HOOFDSTUK XV.

De vroegere lotgevallen van Koning Willem I.—De strijd in

Zeeland, om Breda, den Helder (Verhuell), Deventer, Coevorden en

Delfzijl.—België aan de Franschen ontrukt.

De Prins van Oranje, den 30 Nov. 1813 te Scheveningen geland, was de

zoon van Stadhouder Willem V. In 1795 had hij met zijn vader de wijk

moeten nemen naar Engeland. In 1799 landde de Prins met de Engelschen

en Russen bij Den Helder, doch moest met dezen spoedig ons land weer

verlaten. In 1806 stierf zijn vader, Willem V, en kort daarop ontnam

Napoleon hem zijn erflanden in Duitschland en voegde ze bij het

Groot-Hertogdom Berg. Toen de Prins nog in 1806 als Generaal in

Pruisischen dienst trad, verklaarde Napoleon hem tot vijand van het

Fransche rijk en ontnam hem ook het vorstendom Fulda. Na een tijdlang in

Fransche krijgsgevangenschap doorgebracht te hebben, trok hij zich in

Engeland in afzondering terug.

In ons land wist men, dat de Prins leefde, doch waar, en welk karakter

en geaardheid hij bezat, daarvan wist men hier niets. Zelfs wist men

niet, hoe hij zich in de veldslagen bij Landrecies en Fleures roemrijk

onderscheiden had, hoewel men wel op de hoogte was van de heldendaden

door zijn zoon, den Erfprins, in Spanje verricht.

Nog maar weinige uren had de Prins in Den Haag vertoefd, of de

aanzienlijke mannen, die hem omringden, verklaarden, dat zij in den

Prins den man zagen, die het vervallen vaderland weer tot eer en aanzien

kon brengen. Een ander klopte den vorst goedmoedig op den schouder,

zeggende: „Wees maar niet bekommerd, Uwe Hoogheid; als de taak u te

zwaar is, dan zijn wij er ook nog, om het werk voor u te doen.” De Prins

was er echter de man niet naar, om het werk aan anderen over te laten.

Hij was begaafd met een sterk geheugen, bovendien werkzaam, onvermoeid

en van een zelfstandig karakter, zoodat, als hij omtrent iets eene

meening of overtuiging had, hij daaromtrent niet spoedig tot andere

gedachten kon gebracht worden. Hij was echter vriendelijk, mild en

altijd bereid, hulp te verleenen, waar die noodig bleek te zijn.

De Prins was alleen gekomen, doch den 8 Dec. 1813 voegde zich zijn zoon

prins Frederik bij hem en den 19 Dec. zijn andere zoon, de erfprins van

Oranje, die in Spanje onder Wellington diende, doch terstond besloot,

naar ons land over te komen, toen hij hoorde, wat hier gebeurd was. De

Erfprins werd terstond door zijn vader tot Generaal der Infanterie en

tot Inspecteur-Generaal van het leger aangesteld, terwijl Prins Frederik

zich bij het leger onder Generaal Bulow voegde.

Ondertusschen bleven de Franschen nog verschillende plaatsen van ons

land bezet houden en de eerste zorg der nieuwe regeering was, ze vandaar

te verdrijven.

Gelijk wij zagen, bevrijdde Den Briel zichzelf. Hiermede niet tevreden,

sloegen de Brielenaren zelfs het beleg om Hellevoetsluis. Na drie dagen

kregen ze hulp van 50 Engelsche mariniers. De Fransche bezetting verliet

nu Hellevoetsluis en trok naar Willemstad. De eilanden Voorne en Putten

waren hiermee van de Franschen bevrijd.

Korporaal Lorenz lag met een aantal kustkanonniers op Goeree. Hij trok

met zijne mannen naar Ooltgensplaat, waar hij den Franschen Generaal

Rostolan bij de borst vatte en gevangen nam, waarop de Fransche

bezetting de wapens nederlegde. De Franschen te Willemstad poogden de

plaats te hernemen, doch de Luitenant-Ingenieur Van Ingen sloeg hen

met verlies terug en wist Ooltgensplaat voor den prins te behouden.

