Achter het net gevischt.
De maand October, die anders zoo heerlijk zijn kan en die zoo dikwijls
van heel Natuur een' bontkleurigen looverruiker maakt, had zich slecht
ingezet. Van de hooge Alpenweiden waren de herders met het vee naar
beneden gekomen, omdat alle weiden daarboven dik onder de sneeuw lagen.
Op de bergen trad de winter wel eene maand vroeger in dan gewoonlijk,
wat vooral dit jaar voor vele Zwitsers eene ware ramp mocht heeten. Een
schraal, droog voorjaar had daar beneden den groei van het gras tegen
gehouden en toen de tijd daar was om het weinige hooi te oogsten, werd
nog meer dan de helft bedorven door de menigvuldige regens.
Ook de korenoogst was niet medegevallen en de druiven, die hier en daar
nog al voordeel konden aanbrengen met er wijn van te maken, liepen
groot gevaar door het koude weder, dat meestal van betrokken lucht
vergezeld was, niet rijp te worden.
Is het wonder dat de Zwitsers met een bezwaard gemoed den winter
tegemoet gingen?
En dan kwam er nog wat bij om den Zwitser den moed te doen verliezen.
De opstand in Tyrol was slecht aangevoerd, en hoewel het daar nu wel
niet volmaakt rustig was, en de Keizer dus niet anders kon doen dan
eenige benden daar laten, om tegen elke vernieuwing van den opstand te
waken, was er toch al het volk niet noodig, dat er gedurende eenigen
tijd vertoefd had om den opstand te dempen. Wat nu in Tyrol kon gemist
worden, kwam nog in Zwitserland, en al hadden de Rijksvoogden nu ook al
niet de noodige manschappen om de koppige Zwitsers te dwingen zich aan
Oostenrijk te onderwerpen toch hadden ze manschappen genoeg om het volk
nog meer te verdrukken dan ze ooit gedaan hadden.
Tegen den winter moest, vooral nu het vee zoo vroeg naar beneden
gekomen en de hooioogst mislukt was, van alles bedacht worden om
wintervoeder voor de koeien en ossen te verzamelen. Bij heele troepen
gingen ze naar de hooge weiden om daar nog zooveel gras mogelijk van
onder de sneeuw te halen, en menigmaal gebeurde het, dat ze gereed
waren om naar boven te gaan, dat een Onderbevelhebber kwam om hun
het bevel der Rijksvoogden over te brengen: hand- en spandiensten te
verrichten, en als ze dan met dat werk bezig waren, zagen ze al te
goed, dat het noodeloos werk was, alleen bedacht om hen te plagen, te
sarren en te martelen.
Tot die hand- en spandiensten, die men verplicht was zonder loon te
verrichten, konden echter de Vrijboeren en Vrijburgers niet verplicht
worden. Ook waren er jagers, die men „Vrijjagers” had kunnen noemen,
die ook met die diensten niet lastig gevallen mochten worden.
Tot die Vrijjagers behoorde onze Willem Tell. Vrijboeren, Vrijburgers
en Vrijjagers vormden derhalve den eigenlijken Zwitserschen Adel.
Voor den winter behoefde Tell dus niet bezorgd te zijn, want voor zijn
paar koeien en een tiental geiten had hij voeder genoeg, en wat hij
te kort kwam, kon hij koopen. Dit zou evenwel niet noodig zijn. Zijne
weinige weiden waren zeer gunstig gelegen, zoodat zijn hooioogst niet
beneden het middelmatige was. Bovendien had hij van den vorigen winter
zooveel hooi overgehouden, dat hij zelfs nu nog te veel hebben zou.
Tell kon dus onbezorgd zijn en met een vroolijk hart den kouden winter
zien naderen.
Toch was hij niet vroolijk. Zijn blik was somber, en blijkbaar ging er
in zijn hoofd heel wat om, dat met den winter en nog veel minder met
gebrek in verband stond.
Wij zullen wel niet behoeven te vragen, wat het was. De ellende van
het Volk ging hem aan het hart, en hij kon niet anders dan treurig
zijn, dat het leed der armoede nog drukkender gemaakt werd door de
dwingelandij der Oostenrijkers.
