Zeden en toestanden in de 19e eeuw.—Belangrijke Waterwerken.—De
Overstrooming van 1861.
De 19e eeuw is in vele opzichten een eeuw van verlichting en vooruitgang
geweest. In het begin dier eeuw waren de steden nog vestingen. Ze waren
door grachten, wallen en muren omringd. Wilde men er binnen komen, dan
moest men eene brug over en eene poort door gaan. De voornaamste straten
werden des avonds door lantaarns die aan dwars over de straten gespannen
touwen waren opgehangen, slechts spaarzaam verlicht. De achterbuurten
moesten dit voorrecht geheel missen.
Van de meeste steden zijn thans de wallen geslecht en in sierlijke
plantsoenen herschapen. De muren zijn afgebroken en zelfs vele grachten
gedempt. De straten worden des avonds door gaslantaarns helder verlicht.
Meer en meer treft men zelfs electrische verlichting aan.
Ook in de huizen is veel veranderd. In plaats van het haardvuur van
vroeger, vindt men er nu overal kachels, waarin men steenkolen, cokes,
en turf stookt. Gebruikte men eerst steenen kachels, thans zijn ze alle
van ijzer. De woningen worden niet meer door kandelaars met brandende
vetkaarsen of door walmende met raapolie gevulde tuitlampjes verlicht,
maar door gas- of petroleumlampen, of hebben zelfs electrische
verlichting.
In het begin der 19e eeuw waren de dilligence of postwagen en de
trekschuit de meest gebruikte vervoermiddelen. De dilligence was een
groote koets, waarvan de wagenbak niet op veeren, maar op sterke riemen
rustte. Bovenop werden gewoonlijk de pakken en kisten der reizigers
geladen. De trekschuiten gingen geregeld van de eene plaats naar de
andere en werden door een paard getrokken.
[Illustratie: DE EERSTE STOOMBOOT OP HET Y VOOR AMSTERDAM.]
De postwagen vervoerde niet alleen brieven, maar nam ook wel personen en
goederen mee. Voorop zat de postiljon, die op zijn horen blies, als de
wagen voor het kantoor van den postmeester moest stilhouden. Postzegels
werden nog niet gebruikt. Wie een brief ontving, moest er steeds vracht
voor betalen. De postmeester ontving een vast salaris. Hij moest de
gelden, voor het brievenvervoer gebeurd, in 's rijks kas storten.
Onder Koning Willem I werden straat- en grintwegen aangelegd. Klei-,
zand- en veenwegen, die bij regenachtig weer erg modderig waren,
verbonden echter verreweg de meeste plaatsen.
In het begin der 19e eeuw droeg men nog veel kleeren van eigen geweefde
wollen of linnen stoffen. Het degelijke duffel of laken was als
kleedingsstof zeer in eere. In de meeste huizen vond men een spinnewiel,
waarmee in den wintertijd de wol der schapen of de draden van het door
de landlieden zelf verbouwde vlas tot garen werden verwerkt. De winkels
in de steden waren nog niet versierd met hooge en breede spiegelruiten.
Waterleidingen zoowel als watertorens waren nog onbekend.
Een verblijdend verschijnsel is het aantal uitvindingen, vooral op het
gebied van stoom en electriciteit in de 19e eeuw. In 1824 verscheen
de eerste stoomboot voor Amsterdam en nu doorkruisen vele honderden
zulke booten de binnenwateren en de snel in aantal toenemende kanalen
van ons land. In 1839 reed de eerste spoortrein van Amsterdam naar
Haarlem; nu is ons land met een uitgebreid net van spoorwegen overdekt en
reusachtige spoorbruggen gebouwd. Hierdoor en door goedkoope tramlijnen
is het mogelijk geworden, uit alle plaatsen van eenig belang in ons land
op éénen dag, b.v. naar Amsterdam en Utrecht te reizen.
[Illustratie: DILLIGENCE VAN DEN HAAG NAAR ROTTERDAM IN 1813.]
Ook het postwezen heeft in de laatste jaren een hooge vlucht genomen.
In 1870 werd het uniformport ingevoerd en van toen af is door de
invoering van postzegels, briefkaarten, postpakketten en postspaarbanken
de post een ware zegen voor ons volk geworden. In 1851 werd de
Rijkstelegraafdienst ingesteld en nu kan een ieder voor weinige centen
in enkele oogenblikken door het geheele land berichten verzonden
krijgen.
