De finantiën geregeld.—Een Landstorm opgericht.—'s-Hertogenbosch
en Gorinchem aan de Franschen ontrukt.—De nieuwe Grondwet.—Willem
I te Amsterdam als Koning gekroond.
Zou Nederland zijne onafhankelijkheid kunnen handhaven, dan moest
het kunnen beschikken over een goed voorziene oorlogskas en over
een voldoende krijgsmacht. Teneinde aan geld te komen, werd er een
vrijwillige leening uitgeschreven, die 1400 duizend gulden opbracht,
inderdaad een aanzienlijke som als men let op den verarmden toestand van
het land. Amsterdam droeg o.a. 100 duizend gulden bij en Arnhem 17000
gulden.
En om een voldoende krijgsmacht te verkrijgen, werd er een Landstorm
opgericht van weerbare mannen tusschen 17 en 50 jaar oud, die met pieken
gewapend werden. Een deel ervan, bestaande uit 16.000 man voetvolk en
4000 man artillerie, werd gebruikt, om den vijand van den vaderlandschen
grond te verdrijven, terwijl het andere deel als schutterij in de steden
dienst moest doen.
Zoolang Koning Willem I nog geen Staatsraad bezat, beraadslaagde
hij toch twee keer 's weeks met eenige bekwame Staatslieden over de
aangelegenheden van het land. In het belang van ons zeewezen liet de
Vorst terstond de Kweekschool voor de Zeevaart te Amsterdam weer
openen, welke school door Napoleon was opgeheven geworden, terwijl
hij aan een Commissaris-Generaal opdroeg te onderzoeken, wat er tot
bevordering van het Zeewezen kon gedaan worden. Ook schafte hij het
Fransche belastingstelsel af en voerde het vroeger hier bestaande weer
in, terwijl hij tevens de bepaling van Napoleon op het Hooger Onderwijs
buiten werking stelde en een Commissie met de taak belastte, om een
algemeen Ontwerp in betrekking tot het Hooger Onderwijs te maken.
Den 21 Dec. 1813 droeg Willem I aan een Commissie, bestaande uit vurige
Oranjeklanten zooals Van der Duyn van Maasdam en Van Hogendorp, zoowel
als uit vroegere Patriotten, als Van Maanen of uit mannen als Roëll,
die onder Koning Lodewijk een hooge betrekking hadden bekleed, het
samenstellen van een Grondwet op. Van deze Commissie werd Van Hogendorp
voorzitter, terwijl Falck werd benoemd tot Secretaris van Staat en
Changuion tot Commissaris-Generaal bij de Britsche hulptroepen. Ook
met het Buitenland knoopten wij weer betrekkingen aan. Zoo zonden wij
Hendrik Fagel, de vroegere Griffier, als afgezant naar Engeland, terwijl
Engeland Lord Clancarty als zijn afgezant bij ons Hof aanwees.
Intusschen had de Fransche Maarschalk Macdonald zijn hoofdkwartier van
Nijmegen naar Kleef verlegd. En toen nu ook Generaal Exculman met zijn
Fransche krijgsmacht uit Nijmegen naar Venloo vertrok, was Nijmegen en
hiermee geheel Gelderland van Franschen gezuiverd.
[Illustratie: KONING WILLEM I.]
De Fransche Commandant te 's Hertogenbosch verbitterde in die stad
velen, door de gedwongen heffing eener door hem uitgeschreven
belasting. 240 inwoners sloten een verbond, om alles in het werk te
stellen ten einde 's Hertogenbosch van de Fransche heerschappij te
verlossen. Zij drongen per plakkaat bij de burgerij er op aan, de
belasting niet te betalen. De Commandant ontbond nu de schutterij,
stelde het innen der belasting acht dagen uit, doch dreigde een ieder
met zware straffen, die weigerde te betalen. De samengezworenen
hadden zich intusschen met de Pruisen in verbinding gesteld. Met den
Pruisischen generaal Hobe maakten ze de afspraak, dat deze den 26 Jan.
