Een vluchteling ontkomen.
Om Rijksvoogden hadden de Afgevaardigden gevraagd en Rijksvoogden had
de Keizer den Zwitsers gegeven, en de last: „dezen zult gij in alles
gehoorzamen of uwe rechten worden u ontnomen,” bleef gehandhaafd.
Beide Rijksvoogden maakten van dien last schandelijk misbruik, en het
was Keizer Albrechts streven om door die verdrukking de Zwitsers zoo
ver te krijgen, dat zij ten slotte, door den nood gedwongen, zich aan
Oostenrijk onderwierpen.
Eens dat er weer Afgevaardigden van het Vrijboeren-gericht naar den
Keizer gingen om zich over de Rijksvoogden te beklagen, konden ze den
Keizer niet te spreken krijgen, en toen zij zich hierover beklaagden,
zeide een hooggeplaatst Hoveling: „Het is uwe eigene schuld! Gij hebt
om Rijksvoogden gevraagd, en ze zijn u gegeven. Onderwerpt u aan
Oostenrijk, en de Rijksvoogden zullen vertrekken!”
Het kon niet duidelijker gezegd worden. Geszler en Landenberg handelden
zoo op hoog bevel, en beiden waren bereidwillig genoeg om dat hoog
bevel na te komen, ja, om nog verder te gaan dan de Keizer bevolen had.
Zij wisten, dat zij dit straffeloos doen konden.
Tal van jaren was Geszler niet in Zwitserland geweest. Zijn stamslot
de Bruneck, gelegen op den top van eene rots, had hij eenige jaren
geleden voor goed verlaten, en met alle onderhoorigheden verkocht
aan den Keizer. Het kasteel, onbewoond gebleven, en aan weer en wind
overgelaten, was zeker nog wel goed bewoonbaar voor een' Zwitserschen
Ridderboer, die zelf den ploeg dreef, maar niet voor een' Rijksvoogd,
en daarom had Keizer Albrecht hem den burcht Küsznacht, een der
Habsburgsche bezittingen, als residentie-slot gegeven. De Küsznacht
lag echter vrij afgelegen om de ontevredene en dikwijls oproerige
bewoners van Uri onder behoorlijk toezicht te houden, en daarom besloot
Geszler, een' geheel nieuwen, grooten en sterken burcht te laten
bouwen aan den Zuidelijken bocht van het Vier Woudsteden-meer. Die
burcht moest hem echter geen geld kosten, en de Zwitsers, die zich
„vrij” noemden, moesten hem in heerendienst bouwen. Dat wil zeggen: de
werklieden werden niet door hem betaald, en de bouw-materialen moesten
hem geleverd worden door mannen, als Stauffacher, Fürst, Melchtal en
anderen. Hoewel morrend, hadden dezen er aan voldaan, en zoo was de
trotsche burcht gebouwd, waarin de wreedste van de twee verdrukkers
wonen zou. Om die van Uri nog meer te tergen, gaf hij den burcht den
naam van „Zwing-Uri,” wat zooveel zeggen wil, als „Uri-bedwinger,” wat
het vrije volk der bergen natuurlijk een gruwel was en de ergernis ten
top deed stijgen.
Geszler lachte er wat om.
Nog nimmer was hij zoo machtig geweest, als op dit oogenblik. Als om
de klagers te bespotten, had Keizer Albrecht hem en zijn' vriend van
Landenberg, die zijn' zetel te Sarnen in Unterwalden had, nog een'
Onder-Rijksvoogd gegeven in Jonker van Wolfenschiez. Deze woonde
ook in Unterwalden, en wel in den sterken burcht Roszberg, niet ver
van Alpnach, en aan dat gedeelte van het Vier Woudsteden-meer, dat
Alpnacher-meer, genoemd wordt. Alle drie waren ze geboren Zwitsers,
doch grooter vijanden dan hen hadden de Woudsteden niet. Waar zij het
toch niet waagden om de voornaamste Vrijboeren te mishandelen of te
onderdrukken, daar legden zij zich op een plagen en sarren toe, dat
vaak nog veel woedender maakte, dan onderdrukken zou gedaan hebben.
