Napoleon keert van Elba terug.—Krijgsbedrijven in
België.—Quatre Bras en Ligny.
Den 16 Maart 1815 begaf Willem I zich naar de vergadering der
Staten-Generaal te 's-Gravenhage, waar hij de gronden ontvouwde, die
tot de Vereeniging van Nederland met België hadden geleid. Met gemengde
gevoelens ontvingen de Staten der Noordelijke gewesten hem. Zij noemden
de vereeniging van alle Nederlanden een treffende gebeurtenis.
Van de vereeniging van België met Nederland (van het herstel dus van het
oude Nederland, gelijk het in de dagen van Karel V was), verwachtte men
de volgende voordeelen:
1º. Er werd een vaste voormuur tegen Frankrijk gevormd.
2º. Als Mogendheid van den tweeden rang zou het Vereenigd Koninkrijk
niet slechts bloeien door den handel van het Noorden, maar ook door de
industrie van het Zuiden en door den landbouw van beiden.
Men zag evenwel voorbij, dat de verschillende bronnen van bestaan van
beide landen ook verschil van belangen schiepen, waardoor twist en
tweedracht kon ontstaan, waarbij nog kwam, dat beide landen verschillend
waren niet slechts in taal, maar ook in godsdienst, wat mede een bron
van oneenigheid kon worden.
Een eerste verplichting, die de vereeniging ons oplegde, was eene
uitkeering van twee millioen pond sterling of 24 millioen gulden aan
Engeland voor den opbouw van vestingen aan de Fransche grenzen;
bovendien moesten wij aan Engeland afstaan: in West-Indië Berbice,
Demerary en Essequebo en in Zuid-Afrika de Kaapkolonie. Ook talmde
Engeland, om ons de overige koloniën terug te geven.
[Illustratie: NAPOLEON VERLAAT OP 26 FEBR. 1815 HET EILAND ELBA.]
Terwijl het Congres te Weenen bezig was, de verwarde Europeesche zaken
te regelen, werd ineens de mare bekend, dat Napoleon, vertrouwende op
de gehechtheid zijner soldaten en op de onverschilligheid der Franschen
ten opzichte van het stamhuis van Bourbon, den 1 Maart 1814 met 1500
soldaten te Cannes in Frankrijk was geland. Lodewijk XVIII zond
verschillende troepen-afdeelingen tegen hem af, doch die kozen allen
zijn zijde, zoodat Napoleons krijgsmacht vermeerderde naarmate hij
dichter bij Parijs kwam. Op 't laatst was zijn tocht een triumftocht,
zoodat Lodewijk XVIII het geraden achtte, Parijs te verlaten en eene
schuilplaats te Gent te zoeken. Reeds den 20 Maart 1814 deed Napoleon
zijn intocht te Parijs.
Toen het Congres te Weenen hiervan kennis kreeg, besloot het terstond
tot een algemeen Verbond tegen den dwingeland en tot het bijeenroepen
van een krijgsmacht van een millioen soldaten. Ook Napoleon zat niet
stil. Hij beproefde alle diplomatische hulpmiddelen, om den naderenden
storm te verwinnen. Zijne agenten bij de buitenlandsche machten leden
echter schipbreuk in hunne pogingen en 's Keizers hoop, om door zijne
gemalin het Oostenrijksche hof te zijnen gunste te stemmen, kon
onmogelijk slagen, daar Maria Louise zich reeds een ander man tot
levensgezel had verkozen.
Door snel optreden hoopte Napoleon de Mogendheden te voorkomen. Reeds
na twee maanden beschikte hij weer over een leger van 180.000 man,
gereed tot den veldtocht.
Koning Willem I riep ook de Nederlanders te wapen. Hij vormde twee
legers, die hij onder bevel zijner twee zonen stelde, het eene leger
40.000 man sterk, om de grenzen van België te dekken en het andere,
30.000 man, meest Zuid-Nederlanders, dat als Nationale Militie dienst
moest doen.
Napoleon evenwel begeerde vrede en vroeg aan de Mogendheden om vrede,
doch die wilden er niet van weten. Wel wetend, dat België het tooneel
van den strijd zou worden, rukte Blücher met 117.000 man Pruisen de
Zuidelijke Nederlanden binnen en nam, met Namen tot hoofdpunt, positie
tusschen Luik, Hoei, Charleroi en Dinant. De prins van Oranje voerde
bovendien in België nog bevel over 20.000 Engelschen en Hannoveranen,
terwijl den 4 April 1815 de Hertog van Wellington te Brussel aankwam
waar hij het opperbevel aanvaardde over een leger van 91.228 man uit
Engelschen, Duitschers en Nederlanders bestaande. Onder zijn opperbevel
werd de Prins van Oranje gesteld over een afdeeling Engelschen en
Nederlanders, terwijl Prins Frederik onder de bevelen van den Engelschen
Luitenant-Generaal Lord Hill aan het hoofd werd gesteld 10.000 man.
Onder den Prins van Oranje die met het eerste legercorps stond tusschen
Gemappes, Enghien en Birche, dienden Generaal de Perponcher, de vriend
van den te Padua overleden Prins Frederik en Chassé, die nog in 1814 een
trouw krijgsmakker van Napoleon was geweest. Het tweede legercorps onder
Lord Hill had positie gekozen te Ath en Oudenaarde. Sir Thomas Picton
voerde rondom Brussel de reserve hiervan aan. Lord Uxbridge stond aan
het hoofd der ruiterij. Generaal Collaert, bekend uit zijn moedig gedrag
bij Castricum, stond met de Nederlandsche ruiterij, die eene afdeeling
vormden van de ruiterij onder Lord Uxbridge, bij Bergen.
