Het lieve Vaderland ten zegen.
Een viertal dagen waren na het gebeurde verloopen en Tell had van Claus
vernomen hoe Geszler en al wat op de hand van den Oostenrijker was,
woedend waren over den moord op Wolfenschiez gepleegd, en nog woedender
nu hij, die dezen moord gedaan had, zoo goed verborgen was, dat men hem
nergens vinden kon.
Wat er gebeurd was, wist men niet recht. Men had de heele bende,
die den moordenaar op zijne vlucht achtervolgd had, in het gebergte
gevonden, verpletterd door de steenen, die de woedende föhn van de
rotsen naar beneden geslingerd had. Niet één hunner was den dood
ontkomen.
Toch moest de dood dier mannen gewroken worden, had Geszler gezegd,
want de Zwitsers waren er de oorzaak van. Had een hunner Wolfenschiez
niet vermoord, dan zouden die arme soldaten nog in leven zijn, want
wat moesten ze in het gebergte doen? Niets anders dan den moordenaar
achtervolgen.
„Maar hoe komt het dat men Baumgartens vrouw zoo met rust laat?” vroeg
Tell aan Claus.
„Ja, dat weet ik! Overmorgen komt er hulp opdagen uit Oostenrijk. Ik
hoorde Geszler spreken van wel vijfduizend goed gewapende krijgers.
Dan worden, door heel Zwitserland, alle burchten en sterkten bezet en
kan hij doen, wat hij wil, zonder te vreezen dat de verdrukte Zwitsers
naar de wapenen grijpen. Op dit oogenblik zou het te bezien staan, wie
winnen zou, als de opstand uitbrak. Zijn echter de hulpbenden er, dan
zal het eerste werk van de Landvoogden zijn om Baumgartens vrouw en
kinderen gevangen te nemen, en dezen zóó te martelen dat ze hem zeggen
waar de vluchteling zich verborgen houdt.”
„Zij kunnen dat niet zeggen, want ze weten het niet!”
„Dan vatten ze anderen, en ze zullen zóó lang gevangen nemen en
martelen, tot ze er één vinden, die weet waar Baumgarten en de jonge
Melchtal zijn. Ook onder de Zwitsers zijn lafaards, Tell!”
Zoo, en nog meer had Claus gesproken en toen de avond aangebroken was,
was Tell, als een dief binnen de woning van Baumgarten geslopen, om de
vrouw en kinderen van den vluchteling ook in veiligheid te brengen. De
nacht was zeer donker geweest, zoodat men het er zelfs op waagde om
niet alleen de beste bezittingen en wapenen, maar ook het vee mede
te voeren. Vóór middernacht waren vrouw en kinderen in de veilige
rotsholen, en andermaal daalde Tell naar beneden om tevens de heele
familie van Melchtal daar te brengen, wat hem ook gelukte, zonder dat
één Oostenrijker er iets van gezien had.
Het was juist bijtijds geweest, want toen ze in de holen wellicht nog
van de vermoeienissen van den afgeloopen nacht uitrustten, kwam er een
renbode op den Zwing-Uri aan met het bericht, dat duizend Oostenrijkers
op weg naar den burcht waren, en er zijn zouden eer het middag was.
„Maar duizend man?” vroeg Geszler. „De Keizer berichtte mij dat er
vijfduizend mannen komen zouden.”
„Ook Keizers zijn soms genoodzaakt anders te doen, dan ze willen,
Heer!” zeide de bode. „In Tyrol is eene groote gisting onder de
Vrijboeren. Zij hebben zich gewapend en daar de Keizer den opstand
onderdrukken wil, zoo heeft hij op het oogenblik daar zooveel volk
noodig, dat hij hierheen, waar het rustig is, niet meer manschappen
zenden kan.”
„Hier rustig?” riep Geszler uit. „Wie heeft den Keizer die leugen
wijsgemaakt?”
„Het is geene leugen, Heer! Ben ik niet heel alleen van de oevers van
de Bodensee naar hier gekomen? En wie heeft mij bemoeielijkt? Niet één!
