De worsteling is begonnen.
Behouden waren Tell en Baumgarten aan den anderen oever aangekomen.
„Laten we hier Friedels boot op het droge halen,” sprak Tell. Het
waren de eerste woorden, die hij sprak, sinds hij Baumgarten een kort
antwoord gegeven had. Er was geen tijd geweest tot praten, want het
roer vereischte alle aandacht, wilde men niet door de woeste golven in
de diepte geworpen worden. Beiden waren door het overslaande water en
den neerplassenden regen druipnat, wat evenwel niet zooveel hinderde.
De kleeding toch bestond hoofdzakelijk uit gemzenleder, dat zóó goed
gelooid was, dat het in het gebruik vrij zacht bleef. Lappen getaand
zeildoek, die in elke boot steeds aanwezig waren om de voeten en beenen
der reizigers, die overgezet werden, tegen het overslaande water te
beschermen, hadden ook hunne voeten en beenen droog gehouden.
„Goed,” sprak Baumgarten, doch alsof hij zich schaamde, dat zijn eerste
woord slechts een antwoord was op hetgeen Tell gezegd had, trad hij
op dezen toe, greep hem de hand en zeide: „Tell, ik dank u voor uwe
moedige daad. Gij hebt mij het leven gered.”
„Ja, tot hier, maar dat zegt al heel weinig, Kuni,” sprak Tell. „Ik heb
gezien, dat de ruiters met Friedel in gesprek geweest zijn.”
„En die lafaard zal ons wel verraden hebben,” bromde Koenraad van
Baumgarten, door Tell eenvoudig Kuni of Koeni genoemd.
„Gij vergist je, Kuni! Onze Friedel is geen lafaard. Nog nimmer heb ik
het meer zoo fel bewogen gezien, als thans het geval is; nog nimmer
woonde ik zulk verschrikkelijk weder bij. Het was een tocht van
waaghalzen, Kuni, en verscheidene oogenblikken zijn er geweest, dat ik
dacht: „God en de Heilige Maagd mogen ons behoeden! Onze laatste stonde
is aangebroken.” Het was geen weer voor zulk eene zwakke boot! En dat
we er zijn, dank hiervoor God, niet mij! Maar geen rustig gepraat,
verder! Help mee aan de boot!”
Met vereende krachten werd het vaartuig nu aan den steilen oever
gehaald, en beide mannen begaven zich naar eene diepe bergholte om daar
het einde van den storm af te wachten.
„Ik zag de ruiters het gebergte indraven, Willem! Ze kunnen immers hier
komen?” begon Baumgarten.
Tell glimlachte en zeide: „Ik zag dat ook, maar die ruiters zullen
ons geen kwaad doen, Kuni! Zie naar boven! Allen worden gedood! Ze
kenden onze bergen niet, als de föhn er hare reuzenkrachten toont. Arme
kerels!”
Baumgarten zag omhoog en huiverde.
Zware dennen werden als dorre rietstengels doorgekraakt; groote
steenen, die los lagen werden door de waterstroomen voortgedreven en
naar beneden geworpen. Bij oogenblikken was de regen zoo ontzettend,
dat men er niet doorheen kijken kon. Wat zich verhief en niet goed vast
stond, moest vallen. Geen enkel paard, dat in het gebergte toch al zoo
moeielijk zich voortbeweegt, zou op de been kunnen blijven. Baumgarten
begreep dat ook en zeide: „Neen, voor die ruiterbende bestaat geen
gevaar meer, maar waartoe was dan de haast noodig, waartoe gij zooeven
aandreeft? Waarom zou dan mijn leven nog niet gered zijn?”
„Maar, Kuni, heeft het groote gevaar, waarin we verkeerd hebben,
heeft de bijlslag waarmede gij den onverlaat gedood hebt, je dan alle
bezinning doen verliezen?”
Baumgarten zag zijn' vriend met verwonderde blikken vragend aan.
„Het schijnt, dat je me niet gelooft,” hernam Tell. „Begrijp je dan
niet, dat de Oostenrijker zich reeds gewroken zou hebben om den dood
diens éénen? Hoeveel grooter zal zijne begeerte naar wraak niet zijn,
als de heele ruiterbende bij de achtervolging omgekomen is? Van naar
huis terugkeeren is geene sprake; je moet je noodzakelijk ergens
verbergen!”
