Een Kinderwoord.
Het winterde er altijd nog flink op los, en de bergen lagen tot in
de dalen vol sneeuw. Wie er niet uit moest, bleef in huis bij het
gezellige vuur zitten om daar zich bezig te houden met het een of ander
handwerk, dat ditmaal niet uit alle hoeken moest opgezocht worden,
zooals we weten.
Ook Willem Tell, die evenmin als alle andere Zwitsers, boeken had om
zich nuttig bezig te houden, en die hoogstwaarschijnlijk slechts zeer
gebrekkig de kunst van lezen en schrijven verstond, bracht zijn' tijd
niet werkeloos door. Reeds den heelen winter had hij zijn' tijd besteed
aan het maken van een' zwaren voetboog met de daarbij passende pijlen,
wat een heel werk was, want hoe eenvoudig zulk een pijl er uitzag, was
hij toch lang niet eenvoudig. Om zeker van zijn schot te zijn, moest de
schutter pijlen hebben, die zóó gemaakt waren, dat ze niet afweken. Men
had toen werklieden, die hun leven lang niets anders deden dan pijlen
maken, en hiermede hun brood verdienden. Indien ze echter van mannen,
als Tell, hadden moeten leven, zouden ze spoedig van honger en gebrek
omgekomen zijn, want Tell maakte zijne pijlen zelf. Met pijlen door
anderen gemaakt, kon hij schieten, als een gewoon schutter, dat wil
zeggen: nu eens raken, dan eens misschieten. Gebruikte hij echter zijne
zelfgemaakte pijlen, dan was er geene sprake van misschieten; elk schot
was dan raak.
Op den boog diende echter ook gelet te worden, vooral op de
veerkrachtigheid van het hout, dat zelfs met eene kleine windas moest
kunnen gespannen worden, zonder door te kraken. Hierbij kwam het niet
alleen aan op het soort van hout, maar ook op de wijze van bewerking,
en op het niet aanwezig zijn van kwasten, waarbij hout lichtelijk
afkraakt.
Met echt Jobsgeduld was Tell hiermede dagen lang bezig, en met de
meeste nauwkeurigheid ging hij er mede te werk, en dat wel, terwijl hij
nieuwsgierig op de vingers gekeken werd door zijne zoontjes Walter en
Willem, die zich thuis ook reeds oefenden in het schieten met den boog.
„Wil je goede schutters van je jongens maken,” had Tell meermalen
gezegd, „laat ze zich dan zoo vroeg mogelijk oefenen, doch zorg
ervoor, dat hun boog en pijl goed zijn. Het is de grootste dwaasheid
om hen te leeren schieten met speelgoed, dat niet geschikt is, eenig
doel te treffen.” De bogen en pijlen, die Walter en Willem voor hunne
oefeningen gebruikten, waren door hun' Vader gemaakt en wel berekend
voor hunne krachten, maar toch alles behalve ruw bewerkt speelgoed.
Om die oefeningen ongestoord te doen plaats hebben, had Tell ter zijde
van zijn huis eene lange, overdekte gang gemaakt van takken, biezen,
riet, stroo en hooi. De jongens waren er bijna heele dagen te vinden,
en deden niets liever dan zich met pijl en boog oefenen. Iederen morgen
deed Vader hun een proefschot voor, met het bevel: „En nu probeer je
dat schot zóó na te doen, dat je het doel driemaal achter elkander
treffen kunt. Want één keer treffen, jongens, dat zegt niets. Een boer
kan bij ongeluk wel eens eene gans schieten, maar daarom is hij nog
geen goed schutter. Kom aan, begint! Hier, van dezen afstand! Ik ben
nieuwsgierig wie van jelui het nu het eerst kunnen zal!”
Des morgens van den dag waarop wij een bezoek in Tell's woning
willen brengen, had hij eenige stokjes van gelijke lengte en dikte
medegebracht. Hij stak een der stokjes zóó in eene kleine opening
van de staande schijf, dat het stokje en de schijf een' rechten hoek
vormden, ging toen eenige passen achterwaarts, nam Walters boog en
schoot den pijl zoo af, dat deze het stokje spleet. Dit deed hij met
nog twee andere stokjes ook, en zeide toen: „Ziedaar uw proefschot voor
vandaag!”
