat hij even veel keeren hetzelfde doel raakt.
Zit, en rust wat!
Hij zet zich op het jonge gras onder de schaduw van een' kastanjeboom
neer, en kijkt met wijd geopende oogen naar de torens en muren van den
Zwing-Uri.
Maar die oogen doen raar, heel raar! De oogleden vallen nu en dan
dicht; het blonde kopje knikt, schudt, buigt zich voorover en... blijft
eindelijk voorover gebogen hangen.
Walter slaapt en droomt.
Een malle droom. In zijn' slaap meent hij steeds voort te gaan; hij
nadert het kasteel! De muren zijn bezet met posten, die hem nijdig
aanblikken.
En daar, te midden van ruwe schildwachten ziet hij Vader met de armen
op den rug geboeid.
Een schildwacht neemt een' stok en wil Vader slaan!
Zal de slag neervallen?
De stok daalt; hij ziet Vader den breeden rug buigen om den slag te
ontvangen, en...
„Vader! Vader!” gilt hij. „Hier is Walter! Hij komt u halen! Vader!
Va....”
De schrik doet hem ontwaken, en wien ziet hij daar?
De weduwe Heinrichs, maar nu als Oostenrijksch ruiter gekleed, en vol
angst roept hij uit:
„Weg! Weg! Leelijke heks! Je hebt onze pijlen betooverd en Vader
gestolen! Weg! Weg, leelijke man! Walter Tell is boos op je! Weg, heks!”
De Oostenrijker, die werkelijk niemand anders is dan de man, die zich
zoo kunstig in eene weduwe vermomde, rijdt de paarden van zijn' meester
af. Zijn weg voert hem langs den kastanjeboom, en daar vindt hij den
knaap, die hem bijna verraden had. Een leelijke grijnslach trekt over
zijn gelaat en tevreden mompelt hij: „Eene heerlijke vangst, Fridel!
Met dat uilskuiken kunnen wij den wilden vaderuil temmen!”
In een omzien is hij van zijn paard gesprongen, doch juist, als hij
bij Walter is, heeft deze het einde van zijn' bangen droom, die hem
luidkeels: „Vader!” doet roepen. En dan volgt van den ontwaakten knaap,
dat: „Weg! Weg! leelijke heks! Weg, heks!”
„Je kakelt mooi, schreeuwleelijk,” zegt Fridel. „Dat zal ik je
afleeren!”
Hij haalt een' doek uit den zak, maakt er eene prop van en stopt
ze Walter in den mond. Met een paar lederen riemen worden de
tegenspartelende beentjes en handjes machteloos gemaakt. Met het kind
op den arm springt hij op een der paarden. Onder zijn' langen en ruimen
mantel stopt hij het ventje weg. Geen Zwitser mag zien, wat hij daar
bij zich heeft.
„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het uit de verte.
Fridel slaat er geen acht op, maar onder zijn' mantel voelt hij
beweging, hij meent daar zelfs een' gesmoorden vreugdekreet te hooren.
„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het van dichter bij.
Fridel keert zich op het paard om; hij ziet niets! De blaffende honden
zijn juist daar, waar de bergweg eene bocht maakt, en...
„Zeker „Treu” en „Thor”, die mijn spoor gevonden hebben,” mompelt hij.
„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het nu bijna in zijne onmiddellijke
nabijheid en de geboeide knaap wringt zich haast van onder den mantel,
die hem verbergt.
Weer ziet Fridel om; want Treu en Thor blaften toch anders! Deze honden
huilen, janken en blaffen tegelijk.
„De honden van Tell! De bloedhonden!” roept hij verschrikt.
„Voort! Voort!” schreeuwt hij den paarden toe en geeft het ros waarop
hij zit, zoo diep de sporen, dat het roode bloed de witte huid verft.
Als dol rennen de paarden voort, achtervolgd door Bruno en Wolf, die
hun' jongen meester ontdekt hebben en hem nu bevrijden willen.
Helaas, tegen de voorthollende paarden, die nog niet vermoeid waren
toen ze den dollen rit aanvingen, moeten Bruno en Wolf het verliezen,
hoe ze zich ook met inspanning van alle krachten nog voortreppen.
Van den Zwing-Uri heeft men de wilde jacht zien aankomen, en nauwlijks
zijn de paarden over de valbrug of de wachters halen ze op.
Fridel is met zijn „uilskuiken” in veiligheid. Voor de opgehaalde brug
staan Bruno en Wolf met de tong uit den wijdgeopenden bek te hijgen.
Plons! daar springt Bruno in de slotgracht.