„O, dat begrijp ik wel, maar ik weet ook dat de Oostenrijker den
Zwitser niet vindt, als deze zich in het gebergte verscholen houdt! Ik
zie dus niet in, dat mijn leven niet gered zou zijn.”
Tell glimlachte droevig, en zeide: „O, ja, als Koenraad van Baumgarten
zichzelven schuilhoudt, is er geen Oostenrijker, die hem vindt!”
„Welnu dan, wat is er nog meer te vreezen?”
„Gij hebt een' ouden Vader, Kuni! Gij hebt vrouw en kinderen!”
„Dat weet ik, doch dezen zijn veilig. Zij immers hebben den onverlaat
niet gedood?”
„Ze zijn onschuldig daaraan, Kuni! Maar om den dader van het misdrijf
uit zijn' schuilhoek te lokken, zullen zij de onschuldigen gevangen
nemen en martelen!”
„Dat zullen zij niet! De Oostenrijkers zijn waarlijk toch ook menschen!”
„Zeker! De Oostenrijkers zijn ook menschen, en misschien zouden zij
niet zoo wreed en boosaardig zijn. Maar onze Landvoogden zijn geene
Oostenrijkers, Kuni! Ze zijn geboren Zwitsers, die zoo laaghartig
waren, hun Vaderland te verzaken en te verraden. En verraders zijn
duivels, Kuni! Ronduit gezegd, ik vrees dat uwe daad groote en droevige
gevolgen na zich sleepen zal.”
„Maar, Tell, de Landvoogden zullen...”
„Voor geen enkel middel terugdeinzen, Kuni! Ik ken hen!”
„Maar dan ga ik terug! Ik wil niet, dat mijn oude Vader, mijne
lieve vrouw en kinderen lijden zullen om dat, wat ik deed. Voor den
verschrikkelijken tocht over het meer dank ik u, Willem! Vaarwel!”
Tell hield zijn' vriend tegen en zeide: „Bega nu geene dwaasheden,
Kuni! Met zulk weer kunt gij je niet op weg begeven, en er bestaat
geen gevaar, dat men de uwen nog heden leed doen zal. Als straks het
weder bedaard is, zullen wij samen naar Stauffacher gaan, en als deze
geen' raad weet te schaffen, zullen we ons vervoegen tot Werner van
Attinghausen. Overijling deugt nergens toe, dan om alle kwaad nog erger
te maken, en wij kunnen niets beters doen dan voorloopig afwachten, wat
de Oostenrijker doet.”
„Maar dan is het te laat!”
„Zoo gauw niet! Claus, de keldermeester van den Sarnenstein, is ons
toegedaan, en hij staat bij Landenberg gunstig aangeschreven. Hij
heet stokdoof te zijn, doch hoort scherper dan menig ander. Bij elk
feestgelag, dat Landenberg op den Sarnenstein geeft, moet Claus in de
zaal de gasten bedienen. Niemand weet beter, of Claus hoort toch niets,
en zoo praten de gasten vrij uit met elkander.”
„Maar Claus is toch al jaren doof,” merkte Baumgarten aan. „Wie noemt
hem anders dan „Doove Claus”?”
„Hij was doof, mijn vriend! Maar nu eenige weken geleden werd hij op
zekeren nacht met schrik wakker. Het was net, of er wat in zijn hoofd
gesprongen was. Terwijl hij lag te denken, wat er in dat hoofd toch kon
gebeurd zijn, blies de torenwachter het uur van middernacht en... Claus
hoorde het. Meer dan twintig jaar lang had hij dat geluid niet gehoord,
en daarom dacht hij, dat hij droomde. Andermaal hoorde hij blazen, doch
meteen vernam hij, dat iemand te paard den burcht naderde. Hij hoorde
dus, maar bleef aan een' boozen droom gelooven. Hij bleef wakker liggen
tot aan den morgen en stond toen op, maar zie, met den voet bewoog hij
de bank waarop zijne kleederen, lagen, en dat geluid hoorde hij ook.
Vol dankbaarheid wierp hij zich voor het kruisbeeld neder om God te
danken voor het wonder, dat Hij aan hem gedaan had. Zoo iets was immers
wat ongehoords? Dat een, die jaren lang doof was, het gehoor weer
kreeg, het was een mirakel, niets anders!
Wat zou hij doen?
Wat anders, dan iedereen vertellen, dat hij gelukkig weer hooren kon?