Met ijver waren de jongens aan het leeren gegaan en Tell had zich
binnenhuis aan zijn' arbeid begeven.
Niet lang echter was hij hiermede bezig toen Walter enigszins gejaagd
binnentrad.
„Wat,” begon Tell, „kunt gij het al?”
„Neen, Vader, maar daar buiten staat eene oude vrouw, die vraagt of ze
hier niet tot morgen zou kunnen blijven.”
„Eene vrouw, zegt gij?”
„Ja, Vader, eene oude vrouw! En kom maar gauw, want Willem kan Bruno en
Wolf bijna niet tegenhouden. Ze willen haar aanvallen, die ondeugende
honden!”
„Eene vrouw,” mompelde Tell, „en dat met zulk weer en zooveel sneeuw in
de bergen!”
„Toch waar, Vader, en eene heel oude vrouw ook! Toe, kom dan mede! Hoor
de honden eens tekeer gaan!”
„Wat is er te doen, Willem?” vroeg Moeder, die uit het slaapvertrek in
de woonkamer trad.
„Walter komt me vertellen, dat er eene oude vrouw is, die huisvesting
voor dezen dag en nacht vraagt, Hedwig!”
„O, en dat zult ge toch niet weigeren, Willem? Die arme ziel! En hoor
de honden eens! Het is, alsof zij de vrouw willen verscheuren!”
Langzaam ging Tell, gevolgd door Hedwig en Walter, het vertrek uit en
kwam in de schietbaan, waar de kleine Willem zich in het zweet stond te
werken om Bruno en Wolf te beletten de vrouw, die buiten stond, aan te
vallen.
„Koest, Bruno! Koest, Wolf! Ga liggen! Goed volk!” sprak Tell met een'
gebiedenden blik tot de honden, die grommend gehoorzaamden en gingen
liggen, maar met een paar oogen, die vertelden: „Was je er maar niet
eens, baas, dan zouden we toonen, dat we tanden hadden.”
Tell trad nu buiten de schietbaan naar de vrouw, die bevend op een'
knoestigen tak stond te leunen.
„Wie zijt gij en hoe komt gij hier?” vroeg Tell haar wantrouwend
aanblikkend.
„Ik ben de weduwe Heinrichs en kom van Lungern, Heer!”
„Heer! Heer!” bromde Tell, de vrouw weer streng aanblikkend, „sinds
wanneer noemt eene Zwitsersche vrouw een' Zwitserschen Vrijjager
_Heer_?”
„Sinds de arme Zwitsersche vrouwen door de Oostenrijksche beulen
echtgenoot, kinderen en kindskinderen zien ombrengen, en zij, uit huis
en hof verdreven, als bedelaarsters moeten omzwerven!” gaf de vrouw ten
antwoord.
Deze woorden ontwapenden Tell's onvriendelijkheid en verdreven zijne
achterdocht. Wie zóó over de Oostenrijkers sprak, kon niets anders dan
eene ongelukkige wezen, en vriendelijk zeide hij: „Wees welkom, arme
ziel! Kom binnen, zet u aan het haardvuur, eet en drink en vertel mij
dan uw wedervaren! Volg mij!”
Tell ging de vrouw snel voor en deze volgde.
Met nieuwsgierige kinderoogen keek Walter haar na, en fluisterde zijne
Moeder in het oor: „Wat neemt ze groote stappen!”
„En ze loopt zoo waggelend, als een man, die altijd te paard zit!”
zeide Willem.
„Ssst,” vermaande Moeder. „Zij is ook blij dat ze onder dak is, eten en
drinken krijgt en zich bij een heerlijk vuur warmen mag. Komt, gaat nu
maar schieten!”
Walter en Willem namen hunne bogen en pijlen weer ter hand en begonnen
zich opnieuw te oefenen in het moeielijke schot.
Bruno en Wolf lagen nog altijd heel nijdig te kijken, en gluurden
menigmaal brommend naar de huisdeur.
„Vind-je het niet vreemd, Wal?” begon Willem opeens zijn' boog
neerleggend.
„Wat, vreemd?” vroeg Walter.
„Dat Bruno en Wolf zoo boos op die vrouw waren? O, ik zat zoo in angst
toen je bij Vader was. Vooral Wolf was woedend en beet met zijne
scherpe tanden telkens in zijn touw om zich los te rukken.”
„En was de vrouw niet bang?”