's morgens, als de toren van Vucht 4 uur zou slaan, van twee zijden de
stad zou aanvallen. De Commandant had er echter bericht van gekregen en
riep de bezetting onder de wapenen. De toren van Vucht ging evenwel een
half uur na en toen de aanval 's morgens 4 uur niet geschiedde, dacht
de Fransche Commandant, dat er niets van kwam en liet de bezetting
weer aftrekken. Weldra echter daagden de Pruisische ruiters op, die
de bewoners van Vucht tot gidsen hadden. Daar de grachten van 's
Hertogenbosch toegevroren waren, viel het den Pruisen gemakkelijk,
de wallen bij de Vuchterpoort te beklimmen en het Bastion Oranje te
vermeesteren. De samengezworenen in de stad hadden intusschen de
Fransche wacht bij de Hinthamerpoort overrompeld en die voor de Pruisen
geopend. De Fransche bezetting trok zich nu in het fort terug, doch geen
kans ziende, zich tegen de Pruisen staande te houden, gaven zij zich
bij verdrag over. De officieren kregen vrijen aftocht, doch moesten
zich verbinden, binnen het jaar niet tegen de verbonden Mogendheden
te strijden. De Fransche soldaten hield men in Den Bosch gevangen. In
naam van Willem I namen nu Bowier, die vóór 1794 Pensionaris der stad
was geweest en Verheyen, als Commissarissen-generaal, bezit van 's
Hertogenbosch.
Ten einde Gorinchem in ons bezit te krijgen, werd deze stad den 22 Jan.
1814 uit zeven batterijen tegelijk beschoten, waarbij tot groote schade
der ingezetenen 16 huizen vernield werden en 7 zwaar beschadigd. Men
eischte nu de vesting op, en toen daar een weigerend antwoord op kwam,
werd Gorinchem den 24 Jan. wederom beschoten, waarbij de kerk, het
tuighuis en het hospitaal (waarin veel zieken verpleegd werden), zwaar
werden beschadigd. De Maire van Gorinchem verzocht Generaal Zielinsky,
de stad niet meer te beschieten, doch Zielinsky kon hieraan niet
voldoen. Nog vijf maal liet de Generaal de stad beschieten. Den laatsten
keer vlogen drie kruitkisten in Gorinchem in de lucht, waardoor velen
gedood of gewond werden. De aangerichte schade werd op 100.000 gulden
berekend. Den 4 Febr. 1814 teekende de Fransche Commandant een verdrag,
waarbij hij de stad overgaf. De bezetting werd met krijgsmanseer
behandeld en gevangen naar Pruisen gevoerd.
Intusschen was de Commissie met een Ontwerp van Grondwet gereed gekomen.
Men besloot hierover geen algemeene volksstemming toe te laten, maar
het ontwerp door 600 Notabele Nederlanders te laten beoordeelen. Er
werd daarom eene lijst opgemaakt van 600 personen, die door stand,
middelen en verdiensten uitmuntten, welke lijst gedurende acht dagen
in elk Kanton of Vrederecht ter inzage werd gelegd, met verzoek, om
de bedenkingen, die men tegen de op de lijst geplaatste personen
mocht hebben, op te geven. Toen er nagenoeg geen bedenkingen werden
ingebracht, werden de op de lijst geplaatste 600 Notabelen den 29 Maart
1814 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam tezamen geroepen. Slechts 474
gaven aan die oproeping gehoor, terwijl 126 Notabelen om verschillende
redenen niet opkwamen. Koning Willem I opende deze vergadering met eene
toespraak, waarna Van Maanen, Voorzitter van het Hooge Gerechtshof, de
beginselen ontvouwde, naar welke de nieuwe Grondwet ontworpen was.
De nieuwe Grondwet bepaalde omtrent den vorst:
Opvolging bij erfrecht en eerstgeboorte, recht van vrede en oorlog,
opperbestuur over de geldmiddelen, beschikking over zee- en landmacht.
De Souvereine rechten, die vroeger de Staten bezeten hadden, werden
nu aan den Vorst opgedragen. In plaats der Departementen kregen wij 9
provinciën. Ter handhaving der Volksvrijheid en tot waarborg van een
richtig beheer zou eene vergadering van de Staten-Generaal, uit 55 en
door de Provinciale Staten voor drie jaren benoemde leden bestaande,
alle buitengewone uitgaven toestaan of weigeren en, evenals de Vorst,
wetten voordragen of afstemmen. Verder zou er een Raad van State zijn,
een Algemeene Rekenkamer, een onafhankelijke rechtsmacht, Algemeene
Wetboeken, gelijke bescherming voor de bestaande Godsdiensten, doch de
Vorst moest lid zijn van de Ned. Herv. Kerk. De land- en zeemacht zou
uit vrijwilligers bestaan en bij gebrek aan dezen uit lotelingen.
De nieuwe Grondwet was op revolutionaire leest geschoeid. Toch werd ze
door de vergadering van Notabelen met 448 tegen 26 stemmen goedgekeurd.
Den volgenden dag, 30 Maart 1814, werd nu de Vorst op plechtige wijze in
de Nieuwe Kerk te Amsterdam als Souverein Vorst van Nederland gekroond.