Ik verzeker u dat in Tyrol zoo iets mij niet zou gelukt zijn!”
„Het mag zoo zijn, maar ik zeg u, dat de gisting hier zeer sterk is.
Zijn de mannen, die komen, goed gewapend?”
„Van top tot teen, Heer!”
„En zijn het mannen, die in de bergen weten te strijden, die klimmen
kunnen als gemzen en moedig zijn als leeuwen?”
„Dat ze moedig zijn, weet ik, Heer! Maar of ze gewoon zijn in de bergen
te strijden, dat is iets, dat ik u niet verzekeren durf. Ik zelf nam
nooit deel aan een' oorlog in het gebergte, en ik weet dat er zoo meer
zijn dan ik.”
„Nu goed,” sprak Geszler. „Duizend Oostenrijkers staan gemakkelijk
tienduizend Zwitsers, die, als het er op aankomt, laten blijken, dat ze
geboren lafaards zijn. Intusschen, men drage zorg dat de Zwitsers niet
te weten komen, dat er opstand in Tyrol is, en dat het grootste deel
van de krijgsbenden, die ik aanvroeg, achterbleef om dien opstand te
dempen. Er moet rondgestrooid worden, dat er binnen enkele dagen nog
wel tienduizend komen zullen. Snel hen, die komen, tegemoet, en deel
hun dat mede. Ze weten dan, waaraan zich te houden.”
De bode snelde spoorslags terug en Geszler liet zijn paard zadelen om
naar den Sarnenstein te rijden. Landenberg toch diende ook te weten,
dat er slechts duizend man hulptroepen komen zouden.
De poorten waren al geopend toen Geszler er aankwam, en op het ruime
binnenhof was slechts één man te zien. Die man was Claus.
„Opgepast, Clausje,” mompelde deze, „dat jij je nu niet verklikt. Er is
wat gaande, want hij kijkt als eene lucht met stormwolken.”
Bedaard ging hij nu voort met een groot ledig wijnvat schoon te maken,
en hij deed, alsof hij niets hoorde of zag.
„Zeg eens, lummel, is uw Heer soms al op de jacht?” snauwde Geszler hem
toe.
Claus bleef boenen en poetsen.
Daar voelde hij een' zweepslag over den rug.
Hij had dien verwacht, zoodat hij er niet van schrikte. Toch deed hij,
alsof een plotselinge schrik hem overviel. Hij liet den borstel vallen,
wierp het vat om en keek toen met een paar wijdgeopende doovemansoogen
den Landvoogd vol verbazing aan.
„Zoo, voel je nou?” beet Geszler hem toe. „Waar is je Heer?”
Heel beleefd nam Claus de muts van het hoofd en riep op den harden
toon van dooven: „Claus de keldermeester ben ik, Heer! Om Uwe Edelheid
te dienen, Claus de keldermeester.”
„Dat raakt mij niet! Je mag Friedel heeten en hondenjongen zijn! Ik
vraag waar je Heer is?”
„Claus is doof, Heer! Hij verstaat u niet. Hij verstaat niemand!”
Een luid gelach klonk over het plein, het was Landenberg, die dit
lachen deed hooren.
„Dat zal een verrukkelijk gesprek worden,” riep hij, alweer
schaterlachend. „Je weet toch, Geszler, dat je even goed tegen een'
boom praten kunt. Hij hoort niets!”
De twee vrienden naderden nu elkander, doch niet zoodra zag Landenberg
het nijdige gezicht van Geszler of hij riep weer lachend uit. „Was mijn
wijn u gisteren avond te zwaar en heb je nu een' slapeloozen nacht
doorgebracht? Kom binnen, ik zal u een' dronk geven, die u herstelt!”
„Lach niet zoo als een zot,” snauwde Geszler hem toe. „Gij weet niet
met welk eene Jobstijding ik kom!”
Niet zoodra was dit gezegd of Landenberg, die inderdaad een groote
lafaard was, hield op met lachen. Hij verbleekte en vroeg: „Eene
Jobstijding?”