Met dat voornemen wilde hij naar beneden snellen. Maar opeens bedacht
hij zich. Zou het teruggekeerd gehoor geen middel kunnen zijn om er
achter te komen, wat zijn Heer en zijne vrienden in het schild voerden?
Gehoord had hij het niet, hoe zijne landgenooten verdrukt werden, maar
gezien had hij het wel.
„Neen,” mompelde hij, „ik zal niemand hier in huis zeggen, dat ik weer
hoor. Wie weet, wat ik dan verneem en hoe ik het middel in Gods hand
kan zijn, om mijne landgenooten, die zoo schandelijk verdrukt worden,
te helpen of tenminste veel kwaad te voorkomen.”
Zoo dacht Claus en zoo deed hij ook. Met den dag werd zijn gehoor
beter, ja, het is zóó scherp geworden, alsof de ooren hunne schade
willen inhalen. Zelfs het zachtste gefluister verneemt hij, doch wie
hem wat zegt, schreeuwt even als vroeger. Landenberg, die zich nog
nooit ingespannen heeft om Claus door woorden te laten verstaan, maar
dit immer door gebaren en teekenen deed, houdt hiermede vol. Iedereen
op den burcht weet niet beter of Claus is nog altijd stokdoof en
verstaat niets, en daar allen vrienden van den Oostenrijker zijn, zoo
hoort hij overal, waar hij komt, allerlei nieuws; want niemand zwijgt
voor hem. Meesterlijk weet hij voort te gaan met van die groote oogen
op te zetten en den mond steeds open te houden, zooals alle doove
menschen dat doen. Zijne Ouders alleen weten nu sedert enige dagen zijn
gelukkig geheim, doch zij mochten het alleen aan mij zeggen. Het heet,
dat ik op de jacht geweest ben. Wie zal dat durven tegenspreken? Ik
verkocht immers geen uur geleden aan Landenbergs hofmeester eene groote
gems, die nog warm was. Maar vóór dien tijd had ik Claus reeds over
heel veel gesproken.”
„Zijt ge dan op den Sarnenstein geweest?”
„Neen! Ik sprak hem in het bosch.”
„Hoe wist je, dat hij daar was?”
„Claus had tot zijne Ouders gezegd: „Als ik Tell wat te zeggen heb,
dan zal ik des morgens het benedenste vensterluik van den linker
toren openzetten. Hij kan me dan wachten in het bosch bij den
„Driekoningen-eik.” Misschien ben ik er al, als hij komt.””
„En had hij vanmorgen dat teeken gegeven?”
„Ja, en zoodra ik het gezien had, repte ik mij om bij den eik te komen,
waar ik hem reeds wachtende vond. Hij had mij heel wat belangrijks mede
te deelen.”
„Mag ik het weten?”
„Waarom niet? Gisteren was er op den Sarnenstein groot feest, en naar
gewoonte moest Claus weer helpen om de kelen der altijd dorstige
Oostenrijkers te laven. Geszler was er ook, en nu vertelde Landenberg
hem, onder het vroolijk gelach der aanzittenden, dat hij Melchtal zulk
eene prachtige poets gespeeld had.”
„De lafaard mag wel oppassen, want Arnold is de man niet om zich te
laten beleedigen.”
„Het was niet Arnold Melchtal de zoon, maar de oude Heinrich, de Vader.
Deze was bezig het gemaaide korenveld om te ploegen toen Landenberg met
zijn gevolg aankwam.
„Een paar prachtige ossen heeft die boer,” zeide Landenberg, en reed er
met twee knechts heen.
„Boer,” zeî hij, „span af je ossen! Ik heb ze noodig!”
„Heer,” antwoordde Melchtal nu, „ik heb ze ook noodig om den ploeg te
trekken.”
„Gelogen,” riep Landenberg uit. „Een Zwitsersche boer trekt zelf den
ploeg! Spant af, mannen!”
De knechts deden het, terstond en met de gestolen ossen reed de schelm
weg.”
„Driewerf schande,” riep Baumgarten, de vuist ballend, uit. „Moet een
Vrijboer der Woudsteden zoo iets dulden? Verzette Melchtal zich niet?”