Meer dan eenig ander wist hij hoe de Landvoogden en hunne vrienden op
hunne avondfeesten met de grootste vreugde elkander vertelden, wat ze
dien dag alweer bedacht hadden om die „koppige ezels” te treiteren en
te sarren. Claus was in zijne sluipgang onbetaalbaar, en nog veel meer
dan vroeger kon hij nu te weten komen. Nu ze daar binnen meenden, dat
ze volkomen veilig waren voor alle Zwitsers, legden ze hunne tong ook
niet aan den band, doch schreeuwden, opgewonden door den wijn, hunne
plannen luidkeels uit.
Trouw deelde Claus alles mede, wat hij vernam en Tell deelde op zijne
beurt weer alles mede aan zijn' ouden vriend Stauffacher.
Weer had Tell een belangrijk bericht gebracht. De hand- en spandiensten
werden op voorstel van Landenberg alleen geëischt om te maken, dat de
Zwitsers geen eten voor hun vee zouden hebben. Ze zouden dan gedwongen
worden hun vee te verkoopen en als de winter voorbij was, zouden ze
radeloos zijn van gebrek en armoede.
„Al het vee moeten wij koopen,” zeide Landenberg, die toonde dat hij,
als een echte lafaard, zeer slim was.
„Zullen wij ons dan onthalen op mager vleesch?” riep Geszler. „Ik
dank er kostelijk voor. Bovendien, wij zijn geen veekoopers, maar
Edellieden.”
„Zou vriend Geszler dan denken, dat wij vee gaan koopen? Hebben we
dan geen mannen genoeg in onzen dienst, die dat kunnen doen? En mager
vleesch eten? Het komt niet in mijn hoofd op! Neen, wij bewaren al dat
vee, en als dan het voorjaar in het land is, spelen we den edelmoedige
en zeggen: „Gij kunt uw vee van ons terugkoopen en het geld ervoor bij
kleine deelen betalen. Wij hebben medelijden met uwe armoede!”--Ziet
ge, dat is het oude spreekwoord waar maken: Men vangt meer vliegen met
een druppeltje honig dan met een vat zuren wijn. Ge zult zien, dat de
dankbaarheid voor onze liefdediensten half Zwitserland aan Oostenrijk
brengt, eer weer de zomer in het land is. Zoo sparen wij het leven van
onze mannen en bereiken het doel volkomen.”
„Dat is slim bedacht! Ja, dat moeten we doen,” riepen allen, doch
Geszler alleen had geantwoord: „Voor dat kostelijke plan is echter geld
noodig en dat hebben we niet.”
„Woont de Joodsche geldschieter Juda dan niet te Constanz?” vroeg
Landenberg. „Heeft niet de Keizer van hem ook geld geleend om den
opstand in Tyrol te bedwingen? En Juda vaart er wel bij, daar de
Keizer hem het geld niet terug kan geven, zoo betaalt hij hem met
verbeurdverklaarde goederen. Ook dat kan hier gedaan worden. Er zullen
wel redenen te vinden zijn om bijvoorbeeld die rijke Zwitsers, zooals
Stauffacher, Heinrich van Melchtal, Attinghausen, Tell en zooveel
anderen te straffen met verbeurdverklaring van hunne bezittingen, en
ik wed dat alleen voor de uitgestrekte eigendommen van dien Werner van
Attinghausen Juda ons tweemaal meer geeft dan we noodig hebben om al
dat magere vee te koopen.”
Geszler was van een heel ander karakter dan Landenberg. Hij was een
wreed man, die met zwaard en lans zijn plan volvoeren wilde. Hij haatte
die gehuichelde liefde en was te trotsch om zich te vernederen om zoo
zijn doel te bereiken. Landenberg was mogelijk nog wreeder dan Geszler,
maar hij was een lafaard, en een lafaard spot wat met Riddereer, als
hij zijn doel maar bereiken kan. Geszler sprak kort, stug en soms
onduidelijk, doch Landenberg had eene gladde tong en duizenden woorden
tot zijn' dienst. Het kostte hem dan ook niet zoo heel veel moeite om
allen tot zijn plan over te halen. Geszler was de wolf, Landenberg was
de vos, en de vos overwon.
Dit alles had Tell van Claus vernomen en nu aan Stauffacher medegedeeld.
Stauffacher gaf echter geen antwoord en dat verdroot Tell blijkbaar.
„Zullen wij nu nog langer wachten met de wilde dieren te dooden?” riep
hij uit. „Is het nu nog geen tijd om te toonen, dat de vrije Zwitsers
niet vreezen die schelmen aan te vallen en het land uit te jagen?”