De Franschen konden zich echter ook niet te Willemstad staande houden.

Nadat ze er de oorlogsvaartuigen in den grond geboord hadden, trokken

ze, met achterlating van 200.000 pond buskruit en 132 kanonnen (die

wij buit maakten) naar Bergen op Zoom. Wij brachten de gezonken

oorlogsvaartuigen weer boven water en wisten ze te herstellen en voor

het gebruik geschikt te maken.

De Engelsche vloot, uit 10 linieschepen, 9 fregatten en 6 brikken

bestaande, kwam ons te hulp, om Zeeland van de Franschen te zuiveren. De

Fransche Generaal Gilly te Zierikzee gaf aan De Jonge, die vóór 1795 te

Zierikzee regent geweest was, bevel, om zich naar Rijssel te begeven.

Het volk verzette er zich tegen, en De Jonge verschool zich, doch liet

overal vertellen, dat hij werkelijk naar Rijssel was vertrokken.

Te Bruinisse en Oosterland kwam ook beweging. Op verzoek van een

invloedrijk ingezetene aldaar, De Brauw, zond de Opperbevelhebber der

Engelsche vloot aldaar eenige vaartuigen heen en deze, door de burgers

gesteund, noodzaakten den Franschen generaal, niet alleen Bruinisse

en Oosterland, maar ook Zierikzee te ontruimen, en zich met zijn volk

te Tholen terug te trekken. Weldra moesten de Franschen niet alleen

Tholen, maar ook Noord- en Zuid-Beveland verlaten. Alleen het fort Bath

hielden zij bezet.

Den 2 Dec. 1813 verdreven de Kozakken de Franschen uit Vianen. Generaal

Bulow en Prins Frederik kwamen met Pruisisch krijgsvolk in de Betuwe. De

Franschen moesten nu Bommel, het fort Crêvecoeur en het fort St. Andries

ontruimen, evenals spoedig daarna Woudrichem, Loevenstein, Heusden en

Geertruidenberg. Vooral voor de Kozakken waren de Franschen bang. Toen

Narischkin met zijne Russen tegen Breda oprukte, wachtten de Franschen

zijn komst niet af, doch verlieten in allerijl de stad. Hierover was

Napoleon zoo boos, dat hij den Franschen generaal, die te Antwerpen het

opperbevel had, afzette en terstond bevel gaf, te trachten Breda te

hernemen. Den 20 Dec. 1813 sloegen nu de Franschen het beleg om Breda

met een krijgsmacht van 5000 à 6000 man. In de stad had men slechts over

4 stukken geschut te beschikken. De belegerden kregen echter weldra

oorlogsvoorraad uit Willemstad, en toen een afdeeling Kozakken hen te

hulp kwam, moesten de Franschen na een driedaagsch beleg weer aftrekken.

Gelijk wij zagen, was Muiden in onze macht gekomen, doch 2000 Franschen

hielden nog altijd Naarden bezet. Dezen plunderden de omstreken dier

stad zooveel mogelijk. Uit Weesp roofden ze lakens, dekens, hemden,

kousen, ketels, pannen, enz., uit de dorpen vee en levensvoorraad. Om

deze rooverijen te keer te gaan vormde Krayenhoff eene afdeeling

vrijwilligers, die onder bevel werd gesteld van Kolonel Van den Bosch en

van 8 stukken geschut werd voorzien. Door ruiterij versterkt, kruiste

deze afdeeling nu steeds in het Gooi om. Ook bezette de Amsterdamsche

schutterij de steden Muiden en Weesp. Onze krijgsmacht was echter te

zwak, om aanvallend tegen Naarden op te treden. Ook in Gorinchem hadden

de Franschen zich duchtig versterkt. De Gealliëerden trachtten, doch

tevergeefs, de Franschen uit die stad te verdrijven.