Woedend boende Claus er op los en maakte met het ledige vat een leven
van geweld, doch zorgde wel, dat geen enkel woord hem ontging.
„Ja, eene echte Jobstijding,” sprak Geszler, die afgestegen was en zijn
paard bij den toom hield. „Tyrol is in opstand!”
„Gelukkig ver van huis,” antwoordde Landenberg, die terstond weer moed
kreeg.
„Wees maar niet zoo gerust,” vervolgde Geszler. „Een kwaad gerucht
verbreidt zich snel.”
„Laat het zich verbreiden. Wij behoeven nu de Zwitsersche boeren niet
meer te vreezen. Vier of vijfduizend man zullen allen lust tot opstand
der Zwitsers doen vergaan!”
„Wie spreekt van vier- of vijfduizend man? Ik niet! Een renbode is
gekomen met het bericht dat er slechts duizend man zullen komen!”
„Slechts duizend man? Waarom?”
„Omdat de anderen in Tyrol moeten blijven.”
„En wanneer zullen die duizend man er zijn?”
„De bode zeide mij dat hij van de oevers der Bodensee kwam, en dat het
volk vóór den middag op den Zwing-Uri zijn zou. Begrijpt ge nu dat uw
wijn en een slapelooze nacht niet de oorzaak zijn, dat ik ontstemd ben?”
„Volkomen! Maar die opstand in Tyrol zal spoedig gedempt zijn!”
„Reken daar niet op! De Tyrolers zijn als koppig vee bij een' brand.
Zij loopen tegen de vlammen in!”
„Goed, om dan in de vlammen om te komen!”
„Ja, maar om eerst neer te stooten, wat tegenweer biedt. En weet je
wel, dat het tegen het najaar loopt en de winter op de bergen veel
vroeger invalt dan in de dalen? In den winter kan een Oostenrijker niet
in het gebergte strijden, maar een Tyroler trekt zich de koude niet
aan, en al liggen alle kloven met sneeuw bedekt, hij weet waar hij den
voet zetten moet om niet in de diepte te storten.”
„Maar wat zullen wij nu doen?”
„Het beste is, snel handelen en allereerst de heele bende van Melchtal
en van Baumgarten in de kelders van Zwing-Uri een plaatsje geven. Dat
zal schrik zetten onder de boeren! En als ze dan tegen den middag de
hulpbenden zien komen, dan...”
„Dan zien ze dat het maar een handvol volks is en krijgen we de poppen
aan het dansen. Ik ken de Zwitsers!”
„Ik ook, maar als ze die luî hooren vertellen dat ze slechts de
voorhoede van een groot bezettings-leger uitmaken, dan zullen ze zich
wel kalm houden. Maar laat die kerel de wereld vergaan?”
De vraag gold Claus, en dat mocht met recht gevraagd worden, want hij
ging als een dolle tekeer, en het was alsof hij met borstel en wijnvat
een hevig onweder wilde nabootsen.
„Ga mee naar binnen,” sprak Landenberg glimlachende om het geweld dat
de „doove kwartel” maakte.
„Neen, we hebben onzen tijd noodig. Wapent uwe mannen en neem de
geheele familie Melchtal gevangen en breng ze bij mij op den burcht.”
„En gij, wat zult gij doen?”
„Ik zal met mijne mannen de Baumgartens in verzekerde bewaring brengen.
En heeft de Keizer woord gehouden, dan weten we vóór het avond is, waar
de twee vluchtelingen zijn.”
„Wat heeft de Keizer dan beloofd?”
„Twee beulen met martelwerktuigen om tot bekentenis der waarheid te
brengen, wie zwijgen wil.”
„Als ze niet spreken willen, laten ze zich doodmartelen zonder een
woord te zeggen. Wat hebben we bij dien ouden Melchtal gewonnen met hem
de oogen uit te steken?”
„Gij vergeet dat niet iedere Zwitser een Melchtal is, Landenberg!