„Melchtal is oud, maar krachtig en moedig. Toch zweeg hij en bood
geen' tegenweer; want wat zou één ongewapend oud man tegen drie jonge
mannen, die met zwaard en aks gewapend waren? Hij ging evenwel naar
huis en vertelde daar, wat er gebeurd was. Arnold hoorde zijn' Vader
tandenknarsend aan, en alleen met een' stevigen knuppel, ging hij naar
de Rütli om de koeien te halen. Onderweg kwam hij een' knecht van den
Sarnenstein tegen, en zonder zich te bedenken, viel hij hem met den
knuppel aan en sloeg hem twee vingers van de rechterhand af. Vol angst
over zijne daad, bracht hij de koeien thuis, deelde mede, wat hij in
drift gedaan had, en vluchtte de bergen in. Geen uur later verscheen
Landenberg met zijn volk, en toen de oude Vader niet zeggen wilde, waar
zijn zoon was, liet hij hem op staanden voet beide oogen uitsteken!”
„Wraak! Wraak!” schreeuwde Baumgarten. „Het is verschrikkelijk! En
noemt men die wreedheid eene poets?”
„Laat mij verder gaan,” hernam Tell. „Toen de laffe wreedaard dit
verteld had, deelde Geszler zijne plannen mede, en deze kwamen hierop
neer. Gij weet, dat de oude Stauffacher zijne vervallen woning verlaten
heeft, en dat hij woont in een ruim en prachtig huis, dat hij zich nu
op het dorp Steinen bij het Lowetzermeer heeft laten bouwen.”
„Ik heb het vernomen,” sprak Baumgarten. „Gezien heb ik het nog niet,
want ik kom nooit te Steinen, en al ken ik den ouden Stauffacher, toch
kent hij mij niet. Sedert wij op de Rütli geen Vrijboeren-gericht meer
houden, groeien de jonge Zwitsers de oude uit de kennis.”
„Dat is, helaas, zoo! Maar er is niets tegen te doen!”
„Zegt Tell „Er is niets aan te doen!”--Meent hij dat?”
„Dat meent Tell nu nog, maar, wat hij morgen of overmorgen meenen zal,
weet hij niet; want er kunnen gewichtige gebeurtenissen op handen zijn.
Arnold Melchtal beging bijna een' moord; gij maaktet het veel erger
door een Onder-landvoogd te dooden, en binnen eenige weken zal de oude
Stauffacher uit zijn steenen huis verdreven zijn. Geszler vertelde, dat
die trotsche Vrijboer Stauffacher, zonder hem of den Keizer vergunning
te vragen, dat steenen huis heeft laten bouwen. Komt het, volgens hem,
niet te pas, dat een boer in een ander dan een houten huis woont, nog
minder komt het te pas, dat hij zonder vragen zich een steenen huis
bouwt. Maar hij, Geszler namelijk, zou het dien boer betaald zetten.
Tegen het begin van den winter, als de heele wintervoorraad in huis,
het vee in den stal, het hooi in den tas en het koren in de schuur
is, zal hij hem het huis uitzetten. Dan moet Stauffacher zijne oude,
verweerde woning betrekken en op de bergen van koude omkomen. Dit alles
vertelde Claus mij, en nu was mijn weg, vóór ik naar huis ging, naar
Steinen om Stauffacher te waarschuwen. Doch het weder is nu bedaard.
Kom, laten wij er heengaan.”
Men zou daar buiten niet gezegd hebben, dat, nog geen half uur geleden,
heel Natuur in zulk een' opstand was. De avondzon zette alles in
gloed. Het groen, dat door de droogte der laatste dagen vol stof lag,
zag er nu frisch en welig uit. De zwaluwen, die het noodweer in de
rotskloven ontvloden waren, vlogen weer vroolijk sjilpend rond, om
zich te verzadigen met de vliegjes en mugjes, die nu ook te voorschijn
gekomen waren. Het vee graasde met wellust in de groene bergweiden
en smulde van het gras, dat nu niet bestoven in de maag kwam. Helder
blonk en glinsterde de eeuwige sneeuw der hooge bergtoppen in het
stralende zonnelicht. Het meer was geheel tot rust gekomen, en boven
de oppervlakte van het rimpelende water sprongen de visschen dartel
spelend uit. De geuren der bergkruiden wasemden naar alle kanten.
Vroolijk klonk van de hoogten het „Halli! Halli! Hallo!” der herders,
die hun vee huiswaarts dreven.