„Neen, jonge vriend, die tijd is er nog niet, maar hij nadert!” sprak
Stauffacher kalm.
„En als hij er eindelijk is, liggen wij mogelijk aan handen en voeten
gebonden aan de voeten van den Oostenrijker,” bromde Tell ontevreden.
„Gij ziet de toekomst te zwart in, Tell!”
„Ik zie ze, zooals zij is, Heer Stauffacher! Landenbergs plan zal
gelukken, want honger is een scherp zwaard. Dat weet gij beter dan
ik. In uw lang leven vol ondervinding zult ge dat toch wel opgemerkt
hebben.”
„Zeker, Tell, zeker, maar wij kunnen dat scherpe zwaard afwenden nu
wij weten, dat het er is, waar het is en hoe het dreigt.”
„Het zwaard keert men met het zwaard, Heer Stauffacher!”
„Soms, niet altijd, Tell! En vooral hier niet. Maar morgen ga ik naar
Constanz en dezelfde Juda zal ons helpen. Zoo slecht als de hooioogst
hier was, zoo goed was ze aan de overzijde van het meer. Ik zal hem
geld geven en hij zal pakhuizen en schuren vol hooi koopen, om het
aan onze ongelukkige broeders te verkoopen. Geld hebben onze arme
vrienden niet, maar Juda moet van hen een bewijs vragen, dat ze hem in
den volgenden zomer bij gedeelten hunne schuld zullen betalen. Al die
bewijzen komen dan later in mijne handen terug, en ik zal ieder, die
hooi van Juda kocht, het bewijs teruggeven en zeggen: „Houd uw geld en
uw vee!” Ik verzeker u het is het eenige middel.”
„Dat zou het zijn, Heer Stauffacher, maar wie beschikt in ons arm
Vaderland over zulke groote sommen gelds? Zelfs de rijke Vrijheer
Werner van Attinghausen kan dat niet doen, hoe genegen hij ons zijn
moge.”
„Wat mijn vriend van Attinghausen niet kan doen, dat kan ik, Tell!”
„Gij zijt rijker dan ik wist,” mompelde Tell.
„Toch niet, mijn vriend! Een mijner Voorvaderen vond een driehonderd
jaar geleden drie groote gouden afgodsbeelden uit een' ouden
Romeinschen tempel. Te Genua liet hij er munt van slaan en al dat geld
werd op eene plaats verborgen, welke alleen die Voorvaderen en zijn
oudste zoon wisten. Zij hadden het niet noodig, want ze waren rijk, en
besloten nu dat geld te laten waar het was, doch bij eene algemeene
ramp ten bate van het heele Volk te gebruiken. Tot op heden bleef
die schat daar liggen. Ik ben de laatste van mijn' stam en heb geene
kinderen, want mijn eenige zoon is kort geleden op eene bedevaart naar
het Heilige Graf gestorven. Gisteren ontving ik dat treurige bericht,
en nu beschouw ik u als mijn' zoon, en zal u vanavond de plaats wijzen
waar dat geld eene manslengte onder den grond ligt. Ik zal u evenwel
niets zeggen, want de Oostenrijker heeft soms scherpe ooren. Maar daar,
waar we boven dien schat staan, zal ik mijn' arm' op uw' schouder
leggen en zeggen: „Dat is waar ook. Ik heb hier in de buurt twee wolven
gezien! Die zijn juist wat voor uwe pijlen, Tell!” Gij weet dan de
plaats en zorgt dat een derde ze ook wete.”
„Waarom,” vroeg Tell, „als wij dat geld toch gebruiken, nog een derde
in het geheim te nemen?”
„Omdat we geen tiende deel er van noodig hebben, mijn vriend! Ga nu
naar huis en kom tegen de schemering weder, doch breng mij dan een'
gemsbok mede. Wanneer men u dan bij mij ziet binnengaan, zullen ze
denken, dat ik dien besteld heb!”
„Uw plan is schoon, Heer Stauffacher,” sprak Tell, „maar zijt gij zeker
dat Juda u niet bedriegen zal? Hij is toch maar een Jood!”
