Willem I doet afstand van de regeering.—Zijn zoon Willem II
volgt hem op.—Vrijwillige geldleening onder den Minister Van
Hall.—Grondwetsherziening.—Thorbecke en Groen van Prinsterer.
Na den vrede met België verlangde ook Koning Willem I naar rust. De
groote en moeilijke staatszorgen, voornamelijk gedurende den Belgischen
opstand getorst en tamelijk hooge ouderdom, deden den vorst die rust als
gewenscht voorkomen. In 1840 nam hij dan ook het besluit, om ten behoeve
van zijnen dapperen oudsten zoon, afstand van de kroon te doen. Deze
vrijwillige afstand had plaats den 8 Oct. 1840. Op dienzelfden dag werd
de Prins van Oranje, onder den naam van Willem II, tot Koning der
Nederlanden uitgeroepen.
Alom mocht Willem II de ondubbelzinnigste blijken van vreugde bij de
ingezetenen wegens zijne troonbeklimming ontvangen. Niet lang echter
mocht zijn vader, die bij het nederleggen van de kroon den titel van
graaf van Nassau aangenomen had, de rust zijns ouderdoms smaken. Den 12
Dec. 1843 werd hij te Berlijn door een beroerte plotseling uit het leven
weggerukt, in den ouderdom van 71 jaar. Zijn stoffelijk overschot, over
zee naar het vaderland vervoerd, werd door zijn doorluchtige zonen
en kleinzonen den 2 Jan. 1844 met alle eer en plechtigheid in het
vorstelijk familiegraf te Delft ter aarde besteld.
Willem II, die als prins de Nederlanders tweemaal ter overwinning
had geleid, heeft slechts negen jaar mogen regeeren. Onder zijn
bewind begonnen de goede gevolgen, die de scheiding van België voor
onzen handel en zeevaart had, meer en meer te blijken. Ze werden
bevorderd door de opheffing der acte van Navigatie in Engeland
en vrijere scheepvaartwetten, die bij ons daarop volgden. De
winstgevende vrachtvaart herleefde en de toenemende vraag naar onze
grondvoortbrengselen opende ook voor den landbouw een tijdperk van
ongekende welvaart.
Den 28 Nov. 1840 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam ingehuldigd, begon
Willem II onder geen gunstige omstandigheden de regeering. De langdurige
oorlog met België deed het land onder den last der Staatsschuld zuchten,
terwijl de bestaande instellingen velen niet naar den zin waren. Nadat
reeds twee wetsontwerpen ter verbetering van 's lands geldmiddelen waren
afgekeurd, werd er in 1843 door den minister Van Hall een gedwongen
heffing op het inkomen van ieder burger voorgesteld, waarvan men zich
echter bevrijden kon door eene vrijwillige geldleening van 127 millioen
gulden tegen 3 % rente. Niemand dacht, dat deze leening zou tot stand
komen. Doch nu bleek het ook, hoezeer de natie aan haar Koning gehecht
was. Den 6 Maart 1844 was een ware feestdag, want het genoemde kapitaal
werd op weinig na volteekend; ieder, die iets had bij te dragen, nam
er deel in, terwijl het ontbrekende door den Koning uit eigen middelen
grootmoedig werd aangevuld. Door dit nationaal offer kreeg de regeering
nu de handen ruim en werd zij weldra in staat gesteld, om orde en
verbetering in de geldmiddelen van den Staat te brengen.
[Illustratie: KONING WILLEM II EN ZIJNE GEMALIN ANNA PAULONA MET HUNNE
KINDEREN.]
Een treurige en onvoorziene ramp deed zich in 1846 zoo hier als elders
gevoelen, n.l. een vreeselijke ziekte onder de aardappelen, waardoor
de prijzen der andere levensmiddelen aanmerkelijk stegen. Op sommige
plaatsen in ons vaderland, vooral in Friesland en Groningen werd
hierdoor veel beweging en opschudding veroorzaakt. In weerwil van de
leniging der armoede door de Nederlandsche weldadigheid nam door dit
alles de landverhuizing naar Noord-Amerika, vooral in navolging van
Duitschland, hier zeer toe.