Om dat alles te kunnen doen zonder gevaar te loopen, door de getergde
Zwitsers gedood te worden, hadden ze groote benden huurlingen tot hunne
beschikking, die, of als bezetting geregeld dienst deden op hunne
kasteelen, of als rustbewaarders de verlaten rotsburchten bewoonden,
en daar niet veel meer waren dan struikroovers. Zoo hadden de Zwitsers
van alle kanten hunne vijanden en spionnen, en was er geene kans op om
eene vergadering van het Vrijboeren-gericht te beleggen, zonder dat de
Oostenrijkers er bij waren. De onderdrukten misten dus elke gelegenheid
om een verbond met elkander aan te gaan tegen hunne verdrukkers. Wie
opstond, stond stellig alleen op, en eer hij zich eenigen aanhang
gemaakt had, was hij al in de macht der Oostenrijkers.
Toch woelde en werkte het in hoofd en hart van al, wat Zwitser heette,
en wist men een soort van verdedigend verbond te sluiten, waarvan de
Rijksvoogden en hunne trawanten niets bemerkt hadden. Op de voornaamste
Vrijboeren hielden Geszler en de zijnen vooral het oog, want ze
begrepen al te goed, dat mannen als Stauffacher, Melchtal, Fürst,
de jonge Tell,--de oude leefde niet meer,--Werner van Attinghausen,
Baumgarten, en zoovele anderen, als het er op aankwam, de mannen zouden
zijn, die den opstand leiden zouden. Vooral waren ze bevreesd voor den
Landamman van Uri, den ouden Heer Werner van Attinghausen. Geen kalmer
dan hij, geen, die beter wist te verbergen, wat er in hem omging, geen
die zekerder zijn' weg ging dan hij. Hoe Geszler en zijne trawanten
vischten en bespiedden, ze hadden in hem nog niets gevaarlijks kunnen
vinden, en toch wisten zij, dat diezelfde onschuldige man, misschien
veel gevaarlijker was dan een Fürst, Baumgarten of Melchtal, die ieder
oogenblik hun' wrevel en hun' haat openlijk lieten blijken.
Zoo stonden de zaken toen op een' prachtigen herfstdag van het jaar
1307 Willem Tell zich door het gebergte naar het vier Woudsteden-meer
spoedde, om over het meer heen zijne woning in het vriendelijk gelegen
Bürglen te bereiken.
Hij was in de negen jaar, sinds we hem het laatst te Straatsburg zagen,
weinig veranderd. Hij was alleen in de breedte toegenomen en scheen
daardoor wat korter dan vroeger. Maar voor het overige, wat een man
toch! Zelfs de woeste huurlingen Geszler, Landenberg en Wolfenschiez,
hoewel vermetel genoeg, gingen hem liever uit den weg, dan dat ze
hem opzochten. Hem eenig leed doen, ze waagden het niet, althans nu
nog niet, want Tell was de lieveling van de Woudsteden. En toch ging
hij zijn' weg zonder gerucht te maken. Hij was een man, als die oude
Landamman van de Attinghausen. Nog nimmer had hij iets van zich laten
hooren, dat op ontevredenheid of verzet geleek. Zwijgend doorkruiste
hij het gebergte en deed hij zijn' arbeid, alleen levende voor zijne
vrouw, de stille Hedwig, en voor zijne twee beeldschoone knaapjes,
Walter en Willem.
Ja, ja, vaak genoeg had hij op het punt gestaan de Oostenrijkers te
doen gevoelen, dat hij er nog was, en dat hij een Vrijboer was met
niemand dan God en den Keizer boven zich. Menigmaal had hij gereed
gestaan, openlijk op te treden, als beschermer der verdrukten, doch
een blik op vrouw en kinderen had de vlammen van den inwendigen brand
gebluscht, had van de gebalde vuist weer eene vriendelijke hand
gemaakt, en zelfs hem zijn vroolijk; „Halli! Halli! Hallo!” laten
jodelen.
„Hoor, Willem,” sprak alsdan Hedwig, die eene dochter van Walter Fürst
was, „wees toch voorzichtig! Ja, ik zie wel, dat een blik op onze twee
jongens en mij voldoende is om den storm binnen in u tot zwijgen te
brengen. Maar gij zijt soms zoo ver van huis af, Willem, dat gij ons
niet ziet en hoort, en in zulk een oogenblik kunt ge zwak zijn en ons
vergeten. O, ik weet het, Willem, ik ken u immers nu al twaalf jaar
en langer, dat gij geen onrecht dulden kunt en van onrecht stroomt
heel ons Vaderland over. Moedig zijt ge, als de koningsarend, die in
onze bergen leeft, en edeler, vromer en goedhartiger is er geen dan
gij. Maar... ge zijt zoo kort aangebonden, ge zegt, wat het hart u
ingeeft, en na het zeggen, valt al te ras het doen. Wees verstandig,
Willem! Beheersch uzelven! Zet eene wacht voor uwe lippen, en houd
steeds een' kluister voor de al te bereidvaardige hand gereed, opdat
deze geene daad plege, welke uwe kinderen tot weezen en mij tot weduwe
maakt. Houdt u verre van alle samenspanningen tegen de Oostenrijkers,
die, langs de kronkelpaden van list en geslepenheid wandelen. De
kronkelpaden zijn voor uw eerlijk oog een doolhof, Willem! Wacht
geduldig tot mannen, als de Landamman, u zeggen: „Handel! De tijd is
er!””