Onwillekeurig bleef Tell staan, en zacht klonk het: „Zwitserland, gij
zijt schoon boven alle andere landen!”
„En dat hier dan te midden van al dat heerlijks zooveel verdorvens,
zooveel laags huist,” sprak Baumgarten. „Dat een paar ellendelingen,
niet uit overtuiging, maar alleen uit eigenbaat, instaat zijn, van dit
lachend Paradijs een' buitensten afgrond te maken, het mag niet! Het
kan niet!”
„En het zal niet,” deed Tell zich nu hooren.
Zijne heele gestalte verhief zich. Als een leeuw, die de manen schudt,
wierp hij de lange, blonde haren over de schouders en den rug, en met
van geestdrift schitterende oogen, riep hij: „Het zàl niet!”
„Zal Melchtal gewroken worden? Zullen de Oostenrijkers voor de bedreven
wreedheden hunne straf ontvangen? Zullen niet alleen de Woudsteden,
maar zal heel Zwitserland vrij ademen, als onder het Vaderlijke bestuur
van den onvergetelijken Rudolf van Habsburg?”
„Het zàl, of...”
Tell zweeg.
„Ga verder, mijn vriend, ga verder,” sprak Baumgarten.
„Of ik zal ondergaan,” hernam Tell, en hierop zich opnieuw verheffend,
riep hij: „Hoort het, gij trotsche Alpen met uwe besneeuwde kruinen!
Hoort het, gij, adelaars en lammergieren, die boven onze dalen uwe
wieken ontplooit! Hoort het, gij machtige wouden, ruischende golven,
geuren-wasemende kruiden, groenende weiden! Hoort het, gij Zwitsers,
waardige zonen der Allemanen! Hoort het, grijsaards met den voet in
het graf, en, jongelingen, met een lang leven voor u! Hoort het, gij
loeiend vee, dat onze weiden kaal scheert! Hoort het, gij vogelen des
hemels, gij visschen der wateren, Zwitserland zal vrij worden, het zàl
of... Tell zal de Lentezon hare leven-wekkende stralen slechts in zijn
graf voelen doordringen! Zwitserland kàn het land der dienstbaarheid
en der slavernij niet zijn! Zwitserland moet zijn vrijheidslied allen
volkeren voorzingen! Halli, halli, hallo!”
Het luide jodelen werd door de echo's in het gebergte van alle kanten
herhaald, en vol verbazing zag Baumgarten den man aan, die daar stond,
als een tweede Gideon.
„Dat is mannentaal, mijn goede vriend Tell!” riep Baumgarten, uit.
„Wat zegt gij?” vroeg Tell, die opeens tot zichzelven scheen te komen.
„Dat het mannentaal is, welke gij daar gesproken hebt!”
„Gij raaskalt, Baumgarten! Ik heb immers niets gezegd!”
„Wat!? Gij zoudt niets gezegd hebben? Man, uwe woorden waren het
jubellied der vrijheid!”
„Het is dan toch waar, wat mijne goede vrouw mij zoo vaak verzekerd
heeft, dat ik oogenblikken heb, waarin ik hardop denk! Wat ik gedacht
heb, weet ik! Wat ik sprak, weet ik niet. Vergeet het, Baumgarten!”
„Dat kan ik niet, Tell! Het was te machtig, te krachtig! Het was als de
föhn, die van rots tot rots, van bergtop tot bergtop, van dal tot dal,
van meer tot meer vliegt, verpletterend al, wat haar in hare toomelooze
vaart tracht tegen te houden.”
„Welnu, vergeet het dan niet, en onthoud het, maar spreek er tegen
niemand over. De tijden zijn nog niet rijp voor zulke daden. Kom, laten
we voortmaken. Nu de föhn heeft opgehouden, kon het toch wel zijn,
dat de speurhonden van Landenberg ons nog vinden. Zijt ge bang voor
smalle paden, langs diepe afgronden, paden, zóó smal, dat de halve voet
slechts steun heeft?”
„Neen, daarvoor ben ik niet bang!”
„Goed, dan nemen wij den naasten weg! Volg mij!”
Beide mannen gingen nu verder, doch weldra moesten ze achter elkander
loopen, omdat het pad te smal voor twee menschen was.
Op eene breedere plaats bleef Tell staan.
„Kijk in de diepte, Baumgarten,” sprak hij.
Baumgarten deed het en riep: „Wie liggen daar?”