Vooral kinderen zijn het niet! Maar wij verpraten onzen tijd en moeten
gaan handelen. Heden avond wacht ik u op mijn' burcht, om op het
welslagen van onze plannen een' beker te ledigen.”
„Een doof mensch moet toch wat hooren,” grinnikte Claus, toen
Geszler de kasteelpoort uitreed en Landenberg het wachthuis van de
burchtbezetting binnentrad. „Als Tell nu maar heeft kunnen doen, wat ik
hem aangeraden heb, dan zullen die twee van avond geen vroolijk gezicht
zetten en den wijn zuur vinden. Maar als hij heeft uitgesteld tot een'
volgenden nacht, ja, dan is het te laat en de arme stakkerds zullen
er van lusten. En zwijgen? Ja, dat zullen ze, want ze moeten. Alleen
de oude Melchtal weet waar zijn Arnold zich bevindt; de anderen weten
niets. Zelfs Baumgartens vrouw weet slechts dat haar man het ontkomen
is; waar hij zich ophoudt, dat weet zij niet. De armen! De beul zal er
hen destemeer om pijnigen, want hij zal hun zwijgen geene onmacht, maar
onwil noemen. Wie weet, martelt hij ze niet dood! O, als Tell maar niet
uitgesteld heeft!”
Hij zweeg even en richtte het hoofd op; want hij hoorde wat.
Toch moest hij met dat luisteren alweer heel voorzichtig zijn; want als
men hem zag luisteren, als er wat te hooren was, dan zou men er achter
komen, dat hij niet zoo doof was, als hij zich hield.
En wat hoorde hij?
Met Tell had hij eene afspraak gemaakt, en wel deze: Waren de
Melchtal's en Baumgarten's in veiligheid, dan zou hij van een'
naburigen berg zesmaal den schellen loktoon van den lammergier laten
hooren. Bootste hij echter den angstkreet van een' vluchtenden valk na,
dan was het hem niet gelukt.
Een gelukkige lach trok over Claus' gelaat. Tot zesmaal achtereen klonk
de loktoon des lammergiers.
„Smakelijk drinken vanavond, Oostenrijkers!” mompelde hij. „Gladde
vogels zijt ge, dat moet ik erkennen, maar Tell en ik zijn gladder.”
Een erg ondeugende lach kwam evenwel voor den dag, toen hij Landenberg
aan het hoofd van een twintigtal gewapende ruiters den burcht zag
verlaten, langs den krommen bergweg. Hij wist immers het doel van dien
tocht en, hij wist ook dat ze de vogels gevlogen zouden vinden.
Toen een paar uur later uit de verte een dikke rook opsteeg, begreep
Claus dat Landenberg, zijn doel missende, eene laaghartige wraak
genomen had door huis, stal en bergschuur in brand te steken.
„De lafaard,” bromde hij, „toont zijn' moed aan weerlooze voorwerpen.
Wacht maar, vriendje! Aan alles komt een einde, ook aan Oostenrijksche
dwingelandij. En het zal waarlijk niet aan Claus haperen, als dat einde
er niet veel spoediger is dan gij en uw vriend Geszler denkt. Liever
vandaag nog dan morgen.”
Hij zweeg, balde nog even de vuist en begon alweer met andere vaten
schoon te maken.
Kort daarop keerden de ruiters weer, en al dadelijk was het hun aan
te zien, dat ze woedend waren. Afstijgen, aftuigen en wegbrengen der
paarden geschiedde buitengewoon driftig en onder het ruwste gevloek.
„Maar de verrader zal gevonden worden!” liet een ruiter zich hooren.
„Ja, dat moet! En hij moet hier op den Sarnenstein schuilen,” zeide een
ander.
„Ik begrijp niet, wie het zou kunnen zijn,” sprak nu weer een derde.
„Wij, Oostenrijkers, doen het niet, want wie onzer houdt zooveel van
dat Zwitsersche vee om het te waarschuwen, als gevaar dreigt?”