„Hij is een mensch, Tell, en een edel mensch ook. Laat toch varen
dat vooroordeel tegen de Joden. Ze zijn, om door de Ridders niet arm
geplunderd te worden, verplicht om slim te handelen. Maar bovendien,
Juda heeft verplichting aan mij, en het is een Jood eigen, dat hij een
Christen, die hem als mensch behandelde, dankbaar is. Geen hond is zijn
meester trouwer dan Juda mij is.”
„Goed! Maar hoe zullen onze arme boeren weten, dat ze bij Juda zoo
gemakkelijk hooi kunnen koopen?”
„Wij komen op de Rütli niet meer bijeen, Tell, maar toch heb ik mijne
mannen, die elken Zwitser zoo goed op de hoogte van alles brengen,
alsof hij het Vrijboeren-gericht op de Rütli kon bijwonen. Kom, ga nu!
Deel den trouwen Claus mijn plan zoo spoedig mogelijk mede; hij moet
het weten. Tot de schemering! Zorg voor den gemsbok!”
Tell verliet de woning zijns vriends, doch juist toen hij het erf
verlaten wilde, zag hij twee Oostenrijksche spionnen. Hij liep naar het
raam en riep luid: „Moet het een gemsbok zijn, Heer Stauffacher? De
bokken zijn zeldzaam tegenwoordig. Mag het geene geit zijn?”
Stauffacher trad nu naar buiten, zag de spionnen ook en zeide: „Een bok
is mij liever! Maar kunt ge er geen neerleggen, laat het dan eene geit
zijn. Beter wat dan niets!”
Ze keken mekaêr eens even aan en het was, alsof hunne oogen zeiden, dat
ze elkander volkomen begrepen hadden.
De twee spionnen echter deden, alsof ze geen ander doel hadden, dan
samen wat wandelen en nu toevallig voorbij het huis van Stauffacher
kwamen, doch zoodra waren ze niet bij eene kromming van den weg, of
ze repten zich wat ze konden om Geszler te vertellen, dat ze Tell bij
Stauffacher het huis hadden zien uitgaan, en dat hij voor hem een'
gemsbok zou gaan schieten.
„Goed,” zeî Geszler, „dien gemsbok zal de oude samenzweerder niet
hebben. Zadelt mijn paard!”
Het paard was spoedig gezadeld en nauwlijks stond het voor de poort, of
Geszler besteeg het en verliet spoorslags den Zwing-Uri.
Ook Tell, begeerig om thuis aan Hedwig mede te deelen, wat de oude
Stauffacher doen zou, had zijne schreden gerept, doch hij moest
het toch tegen de snelheid van Geszlers paard verliezen. Zoodra de
Rijksvoogd nu in het gebergte kwam, liet hij zijn paard op den Bruneck,
die door een' zijner aanhangers bewoond was, en ging heel alleen, doch
met lans en zwaard gewapend, de smalle bergpaden op.
Hij was daar in tal van jaren niet geweest, doch als knaap had hij er
genoeg gezworven om nu nog den weg te vinden naar de woning van den
ouden Willem Tell, die thans door den kleinzoon bewoond werd. Spoedig
zag hij de twee huisjes, die Tell's eigendom waren, en de geiten, die
voor de woningen liepen te grazen.
„Wat zijn die Zwitsersche boeren toch achter bij de Oostenrijksche,”
bromde Geszler. „Zie, meer dan dertig jaar is het geleden, dat ik hier
als knaap zoo menigmaal was. En wat is er veranderd? Niets, heel niets.
De voorste woning is voor het vee en de achterste voor de menschen. Zóó
was het onder den ouden, zóó is het onder den jongen stijfkop. Ze zijn
dieren en leven als de dieren. Maar stil! Nu ben ik toch dom genoeg
geweest om langs dit smalle pad te gaan. Nog wat verder loopt het langs
een' gapenden afgrond. Als ik nog jongen was en ik wilde bij den ouden
Tell zijn, liep ik niets liever dan dit smalle pad. De jeugd houdt van
gevaar, en nimmer nam ik den veiligen, breeden bergweg om er te komen.
Maar ik ben nu geen knaap meer en ik bemerk wel dat ik ook duizelig
word langs dien afgrond. Neen, ik keer terug en zal den breeden weg
nemen.”
Hij volgde zijn plan, doch pas was hij een' smallen hoek omgeslagen, of
hij stond voor Tell.