„O, neen, ze bleef bedaard staan. Zij is er eene, die durft, Wal!
Misschien waren daarom de honden wel zoo boos op haar!”
„Dat kan wel! Maar ze is foei-leelijk ook! Ik geloof zelfs, dat ze net
als „Oude Lieschen” de tooverheks, een' baard heeft, en zich scheert!
Toe, schiet nu!”
Willem schoot, doch raakte zelfs de schijf niet eens.
„O, foei, is dat een schot!” riep Walter. „Goed, dat Vader het niet
ziet! Hoe komt dat toch?”
„Ik dacht zóó aan die vrouw, dat ik de heele schijf niet zag. Willen we
maar ophouden en ook naar binnen gaan?”
„Kom, wees nu toch zoo flauw niet! Wat zou Vader wel zeggen? Kijk, doe
als ik, en schiet zoo!”
Walter schoot nu zijn' pijl af en... wel twee handbreedten van de
schijf af, bleef hij in het riet zitten.
„Een mooi schot!” spotte Willem, „als Vader dat zag, dan zou hij wel
zeggen: „Een schot, alsof ik het deed!””
Walter schudde ontevreden het hoofd en zeide: „Weet je wat ik geloof,
Wil?”
„Dat je ook mis schieten kunt!”
„Ja, als de pijlen betooverd zijn! Ik geloof dat zij eene booze heks
is! Kom, laten we naar binnen gaan!”
Beide knaapjes hingen hunne bogen aan den wand, borgen de pijlen en
traden in het woonvertrek, waar Moeder al bezig was om het middagmaal
op te disschen.
Vader Tell en de vrouw zaten bij den haard.
„En heb je al gehoord, wat die Geszler nu alweer gedaan heeft?” hoorden
de knaapjes de vrouw vragen.
„Neen! Alweer een Oostenrijksch stukje?”
„Een echt! Om ons te laten gevoelen, dat de Hertog van Oostenrijk en
niet de Keizer van Duitschland onze Heer is, heeft hij te Altorf op
de Markt een' paal gezet. Boven op dien paal hangt een' nagemaakten
Hertogshoed, en iedere Zwitser, die daar voorbij komt, moet dien hoed
groeten, alsof deze de Hertog of Keizer zelf was!”
„Oud nieuws,” grauwde Tell. „Een vuige slaaf, die zoo iets doen kan!”
„Zoudt gij het dan niet doen?”
„Ik?! Een Vrijjager!? Neen, nooit!”
„Geszler zou u wel dwingen! Hij heeft schildwachten uitgezet, en ieder,
die dien hoed niet groet, wordt terstond aangegrepen en voor den
Rijksvoogd gebracht. Men wordt gedwongen, Heer!”
„Heer! Heer! Houd toch op, vrouw, met dat „Heer”! Noem mij Tell, als
iedere Zwitser! En wat gij daar zegt, is niet waar!”
„Alles is waar, Tell! Alles!”
„Niet waar! Gisteren was ik op de Markt te Altorf. Ik heb dien paal en
dien hoed gezien en minachtend en spottend aangekeken, maar gegroet,
neen, dat niet. Zóó ver is het met Tell nog niet gekomen! Ik zag ook
die schildwachten, doch werd niet aangegrepen.”
„Geen wonder!”
„Ei, waarom geen wonder?”
„Zij durven wel mannen, als mijn man en zoons waren, aangrijpen en
in de holen van den Zwing-Uri werpen, maar ze weten wie Tell is, en
dat heel Zwitserland, als één man zou opstaan, wanneer hem één haar
gekrenkt werd!”
Zeker, Tell was een man, die niet van vleierij hield, maar toch,
toch... het deed hem werkelijk goed zoo iets te hooren, al moest hij
ook erkennen, dat die vleierij onwaarheid was. Hij wist al te goed,
dat er wel velen waren, die hem kenden. Maar dat hij niet zulk een
man van gewicht was, och, dat was hem immers bekend? Men kende hem
als schutter, en dat iedereen zeide: „Hij is de eerste schutter der
Zwitsers,” ja, dat wist hij. Waar hij met boog en pijl kwam, daar droeg
hij steeds de overwinning mede, nu al vele jaren lang. Maar juist die
bekwaamheid had hem onder zijn eigen volk tal van benijders bezorgd.