„Uwe vervolgers, Kuni! Zie, een deel van die rots is neergeslagen en
heeft hen verpletterd! Arme mannen! Kom, kom, het tooneel is al te
droevig voor zulk een' heerlijken avond!”
Met vaste schreden ging Tell verder. Hij had waarheid gesproken: het
pad was op enkele plaatsen geen pad meer te noemen. Het was een richel
langs een' rotsmuur, meer niet.
Geen oogenblik echter aarzelde hij, maar kalm schreed hij daarheen, als
een wandelaar, die langs eene breede laan loopt. Hij was er aan gewoon,
en ook Baumgarten werd niet duizelig op het pad, dat wij niet zouden
kunnen betreden, al was het tienmaal breeder.
Weldra waren ze op een punt, waar ze het heele dorpje Steinen konden
zien liggen.
„Zie,” begon Tell en wees naar de diepte. „Daar ligt Steinen, en dat
huis, heel alleen staat het, is dat van onzen Stauffacher. Wij zullen
er spoedig zijn.”
„Het lijkt wel een kasteel,” zeide Baumgarten.
„Zeker, en het is er ook een. Gij weet toch dat Stauffacher een van
onze rijkste Edelen is, al drijft hij zelf den ploeg en al werkt
hij mede, als een man in huurloon. Een heel verschil met Geszler,
Landenberg en al die anderen, die schijnen te gelooven, dat Adeldom
bezoedeld wordt door eenig handwerk uit te oefenen.”
Het pad werd allengs breeder en gemakkelijker, en spoedig stonden ze
nu voor de stevige poortdeur, die in den muur gemetseld was, welke de
heele woning omringde.
De zware ring, die in het midden der deur was, werd door Tell een paar
keer krachtig in een' gegroefden ijzeren looper op en neer bewogen.
Kort daarop werd in de deur van de andere zijde een plankje
weggeschoven en door een vierkant gat, dat nog door twee ijzeren
tralies afgesloten was, gluurde een oud man.
„O, zijt gij het, jager?” vroeg hij. „Ik zal openen.”
„Is Heer Stauffacher thuis?” vroeg Tell toen zij de geopende poort
binnentraden. „En zou hij ons wachten kunnen, Heinz?”
„Thuis is hij, en voor Zwitsers is hij steeds te spreken, jager! Hij is
toch ook een Zwitser?”
Bij deze vraag wees hij op Tell's makker, die er tamelijk verlegen bij
stond, daar hij niet wist hoe de ontvangst hier zijn zou.
„Ja, hij is Koenraad Baumgarten van Ratzberg.”
„Heeft die bijl iets anders gedaan dan hout gekloofd?” vroeg Heinz.
„Mij dunkt, dat een houthakker wel wat voorzichtiger mocht zijn.”
Heinz wees op de bijl, die nog duidelijk de teekenen droeg van hetgeen
er mede verricht was.
Verlegen keek Baumgarten zijn' vriend Tell aan.
„Wees maar niet bang, Kuni,” sprak Tell. „Als Heinz hoort, dat die bijl
Wolfenschiez, den beleediger uwer vrouw doodde, dan...”
Heinz greep Baumgarten bij de handen en riep: „Hebt gij Wolfenschiez
gedood? Hebt gij het leven van den moordenaar mijner zoons smadelijk
doen eindigen?”
Baumgarten knikte toestemmend.
„Man, ik ken u niet; ik zag u nooit! Maar onuitsprekelijk groot is mijn
dank voor dat, wat gij gedaan hebt. Ik had het willen doen, maar ik heb
mijne vrouw, die van verdriet stierf, moeten beloven, mijne handen niet
met het bloed van dien man te bezoedelen. Hij werd door haar ten doop
gehouden; zij had hem lief als haar eigen kind, en laaghartig heeft
hij al die liefde beantwoord door onze drie zoons naar Oostenrijk te
zenden, waar ze in de bergwerken aan slaven-arbeid bezweken zijn. Zeg
mij, wat hadt gij te wreken?”
Baumgarten deelde het hem mede, doch voegde er aan toe: „Ik deed het in
eene opwelling van drift en zou het nu niet meer kunnen doen. Het was
een doodslag, een moord, geen eerlijke strijd.”