Zoo, of in dien geest had de verstandige Hedwig dikwijls gesproken, en
Tell had gaarne naar haar geluisterd. Maar, als hij ver van huis was en
wat hoorde of zag, dat hem al te goed aan onrecht en dwingelandij deed
denken, dan kostte het hem eene bijna bovenmenschelijke kracht om zich
te beheerschen, en menigmaal was hij zoo snel weggeloopen, dat Jonker
van Wolfenschiez hem reeds openlijk voor lafaard had uitgemaakt.
Eerst heden had Tell dit vernomen, en de gedachte daaraan deed hem
zijn' tred vertragen.
Opeens echter ontdekte hij, dat het weder plotseling zeer veranderd was.
Men zegt wel eens, dat geen land aan zulke snelle
dampkrings-veranderingen onderhevig is, als Nederland. Het moge waar
zijn, doch ook het hooggelegen gedeelte van Zwitserland is hieraan nog
vaak onderworpen. Plotseling wordt de lucht dan nevelachtig en warm,
terwijl er eene doodsche stilte heerscht. Maar terwijl dat in de dalen
en tusschen de bergen plaats grijpt, ontstaat er in de hoogte een
noordenwind. De benedenwind waait dan langzaam uit het Zuiden, neemt
toe in kracht, stijgt hooger en verdrijft dan den noordenwind. Soms
neemt die zuidenwind, hier meestal „föhn” genoemd, zoo in kracht toe,
dat hij een kortstondige, felle storm wordt. Bij zulk een' storm is het
op de Zwitsersche meren zeer gevaarlijk, en gaan er golven zoo hoog en
zoo krachtig, dat men die wel op eene groote zee, maar niet op zulk een
meer zou verwachten.
„De föhn,” mompelde Tell. „Alles voorspelt, dat hij heftig zijn zal! Ik
mag mij dus wel reppen, anders wil de veerman mij niet meer overzetten!”
Van de plaats waar hij stond, kon hij den veerman bezig zien om, met
behulp van een' herder, zijne veerboot op den wal te halen, opdat deze
door de hooge golven niet stuk geslagen zou worden.
„Hij is er vlug bij,” mompelde Tell, „doch de man zal mij toch wel
overzetten, denk ik!”
Hij zette nu de holle handen voor den mond en liet een luid: „Hoooo...
iii!” hooren. De veerman en de herder keken verrast op, doch de eerste
bromde: „O, dat is Tell! Hij wil voor het losbreken van de föhn nog
naar de overzijde! Pas op als ik het doe! Ik heb vrouw en kinderen!”
Tell repte zich om zoo spoedig mogelijk beneden aan het veer te komen,
doch eer hij daar was, kwam er uit het bosch een ander man zeer gejaagd
aanloopen. Hij scheen wel een vluchteling of zoo iets te zijn.
Weldra was hij bij de aanlegplaats en riep den veerman, die binnenshuis
den storm ontvluchten wilde, hijgend toe: „Om Godswil, veerman, uwe
boot! Vlug, vlug! Uwe boot!”
„Wat!?” riep de veerman uit. „Zijt gij het, Baumgarten? Wat is er
gebeurd? Is er iets voorgevallen? Waartoe toch al die haast en
gejaagdheid?”
„Vraag niets! Uwe boot! Spoedig! Hemel! Hebt gij ze op den kant
gehaald? Te water er mee! Vlug!”
„Hei, hei! Met de föhn zet ik niemand over het meer. Ik heb vrouw en
kinderen, en...”
„Man, maak me niet razend! Help mij! Zet mij over, en terstond! De
ruiters van den Rijksvoogd jagen mij na! Als je mij niet overzet, ben
ik een man des doods!”
„Wie jagen u na? De mannen van den Roszberg?”