Tal van machines zijn uitgevonden, waardoor men veel sneller en vaak
veel netter kan werken dan weleer. Wat vroeger door menschenhanden werd
verricht, en heel veel, dat men toen niet kon doen, wordt thans door
middel van machines uitgevoerd. Sedert de stoom in gebruik gekomen is,
zijn in vele steden fabrieken gebouwd. Vooral Twente en de Meyery van
den Bosch in N. Brabant zijn fabrieksdistricten.
Door de telefoondraden zijn vele huizen en de steden met elkander
verbonden. Daardoor is het mogelijk, dat menschen, die ver van elkander
af wonen, in hunne woningen met elkander spreken.
De zware omnibussen van vroeger zijn meestal alle door de trams en
auto's verdrongen. En het rijwiel of de fiets doet meer en meer als
vervoermiddel dienst. Zelfs de vliegmachine en het luchtschip worden
middelen van vervoer.
Wat den landbouw betreft, de landbouwers en veehouders brengen meest
hun melk naar zuivelfabrieken, waar men door middel van machines op
uitnemende wijze boter en kaas uit de melk weet te halen. En waar men
vroeger alleen stalmest en straatvuil voor bemesting bezigde, daar koopt
men tegenwoordig vele balen kunstmest aan, om die over het land te
strooien.
[Illustratie: OPENING VAN DE EERSTE HOLLANDSCHE IJZEREN SPOORWEG 20
SEPT. 1839.]
Werd van 1848 tot 1853 het Haarlemmermeer drooggemaakt, waardoor 15.000
H.A. grond op de golven werd veroverd, van 1863 tot 1876 is het IJ voor
Amsterdam vervangen door een kanaal, dwars door de duinen heen, met
zeesluizen, havenhoofden en lichttorens ver in zee, waardoor de zwaarst
beladen Oceaanbooten, die 9 Meter diepgang hebben, aan de Handelskade
te Amsterdam kunnen komen. Zoo ook is een nieuwe waterweg door den
Hoek van Holland naar Rotterdam gegraven, en Vlissingen tot een haven
gemaakt voor het wereldverkeer. De droogmaking van de Zuiderzee behoort
niet meer tot de onmogelijkheden. In 1883 werd te Amsterdam eene
wereldtentoonstelling gehouden, zooals er voor dien tijd nog slechts
te Londen, Parijs, Weenen en Philadelphia gehouden waren.
Bij dit alles verkeerde ons land in een gunstigen toestand. Door een
verstandig en zuinig beheer werd er sedert vele jaren veel meer door
de schatkist ontvangen, dan de uitgaven bedroegen, waardoor er zooveel
van 's Rijks schulden kon worden afgelost, dat wij in 1860 jaarlijks 9
millioen gulden minder rente behoefden te betalen dan tijdens de leening
van Van Hall in 1844.
Toch troffen ook rampen ons land. Pas was 1861 aangevangen, of de
treurmare werd vernomen, dat ten gevolge van zwaren ijsgang een
geweldige overstrooming in het land tusschen Maas en Waal, evenals in
den Bommelerwaard geheele dorpen en velden als in een zee veranderd had,
waardoor duizenden menschen huis en have ontvluchtten en op de daken
en hooge gebouwen of elders een veilige toevlucht zoeken moesten. Tot
overmaat van ramp had dit plaats gedurende een fellen vorst in het
midden der maand Januari, waardoor de ongelukkigen verkleumd van koude
en gekweld door den honger, niet dan een akeligen dood voor oogen
hadden, te meer, daar de vloed door de van boven telkens aandrijvende
ijsschotsen gestadig klom.
[Illustratie: HET EERSTE RIJWIEL.]
Was de nood groot, niet minder groot was de algemeene deelneming. Koning
Willem III was één der eersten, die zich naar de plaats des onheils
begaf. Overal nam hij de doeltreffendste maatregelen, om de ongelukkigen
te redden en een veilig dak te bezorgen. Veertien dagen bracht Z. M.
onder rustelooze inspanning en verachting van zijn eigen leven onder
deze ongelukkigen door en rustte niet, voor dat allen huisvesting en
doelmatige verzorging gevonden hadden. Toen eerst verliet de Koning
een oord vanwaar hem dankbare zegenbeden eener geredde menigte naar
de residentie volgden. Als in triumf werd de vorst te 's-Gravenhage
ingehaald. Ja, de geestdrift van het volk was wellicht grooter en
inniger, dan dat de vorst uit een beslissenden veldslag als overwinnaar
ware wedergekeerd.