Het machtigst echter waren de Franschen in den Helder, waar zij vijf

forten hadden aangelegd, n.l. La Salle, Morland, Du Gommier, Valga en

l'Ecluse. Hun bezetting, 1000 man sterk, beschikte over 350 stukken

geschut en eene vloot van 9 linieschepen, 5 fregatten en eenige kleinere

schepen en stond onder bevel van Verhuell. Deze achtte zich wegens zijn

eed aan Napoleon verplicht, Den Helder voor de Franschen te behouden.

Daar hij op de Hollandsche matrozen en officieren niet rekenen kon, had

hij de eersten naar huis gezonden en de laatsten laten vertrekken. Te

Alkmaar wist hij aan geld uit de Landskas te komen.

Aan Generaal De Jonge werd opgedragen, Den Helder aan de Franschen te

ontrukken. Deze vestigde zich te Alkmaar, waar hij aan het hoofd stond

van eene afdeeling vrijwilligers en van eenige soldaten en kanonniers

uit Medemblik. Een Compagnie rustbewaarders nam op het eiland Texel twee

officieren en 20 Etrangers gevangen. Ze werden bij de krijgsmacht van De

Jonge gevoegd, die echter over nog te weinig krijgslieden beschikte, om

met hoop op goed gevolg den Helder aan te tasten. Verdooren zond daarom

een gezantschap van zee-officieren uit Amsterdam naar Verhuell, teneinde

dezen te bewegen, Den Helder over te geven. Verhuell wilde echter het

gezantschap niet ontvangen, zoodat alles bij het oude bleef. Verhuell

leverde echter 1200 à 1300 Spaansche krijgsgevangenen aan ons uit,

vooreerst, omdat hij een opstand van hen vreesde en ten andere, om van

hun onderhoud ontslagen te zijn.

De prefect en de Fransche ambtenaren hadden 's-Hertogenbosch verlaten.

Toch bleef de stad in handen van den vijand. De Fransche soldaten, uit

andere plaatsen verdreven, trokken zich hier samen. Den 12 Dec. 1813

vestigde Molitor zijn hoofdkwartier in 's-Hertogenbosch en organiseerde

er zijn krijgsmacht. Hij verliet echter de stad spoedig weer en liet er

slechts 300 mariniers en eenige veteranen achter. Deze krijgsmacht werd

spoedig versterkt met 700 man van de Fransche bezetting uit Loevenstein

en Woudrichem. Den 19 Dec. sloegen de Gealliëerden het beleg om Den

Bosch en veroverden de forten Izabella en St. Antonie, doch zetten het

beleg met geen genoegzame kracht door.

Generaal Baron Van Schiner bewaarde met eene bezetting van 800 Pupillen

en 40 kustkanonniers de stad Deventer voor de Franschen. Toen hij den

26 Nov. 1813 de tuinhuizen buiten de stad liet verbranden, omdat ze de

werking van het geschut belemmerden, werd zijn werkvolk verrast door de

Kozakken. Dezen waren bijna ook in de stad gedrongen, doch de Kapitein

der Ingenieurs, die reeds een sabelhouw ontving, wist nog bijtijds de

poorten van Deventer te doen sluiten. De Fransche bezetting werd nog

versterkt met 800 man uit Wezel. De Gealliëerden sloegen nu het beleg om

Deventer, waardoor de burgers dier stad veel schade leden.