Geszler wist dat Tell op dat smalle pad niet bang was, en er even
rustig voortschreed, als langs de heerbaan in de dalen. Hij wist,
dat een echte bergjager met duizelingen, die hij niet kent, wat den
draak steekt, en zoo vast staat als de rotsen naast den afgrond. Maar
hij wist meer. Hij wist dat het voor Tell geen geheim was, dat hij,
Geszler, hem innig haatte, en dat die haat wederkeerig was. Aan moed
ontbrak het den Rijksvoogd in het geheel niet. Ook hij spotte met
gevaren, maar dan moest hij, als Ridder te paard zitten op de vlakte,
of op de gewone heerbaan, dan moest hij met het zwaard in de vuist
achter de muren van zijn kasteel tegenover den vijand staan. Hier was
het heel wat anders. Hier was zijn moed niet minder, maar stonden
zijne voeten niet vast; hier klopte zijn hart niet van vrees, doch het
hoofd stond hem zoo draaierig op den romp.
En nu, op zulk een gevaarlijk punt, bevond hij zich tegenover zijn'
grootsten vijand, die sterk was als een reus, en zoo vast stond als
eene rots.
Het angstzweet parelde op Geszlers gelaat, doch hij was toch te trotsch
om zijn' vijand door woorden te toonen, hoe het hart hem van vrees
popelde. Maar wat de mond zweeg, vertelden de oogen en het bleeke
gelaat.
Tell zag Geszlers angst en glimlachte spottend.
„Gij bevindt u op een gevaarlijk pad, Heer Landvoogd,” begon Tell
zonder eraan te denken zijn' vijand te groeten.
„Ja, het is zeer smal en de afgrond is diep,” zeide Geszler, doch zijne
stem klonk heesch en schor.
„Is de Zwitser, die als knaap het liefst zulke paden liep, dan zulk
een vreemdeling in zijn Vaderland geworden, dat hij een pad, dat langs
een' afgrond loopt, gevaarlijk noemt? Maar, dat bedoelde ik niet met
„gevaarlijk.” Ik wist niet dat Geszler van Bruneck vrees had voor
afgronden. Ik bedoelde met „gevaarlijk” wat anders, Heer!”
„Wat?” vroeg Geszler gejaagd.
„Dat behoef ik u niet te zeggen. Uwe bleekheid zegt mij, dat u naar den
bekenden weg vraagt. Wat zoekt u hier? Doch ga mij voorbij. Hier waar
ik sta, is het breeder en staat ge veiliger. Ik zie dat gij waggelt!”
Geszler aarzelde en bleef staan.
Tell lachte smadelijk en zeide: „Vreest de dappere Geszler van Bruneck
den Vrijjager der Zwitsersche bergen? Neen, ik weet, dat ge mij niet
vreezen zoudt op de heerbaan. Gij vreest, dat ik u, als ge mij voorbij
gaat, in den afgrond stooten zal. Wat zijt ge weinig Zwitser meer,
Heer Geszler! Weet ge dan niet dat geen Zwitser ooit een laaghartig
moordenaar werd? Maar kom, ik zal terugkeeren, gij kunt mij volgen tot
daar waar geen afgrond u meer dreigt.”
[Illustratie: Tell zag Geszlers angst en glimlachte spottend.]
Tell wendde zich om en keerde een zestigtal schreden, op de hielen
gevolgd door Geszler, terug. Toen ze den afgrond voorbij waren en
het bergpad zóó breed werd, dat er geen gevaar voor duizelingen meer
bestond, zeide Tell: „En zeg me nu Heer Rijksvoogd, wat u hier zoekt.”
„Ik zocht u. Ik wil dat gij heden voor mij jagen zult. Morgen heb ik
een gastmaal, doch het wildbraad ontbreekt mij nog!”
„Het spijt me, Heer Rijksvoogd, dat ik u niet aan wildbraad helpen kan.
Ik heb mijn vaders vriend, den ouden Heer Stauffacher beloofd om hem,
als ik kan, heden een' gemsbok te brengen.”
„Gij hebt Stauffacher niet te gehoorzamen!”
„Stauffacher gehoorzaam ik wel, Heer! Niet omdat hij hooger in rang is
dan ik ben, want in rang staan wij elkander gelijk. Hij is Vrijboer
en ik ben Vrijjager. Ik gehoorzaam hem, omdat hij de grijze haren als
kroon des ouderdoms draagt, en omdat hij een man met een edel hart is.