Nog meer. Hadden niet alle jonge vrouwen, hadden niet alle meisjes den
mond vol over hem? Schonken ze hem niet hare vriendelijkste lachjes,
hem, den „Mooien Reus”, zooals ze hem wel eens noemden? En meer dan
zijn zeker schot, had de genegenheid en bewondering der jonge vrouwen
en der meisjes hem geheime vijanden bezorgd. Hij wist het maar al te
goed, dat geen hem zou volgen, als hij zich aan het hoofd van den
opstand plaatste.
„Wat verbeeldt hij zich?” zou men zeggen. „Wil hij overal en in alles
de eerste zijn?”
En had hij zelf niet ondervonden, dat de kracht van het volk uitging,
bij mannen als Stauffacher? Had hij zelf niet tot dezen man leeren
opzien, als tot zijn' meerdere? Was hij hem niet in alles gehoorzaam en
onderdanig?
Neen, vrouw Heinrichs sprak vleitaal, die logen was; hij kon dat niet
tegenspreken. Maar het duiveltje der eerzucht sloop in zijn eerlijk
hart, en hij zag de arme weduwe met oogen aan, die haar zeiden: „Vraag
wat gij wilt, en als ik kan, zal ik het u geven.”
En Hedwig?
Geene vrouw in Zwitserland kon trotscher op haar' echtgenoot zijn, dan
zij op haar' Willem was! In haar oog was hij, wat de weduwe Heinrichs
hem noemde: de Zwitser, die door alle Zwitsers zou gewroken worden, als
de Rijksvoogden het waagden hem leed te doen.
Vriendelijk lachend zag zij de vrouw aan, en ze ging heen om uit den
kelder eene kan wijn te halen, dien Tell indertijd uit de Rijnlanden
had laten komen om een' fijnen dronk te hebben, als er bij hem aan huis
een klein familie-feest was.
Toen ze, terugkomende, de kan op de tafel zette, rook Tell den wijn
en zeide: „Dat is goed van u, Hedwig, dat gij Rijnwijn gehaald hebt!
Onze arme gast kan een' versterkenden dronk gebruiken na zooveel rampen
geleden en na zulk een' tocht gemaakt te hebben. Kom, zetten wij ons
aan den maaltijd!”
„Bruno en Wolf, Vader?” vroeg Walter.
„Die zijn ondeugend geweest door tegen deze arme vrouw zoo te keer
te gaan. Ze moeten hiervoor gestraft worden en zullen hun eten in de
schietbaan hebben.”
„Dan ga ik er ook heen,” riep Walter met een' nijdigen blik op de
vrouw, die, naar hij meende, hunne pijlen betooverd had.
„En ik ook,” deed Willem zich hooren. „Bruno en Wolf zijn niet
ondeugend geweest!”
„Even ondeugend, als gij zijt,” sprak Tell. „Gaat beiden bij de honden!
Marsch! Neemt uw eten mede!”
Zonder eenige tegenspraak verlieten de jongens de tafel, en op de
bemerking van Moeder: „Het is er toch veel te koud, Willem!” hoorden ze
Vader zeggen: „Best! De koude zal hun bloed afkoelen, want dat is te
warm!”
„Gij zijt een verstandige Vader,” sprak de weduwe. „Wie zijne kinderen
lief heeft, spaart de roede niet. Hoe oud zijn ze?”
„Walter is acht en Willem is zeven jaar!”
„Schoone knapen voor dien leeftijd,” zeide de weduwe, „ik dacht, dat de
oudste tegen de twaalf en de jongste tegen de elf liep.”
Moeder Hedwig, die eerst verstoord was op de vrouw toen ze sprak van
eene roede, die niet gespaard moest worden, werd nu ineens alweer
vriendelijk. Het streelde hare moederliefde zoo van eene vreemde te
hooren, dat ze zulke flinke zoons had.