De Kozakken eischten ook Coevorden op. De Fransche bezetting, hierdoor

op haar hoede geworden, organiseerde rooftochten naar de omliggende

dorpen, o.a. naar Dalen, waar drie dagen aaneen geplunderd werd. De

Kozakken kwamen echter telkens tusschenbeide en dreven de Franschen uit

Dalen terug. Toen de Franschen den vierden dag weer een uitval deden,

ontstond er een geregeld gevecht tusschen hen en een 100-tal Kozakken,

die gesteund werden door eene afdeeling vrijwilligers onder Kapitein

van den Hoja Kymmel. De Franschen, die 300 man sterk waren en in het

bezit waren van twee kanonnen, verbrandden in Dalen twee boerenwoningen

en moesten toen terugtrekken. Twaalf dagen later roofden ze uit

Hardenberg een 200-tal runderen, zonder dat de Kozakken er iets aan

konden doen.

[Illustratie: HET VERBRANDEN DER WONINGEN EN TUINHUIZEN OVER DEN IJSEL

BIJ DEVENTER DOOR DE FRANSCHEN, 26 NOV. 1813.]

Delfzijl werd nog steeds bezet door 1400 Franschen, die herhaaldelijk

plundertochten ondernamen naar Appingedam, Holwierde, Bierum, Spijk enz.

Dit ging zelfs den Onder-Prefect Alberdan en den Maire van Appingedam,

Cleveringa, te erg, die den Russischen bevelhebber Rosin verzochten, de

dorpen tegen de Franschen te beschermen, aan welk verzoek Rosin terstond

bereid was te voldoen. De Fransche bevelhebber, hiervan onderricht, zond

aan den onder-officier der Kanonniers te Zoutkamp bevel, om zich met

zijne manschappen en krijgsvoorraad bij hem te Delfzijl te voegen.

De bode, die dit bevel moest overbrengen, stelde er den Kolonel der

Nationale Garde te Groningen, Busch, mee in kennis. Busch zond nu

onmiddellijk eenige burgerkanonniers naar Zoutkamp, die de krijgslieden

aldaar bewogen, de zijde van het vaderland te kiezen, terwijl de

krijgsvoorraad en het geschut te Zoutkamp naar Groningen werd gezonden.

De Fransche bevelhebber te Delfzijl had intusschen Luitenant Edeling met

een kanonneerboot naar Zoutkamp gezonden om de krijgsmacht en voorraad

vandaar naar Delfzijl te brengen, doch ook Edeling koos onze zijde. Hij

werd nu door den Russischen bevelhebber naar Helgoland gezonden om daar

1500 geweren van de Engelschen in ontvangst te nemen. Ook maakten wij

ons meester van een post te Oostmahorn, terwijl het te Harlingen

aanwezige geschut mede naar Groningen werd gebracht.

In Groningen had men op deze wijze 20 kanonnen bijeen gekregen. Teneinde

Delfzijl te bestoken, zond Rosin 400 man met 2 veldstukjes en eenige

kanonniers naar Appingedam, terwijl Busch eenige dagen later met 400 man

van de Nationale Garde, een aantal burgerkanonniers en 4 veldstukjes

mede derwaarts trok. Ook de Russische Kolonel Prins Lapoutchin trok

mee, ten einde te zorgen, dat de Russische en Hollandsche krijgsmacht

eenstemmig tegen Delfzijl mocht optreden. De vereenigde krijgsmacht te

Appingedam bleek echter onvoldoende, om iets van belang tegen Delfzijl

te ondernemen, waarom men een landstorm oprichtte van 2000 man, die

de dorpen tegen de uitvallen der Franschen moest beschermen, terwijl

de Nationale Garde tevens met nieuwe manschappen werd versterkt. Drie

Engelsche brikken begonnen Delfzijl van de zeezijde te bestoken.