Als gij nog Zwitser waart, zoudt gij dat weten.”
„Maar ik ben uw Rijksvoogd. Mij hebt ge wel te gehoorzamen!”
„Gij vergist u, Heer! Zelfs de Keizer kan een' Vrijboer of Vrijjager
niet tot hand- en spandiensten dwingen, en wanneer ik voor u of voor
den Keizer op de jacht ging, dan zou ik dat doen uit vrijen wil, doch
gedwongen niet.”
„Gij spreekt zeer stout, jager!”
„Ik spreek als vrije Zwitser, Heer!”
„Dus gij weigert op mijn bevel op de jacht te gaan?”
„Uw bevel op te volgen weiger ik, Heer! Maar wanneer ik gelukkig ben,
en na den bok voor Stauffacher, nog een bok of meer bokken neerleg,
dan wil ik u die brengen. Een Zwitser doet uit vrijen wil tiendubbel,
wat hij één' enkelen keer gedwongen weigert. Zal ik u wat brengen, als
ik gelukkig ben, Heer, ik...”
Opeens nam Tell den boog, die eenmaal een' Kruisvaarder gediend had,
van den schouder, een pijl werd er, nadat de boog gespannen was, op
gelegd. De vinger bewoog zich even, de koorde sloeg snorrend terug en
de pijl vloog ruischend door de lucht.
Bijna op hetzelfde oogenblik stortte een groote gemsbok langs de
helling van eene rots naar beneden.
Geszler stond verslagen. Welk een schutter!
„Het is de bok voor den ouden Stauffacher, Heer!” sprak Tell. „En ziet
gij daar die twee zwarte punten boven gindsche rots?”
Tell wees er naar, doch Geszler zeide: „Ik zie niets!”
„Dat zijn de spitsen van de horens van een' anderen bok. Wacht even!
Heft hij den kop wat op, dan zult gij hem ook kunnen zien!”
De gemsbok klom hooger en kwam te voorschijn.
„Dien bok zult gij morgen op uw gastmaal hebben, Heer! Hij moet echter
eerst wat dalen, want als ik hem schoot, terwijl hij daar stond, zou
hij aan de andere zijde in den afgrond vallen.”
„Zoover reikt geen pijl, en op zulk een' afstand is niemand zeker van
zijn schot!” bromde Geszler.
De bok daalde wat naar hunne zijde, en inplaats van antwoord te geven,
spande Tell alweer den boog, legde den pijl er op, trok de koorde los
en... de bok stortte een oogenblik later neer.
„Tell, gij zijt een wonderschutter!” riep Geszler opgewonden uit. „Ik
wenschte, dat gij Oostenrijker waart, dan zouden wij vrienden zijn!”
„En ik wenschte, dat Heer Geszler van Bruneck een Zwitser ware, dan
zouden wij nu geen vijanden zijn. Vanmiddag zal ik u den bok zenden of
zelf brengen, Heer Rijksvoogd! Ga nu heen en wees tevreden, dat ik u
aan wild hielp zonder u te gehoorzamen. Goeden morgen!”
Met een paar groote sprongen was Tell aan de andere zijde van de
rots en, knarsetandende van woede, zag Geszler hem van rots tot rots
springen om de gedoode bokken te halen, terwijl hij af en toe een luid
„Halli! Halli! Hallo!” liet hooren.
„Ja, jodel maar,” zeide Geszler vrij luid tot zichzelven. „Nog zijt
ge vrij, trotsche boer! Maar eer ge een jaar ouder zijt, zullen uwe
landgenooten zulke trouwe Oostenrijkers zijn, dat zij u gekneveld aan
mij overleveren! En dan wil ik hooren, of ge nog dat „Halli! Halli!
Hallo!” zult jodelen!”