De wijn scheen de oude vrouw bijzonder goed te smaken, zoo goed zelfs,
dat er weldra eene tweede kan op tafel stond, en daardoor kwam het,
dat het gesprek met vuur werd voortgezet, en Tell heel wat vertelde,
wat hij zelfs tot op dezen dag voor Hedwig verzwegen had. Van enkele
dingen zweeg hij evenwel, en dat was van Stauffachers schat en van
het geheim van Claus. Hij repte ook geen woord van de groote spelonk
achter Stauffachers armoedige bergwoning, en nog minder sprak hij van
hen, die daar verborgen waren en van den voorraad, dien men daar en
elders in andere spelonken verzameld had. Maar hoeveel gewichtigs hij
ook verzweeg, toch maakte de wijn zijne tong al te los, en voer hij
vooral uit in zijn' diepen haat jegens Zwitsers, die als Geszler en
Landenberg, den Oostenrijker dienden. Hij verzweeg ook niet, hoe hij
dien verrader Geszler op het smalle rotspad langs den afgrond van angst
had zien sidderen en van vrees verbleeken.
Vrouw Heinrichs luisterde met open ooren toe en telkens als het gesprek
verflauwde, wist ze het met een paar woorden zóó aan te leggen, dat hij
weer in vuur geraakte en opnieuw begon te vertellen.
Zoo verliep de korte winter-namiddag, en toen het duister begon te
worden zeide vrouw Heinrichs: „Dat Tell een edelmoedig mensch was, wist
ik, maar dat hij zóó edelmoedig en hartelijk zijn zou, wist ik niet. Ik
heb u nog niet alles verteld. Mijne kleine bezittingen van waarde en
vier koeien heb ik uit de handen der Oostenrijkers weten te redden.”
„En waar liet gij dat alles?” vroeg Tell.
„Luister, ik zal het u zeggen. Rudi, mijn oudste zoon, is mij tot in de
bergen gevolgd, doch daar met alles achter gebleven. „Ik ga naar Tell,”
heb ik hem gezegd. „Hij zal mij zeker onderkomen verschaffen, maar of
hij aan u en ons vee ook eene schuilplaats zal willen geven, dat weet
ik niet. Ik zal het hem vragen. Zegt hij „ja”, dan zult gij even na
het ondergaan der zon boven den hoogen bergtop, waartegen zijne woning
ligt, een vuur zien branden. Kom dan nader met het vee, en ik zal u
afhalen en den weg wijzen. Zegt hij „neen”, blijf dan waar gij zijt. Ik
kom dan den volgenden morgen bij u en wij trekken verder.””
„En Tell zegt „ja,”” riep de Vrijjager opgewonden uit. „Blijf gij hier;
ik zelf zal het vuur op den bergtop gaan ontsteken, en u dan een pad
wijzen, dat veel veiliger is. Ik zal medegaan. Voor al wat Zwitser heet
en door den Oostenrijker verdrukt wordt, heb ik alles over. Hier, ledig
deze kan, terwijl ik omhoog ga. Ik ben over een half uur terug!”
Tell verliet zijne woning, nam een' bundel droog hout mede, klauterde
omhoog en weldra vertelde een rosachtig geflikker op de besneeuwde
rotstoppen, dat het vuur hoog opvlamde.
Spoedig was hij nu weer beneden en in het woonvertrek.
„Als Rudi het vuur niet ziet, is hij blind,” zeide Tell lachend.
„Blijf gij nu maar hier, goede ziel! Wat zoudt ge er zoo laat nog
uitgaan? Het zal donker worden en koud ook. Ik vrees voor een'
sneeuwstorm!”
„O, liever bleef ik hier bij het knappende houtvuur, maar Rudi kent u
niet, Heer!”
„Alweer, Heer! Laat dat toch!”
„Vergeving, Tell! Ik ben het zoo tegenover de Oostenrijkers gewoon, dat
ik het zeg zonder erbij te denken. Maar om op Rudi terug te komen; hij
kent u niet en zou u ook niet volgen. Ik moet mee. Erg is het niet,
want over een goed uur zijn we terug.”
„Je neemt toch de honden mee, Willem?” vroeg Hedwig wat gejaagd.
„O, wat ik u bidden mag, geen honden!” riep de weduwe Heinrichs. „Mijn
vee is aan geen honden gewoon. En dan zulke groote! Stellig zouden de
koeien woest worden en niet te regeeren zijn.”
„Sluit de honden op, Hedwig!” sprak Tell. „En waar zijn de jongens
toch?”
„Met het vallen van den donker naar bed gegaan!”
„Naar bed? En dat zonder mij goênacht te zeggen? Dat is mij nog nooit
overkomen!”
„Trek het je niet aan, Tell,” liet de weduwe Heinrichs zich hooren.