Plons! Wolf volgt hem.
„Schiet de duivels dood! Ze zijn dol!” schreeuwt Fridel den
schildwachten toe.
Tal van pijlen worden op de trouwe dieren afgezonden.
Hun bloed kleurt het kristalheldere water. Twee, drie, vier pijlen
blijven in hun lijf zitten. De trouwen! Ze zwemmen voort, steeds voort!
Maar trager, veel trager wordt hunne vaart!
Daar heft Bruno nog eenmaal den trouwen kop op! Een kreet, die iets
menschelijks heeft, wordt gehoord!
Hij is dood!
Dood, de goede trouwe, brave, lieve hond!
Nog zulk een kreet!
Het is Wolf, die hem slaakt! Een pijl vliegt in den wijdgeopenden bek
en blijft hem in de keel zitten.
Ook Wolf is dood!
En dat alles heeft Walter moeten aanzien.
Fridel heeft hem van onder zijn' mantel gehaald. Spottend haalt hij de
prop uit zijn' mondje en maakt hij de riemen los.
„Daar gaan je broertjes om zeep, schreeuwleelijk!” zegt hij, met een'
afschuwelijken grijnslach.
De laatste kreet van Wolf bereikt Walters oor. Zijn oog valt op zijn
kinderboogje, dat vóór hem op het paard ligt. Zijn zwak handje grijpt
dat boogje, van taai esschenhout vervaardigd, en eer Fridels grijnslach
nog verdwenen is, striemt Walter den boog dwars over het gelaat van
zijn' ontvoerder, die van pijn een gil laat hooren, akeliger en luider
dan die van den stervenden Bruno en Wolf!
Met één sprong is Walter van het paard en vliedt.
Maar och, wat helpt het hem? Hij is op den voorhof van den Zwing-Uri te
midden van mannen, die het arme kind najagen en grijpen.
„Wat is dat?” vraagt Landenberg, die juist gereed is om van zijn gewoon
dagelijksch bezoek op den Zwing-Uri naar zijn eigen kasteel terug te
keeren en door Geszler tot aan den voorhof gebracht wordt.
Bijna stikkend van woede en met eene streep, dik als een touw, dwars
over het gelaat, vertelt Fridel alles.
„De honden opvisschen en begraven eer er een Zwitser achter komt,”
beveelt Landenberg, die steeds vol vrees is voor de getergde woede van
zijne landgenooten, die hij verraden heeft.
„En wat met dat jong te doen?” vraagt hij aan Geszler.
Een lach, onbeschrijflijk wreed, legert zich op het gelaat van den
boozen Rijksvoogd.
„Weet ge wat goeds?” vraagt Landenberg, dien lach ziende.
„Ja! Die knaap is goud waard. Luister! Ik zal morgen Tell zeggen, dat
hem alles vergeven is en dat hij in vrijheid kan heengaan, als hij een'
appel van het hoofd zijns zoons schiet!”
„O, dan is hij morgen vrij!”
„Neen, niet vrij! Dat gevaarlijke pijlschot zal zijne hand doen beven;
hij zal zijn eigen kind doodschieten, en dan, dan! Heerlijk! Heerlijk!
Met de marteling zijn' zoon gedood te hebben, sturen we hem naar den
Keizer. Dan zal hij langzaam, heel langzaam wegsterven van wroeging
en leed. Een' wreederen dood ken ik niet voor hem. Zoo zal het zijn!
Brengt den knaap weg, doch doet hem geen leed! Hij moet morgen,
blozende van gezondheid, voor zijn' Vader staan, des te onzekerder
wordt de hand!”
Landenberg is verrùkt! Dat is eerst nog eens eene straf, zooals hij
zelf niet bedenken kon.
„Uitnemend! En hoe laat zullen we morgen die grap hebben?” vraagt hij
Geszler.
„Morgen middag twaalf uur!”
„Goed! Ik kom! Dat wil ik zien! En waar?”
„Waar? Midden op de Markt van Altorf, in het gezicht van den
Hertogshoed, dien hij bespot heeft!”
„Maar het Volk zal dat niet dulden!”
„Het Volk weet van niets en zit thuis of op het veld! Bovendien, we
zullen zorgen, dat we gewapende mannen genoeg bij ons hebben! Alles
loopt goed af, wees gerust! Tot morgen!”
Landenberg rijdt weg en als hij op zijn kasteel is, wordt daar spoedig
verteld, wat er gebeurd is en welke heerlijke plannen Geszler heeft.
Claus verneemt het en mompelt: „Dat nooit! Dat nooit! Nu is het uur
gekomen!”
