Koning Willem III.—Onze Koloniën.
In 1848 werd het tweede eeuwfeest van den Munsterschen vrede met luister
gevierd o.a. door de onthulling van het standbeeld van den grooten
grondlegger der Nederlandsche vrijheid, Prins Willem I, op het Plein te
's-Gravenhage.
De regeering van Willem II was kort. In het begin van 1849 begaf de
vorst zich naar Tilburg, waar hij vele goederen bezat. Aldaar werd hij
door hevige koortsen aangetast, die na weinige dagen reeds een einde
aan zijn leven maakten, den 17 Maart 1849. Hij had slechts den ouderdom
van 56 jaren bereikt. Onder de algemeene droefheid des volks werd het
stoffelijk overschot van den held van Waterloo te Delft met meer dan
vorstelijke pracht ter aarde besteld. Weinige jaren daarna werd ter
eere van Willem II te 's-Gravenhage een standbeeld opgericht. De Prins
van Oranje bevond zich juist in het Noorden van Engeland, toen de
noodlottige tijding van den dood zijns vaders hem bericht werd. Na
weinige dagen keerde hij in het vaderland terug en aanvaardde hij
weldra, onder den naam van Willem III, de regeering en werd kort daarna
den 12 Mei 1849 te Amsterdam in de Nieuwe kerk plechtig als zoodanig
gehuldigd. Van het overlijden van Willem II en de troonsbestijging van
Willem III zong de dichter:
„Daar zonk hij neder op zijn sponde,
Daar gaf hij worst'lensmoe den geest;
Zij God almachtig in die stonde
Zijn Herder en zijn Licht geweest!
De doodsklok dreunt, heel Neerland weent
En om het Delfsche grafgesteent
Pleegt het den Tweeden Willem rouw,
Zweert het den Derden Willem trouw.”
De landbouw, die zenuw van den Staat, heeft door de bijzondere zorgen
van Willem III een mate van bloei en welvaart bereikt, die hij nooit te
voren gekend heeft. Daarmede staat tevens in verband de droogmaking van
het Haarlemmermeer, welke mede onder het bestuur van Willem III in 1853
haar beslag kreeg en waar thans het oog met welgevallen rust op die
duizenden vruchtbare akkers, waar vroeger niets anders dan de golven van
een verslindend meer aanschouwd werden.
In de Tweede Kamer drong vooral de predikant Van Hoëvell, die in Twente
tot lid dier Kamer gekozen was, op afschaffing der slavernij in onze
Overzeesche gewesten aan. In 1863 bereikte hij zijn doel. 120 millioen
gulden heeft onze regeering besteed, om in West-Indië een einde te maken
aan dien schandelijken toestand.
[Illustratie: KONING WILLEM III EN ZIJN GEMALIN, KONINGIN SOPHIE, MET
HUN KINDEREN.]
Onze bezittingen op de Westkust van Afrika stonden wij in 1872 af aan
Engeland. Wij hadden de goede gezindheid der Britsche regeering noodig,
om in Oost-Indië met kracht op te kunnen treden. Bij traktaat van 1824
had Engeland zich verbonden, om onze handelingen op de O.-Indische
eilanden niet te bemoeilijken op voorwaarde, dat wij de zeerooverij in
de Indische wateren zouden keeren. Daarenboven bestond er bij onze
Indische ambtenaren een streven, om ons gezag steeds verder uit te
breiden. Zoo was na twee vergeefsche pogingen het eiland Bali door
generaal Michiels in 1849 onderworpen, het rijk Boni ('t Zuidelijk
deel van Celébes) cijnsbaar gemaakt door van Swieten in 1860, oorlog
tegen Japan gevoerd en slag geleverd in de Straat van Simonaski en
langzamerhand de geheele kuststreek van het groote en vruchtbare eiland
Sumatra in ons bezit gekomen, behalve het noordelijkste deel, Atjeh.
Dit rijk bemoeilijkte door zeerooverij den toegang tot de Straat van
Malakka, bij welker veiligheid de Engelschen groot belang hebben. De
Sultan tartte ons, door de winstgevende tabakscultuur in het aan Atjeh
schatplichtige Deli te belemmeren en weigerde aan onzen eisch, het
beletten der zeerooverij, te voldoen. Hierop verklaarde ons Indisch
gouvernement hem den oorlog en hoewel Engeland door een verdrag
verplicht was, Atjeh in den oorlog bij te staan, hield het zich onzijdig
op grond van bovengenoemd tractaat van 1824. De oorlog begon in 1873.
Het paleis van den Sultan (de Kraton Kotta-radja) werd veroverd door
generaal Van Swieten. In 1879 had Generaal Van der Heyden Atjeh in
zoover onderworpen, dat de gansche kustlijn in ons bezit was.
Sedert 1848 is door het vinden van ontzaglijke hoeveelheden goud en
zilver de waarde dezer edele metalen, die alleen van hunne zeldzaamheid
afhangt, zeer verminderd. Men drukt dit alles uit door te zeggen, dat
alles _duurder_ geworden is. Zeker moet men thans een dubbel gewicht aan
goud en zilver voor huis of grond of voedsel betalen, omdat sedert 1848
de voorraad geld, die onder de beschaafde natiën in omloop is, zoo
toeneemt.
Meer nog echter dan aan zilver en goud heeft ons volk behoefte aan de
vreeze des Heeren. De H. Schrift toch zegt:
„_Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en alle deze
dingen zullen u toegeworpen worden_”.