„Het volk van den Onderlandvoogd Wolfenschiez jaagt mij na! Help mij!”
„Maar wat hebt gij dan toch gedaan, dat uw leven in gevaar is?”
„Wat iedere Vrijboer in mijne plaats zou gedaan hebben,” luidde het
driftige antwoord. „Dat Oostenrijksche zwijn wilde mijne lieve vrouw
dwingen tot lage handelingen! Ze riep mijne hulp in terwijl ik bezig
was met houthakken. Ik snelde toe, en... de lage huurling van den
Oostenrijker zal geene vrouwen en meisjes meer beleedigen. Ik heb hem
gedood met deze bijl. Nu jaagt men mij na! Zet over! Ik moet hoog in
het gebergte mij in veiligheid stellen! Hoor, hoor, daar ginds nadert
de hoefslag der paarden! Help! Red mij!”
„Hoor eens, Baumgarten, ik heb... Ik waag mijn leven niet, en zet u met
zulk een' storm niet over!”
Het was een akelig gezicht om de verwrongen gelaatstrekken van den
armen achtervolgde te zien. Als radeloos liep hij van den meeroever
naar het huis des veermans en vandaar weer terug.
En dan die losgelaten natuurkrachten er bij!
De herder was reeds een man op leeftijd en zeide tot den veerman:
„Neen, zóó heb ik het meer nog nooit gezien! Het is alsof de golven de
bergen willen neerslaan! En wat een onweder! Het is verschrikkelijk!”
„Ja, en nog is de storm niet op zijn hevigst,” liet de veerman zich
hooren. „God zij hen genadig, die op het meer of in de bergen zijn!”
„O, o, ik zie hen, daar komen mijne vervolgers!” kreet Baumgarten. „Je
wilt me niet overzetten, veerman?”
„Al wilde ik, ik zou niet kunnen!”
„Dan verkies ik den dood boven de schande van in handen der
Oostenrijkers te vallen,” riep Baumgarten, en stond gereed zich in het
meer te werpen.
„Zijt gij razend, Baumgarten?” riep een man, die met krachtige hand hem
bij den schouder greep. „Om in het meer te springen, daartoe kan je
nog altijd komen! Wat is er gebeurd, dat doodsangst en wanhoop op je
aangezicht te lezen staan?”
Het was Willem Tell, die zoo sprak.
„De Oostenrijker achtervolgt mij om mij misschien te dooden. O,
veerman, zet me in Godsnaam over!”
„Ik doe het niet!” klonk het koud uit den mond des veermans.
„Je moet, Friedel, je moet!” sprak Tell.
„Moeten? Moeten?!” schreeuwde Friedel, en het was, alsof hij de stemmen
van storm, onweder en golven overtreffen wilde. „Ik moet niet! Doe het
zelf, als je er moed toe hebt! Je bent immers zoo'n baas in het sturen?”
„Dus je geeft mij je boot?” vroeg Tell gejaagd.
Friedel knikte toestemmend.
Een vreeselijke bliksemstraal doorkliefde het donkere zwerk. Een
ratelende donderslag volgde. Feller, woester werd de storm!
„Hé!” riepen de schipper en de herder, en vluchtten in het veerhuis.
Duidelijk waren nu de ruiters allen zichtbaar. Nog eene laagte, een
eindweegs om het bosch, en... Baumgarten zou gevangene zijn.
„Help mee! Ras! De boot te water! Ik zal je overzetten of... er bij
omkomen!” sprak Tell.
Met ware reuzenkrachten bracht hij bijna heel alleen de zware boot te
water, want de vervolgde scheen in zijne overspanning alle krachten
verloren te hebben.
In een oogwenk waren beiden aanboord, en terstond daarop duwde Tell
de boot van den wal op het meer, waar Baumgarten in korte woorden
verhaalde, wat er voorgevallen was.
„Ik dacht wel, dat het zoo iets zijn zou,” sprak Tell. „Doch nu zwijgen
en oppassen. Het is boos weer!”
De storm en de golven grepen het broze vaartuig aan en smeten het, als
een stuk kinderspeelgoed, op de hooggaande wateren.
Nieuwsgierigheid dreef den veerman en de herder weer buiten de deur.
„Ze moeten verdrinken,” zeide de herder.
„Dan is er één dolleman in de bergen minder,” sprak de veerman, „en als
Baumgarten omkomt, loopen wij geen gevaar, dat de Oostenrijkers wraak
zullen nemen!”