Hij snelt naar den uitgang, doch als hij den boom verlaten wil, ziet
hij Oostenrijksche houthakkers bezig met boomen vellen. Nu kan hij niet
weg; hij zou zich verraden.
Eerst tegen den avond gaat het werkvolk huiswaarts. Nu verlaat Claus
den boom, dien hij al geleerd heeft zonder touwladder af te dalen of te
beklimmen.
„Voort, Claus, voort! Allereerst naar de arme Hedwig, die niet weet,
wat er met haar kind gebeurd is! Dan naar Stauffacher, naar van
Attinghausen, naar Walter Fürst! Ha! Thans begint de worsteling! Voort!
Voort!”
Het buitengewoon warme weder heeft de sneeuw op de bergen vroeg doen
smelten. Heele bergen van sneeuw storten naar beneden en maken de
smalle paden onbegaanbaar! Claus' voeten glijden telkens uit. Daar is
hij voor eene kloof waardoor de naaste weg naar Tell's woning leidt. De
sneeuw heeft die kloof gevuld: er is geen doorgraven aan! Terug dan! Er
zijn meer wegen! Speelt het noodlot dan met hem? Alweer heeft de sneeuw
hier het pad versperd. Alweer een uur verloren! Voort! Voort! Van
versperring tot versperring! Doodaf van vermoeidheid bereikt hij eerst
tegen het morgengrauwen Tell's woning en... vindt ze verlaten. Wat daar
woonde, zoekt! Alleen kleine Willem ligt op zijn kamertje nog te bed en
heeft beloofd te zullen blijven liggen. Alles doorsnuffelend komt Claus
ook daar en vertelt nu aan het kind alles! Weg is hij weer! De zon is
al op en het zal spoedig middag zijn. Stauffacher is op het veld. Hem
opgezocht, spoedig! Een half uur zoeken! Eindelijk gevonden, eindelijk,
en het is al negen uren! Voort! Nu naar Walter Fürst! Stauffacher
belast er zich mede om van Attinghausen van alles, wat gebeurd is, in
kennis te stellen.
Hij is echter ontevreden, bitter ontevreden!
„Te vroeg, veel te vroeg!” mompelt hij. „We zijn nog niet klaar en Tell
wist dat; hij wist het beter dan menig ander, want ik heb het hem meer
dan aan eenig ander uitgelegd, waarom wij nog niet in verzet en opstand
kwamen. Moedig, ja, dat is hij, maar zijn moed grenst aan overmoed,
bijna aan drieste lichtzinnigheid. Wat deed hij op de Markt te Altorf?
Wat anders dan toegeven aan zijne begeerte den Oostenrijker te toonen,
dat hij hem verachtte. Hij had er niets noodig en wist dat wij, die de
ziel van den opstand moeten worden, besloten hadden niet op de Markt
te komen vóór de tijd daar was! Hij kon toch begrijpen, dat het niet
groeten van dien Hertogshoed gevolgen hebben moest? Maar, gedane zaken
nemen geen' keer. Er moet nu een ander plan gemaakt, er moet gehandeld
worden. Toch kan alles nog kalm in zijn werk gaan, want de Oostenrijker
weet niet beter of wij zijn met alles onbekend. Die Claus, ja, die
Claus is onbetaalbaar. Met zulke mannen doet men wonderen, en... och,
misschien, misschien dat alles nog beter afloopt dan ik vrees. In alle
gevallen nu met kracht handelen en den strijd aanvangen, den strijd op
leven en dood voor onze vrijheid! Voort, naar van Attinghausen! Niets
zonder hem!”
Stauffacher rept zich naar zijn' ouden vriend en in dien tusschentijd
is Claus naar Walter Fürst gesneld. Zijn gang is echter vergeefsch. De
arme Vader heeft tijding gekregen van het verdwijnen van zijn' lieven
kleinzoon Walter, en waar is hij nu meer noodig dan bij zijn kind,
de arme Hedwig, dat veel beproefde Moedertje? Hij is er heen geijld
zonder er zelfs zijne vrouw kennis van gegeven te hebben. En als die
goede ziel nu uit den mond van Claus verneemt, wat er in de bergen is
voorgevallen, weet ze niet, wat ze doen moet.
Wat moet Claus nu aanvangen?
Hij kan en mag het volk niet in beweging brengen! Slechts zeer enkelen
zijn met zijn geheim bekend!
Hij staat stil en denkt!