„Zoo iets zal je wel meer gebeuren!”
Er lag iets in hare stem, dat onheilspellend klonk en Hedwig huiveren
deed.
„Je neemt dan toch je bijl en jachtmes wel mede,” zeide ze angstig tot
haar' man. „Ik vertrouw de Oostenrijkers niet! Ze zwerven bij nacht en
dag overal.”
„Bange vrouw!” spotte Tell, „geen Oostenrijker waagt zich op dit uur in
de bergen. Kom, vrouw Heinrichs, laten we gaan, anders loopen we Rudi
mis!”
Gejaagd en met een hart vol angst staarde Hedwig de twee na zoolang
zij ze zien kon, liep toen in huis, wierp zich voor het kruisbeeld neer
en begon vurig te bidden.
Toen ze opstond lagen Walter en Willem geknield achter haar.
„Wat is dat?” vroeg Moeder „Wat doet gij hier?”
„Met u voor Vader bidden, Moeder! Is de heks weg?” was Walters antwoord.
„Foei, kind! eene arme weduwe eene heks te noemen! Nu is ze weg, maar
straks komt ze weer met je Vader terug. Wat zijt gij koud!”
„Wij durven niet naar bed, Moeder! We zijn opgebleven!” zeide Willem.
„Heusch, die vrouw doet ons kwaad. Bruno en Wolf hebben nog nooit zoo
gedaan, als er een ander kwam.”
„Kind, je maakt me ook bang! Toe, warm je zooveel je kunt, dan ga je
niet zoo koud naar bed!”
De knapen schoven hunne zitbankjes bij den haard, doch pas had Moeder
de harsspaan opgestoken en zich aan de ruwe tafel neergezet, of Walter
nam een' appel uit een mandje en zeî: „Moeder, vang dien appel eens!”
Hij rolde den appel over tafel. Moeder bleef zitten en zonder het lijf
of de beenen te bewegen, ving ze hem in haar' schoot op.
„Ga jij daar eens even zitten, Wil,” zeide Walter, „en vang jij dan
dezen appel!”
Toen Willy zat, rolde Walter een' anderen appel over de tafel, en om
dien te vangen sloeg Willem de knieën tegen elkander.
„O, nu weet ik het!” jammerde Walter, en brak in een akelig gesnik uit.
„Maar, kind, wat beduidt dat nu?” vroeg Moeder gejaagd en op heeschen
toon.
Hortend en stootend, tusschen het snikken in, vertelde Walter nu:
„Toen u bezig was de geiten te melken, heb ik door een scheurtje van de
deur hier in de kamer gekeken. Vader en de gast aten appelen, en toen
Vader over de tafel heen, een' appel naar de vrouw rolde, deed ze niet
zooals u deed, maar zooals Wil deed. Ze sloeg de beenen tegen elkander.
O, o, Bruno en Wolf hebben goed gezien; die vrouw was een man!”
Pas had Walter dat gezegd of men hoorde buiten gerucht.
„Daar zijn ze al terug,” zeide de Moeder. „Toe, loop maar gauw naar
bed!”
„Maar die verkleede man dan, Moeder?”
„Zal Vader geen kwaad doen. Ik zal hem waarschuwen! Weest gerust! En nu,
wel te rusten!”
De knaapjes klauterden de ladder op naar hun slaapvertrekje op den
zolder, doch pas waren ze daar, of er werd op de deur geklopt. Bruno en
Wolf gingen in hun hok als dollen te keer.
Hedwig liep naar de deur, doch zonder die te openen vroeg ze: „Wie is
daar zoo laat?”
„Ik, Hedwig, ik! Walter Fürst, je Vader!”
Oogenblikkelijk opende ze nu de deur en zag haar' Vader met een
twintigtal gewapende mannen bij zich.
„Wat is het? Vader, Vader, waarom u hier? Wat is er te doen?”
„Wat er te doen is? Waar is Tell?”
„Tell? Willem? Hij is.. is.. is!”
„Niet thuis?”
Hedwig schudde het hoofd.
„Met eene zoogenaamde vrouw Heinrichs mede om vier koeien te halen?”
Hedwig kon niet spreken.
Daar kwamen Walter en Willem in hunne onderkleertjes naar beneden
loopen.
„Ja, Grootvader, Vader is met dien verkleeden man mee! Ik zal
vertellen...”