„Maar er zijn er van dat Zwitsersche vee toch nog op den burcht,”
meende er weer een. „Overal weten ze luisterend zich in te dringen, en
als ze maar de helft weten, dan weten ze al veel te veel.”
„Ik weet niet of ik het mis heb,” dus liet nu een grijze snorrebaard
zich hooren, „maar één is er, dien ik niet vertrouw en dien ik in staat
acht, ons allen beet te nemen!”
„En wie zou dat zijn?”
„Claus de keldermeester, geen mensch anders!”
Een luid gelach steeg op.
Claus alleen lachte niet en boende er lustig op los, maar hooren deed
hij alles.
„Die oude snorrebaard,” dacht hij, „is er achter. Goed dat ik het
weet. Hij ligt het eerst aan de beurt om hem zijne wijsheid betaald te
zetten.”
„Maar, Ludwig,” vroeg er nu een uit den hoop, „weet gij dan niet, dat
Claus stokdoof is?”
„Dat weet ik zeer goed,” snauwde de snorrebaard.
„Nu is hij er niet achter,” meesmuilde Claus.
„Welnu, dan? Hoe kan hij dan achter de geheimen van de Landvoogden
komen?”
„Een doove kan aan de beweging der lippen zien, wat een ander zegt,”
klonk het ophelderend.
Hieraan had men niet gedacht, doch nu Ludwig het zeide, ja, nu begrepen
ze toch, dat die Claus wel eens de man zijn kon, die de woorden iemand
van de lippen keek.
„Dadelijk de proef genomen,” hernam de snorrebaard. „Gij zult zien dat
ik gelijk heb!”
Hij naderde nu Claus, die dacht: „Wat heeft die man het mis! Die kunst
heeft Claus nooit kunnen leeren en hij kent ze nog niet. Opgepast,
Claus! Daar is de gevaarlijke baas!”
Clans boende er lustig op los toen de snorrebaard hem naderde en op den
schouder tikte.
Claus schrikte en keek hem met zijne wijdgeopende doovemansoogen zoo
kalverachtig aan, dat al de ruiters in een luid gelach uitbarstten.
Claus lachte dom mee; hierin stak geen kwaad. Hij zag immers anderen
lachen? Waarom zou hij het nu ook niet doen?
„Ik heb dorst en wil wijn,” zeide de snorrebaard heel langzaam.
Claus bleef hem dom aankijken en zeide met de schorste stem, die hij
maken kon, doch zoo luid mogelijk: „Ja die vaten worden weer gevuld.”
Geene spier van zijn gelaat vertrok.
„Je bent een ezel,” snauwde de ruiter.
„Als de druiven rijp zijn,” antwoordde Claus.
Een nieuw gelach deed zich hooren, doch nu stelde Claus zich beleedigd
aan en schreeuwde: „Het staat je mooi een doof mensch uit te lachen!
Schaam je je niet?”
De snorrebaard was nog niet overtuigd en vroeg nu nog eens, maar veel
langzamer: „Heb je niet wat wijn voor me? Ik heb dorst!”
„Man, al praat je tot morgen ochtend op dezen tijd, dan ben je nog even
ver,” schreeuwde Claus. „Ik versta je niet. Kan je me niet door teekens
te kennen geven, wat je wilt?”
Nijdig, omdat de proef mislukt was, liet de oude ruiter Claus staan en
keerde tot zijne makkers terug, zeggende: „Ik heb me vergist! Claus kan
de verrader niet zijn. Hij hoort niet wat er gezegd wordt, en hij ziet
het niet ook!”
„Ondertusschen is oppassen nu de boodschap,” dacht Claus en ging met
zijn werk voort, scherp toeluisterend wat er gezegd werd. Er hing zeer
veel voor hem en zijne vrienden van af, dat hij zich niet verried.
Hij moest nu ook oppassen, dat hij niet te veel zeide. Wanneer toch
Geszler en Landenberg samen met elkander spraken en hij alleen was er
bij, dan zouden ze natuurlijk er achter komen, dat niemand anders dan
hij voor verklikker speelde. Met een: „Het wordt er voor Claus niet
gemakkelijker op, en het wordt meer dan tijd, dat de Oostenrijkers het
land uitgejaagd worden,” rolde hij de vaten in de kelders.