Geszler ging heen, doch eer hij op den Bruneck was en weer te paard
zat, had hij telkens stil gestaan en dan gemompeld: „Hij heeft gezien
dat ik mijn' moed verloor! Ik heb mijne zwakheid tegenover hem
verraden! Hoe hij er onder zijne gezellen op smalen zal! En dan dat
„gevaarlijke pad”! Kon hij dan aan mijn gelaat zien, dat ik werkelijk
op dat oogenblik aan Wolfenschiez dacht? Gaat hij dan met den Booze
om, dat hij een anders gedachten lezen kan, dat hij weet, wat er in
een anders ziel omgaat? Ja, dat moet, dat moet! Hij is een gevaarlijk
mensch, maar... ja, die Landenberg, die lafaard, is toch wakker! Zijn
raad was goed en zijn plan zal gelukken, het zal! En dan! Ja, dan is
hij, de lafaard, de vinder ervan en de Keizer zal hem loven, prijzen en
eer bewijzen. Ik ken den Keizer al te goed. In zijn hart is hij, even
als Landenberg, en stelt list boven dapperheid. Ik zal moeten toezien
hoe hij boven mij verheven wordt, hij, die siddert en beeft, als een
boer hem in de oogen kijken durft! Maar, zóó ver is hij nog niet. Ik
zelf zal met dien Jood onderhandelen en mijne beloften zullen grooter
zijn dan die van Landenberg. Zulke menschen doen voor geld alles. Juda
zal mij helpen, mij, Geszler van Bruneck.”
Thans had de Rijksvoogd zich gerust gesteld, en toen hij weer op den
Zwing-Uri aankwam, was hij vroolijk en opgeruimd, want zijn plan zou
gelukken, meende hij. Reeds tegen het einde der maand zou hij naar
Constanz gaan. De heele maand October toch was bezet met feesten,
boogschieten, balwerpen, kleine tornooien en jachtpartijen. Maar wat
hinderde dat? Immers niets? Juda had altijd geld, in den zomer zoowel
als in den winter, in het voorjaar zoowel als in het najaar. En als de
arme boeren er toe kwamen om hun vee te verkoopen, welnu, dan was het
niet dadelijk, maar in Januari of tegen Februari. Er was dus tijd in
overvloed.
Zóó redeneerde Geszler, en Landenberg, die te veel van feesten, vooral
van drinkgelagen hield, was er ook niet voor om er zulk eene haast mede
te maken.
Stauffacher en zijne vrienden waren daarentegen van een heel ander
gevoelen.
Met verbazing had Tell den onnoemlijk grooten schat gezien waarover
Stauffacher te beschikken had, maar vol bewondering was hij ook geweest
voor het beleid van dien ouden Landamman.
„Zie, Tell,” had hij gezegd, „wanneer wij den worstelstrijd tegen
het machtige Oostenrijk beginnen, moet ieder Zwitser, die een wapen
hanteeren kan, zijn Vaderland verdedigen. Die strijd zal lang duren, en
wat moet er dan in dien tijd van den oogst en de veehoederij terecht
komen? Onze vrouwen zijn wakker, kloek en sterk, maar al het werk
van ons, mannen, doen, gaat boven hare krachten. Welnu, wij moeten
desnoods twee jaar den oogst kunnen missen, en vóór dien tijd moeten
de verschillende holen, die in onze bergen gevonden worden, koren en
gezouten spek en vleesch bevatten, opdat wij eten kunnen. Dit nu zal in
stilte van dit geld gekocht worden, maar daarvoor is de volgende zomer
noodig. Is de strijd voorbij en staan we daar, als vrije Zwitsers, dan
moet er zaaigraan en nieuw vee aangekocht worden, en al wat in den
oorlog vernield werd, moet men dan herstellen. Gij ziet nu toch zelf,
dat de tijd wel nadert, maar er nog niet is!”
Juda was terstond voor Stauffachers plan te vinden geweest, en
gedurende tal van nachten hadden de boeren in alle stilte het hooi uit
de schuiten gehaald en in hunne schuren gebracht, en toen Geszler en
Landenberg er achter kwamen, wat er geschied was, was het te laat. Vol
woede reisde Geszler zelf naar Constanz, doch toen hij Juda trachtte
over te halen om hem al die schuldbewijzen af te staan, zeide Juda, dat
hij dit niet doen kon, omdat hij alle bewijzen reeds afgestaan had aan
Stauffacher, die hem alles betaald had, wat de Zwitsers bij hem aan
hooi gekocht hadden. Hij had zijn geld gekregen en die bewijzen van
schuld dus niet meer noodig.
Leelijker hadden de Rijksvoogden nooit achter het net gevischt, maar
Stauffacher zou weten, dat hij hen had durven trotseeren.
Op zekeren dag, achter in October, kwamen eenige soldaten van den
Zwing-Uri bij Stauffacher en hun Hoofdman zeide: „Gij hebt zonder
aan de Rijksvoogden toestemming te vragen, een steenen huis gebouwd.