„En komt gij nu hier veiligheid zoeken? Gij zult ze vinden, mijn
vriend! Maar volg mij dan door deze binnengang opdat geen van het
dienstvolk u ziet. Allen zijn ze Zwitsers, maar niet allen zijn helden
of heldinnen. De vrees zou oorzaak kunnen zijn, dat ze u verrieden.
Gij, Tell, ga den gewonen weg en deel onzen edelen meester alles mede.
Als het volk ter ruste is, zal ik Baumgarten bij hem brengen. Hij zal
mijn gedrag goed vinden, want ook hij moet voorzichtig zijn.”
Tell trad nu alleen de woning van den voormaligen Landamman binnen.
„Hoe later op den dag, hoe schooner volk,” begon Stauffacher, terwijl
hij zijn' jongen vriend de hand reikte.
„Jammer maar dat dit „schooner volk” met geene betere berichten komt,
Heer Stauffacher!”
„Is er dan wat gebeurd? Heeft de vreeselijke föhn mogelijk u rampen of
verliezen berokkend?”
„Ik hoop van neen! Ik ben na de föhn nog niet thuis geweest. Mijne
woning ligt echter goed beschermd en mijne vrouw is eene Zwitsersche;
zij kent de bergen en zal de föhn wel hebben zien aankomen. Intusschen
zal ze ongerust zijn over mijn wegblijven. Ik zal dus niet lang
vertoeven en u staande mededeelen, wat er heden gebeurd is, en wat
Claus mij toevertrouwd heeft.”
„Zit er toch even bij, en neem eene goede teug bier. Gertrud, wilt gij
onzen jongen vriend eene kan bier brengen? Doe er voor mij ook maar
eene bij, vrouwke!”
Gertrud, de vrouw van Stauffacher, bracht het gevraagde, en terwijl de
twee mannen dronken, gaf Tell een trouw verslag van het gebeurde.
„Ik vrees, dat de worsteling spoedig een' aanvang nemen zal, Tell,”
zeide Stauffacher. „Ik vrees het.”
„U vreest, Heer Stauffacher? Zoudt gij dan in het najaar uit uwe woning
willen gezet worden om dezen winter van koude om te komen in uw oud
houten huis, dat zelfs als schapenstal nog te slecht is?”
„Hiervoor is geene vrees, Tell! Nu Claus mij door u tijdig heeft
laten waarschuwen, kan ik immers dat oude huis wel vóór den winter in
bewoonbaren toestand laten brengen? Bovendien is die woning heel anders
dan ze van buiten lijkt. Zij staat tegen een' berg, doch die berg heeft
ruime holen, die men binnen gaan kan, zonder de woning te verlaten. Die
holen dienen alleen verlicht te worden, doch vuur heeft men er niet
noodig, want ze zijn warm.”
„Van warmte alleen leeft men niet,” meende Tell.
„Gij hebt gelijk, mijn vriend! Ik zal u nog meer zeggen. Met behulp van
Werner van Attinghausen heb ik nu in alle stilte meer dan de helft van
mijn gedorscht koren in die holen laten brengen. Vriend Werner deed
dat ook. Dit kon des te gemakkelijker geschieden, omdat ik daar toen
woonde. In een dier holen stroomt eene kleine bergbeek met kristal
helder water. Wanneer nu de worsteling begint en we moeten wijken, dan
betrekken wij die holen en leven er, desnoods een jaar lang van brood,
water, bier en visch. Het beekje voert tal van forellen mede, die ik er
des nachts menigmaal ving.”
„Maar als de vijand uwe woning binnendringt, zal hij den toegang tot de
holen vinden.”
„Geen nood, mijn vriend! Slechts drie personen kunnen dien ingang
vinden: ik, Heer Werner en Arnold Melchtal, die er thans in verborgen
is. De vierde zal Koenraad Baumgarten zijn. Ik zelf breng er hem dezen
nacht heen, doch zou gaarne zien, dat gij mij alsdan vergezeldet.
