De Algerijnsche zeeroovers getuchtigd.—Opstanden op Sumatra
en Java.—Maatregelen van Koning Willem ter bevordering van
ontwikkeling en welvaart.—Ontevredenheid der Belgen.
Het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden had geen langer duur dan ruim 15
jaren. De scheepvaart op de Middellandsche zee werd in dien tijd door de
Algerijnsche zeeschuimers zeer onveilig gemaakt. Een Engelsche vloot
evenwel, onder bevel van lLrd Exmouth, vereenigd met een Nederlandsch
eskader onder den Vice-admiraal Van der Capellen, wist den 27 Augs. 1816
den trotschen Dey van Algiers zoodanig tot rede te brengen, dat hij aan
al de eischen der overwinnaars toegeven, ruim duizend Christenslaven in
vrijheid stellen en beloven moest, zich voortaan van alle zeerooverijen
te onthouden.
In onze Oost-Indische bezittingen werd de vrede van tijd tot tijd
verstoord. Zoo hadden aldaar twee hevige opstanden plaats, de eene in
1821 op het eiland Sumatra, waar de Sultan van Palembang door den
dapperen generaal-majoor De Kock verslagen en gevangen genomen werd en
de andere van 1825 tot 1830 op het eiland Java, waar in 1830 het hoofd
der muitelingen, Diepo Negro, insgelijks door onzen De Kock tot
onderwerping werd gebracht.
Vele waren intusschen de zegeningen, die het vereenigd Nederland
gedurende een 15-jarigen vrede onder het weldadig bestuur van Willem
I mocht genieten. In 1818 werd de _Maatschappij van Weldadigheid_
opgericht, vooral door invloed van den luitenant-generaal Johannes van
den Bosch. Deze Maatschappij stelde zich ten doel, om de heidegronden
in Drente en Overijsel door bedelaars en behoeftigen te doen ontginnen,
om daardoor de armoede te bestrijden. De _Koloniën van Weldadigheid_
(Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelmina'soord), die daaruit sinds 1813
ontstaan zijn, hebben uitgestrekte woeste velden in vruchtbaar land met
welvarende bewoners veranderd.
In 1824 kwam de _Handelmaatschappij_ tot stand, die zich ten doel
stelde, als Agent der Regeering, de Indische voortbrengselen, die
de inboorlingen van Ned. O.-Indië bij wijze van belasting voor ons
Gouvernement moesten aankweeken, in ontvangst te nemen, over te voeren
en in ons land te verkoopen. De Maatschappij begon met een kapitaal van
twaalf millioen gulden, waarvan Koning Willem I het grootste deel had
gestort.
De Koning stelde in 1816 de _Orde van den Ned. Leeuw_ in, om de
verdiensten van burgers en de _Militaire Willemsorde_ om die van
krijgslieden te eeren.
De _Ned. Bank_, die in 1814 tot stand kwam, had ten doel, de kooplieden
spoedig en tegen niet te hooge rente aan geld te helpen. Nog steeds
geniet deze Bank het volle vertrouwen van den handel. In 1820 werd ook
in Nederland het metrieke stelsel van maten en gewichten ingevoerd,
waardoor vele berekeningen werden gemakkelijk gemaakt.
Door allerlei middelen zocht Willem I de welvaart van ons land te
bevorderen. Zoo werden tijdens zijne regeering vele kanalen gegraven,
b.v. in 1825 het Noord-Hollandsch kanaal, waardoor geladen zeeschepen
onmiddellijk voor Amsterdam konden komen: verder het Voornsche- en
Zederik-kanaal, de Zuid-Willemsvaart, waarmee in 1825 een begin werd
gemaakt, enz. In Overijsel liet Baron van Dedem de Dedemsvaart graven,
welke van Hasselt uit het geheele Noorden van Overijsel doorsnijdt.
Ook voor het Onderwijs zorgde Willem I. Voor N. Nederland regelde
hij het Hooger Onderwijs bij een besluit van 2 Aug. 1815 en voor Z.