De Hertog van Wellington verwachtte nog geen inval van Napoleon in
België en dacht er zelfs over, den Keizer voor te zijn en in Frankrijk
te vallen. Zijne hoofdofficieren dachten ook nog aan geen gevaar, zoodat
zij zelfs den 15 Juni eene uitnoodiging tot een feestpartij bij de
Hertogin van Richmond aannamen. Des nachts even vóór 12 uur werd den
Hertog van Wellington, die mede op het feest was, bericht dat Napoleon
met 130.000 man de Belgische grenzen was overgetrokken en Charleroi
reeds had genomen. Terstond was de feestpret uit. Vele officieren gunden
zich geen tijd, hun feestgewaad af te leggen en stegen met zijden broek
en kousen te paard. Wellington nam alles kalm op. Oogenblikkelijk gaf
hij zijne bevelen en vóór het den volgenden morgen 8 uur was, waren
soldaten, kanonnen en voertuigen al op weg naar het oorlogsterrein.
De Prins van Oranje, die ook op het bal was, was mede half in
feestgewaad, te paard gesprongen en bevond zich des nachts twee uur
reeds in zijn hoofdkwartier te Braine le Comte. Het was den 16 Juni 1815
des morgens 6 uur dat hij met zijne troepen aan den viersprong Quatre
Bras (zijnde een kruispunt der wegen van Brussel naar Charleroi, en van
Nivelles naar Namen) aankwam. Hier vond de Prins den Hertog van Saksen
Weimar, kolonel van het Regiment Oranje-Nassau, die den vorigen dag
Quatre Bras reeds bezet had. Kapitein Bijleveld, die het bevel had over
een batterij artillerie, was met een bataljon Nassauers bij het dorp
Frasnes (een uur van Quatre Bras) den 15 Juni door de Fransche ruiterij
aangevallen, maar had zich al strijdende in de beste orde en zonder
verlies naar Quatre Bras terug getrokken, waar hij zich bij den Hertog
van Saksen Weimar voegde. Generaal de Perponcher bevond zich te
Nivelles, waar hij bevel ontving van den Hertog van Wellington, om
de troepen bij Nivelles te vereenigen. Had de Perponcher dit bevel
uitgevoerd, dan had ook Saksen Weimar naar Nivelles moeten komen en dan
was Quatre Bras onbezet geweest. Dit mocht echter volgens zijn inzicht
volstrekt niet geschieden en daar hij wel wist, dat Wellington zijn
bevel gegeven had, voor deze wist, dat Napoleon Charleroi had bezet,
waagde hij het, tegen Wellingtons bevel in te gaan en gaf hij last,
inzonderheid de stelling Quatre Bras te verdedigen. Toen de Prins van
Oranje zich des morgens bij hem voegde, zag deze spoedig in, dat de
Perponcher met oordeel gehandeld had en versterkte de stelling Quatre
Bras nog meer.
Het plan van Napoleon was, eene vereeniging van de Pruisische en
Engelsche troepen te voorkomen, want als hij ze afzonderlijk aanviel,
had hij meer kans om te overwinnen. Hij zond daarom Maarschalk Grouchy
naar Sombref, ten einde aldaar Blücher tegen te houden en Maarschalk Ney
naar Quatre Bras. Grouchy kon echter niet verder dan tot Fleuris en Ney
niet verder dan tot Frasnes komen. Ney voerde het bevel over Napoleons
linkervleugel, sterk 47.450 man en 116 kanonnen; Grouchy voerde den
rechter vleugel aan, sterk 38.000 man en 112 kanonnen, terwijl Napoleon
zelf den middeltocht als reserve aanvoerde, sterk 28.880 man en 112
kanonnen.
Met die reserve wilde Napoleon dien vleugel te hulp komen, die steun
noodig had, opdat hij eindelijk met geheel zijn macht Brussel kon
innemen, vanwaar hij zijne vijanden afzonderlijk hoopte aan te vallen.
Bij Fleuris stuitte Grouchy echter op een leger van 90.000 Pruisen onder
Blücher, zoodat doordringen daar niet mogelijk was. Napoleon gaf daarom
aan Ney bevel, om den vijand te verdrijven, zich dan naar Sombref te
begeven, ten einde daar de Pruisen in de rechterflank aan te vallen.
Evenwel, Napoleon kon gemakkelijker bevelen, dan Ney uitvoeren. Bij
Quatre Bras stuitte Ney, naar wij zagen, op de legermacht onder den
Prins van Oranje, en deze wist den indruk bij Ney te wekken, dat
des Prinsen troepen talrijker waren, dan ze feitelijk waren. Ook
Wellington voegde zich des morgens 11 uur bij den Prins en hij keurde de
maatregelen goed, die deze en De Perponcher genomen hadden. Wellington
begaf zich daarna naar Sombref, waar hij bij een molen tusschen Bry en
Ligny eene ontmoeting met Blücher had. Beide veldheeren kwamen overeen,
dat Blücher bij Ligny den Franschen slag zou leveren en dat Wellington
over Quatre Bras hem te hulp zou komen. Die belofte kon echter
Wellington niet houden, wegens den strijd, dien hij zelf te Quatre Bras
te voeren had en het gevolg hiervan was—dat Blücher bij Ligny verslagen
werd. Dit zou de laatste overwinning zijn, door Napoleon behaald.