„Te laat!” schreeuwde Walter Fürst uit. „De honden los! De honden los!
Misschien nog redding mogelijk! Misschien!”
Hij zelf liep naar het hok.
„Zoekt den baas!” riep hij de trouwe viervoeters toe, en nauwelijks
gevoelden de dieren zich vrij, of ze renden jankend, huilend en
blaffend het bergpad op, gevolgd door Walter Fürst en de zijnen.
Vier, vijf, mogelijk zes uur lang bleef Hedwig in stomme smart
verzonken bij den haard zitten. Gebrek aan hout deed het vuur
uitdooven. De harsspaan stond op het punt uit te gaan, doch Walter stak
eene andere aan en de kleine Willem deed het vuur weer branden.
Er klonk gerucht.
„Hier, hier, achter mij! Ze krijgen je niet! Ze krijgen je niet!” gilde
Hedwig, en plaatste zich met Tell's groote jachtbijl achter de deur en
vóór de twee knaapjes.
Het gerucht nam toe.
„Open, Hedwig! open! Ik ben het!” klonk de stem van Walter Fürst.
Hedwig wierp de deur open.
„Waar, waar is Willem?” kreet ze.
„Niet bij ons, kind! Niet bij ons!”
„Waar dan?”
„Ga naar binnen, kind! Laat die menschen ook in huis! Komt, mannen!”
De gezellen van Walter Fürst traden in het vertrek en...
Die trouwe, trouwe honden!
Bruno tusschen Walter en Willem, Wolf achter de troostelooze Hedwig! De
stomme dieren hadden het wel willen uitschreeuwen: „Waarom mochten wij
dien boozen man in vrouwengewaad niet verscheuren? Wij wisten, dat hij
ramp brengen zou! Maar nu zullen wij u beschermen!”
„Tell had dezen middag Claus moeten spreken op de bepaalde plaats,
doch hij was er niet, en Claus heeft zich toen gerept om het mij te
vertellen, dat Landenberg die booze list verzonnen had om Tell gevangen
te nemen, zonder dat het volk er achter kwam,” begon Fürst.
„Maar wat heeft Willem dan toch voor kwaads gedaan, Vader?”
„Willem is onvoorzichtig geweest, Hedwig! Hij heeft te Altorf den
Hertogshoed niet gegroet!”
„Doet gij dat dan, Vader? Gij, een Zwitser? Gij? Gij?”
„Bedaar, kind, bedaar! Neen! Eer kapt Walter Fürst zich de hand af,
eer hij die hand uitstrekt om dien Hertogshoed te groeten. Maar... ik
heb hem ook nog niet gezien, Hedwig! Wie verstandig is en zich Zwitser
gevoelt, komt niet te Altorf op de Markt. Het was overmoed van Willem,
er heen te gaan. Hij wilde den Oostenrijker laten zien, dat hij hem
tart, maar hij vergat dat de tijd van tarten te vroeg genomen is. Wij
kunnen Tell niet helpen en moeten hem aan zijn lot overlaten!”
„En zullen ze hem dan dooden? O, dat wil ik niet! Ik zal hem redden,
ik!”
Woest sprong zij op en liep, gewapend met Tell's bijl, naar de deur.
De mannen hielden haar tegen en Walter Fürst zeide:
„Dwaas kind, wat kan die bijl in eene vrouwenhand tegen de muren
van den Zwing-Uri? Wees bedaard! Ze zullen Tell in de eerste dagen
niet dooden. Ze zullen hem in het geheel niet dooden! Ze zullen hem
als gevangen man aan den Keizer overleveren. Claus heeft dat alles
afgeluisterd. Nu echter houden ze hem gevangen en ze denken dat veilig
te kunnen doen. De ware familie Heinrichs is ook in ketenen, en daar
niemand wat weet van Claus' geheim, zoo denken de Oostenrijkers, dat
elke Zwitser het er voor houden zal, dat Tell in een' afgrond gestort
en zoo omgekomen is. Dat gebeurt in onze bergen immers zoo vaak?