In Frankrijk brak in 1848 een nieuwe omwenteling uit. Lodewijk Filips,
sedert 1830 Koning der Franschen, moest evenals zijn voorganger Karel X,
den Franschen troon verlaten. De vrijheidskoorts, in Frankrijk begonnen,
verspreidde zich weldra door bijna geheel Europa. In alle Duitsche
Staten, in Oostenrijk, Pruisen, ook in Napels, Rome, Lombardije en
Denemarken stond het volk tegen zijn wettigen souverein op, hetgeen van
ontzettende moordtooneelen vergezeld ging. Hier te lande bleef het volk
rustig, hoewel er het nadeel der naburige ongeregeldheden diep gevoeld
werd door vele handelshuizen, die groote verliezen leden. Doch ook hier
lieten de kreten om herziening der grondwet zich al luider hooren. De
ministers zagen echter geen gevaar en bleven even lauw op den weg ter
verbetering als vroeger. Toen was het Willem II, die met krachtige
hand op eens de donkere toekomst in een helderen en blijden dag deed
verkeeren. Zonder langer op zijne ministers te wachten deed hij zelf
in Maart 1848 het volk de toezegging, dat de verlangde verbeteringen
in de grondwet met milde hand zouden geschonken worden. Luid werd deze
handelwijze des Konings geprezen. En terwijl in andere landen door
oproer en geweld de hervormingen werden afgeperst, kwam in ons land
de grondwetsherziening door samenwerking van vorst en volk tot stand.
Toch moet erkend worden, dat alle veranderingen, die hier werden
ingevoerd, nog geen verbeteringen waren, daar ze grootendeels in het
revolutiebeginsel waren geworteld. De geest der eeuw, waar Da Costa zoo
vol geestdrift tegen getuigde, werd ook hier telkens machtiger. Het
ongeloof zat bij ons op den troon en aan het geloof werd ook zelfs het
bescheidenste plaatsje misgund. Scholen _zonder_ den Bijbel werden b.v.
rijkelijk met staatsgeld ondersteund.
De Grondwet van 1848 behelsde o.a. de volgende bepalingen:
De Kroon is erfelijk, zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke
linie van het Huis Oranje. De Koning heeft de uitvoerende macht en deelt
de wetgevende macht met de Staten-Generaal. Hij heeft het opperbevel
over de land- en de zeemacht en het opperbestuur der koloniën. Hij
benoemt de ministers, die voor de daden der regeering verantwoording
verschuldigd zijn aan de natie. De Staten-Generaal vertegenwoordigen
het geheele volk. Zij bestaan uit een Eerste en Tweede Kamer. De leden
der Eerste Kamer worden door de provinciale Staten benoemd uit de in
de directe belastingen hoogst aangeslagenen. De leden der Tweede Kamer
worden rechtstreeks door de burgers gekozen, die meerderjarig zijn en
aan zekere vereischten moeten voldoen. Zij hebben zitting voor vier
jaren. De Staatswetten worden namens den Koning door de ministers
aan de leden der Tweede Kamer voorgelegd. Deze hebben het recht
van _amendement_, d. w. z. zij mogen veranderingen in deze wetten
voorstellen; het recht van _initiatief_, d. w. z. zij mogen zelf een
wet voorstellen en het recht van interpellatie, d. w. z. zij mogen
inlichtingen aan een minister vragen omtrent diens handelingen en
gebeurtenissen, die in zijn departement zijn voorgevallen. De Eerste
Kamer heeft niet het recht van amendement, en moet alzoo de wet, gelijk
die aangeboden is, bij meerderheid van stemmen aannemen of verwerpen.
Wordt eene door de Tweede Kamer aangenomen wet ook door de Eerste Kamer
aangenomen, dan wordt die wet den Koning ter onderteekening aangeboden,
maar verkrijgt nog geen kracht van uitvoering, voordat de minister,
onder wiens departement de wet behoort, haar mede onderteekend heeft.
Zoo is ook geen Koninklijk Besluit geldig zonder zulk een ministeriëele
medeonderteekening (het _Contre-Seign_). Hierdoor wordt de minister
_verantwoordelijk_.
Alle ingezetenen van ons land hebben het recht van _petitie_, d.i. om
zich schriftelijk met verzoeken te zamen of afzonderlijk te wenden tot
de bevoegde macht. In Nederland bestaat vrijheid van godsdienst.
De staatsman J. R. Thorbecke had een belangrijk aandeel in de
samenstelling der nieuwe Grondwet en wilde daardoor onzen staat
verheffen „tot een vrij volk met een vrije regeering.” Omdat hij hierbij
echter te veel van de beginselen der revolutie uitging, werd hij steeds
bestreden door den uitnemenden Staatsman en historieschrijver Mr. G.
Groen v. Prinsterer. Thorbecke is driemaal 't hoofd van 't ministerie
geweest, te zamen acht jaar lang. Hij overleed in 1872, terwijl Groen
van Prinsterer in 1876 van ons werd weggenomen.