„Neen, neen, daar zijn ze!” riep de herder bijna juichend uit, wijzend
op de lompe boot, die op den top eener golf voor een oogenblik
zichtbaar was, om dan dadelijk daarop in een waterdal neergeworpen te
worden.
De veerman zag het schouwspel een oogenblik aan en den herder op den
schouder kloppend, riep hij: „Wie heeft gezegd, dat Tell een dolleman
is?”
„Wie? Wel, jij zelf hebt het gezegd!”
„Ik!? Gelogen! Gelogen! Dat kan ik niet gezegd hebben! Mijne pink
er voor, als ik zóó sturen kon! O, die Tell, die Tell, hij is geen
lafaard, zooals die Wolfenschiez uitgeschreeuwd heeft! Hij is een held!”
„Dat is hij,” sprak de herder. „Kijk, kijk dan toch hoe hij den slag
van elke golf weet te ontwijken, en dezelfde golf, die hem met den
dood bedreigt, weet te gebruiken om verder te komen. Kijk! Kijk! Daar
op den kop van die golf! Daar! Daar! Weg!”
„Heidaar, vagebonden!” klonk op eenmaal eene ruwe stem achter hen.
De geestdrift bij het aanschouwen van die heldenvlucht over het fel
bewogen meer, had hen niet doen hooren, dat de Oostenrijksche ruiters
genaderd waren.
„Kijk, kijk, eene boot midden op het meer, Heer Hoofdman!” riep een
ruiter.
De herder gaf den veerman een knipoogje om de zaak aan hem over te
laten, en de ruiters naderend vroeg hij, wijzend op de boot: „Zoekt gij
die mannen daar, Heer? De veerman en ik hadden de boot op het droge
gehaald, en wij zaten samen in het veerhuis voor den storm te schuilen,
toen er twee mannen kwamen aanloopen. Eén hunner sloeg met zijne aks
het touw, waarmede de boot vastgesjord lag, los, beiden brachten haar
te water en staken af!”
„Gij discht leugens op,” schreeuwde de Hoofdman. „Herop! Spreek de
waarheid, of...”
Het zwaard ging dreigend omhoog.
„Maar, Heer,” sprak de herder, „zie, hier ligt het overgebleven stuk
van het doorgehakte touw! En ginds, ginds zijn de vluchtelingen!
Zij zullen den anderen oever bereiken, zij zullen het! O, de booze
is in het spel! Zóó kan een eerlijk Christenmensch niet sturen!”
„Terug! Terug! de bergen in! Den vluchteling achterhaald!” schreeuwde
de Hoofdman, en de heele troep rende spoorslags heen.
„De gekken, die ze zijn,” spotte de herder. „Met zulk weer te paard
in de bergen! Pas op! Als ze het doen, zijn er, eer de zon onder is,
twintig Oostenrijkers minder! Zie! zie! De boot is aan den overkant en
Tell trekt haar op den kant. Wat een man!”
„Kom, laten we binnen gaan,” bromde de veerman. „Het stortregent en
stormt, als het in geene jaren gedaan heeft. Maar,... maar... een
heldenstuk gezien! Ja, ja, het is dan toch waar, wat ik wel eens
betwijfeld heb.”
„Wat hebt gij betwijfeld?”
„Ik betwijfelde het of God wel met de arme Zwitsers was. Nu weet ik
het beter! De vrijheid zal dagen! Zoolang de Woudsteden nog mannen
hebben als Baumgarten, die een' vuigen Oostenrijkschen eerroover te
lijf durven, en zoo lang als men op onze bergmeren nog helden heeft als
Tell, zoolang is er hoop,” sprak Friedel de veerman, wien het inderdaad
niet aan moed of aan vaderlands- en menschenliefde ontbrak.
„Ja, en dat muisje zal een staartje hebben,” zeide de herder.
„Oostenrijk zal niet rusten voor het zich gewroken heeft. Maar, wat
daar eenmaal in onze bergen verscholen is, vinden ze niet. Baumgartens
leven is gered! Kom, naar binnen, en drinken we een' roemer van onzen
eenvoudigen landwijn op de gezondheid van die twee mannen!”
„Ja en op de vrijheid der Woudsteden en de schande der Oostenrijkers,”
zeide Friedel, en hij voegde er nog aan toe: „En dat zou ik doen, al
moest ik den wijn uit de kelders van Zwing-Uri den beul voor de oogen
weghalen!”