Terwijl hij hier aan het werk was, hoorde hij al weer den hoefslag van
een naderend paard, en even door een der luchtgaten glurend, zag hij
dat het Geszler was, blijkbaar in een' zeer opgewonden toestand.
Landenberg liep hem tegemoet.
„Waarom heb je de Melchtals niet op den Zwing-Uri gebracht?” bulderde
Geszler. „Ik had je toch bevolen dit te doen?”
„Bevolen?” riep Landenberg, „mij bevolen? Sedert wanneer is de
Rijksvoogd Landenberg de mindere van den Rijksvoogd Geszler? Gij hebt
mij niet te bevelen. Slechts één is er, die Landenberg beveelt en wien
Landenberg gehoorzamen zal. Die één is Keizer Albrecht, maar heet
niet Geszler van Bruneck. Deze is de gelijke van Ridder Beringer van
Landenberg.”
Geszler werd vuurrood van kwaadheid en sloeg de hand aan het zwaard.
„Komaan,” dacht Claus, „zoo gaat het goed! Dat helpt huishouden!”
Landenberg week achteruit en zeide nu: „Zie, nu wordt gij boos, maar
dat is mijne schuld niet. Aan uwe bevelen heb ik niet voldaan, maar wel
aan uw verzoek!”
„De lafaard bakt zoete broodjes,” mompelde Claus. „Maar, dat is niets.
Een lafaard haat in het geheim, en ik ben er zeker van, dat van dit
oogenblik af, Geszler geen' grooter vijand heeft dan mijn' meester.”
„En waarom bracht gij dan uwe gevangenen niet op den Zwing-Uri?” vroeg
Geszler. „Hier de Sarnenstein heeft geene geschikte kerkers voor dat
gespuis!”
„Ik bracht ze niet, omdat het heele nest verlaten was. Zelfs het
huisraad was verdwenen en geen vee was in den stal te zien!”
Geszler verbleekte en zeide: „Dan moet er in onze nabijheid een
verrader zijn. Ook ik vond geen der Baumgartens en ook niets dan een
ledig huis en ledige stallen. Wat hielp het, dat ik alles in de asch
liet leggen?”
„Dat deed ik ook,” antwoordde Landenberg, „maar het helpt toch zooveel
dat daar geene samenzweringen meer kunnen gehouden worden!”
„De samenzweringen hebben hier op den Sarnenstein plaats,” snauwde
Geszler.
Landenberg, die het niet meer waagde om in het openbaar zoo stout
tegenover zijn' ambtgenoot op te treden, sprak nu heel kalm: „Het kan
zijn, dat de verrader hier schuilt, maar even goed kan hij op den
Zwing-Uri gevonden worden.”
„De verraders zullen wel oppassen, dat ze niet op den Zwing-Uri komen,”
hervatte Geszler. „Zij kennen mij en weten met wien ze te doen hebben.”
„Zoudt gij dan denken, dat ze op den Sarnenstein veiliger zijn? Gij
ziet mij toch niet aan voor iemand, die de Zwitsers vreest?”
„Ik weet niet, wie gij vreest en wie gij niet vreest, maar dat al onze
beste plannen verraden worden, dat weet ik wel. Wij ondervonden het
heden op de treurigste manier. En als ik u een' raad mag geven, ontsla
dan alle Zwitsers uit uw' dienst, vooral dien dooven kwartel.”
Landenberg lachte, maar hij daar in den kelder lachte niet, doch
bromde: „Je rijk is hier uit, Claus! Ze hebben je in het oog!”
Daar Geszler en Landenberg zich verwijderden, kon Claus niet meer
luisteren. Hij begon dus weer aan zijn gewoon werk en verzette een
groot ledig vat.
Opeens kwam er een blijde trek op zijn gelaat.