Geen Zwitser mag dat doen zonder aan den Keizer vergunning gevraagd
te hebben, en wij zijn gekomen om dit huis in bezit te nemen. Eer het
avond is, moet gij er uit zijn. Wat ge vóór dien tijd er uit weghalen
kunt, moogt ge doen. Heer Geszler wil u genadig zijn en u op uw' ouden
dag niet van alles berooven.”
Terwijl de Hoofdman aldus sprak, had hij al eens rondgekeken en zich
verwonderd, dat zulk een rijk man, als deze Stauffacher was, zoo
armelijk gehuisvest was in eene prachtige steenen woning. Er viel al
bijzonder weinig weg te halen, dat eenige waarde had.
Kalm hoorde Stauffacher den Hoofdman aan en zeide: „Mij staat niets
anders te doen dan voor het oogenblik te gehoorzamen. De Rijksvoogden
vergissen zich echter, want de Vrijboeren, Vrijburgers en Vrijjagers
mogen, zonder toestemming te vragen, steenen huizen voor zichzelven
bouwen. Zij staan in rang gelijk met al de Zwitsersche Edellieden, die
zich voor Oostenrijk verklaard en burchten gesticht hebben. Ik beroep
mij op den Keizer, doch zal zorgen, dat ik vóór den avond dit huis, met
het weinige, dat het bevat, verlaten heb.”
Zonder meer te zeggen verwijderde hij zich en begon met zijne
dienstbaren alles voor het vertrek gereed te maken, en lang eer het
avond was, was het groote huis geheel ledig, en Stauffacher op weg naar
zijne kleine en vervallen bergwoning, waarheen hij reeds weken lang
zijne kostbaarste bezittingen had laten brengen, en waar, zooals wij
weten, ruimte in overvloed bestond en niemand bevreesd behoefde te zijn
van koude en gebrek om te komen. Het eenige bezwaar was, dat er zóóveel
sneeuw vallen kon, dat men ingesneeuwd was en dus rustig den tijd moest
afwachten, dat de sneeuw weer weggedooid zou zijn.
Dat bezwaar was echter ook alweer maar voor het oog, want uit de grot
liep voor elken geoefenden bergjager, een pad langs kloven en rotsen,
naar de dalen waar nimmer sneeuw lag, en dus geene voetstappen den
toegang tot de rotswoning konden ontdekken. Bovendien was een deel
zóó steil, dat men er alleen tegen opklauteren kon met behulp van
eene touwladder, die iemand van boven naar beneden werpen moest, en na
gebruik alweer ophalen kon. Wat Stauffacher aan kostbaars bezat, was in
de grot, doch de armoedige meubelen, die de Hoofdman had zien weghalen,
bevonden zich in het bouwvallige huis, waar van den morgen tot den
avond de schoorsteen rookte ten bewijze, dat het huis bewoond was.
Dat Stauffacher hun te slim af was geweest, begrepen Geszler en
Landenberg zeer goed, doch dat ze zóó om den tuin geleid waren, konden
ze niet vermoeden.
De winter, die zoo vroeg ingevallen was, begon al terstond streng,
zoodat de Oostenrijkers zoowel als de Zwitsers tot rust gedwongen
waren. De rust bij de Oostenrijkers bestond in feestvieren en
luieren;--de rust der Zwitsers was maar eene schijnbare, want
binnenshuis hield men zich bezig met het maken van wapenen en zich
oefenen in het boogschieten, het lanswerpen en het zwaardvechten. Heel
Zwitserland was ééne geheime oefenplaats voor krijgslieden.
Rust brachten die dagen al evenmin voor Claus en voor Tell, die
ook menigen nacht eenige uren in de gang doorbracht. Gewichtige
besluiten, door de Oostenrijkers genomen, werden door deze twee mannen
afgeluisterd en ter kennis van Stauffacher en de zijnen gebracht.
Gaandeweg nam het aantal mannen, dat zich verbond, Zwitserland van de
Oostenrijkers te bevrijden, toe, en daarom werd er in de grot achter
Stauffachers woning door meer dan honderd Vrijboeren, Vrijburgers en
Vrijjagers besloten zich met een' eed te verbinden om niet te rusten
vóór de macht der Oostenrijkers vernietigd was. Dit verbond droeg den
naam van het „Eedgenootschap.”