Nederland bij een besluit van 25 Sept. 1816. De Hoogescholen van Leiden,
Utrecht, Groningen en Leuven kwamen nu tot een nieuw leven, terwijl te
Gent en Luik mede academiën werden opgericht. De Hoogeschool te Franeker
en Harderwijk werden Doorluchtige Scholen. Die te Franeker werd in 1843
en die te Harderwijk reeds in 1817 opgeheven.
Toen België met Nederland werd vereenigd, waren er in België haast
geen lagere scholen. De koning bevorderde daarom in dat land het lager
onderwijs zooveel mogelijk en richtte er een paar normaalscholen op
ter opleiding van onderwijzers en stichtte er vele modelscholen, alles
op kosten van den Staat. In 1816 regelde de vorst de organisatie der
Protestantsche Kerkgenootschappen. Hierdoor werd echter later veel twist
en verwarring in het leven geroepen. In Utrecht riep de regeering eene
veeartsenijschool in het leven en te Seraing een groote en uitmuntende
fabriek van machines. In 1818 schafte zij op Engelands voorbeeld de
slavenhandel in onze koloniën af.
In 1830 werd de reeds genoemde Johannes van den Bosch tot
gouverneur-generaal benoemd. Deze voerde op Java het kultuurstelsel in,
waardoor de regeering in staat werd gesteld, spoedig en vele Indische
voortbrengselen te ontvangen en te gelde te maken. De Koning verhief Van
den Bosch, die in 1833 in ons land wederkeerde en in 1844 stierf, in den
Gravenstand.
Tijdens België en Nederland één waren telde het vereenigd Koninkrijk
zes millioen inwoners. Het Noorden bracht een herlevenden handel
en winstbelovende koloniën aan en het Zuiden rijke steenkolen- en
ijzermijnen, vele fabrieken en vruchtbare korenvelden. België vond in
het Noorden eene markt voor zijne voortbrengselen en fabriekswezen en
Nederland kon hout en ijzer voor zijne schepen uit het Zuiden bekomen.
Toch konden op den duur die beide landen het niet met elkander vinden.
Ze waren ruim twee eeuwen van elkander gescheiden geweest en in dien
tijd waren de Belgen in taal en zeden meer de Franschen genaderd,
terwijl wij ons meer zelfstandig hadden ontwikkeld.
Bovendien was er tusschen de twee volken een groot verschil in
godsdienst: de Belgen waren over het algemeen R. Katholiek en wij waren
over het algemeen Protestantsch. Hierdoor en door zooveel meer ontstond
er al spoedig een zekere wrijving tusschen het Noorden en het Zuiden.
De Belgen meenden, dat hun land als een wingewest of toevoegsel van
Nederland werd behandeld en wij waren niet bij machte hun deze gedachte
te ontnemen. Zij vonden het onbillijk, dat bij het leger de meeste
officieren Noord Nederlanders waren en dat de regeeringsstukken in
het Hollandsch waren gesteld, daar in België de meeste bewoners
Fransch spraken. Ook waren de Belgen ontevreden over het betalen van
belasting voor het malen van graan en het slachten van vee, terwijl de
geestelijkheid in Zuid-Nederland oordeelde, dat de R. Kath. Kerk slechts
geduld werd, inplaats dat zij zooals men wenschte, de heerschende Kerk
was.
Bij besluit van 14 Juli 1825 werd te Leuven een _collegium
philosophicum_ geopend. De jonge lieden, die geestelijke wilden worden,
moesten nu hier studeeren en mochten niet meer de kleine Seminariën
bezoeken. Hierdoor werden de Belgen ten zeerste verbitterd. De
vrijzinnigen of liberalen vereenigden zich in 1828 met de ijverige R.
Katholieken, om de regeering te bestrijden. De Koning hief nu in 1829 de
verplichting op, om de lessen van het collegium bij te wonen, waardoor
de inrichting weldra geen enkelen leerling meer had. Ook trok de vorst
het besluit van 1819 in, waarbij de Hollandsche taal ook in de Vlaamsche
provinciën van België voor de uitsluitend geldende in openbare
aangelegenheden werd verklaard. Al deze verzoenende maatregelen mochten
echter niet baten.