„Ha,” mompelde hij, „hier achter is de deur naar de gang, die naar
beneden in de rots gehakt is en in het bosch uitkomt. Jaren lang is er
al naar gezocht. Komaan, Claus, je hebt je eigen sleutels, en als je
hier in den kelder bent, kan je alles hooren, wat op het plein en in de
feestzaal voorvalt en gezegd wordt. Vooral die feestzaal lijkt je, want
„Als de wijn is in den man,
Dan is de wijsheid in de kan.”
Ga nu die gang maar in en schuif dan het vat voor de deur. Hoe
heerlijk, dat die deur niet naar den kelderkant draait, maar naar de
gang opengaat! Als het andersom was, dan was er geen kijk op om het vat
er voor te krijgen. Zorg nu maar voor een' goeden voorraad van eten en
drinken, dan kan je in die gang wonen en altijd aanwezig zijn om te
luisteren, als je denkt, dat er wat te luisteren is! Rep je! De baas
kan zóó komen!”
Claus bracht nu brood en vleesch en eenige kannen landwijn in de gang,
schoof het groote vat er voor, sloot de deur en grendelde die aan de
gangzijde. Bij mogelijke ontdekking kon hij dan toch ontkomen zijn eer
men de deur geopend had.
Zoodra hij nu in de gang was liep hij op den tast verder, en ontdekte
weldra eene lichte plek. Toen hij die genaderd was, zag hij dat het de
koker was waardoor men drinkwater naar boven haalde. Daar onder die
koker was dus de kleine bergbeek, die onder de rots doorstroomde.
Over die beek lagen twee zware balken om hem, die in deze gang kwam,
gelegenheid te geven aan de overzijde te komen.
Op die balken bleef hij even staan en keek naar boven.
„Eene geringe moeite om omhoog te klauteren en ook langs dezen weg in
den burcht te komen,” dacht Claus. „We zullen het van avond al hebben,
of...”
Hij luisterde.
„Ze zijn in den kelder en zoeken mij,” zeide hij lachend.
„Ik heb hem een half uur geleden in den kelder zien gaan, Heer!” hoorde
Claus den ouden snorrebaard zeggen.
„Dat kan, maar nu is hij er niet meer! Ga terstond alle plaatsen van
den burcht afzetten, waar hij ontsnappen kan. Ik geloof nu ook, dat
hij de verrader is en ik wed, dat hij even goed hoort als wij, en
alleen maar voor den doove gespeeld heeft om achter onze geheimen te
komen.”
„Ik weet het zeker, Heer!” antwoordde de oude soldaat. „Ik heb hem
dezen morgen op de proef gesteld, maar hoe slim hij zich ook wist te
redden, toch zag ik zeer goed, dat hij mij begreep. Hij is evenwel
stokdoof, dat is waar, doch hij kan aan de lippen zien, wat iemand
zegt.”
„Gij kunt gelijk hebben, Ludwig! Hieraan heb ik nooit gedacht. Maar
nu aan het zoeken! En als gij hem vindt, korte metten gemaakt en hem
terstond opgehangen! Een doode zal ons geen kwaad meer doen!”
De twee verlieten den kelder en Claus hoorde de deur dichtgrendelen.
„Dat is bijtijds de plaat gepoetst, Claus,” bromde hij. „Maar die
Ludwig is een baas, dat moet ik zeggen. Toch is de man de kwaadste
niet. Hij dient zijn' meester trouw, en als ik hem eens te pakken
krijg, nu, ik zal hem niet ophangen!”
Thans ging onze gewezen doove alweer verder. De gang liep gelijkmatig
rechtuit en was kurkdroog.
Na een kwartier uur loopens zag hij eenig licht en weldra bemerkte hij,
dat hij onder een' hoogen, hollen eik stond waarin zich eene ijzeren
ladder bevond.
Hij klom naar boven en zat spoedig in den boom. Uit dien boom naar
beneden in het bosch afdalen, kon hij echter niet.
Wat nu gedaan?
Zonder touw kon hij niet naar omlaag.