„Alles, wat maar eenigszins kan, zal zich naar de Markt te Altorf
spoeden en de Sarnenstein zal zoo goed als verlaten liggen. Wie weet
welk eene goede gelegenheid ik dan heb om binnen den burcht te komen!
En dan tegen den nacht alweer naar Stauffacher. Hij zal mij mannen
geven en... morgenochtend is de Sarnenstein in onze handen! Wie weet of
we vriend Landenberg dan zelfs niet in onze macht hebben! Dat zou nog
eens een gijzelaar zijn!”
Opgewekt spoedt hij zich voort, doch langs allerlei sluippaden want men
mag hem niet zien.
Hij is in het bosch en...
„De houthakkers,” denkt hij.
Gelukkig! Het is stil in het bosch! Ook houthakkers zijn nieuwsgierig,
en allen zijn naar de Markt in de stad. Ze willen dat schot ook zien
doen.
Ongemerkt bereikt Claus dus den boom en spoedig is hij voor ieders
bespiedend oog verdwenen.
Op de gewone manier sluipt hij voort en ziet, dat men bezig is met
water putten. Dat is nu wel iets zeer gewoons en heeft hij al zoo
dikwijls gezien, maar nu moet hij er bij zijn. Als er wat gezegd wordt,
moet hij alles hooren. Zonder de noodige voorzichtigheid in acht te
nemen loopt hij voort. Hij denkt slechts aan al, wat er buiten om gaat
en aan zichzelven denkt hij niet. Het prikkelt in zijn' neus en eer hij
er op bedacht is om de hand of een' doek voor den mond te houden om zoo
het geluid te dempen, niest hij.
Opeens blijft de wateremmer onbeweeg'lijk hangen, en Claus schrikt, hoe
kon hij zich zoo vergeten?
„Wat is het?” hoort hij boven zich vragen.
Claus herkent in de stem van den vrager den ouden Oostenrijker Ludwig.
„Ik hoor daar in den put niezen,” antwoordt de ander in wien Claus
dadelijk Albrecht, den vriend van Ludwig herkent.
„De Kabouters[3] misschien, of de Nixen hebben je eene poets gespeeld.
Ik hoor daar zoo dikwijls wat. Gisteren nog heb ik er duidelijk iemand
zich hooren voortschuifelen. Maar zeg, waarom ben je niet naar Altorf?
Ben je niet nieuwsgierig te weten hoe dat schot afloopen zal?”
[3] Kabouters waren volgens het oude bijgeloof heel kleine
mannen met lange baarden, die tooveren konden, naar
welgevallen de menschen plaagden of weldeden en in het hart
der bergen leefden, als groote kunstenaars in het bewerken
van metalen of van steenen. Nixen waren volgens datzelfde
bijgeloof mannelijke of vrouwelijke geesten, die eene
menschelijke gedaante hadden en in rivieren, beken, bronnen
en meren leefden. De mannelijke Nixen heetten valsch,
wreed en bloeddorstig te zijn; de vrouwelijke echter waren
buitengewoon schoon, hielden veel van zang, dans en muziek,
doch lokten ook menigen jongeling in hare waterwoning om
daar dan te sterven. Bij de Grieken en Romeinen droegen de
vrouwelijke Nixen den naam van Nymphen, en als ze enkel het
water bewoonden Najaden.
Claus, die daar in de diepte geheel onzichtbaar was, waagde het om eens
even naar boven te kijken, en zag beide mannen op den gemetselden rand
van den put zitten. Hij wilde zich overtuigen of hij werkelijk te doen
had met de twee mannen, die hem reeds vroeger hadden doen hooren, dat
ze vijanden waren, die het hart op de rechte plaats droegen.
Zoodra hij ze zag, zeî hij tot zichzelven: „Ze zijn het, maar nu
toegeluisterd zonder hen verder aan te kijken, want wakker zijn ze, dat
moet ik erkennen, en als ze mij zagen, dan zouden ze hun' plicht doen,
dat is zeker. Maar als het er op aankomt, sparen zullen we die twee
toch!”
„Waarom is Ludwig niet naar de stad?” vraagt Albrecht. „Is hij niet
nieuwsgierig? Hij houdt anders toch wel van een goed schot!”
„Ja, van een goed schot houd ik, Albrecht,” luidt het antwoord. „Maar
dat schot wil ik niet zien. Foei, ik schaam mij tegenover elken
Zwitser, dat ik ook Oostenrijker ben. Zóó bestrijdt een mensch, dat nog
gevoel van eer heeft, zijn' vijand niet! Dat is een moordenaarswerk!”