Het leven van Tell is dus niet oogenblikkelijk in gevaar, en als er
besloten is, hem naar Oostenrijk te brengen, dan zal Claus ons dat
mededeelen. Dan is het onze tijd van handelen, maar vóór dien tijd
moet iedere Zwitser zich houden, alsof hij gelooft, dat Tell in een'
afgrond gestort is. Doen wij dat niet, dan brengen wij zijn leven in
gevaar. Kuno en Eppo, gij kent mijne oude knechts, blijven hier, en
wij gaan heen. Houd u goed, Hedwig! Wees eene Zwitsersche vrouw, eene
Zwitsersche Moeder! Van al wat er gebeurt, brengen wij u tijding!
Misschien ziet ge mij vandaag bij u terug. Ik moet nu naar uwe Moeder!
Dag, kind! Houd u sterk!”
Behalve Kuno en Eppo, die bleven, gingen al de mannen heen.
Het was een harde slag voor Hedwig.
De kleine Walter scheen dit ook te begrijpen. Hij klauterde op Moeders
knieën en fluisterde haar toe: „Schrei niet, Moeder! Ik zal Vader weer
bij u brengen! Maar nu ga ik slapen! Kom, Wil!”
Kuno en Eppo, die het fluisteren verstaan hadden, glimlachten bij
dat gezegde, en zij, zoowel als Moeder Hedwig hielden het voor een
kinderwoord: vandaag gezegd, morgen vergeten.
Weldra was alles daar binnen in de bergwoning stil. Kuno en Eppo zaten
bij den haard te dutten, Hedwig had haar leger opgezocht en Walter en
Willem lagen in hun kribbetje.
Maar wie er sliep, niet Hedwig, de trouwe gade en liefhebbende Moeder.
Zij verweet zichzelve, dat de hoogmoed haar in zijne strikken gevangen
had. Hoe kon ze toch zoo blind geweest zijn? En waarom had ze niet meer
acht geslagen op hetgeen Walter zeide: „Wat neemt ze groote stappen!”
en op de bemerking van Willem: „Ze loopt zoo waggelend als een man, die
altijd te paard zit!”
Waren dat geene waarschuwingen genoeg?
En de honden dan, die trouwe Bruno, die goede Wolf!
Had zij zelve niet op het eerste gezicht die vrouw gewantrouwd?
Had zij zich niet voorgenomen haar te bespieden?
„Ja, ja, dat had ze, maar....”
„Ze weten wie Tell is, en ze weten, dat heel Zwitserland als één man
zou opstaan, als hem één haar gekrenkt werd!”
Hoe kwamen bij die woorden hoogmoed en trots in haar hart! Hoe deden
die woorden haar naar den kelder gaan om den koppigen wijn te halen?
Zag ze dan niet, dat die gast voor eene oude, Zwitsersche weduwe er
van dronk, als een man, die aan zwelgpartijen gewoon is? Zag zij dan
niet, dat die wijn geen' invloed op dat mensch had, maar destemeer op
haar' Willem, die alleen op huiselijke feestdagen één enkel dronkje
nam? Waarom waarschuwde ze hem niet in stilte, dat hij Claus moest
spreken? Hoe kon ze bij zichzelve denken: „Och, wat Claus Tell vandaag
te zeggen heeft, kan hij immers morgen ook wel zeggen? Waarom Tell zijn
genot ontnomen? Hij leeft op, nu hij zoo eens vrij spreken kan!”--Maar
hetgeen Claus hem zeggen wilde, was niet iets om uitgesteld te kunnen
worden! En wat had ze, door hem in gesprek met dien verkleeden schelm
te doen blijven, gelegenheid gegeven om eens breedvoerig uiteen
te zetten waarom hij Geszler en Landenberg haatte. Hoe zouden die
woorden hem thans veel kwaad doen! En zij, zij alleen had alles kunnen
voorkomen,--zij alleen was oorzaak van de noodlottige gebeurtenis!
Was het wonder, dat het traag doorbrekende morgenlicht haar nog wakende
vond? Was het wonder, dat hare oogen rood en de oogleden opgezet waren
van het weenen?
Maar niet alleen zij was met een hoofd vol gedachten te rusten gegaan.
„Ik zal Vader weer hier brengen,” dacht Walter, en in dat kleine
hoofdje verdrong het eene plan het andere, tot het kind moede en mat
de oogen sloot, nog mompelend: „Ik zal Vader weer hier brengen! Ik zal
naar Geszler op den Zwing-Uri gaan, maar heel in stilte. Ik weet den
weg wel!”--