Stil! Het touw van den emmer waarmede men water schepte! Ja, dat zou
hij nemen! Zoo'n touw kon immers breken? Niemand zou dan eenig kwaad
vermoeden krijgen.
Maar hiermede diende gewacht tot het donker was, en daarom, eer men hem
ontdekte, den boom weer in.
Nog niet lang had hij zich zoo ver laten zakken, dat men hem van
beneden niet zien kon, of hij hoorde van twee verschillende zijden twee
mannen naderen.
„Zeker niets gezien?” vroeg de een.
„Niets,” sprak de ander.
„Waar zou hij zich dan toch verborgen hebben?”
„Weet ik het? Ik hoop maar, dat ik het niet ben, die hem vind. Die
man heeft eenvoudig zijn Vaderland lief, en dat hij geen hart heeft
voor den Landenberger, nu, wie zal hem dat euvel duiden? Ik heb als
Oostenrijker mijn' plicht gedaan en hem alles gezegd, wat ik bij dien
Claus opgemerkt heb. Ik moest dat. Maar Claus ophangen, neen, dat wil
er bij mij niet in. Als ik er kans toe zag, liet ik hem ontsnappen. En
waar nu heen?”
„Naar den burcht terug; er zit niets anders op. Maar zeg, weet je het
wel wie die twee Zwitsers heeft laten ontsnappen en nu verborgen houdt?”
„Ja! Ik heb het gezien, dat Stauffacher dien Baumgarten naar de bergen
bracht.”
„Ik zag het ook.”
„En waarom heb je het Landenberg niet gezegd?”
„Waarom heb jij dat niet gedaan?”
„Omdat die Stauffacher mij verleden jaar, toen het koren zoo duur was,
geregeld meel gaf voor mij en mijn gezin om er brood van te bakken.
Geen penning wilde hij er voor hebben. Hij is een nobel grijsaard en
Ludwig verraadt hem niet, die mij weldeed.”
„Mijn kind heeft hij uit het Sarnermeer gered, en dat met gevaar van
zijn eigen leven,” sprak de ander. „En daarom verraad ik hem ook niet.
Ik verraad geen' enkelen Zwitser, want zij zijn werkelijk flinke en
eerlijke mannen. Het zal mij leed doen, als het tot een strijd komt,
want... een verrader van mijn land ben ik ook niet!”
„Ik evenmin, maar tot strijd komt het toch! De Voogden leggen het er op
toe. Kom, laten we gaan.”
De twee vertrokken en Claus dacht zoo: „Twee edele mannen zijn ze!
Waren slechts de Rijksvoogden zoo. Maar deze hebben hun land verraden,
en wat kan men van verraders verwachten? Zie, Geszler en Landenberg
noemden hem, die hunne plannen deed mislukken, een verrader, maar ze
vergaten de gelijkenis van balk en splinter! Dat deden ze.”
Claus daalde nu voorzichtig naar beneden en bleef in de gang onder
den boom tot het donker werd. Toen sloop hij naar den putkoker, klom
een eindweegs omhoog, sneed het touw van den wateremmer af, daalde
weer neer tot op den balk en ging nu met het touw naar den uitgang om
weldra in het bosch op den grond te staan. Hij liet het touw hangen;
niemand kon het in het duister zien en snelde de bergen in om den ouden
Stauffacher in kennis van alles te stellen. Iederen middernacht, dus
sprak hij af, zou hij hem of een ander, die driemaal drie zachte slagen
tegen den welbekenden boom gaf, te woord staan en mededeelen, wat hij
vernomen had.--Nu keerde Claus terug en toen hij weer in den boom zat
en het touw opgehaald had, zeî hij: „En nu op afluisteren uit. Gij
hebt wel eens gezegd, Landenberg, dat een booze geest voor u die gang
verborgen hield. Gij moest eens weten welk een booze geest voor u en
uwe vrienden er nu in woont! Maar die booze geest zal Zwitserland ten
voordeel, het lieve Vaderland ten zegen zijn!”