„Juist, Ludwig, dat zeg ik ook, en daarom ging ik evenmin als gij naar
Altorf! Wil je wel gelooven dat ik, als ik zag dat de arme Vader zijn'
zoon doodschoot, instaat zou zijn om...”
Hij hield zijne woorden in.
„Vertrouw je mij niet, dat je zoo opeens zwijgt? Welnu, ik vertrouw jou
wel. Als Tell de moordenaar zijns zoons geworden is, dan wil ik Geszler
of Landenberg niet langer meer dienen. Ludwig is de knecht van een'
krijgsman, maar niet van een' beul. En ik vrees, dat hij misschieten
zal. Men zegt dat zijn boog gewijd is, omdat hij eenmaal in het Heilige
Land gediend heeft tegen de vijanden van het Kruis. Dien boog mist hij
en de vreemde boog zal zijne hand onvast maken.”
„Maar wat zullen wij doen, als we de Rijksvoogden niet meer dienen
willen? We kunnen dit land niet verlaten zonder in hunne handen te
vallen. Den dood te ontkomen kan maar op ééne wijze geschieden, en dat
is door ons bij de Zwitsers aan te sluiten.”
„En verraders worden? Neen, Albrecht, dat nooit! Ik verraad mijn' Vorst
en mijn Volk niet. Wat ik doen zal, weet ik nog niet. Mogelijk weet ik
het, als het schot geschied is. Het kan ook wel zijn, dat de Zwitsers
het beletten.”
„Onmogelijk! Geen Zwitser komt op de Markt sedert Tell daar kwam, en
hoe zouden ze weten, wat er gebeuren moet? Ze denken immers, dat Tell
ergens in den afgrond gestort is, en niemand der Zwitsers weet, dat hij
als gevangene op den Zwing-Uri leeft. Dat zijn zoontje daar ook is,
weet eveneens niemand. Maar waarom glimlach je zoo geheimzinnig?”
„Om je onnoozelheid, Albrecht! Is het niet gebleken, dat de Zwitsers
alles weten, wat door de Rijksvoogden besloten wordt? Den heelen
winter, van den dag af waarop Claus verdween, kon er geen besluit
genomen worden, of het kwam immers later uit, dat de Zwitsers het
wisten? Ben je die hooi-geschiedenis dan vergeten?”
„Neen, maar ik geloof, dat de Zwitsers een verbond met den Booze
gesloten hebben. Geloof je dat ook niet?”
„Ik zàl het gelooven, als je mij zegt, hoe Claus het ontkomen is.
Zelf heb ik hem in den wijnkelder zien gaan. Door de gewone deur is
hij er niet uitgekomen en toch was hij weg. Hij moet uit den kelder
eene vluchtgang geweten hebben en daardoor ontsnapt zijn. Al die oude
burchten, hier, zoowel als in Tirol, hebben zulke vluchtgangen.”
„Claus is immers stokdoof! Hij kan niet hooren, wat er gezegd wordt.”
„Aan die doofheid twijfel ik sterk, maar al is hij doof, wat hindert
dat? Waar hij uit kan, daar kan een ander immers in?”
„En waarom zeg je dat niet aan Landenberg?”
„Waarom niet? Denk je, dat ik Claus aan de martelingen van een' beul
zou willen overgeven? Eer ik dat doe, moge de tong in mijn' mond
verstommen. Maar, gij weet het nu, zeg gij het Landenberg dan!”
„Ik, Ludwig, ik?? Nooit! Maar nu ge mij van die vluchtgang gesproken
hebt, ben ik bang, dat op den een' of anderen dag de Sarnenstein
overrompeld zal worden. Wat dan?”
„Wat dan? vraagt gij? Dan kunnen we op eervolle wijze aan ons
beulsknechten-leven een einde maken. Wij sterven dan met het zwaard
in de vuist den krijgsmansdood. Wat kunnen wij beter wenschen? Onze
vrienden zullen dan een woord van lof voor ons hebben en onze vijanden
zullen ons althans niet verachten. Hoort ge niets?”
„Hier in den put?”
„Neen, buiten! Men komt te paard aansnellen! Mee naar de poort! Wie
weet, wat er gebeurd is? Hoor, er zijn meer paarden! De Zwitsers zijn
zeker in opstand geraakt! Mee! Mee!”
De beide mannen repten zich naar de poort om deze te verdedigen, en
Claus brandde van nieuwsgierigheid om te weten te komen, wat er gebeurd
was. Hij kon echter niets doen dan blijven, waar hij was en moest dus
geduldig wachten. Gelukkig duurde dat wachten slechts zeer kort.