Tevens voegden 2000 Pruisen met 20 kanonnen zich bij onze legermacht te

Appingedam, terwijl eene Compagnie scherpschutters, 100 man, onder bevel

van Schmalen, een gewezen officier, de gewichtigste posten bezette. Het

gelukte Busch door middel van gedrukte bekendmakingen aan de Hollanders

onder de Fransche bezetting van Delfzijl te doen weten, dat de Prins van

Oranje tot Koning van Nederland was verheven, en wij Napoleon als Keizer

hadden afgezworen. Dit had ten gevolge, dat ruim 300 Nederlandsche en

zelfs ook vreemde soldaten en ruiters Delfzijl ontvluchtten en met

paarden en al tot ons over kwamen. Zelfs wisten drie kanonneerbooten

uit de haven van Delfzijl te ontkomen. Na de Fransche vlag voor de

Nederlandsche driekleur verwisseld te hebben zetten ze koers naar Emden.

* * * * *

Napoleon benoemde den 30 Nov. 1813 den Graaf De Caen tot

Opperbevelhebber der 60.000 man, waarover hij toen nog in België en de

Nederlanden kon beschikken, om daarmede België te behouden en Nederland

te heroveren. Schijnbaar koel en onverschillig, vernam hij, dat de

Verbondenen voortrukten, maar de opstand der Hollanders wekte zijn

toorn. Meermalen gaf hij zijn voornemen te kennen, om liever het land

aan den Oceaan prijs te geven, dan het ooit af te staan. Toen hij dit

ook aan Rutger Jan Schimmelpenninck te kennen gaf, die als lid van den

Senaat te Parijs vertoefde, antwoordde deze: „Sire, ik hoop, dat een

dergelijke gebeurtenis nimmer tot de geschiedenis van uwe regeering zal

behooren.”

Napoleons toorn was ten top gestegen, toen hij de ontruiming van

Willemstad, Breda en Geertruidenberg vernam. Onmiddellijk riep hij De

Caen terug, gaf hem arrest, en benoemde een krijgsraad, om hem te

vonnissen. Aan Rampon, die toen nog Gorinchem bezet hield, schreef

hij: „Bewaar dezen sleutel tot het hart van Holland met inspanning van

alle krachten. Steek de dijken door, omring u door overstroomingen en

ijsdammen. Ge kunt op een spoedig ontzet rekenen.”—En werkelijk zond

Napoleon belangrijke afdeelingen troepen naar Brussel, Lille en Trier,

terwijl hij op het einde van December 1813 den Generaal Graaf Maison

het opperste krijgsbevel in de Belgische en Hollandsche departementen

opdroeg.

Het was den Pruisischen Majoor Von Colomb reeds gelukt, de Belgische

grenzen over te trekken, en vier dagen later Leuven te bereiken. Toen

echter zag hij zich gedrongen, om terug te keeren, teneinde Breda tegen

een aanval van den Generaal Roquet te dekken.

Eerst na het aftrekken van den Generaal Macdonald, die wel uit Coblenz

hulptroepen had ontvangen, doch geen kans zag, om zich aan de Waal

te handhaven, gelukte het den Pruisen en Russen, weder voorwaarts te

dringen, terwijl de Engelschen de Schelde opzeilden. Roermond zag de

Verbondenen den 17 Januari 1814 binnen zijne muren. Bij Luik werd den

24 Januari een hevig gevecht geleverd, dat de Franschen tot een verder

terugtrekken noopte. Vooruit drongen nu de Bondgenootschappelijke

troepen. Zij bereikten Brussel den 1 Febr. Meermalen werd met

verbittering gestreden, inzonderheid bij Sweneghens, op den 7 en 31

Maart 1814. Bij de laatste ontmoeting handhaafde de Fransche ruiterij

weder den roem van hare voortreffelijkheid.

Niettemin zag de Generaal Maison zich ten slotte gedrongen naar Lille

(Rijssel) terug te trekken. De Franschen bleven zich echter handhaven in

de vestingen Antwerpen, Ostende en Luxemburg.

God redde Nederland gedenkschrift bij gelegenheid van het honderd-jarig jubileum van Neerlands herkregen onafhankelijk volksbestaan (30 Nov. 1813 - 30 Nov. 1913) · 第 25 / 39 题