Gij weet dan den ingang ook, en dat is noodig. Wanneer die twee daar
verborgen wonen, moeten ze toch van tijd tot tijd vernemen, wat er
zoo al in het land voorvalt. Niemand kan dat beter doen dan gij. Gij
zijt een jager en deedt uw heele leven niets anders dan in de bergen
zwerven. De Oostenrijkers weten dat en als zij u daar zien, al was
het iederen dag, dan zullen ze geen' argwaan krijgen. Met ons, die
hoofdzakelijk het land bebouwen, is dit heel wat anders, en bovendien,
ik weet dat we door spionnen omringd zijn, die ons volgen en gadeslaan,
zonder dat wij hen zien. Men wantrouwt onze kalmte, en Geszler heeft
reeds met het oog op ons, ik bedoel Werner, Melchtal en mij, gezegd:
„Stille wateren hebben diepe gronden. Die drie zijn de gevaarlijkste
tegenstanders.” En daarom hebben wij u noodig.--Maar nu gezegd, waarom
ik vrees, dat de opstand te vroeg uitbreekt, want ik zie, dat die vrees
u onverklaarbaar voorkomt. Is het niet zoo?”
„Ja, Heer, en na al de genomen voorzorgen bevreemdt die vrees mij!”
„Wij zijn te zwak, Tell. Wat vermogen Uri, Schwyz en Unterwalden tegen
de duizenden, die Oostenrijk tegen ons afzenden kan en afzenden zal?”
„Vergeet u Zürich niet?”
„Neen! Zürich is ons niet vijandig. Ik durf zelfs iederen Züricher
burger mijne plannen blootleggen zonder vrees, dat men er misbruik van
maken zal in het voordeel van den Oostenrijker. Maar Zürich wil de
kat uit den boom kijken. Dat ook willen die van Bern, van Lucern, van
Glarus, van Zug, van Aargau en al de andere gewesten. Maar die van Uri,
Schwyz en Unterwalden zijn niet dwaas genoeg om samen die kat aan te
vallen. Het is ons streven een groot en machtig verbond met elkander
te sluiten, en is dat er, welnu, dan zullen de Woudsteden het sein
geven. Dit echter kan pas in den loop van het volgende jaar gebeuren,
en als nu door de daden van Arnold Melchtal en Koenraad hier in de
Woudsteden de opstand uitbreekt, dan staan wij geheel alleen, want geen
der anderen, die tot ons Eedgenootschap zullen behooren, zijn bereid.
Delven wij het onderspit, dan is ons vonnis geveld, en wij worden tot
straf voor onzen opstand bij Oostenrijk ingelijfd. Dan is alles uit.
Hoe is het deelt ge nu ook in mijne vrees?”
„Eerlijk moet ik bekennen, dat ik er niet in deel, Heer Stauffacher!
De Voogden hebben op het oogenblik over niet veel meer dan vier-,
zeg vijfduizend man te beschikken. Een weinig geluk slechts, en de
Woudsteden verpletteren die macht, en eer de Keizer met versche benden
aanrukt, moet het diep in het voorjaar worden, want wie Zwitserland
kent,--en de Keizer kent het,--komt in den winter geen oorlog tusschen
onze bergen voeren.”
„Het is nog geen winter, Tell! En laat ik u zeggen, dat de Keizer zeer
goed weet, dat door de verdrukking der zoogenaamde Rijksvoogden, de
gisting onder het volk toeneemt. Laat ik u zeggen, dat, misschien deze
week nog, talrijke benden Oostenrijkers uit Constanz zullen aankomen,
en dat alleen als een gevolg van Arnold Melchtal's daad. Wat zal
het zijn als de Keizer hoort, dat de Onder-Rijksvoogd Wolfenschiez
door een' Zwitser, die verborgen gehouden wordt, gedood is? Nog meer
benden zullen aankomen, en heel Zwitserland zal met Oostenrijkers
overstroomd worden, nog eer de Herfstmaand ten einde is. Zie, Melchtal
en Baumgarten afvallen en hen aan hun lot overlaten, zal ik niet; maar
hun driftig bloed heeft den vijand sterker dan ooit gemaakt en de kans
om van de Oostenrijkers verlost te worden, zeer gering gemaakt. Maar,
ga nu, mijn vriend! Uwe lieve vrouw zal al te ongerust worden. Als de
duisternis ingevallen is, ga ik met Baumgarten heen. Wilt ge zorgen,
dat ik u dan onder de eiken van de Rütli vind? God en zijne Heiligen
behoeden u!”
Tell nam afscheid en in diepe gedachten verzonken kwam hij thuis, waar
hij met angst verwacht werd. Hij deelde zijne vrouw het gebeurde mede
en toen zij alles aangehoord had, zeide ze, met een' diepen zucht:
„Willem, de worsteling is begonnen!”