Een voorloopig Bestuur over ons land.—De strijd om Papendrecht
en Dordrecht.
Den 18 Nov. 1813 werden zij, die vóór 1793 Lid der Staten geweest waren,
uitgenoodigd, ten huize van Van Hogendorp in Den Haag te komen. Daar
vergaderd zijnde, werd hun verzocht, het Bestuur van het land op zich te
nemen. Zij durfden aan dit verzoek niet voldoen, daar zij òf bevreesd
waren voor een mogelijken terugkeer der Franschen, òf omdat zij niet in
het Bestuur wilden zitten, zonder daartoe door den Prins uitdrukkelijk
te zijn gemachtigd, òf omdat zij meenden, dat het Bestuur niet eenzijdig
uit Prinsgezinden moest zijn samengesteld, maar ook enkele der vroegere
Patriotten onder zijn leden moest tellen.
[Illustratie: SAMENKOMST VAN VAN HOGENDORP, VAN DER DUYN VAN MAASDAM,
J. M. KEMPER, F. D. CHANGUION, DE GRAAF VAN LIMBURG STYRUM
EN FANNIUS SCHOLTEN OP 20 NOV. 1813.]
Dat de oude Statenleden weigerden, in het Bestuur van het land zitting
te nemen, werkte op het volk ontmoedigend, wijl dat er uit opmaakte, dat
de oude Regenten zelf weinig hoop koesterden op een volledig herstel
van onze onafhankelijkheid. Ook gingen door deze weigering twee dagen
verloren, die men zoo nuttig had kunnen gebruiken. Toch gaven de
gebeurtenissen aan de verbondenen weldra nieuwen moed. Het werd toch
in den Haag bekend, dat Luitenant Ampt, die met zijn kanonneerboot te
Rotterdam lag, de zaak van Oranje had omhelsd. Hij wilde zelfs met
behulp der matrozen en van het werkvolk, de werf te Rotterdam in het
bezit nemen. En den 19 Nov. waren de Pruisische jagers, onder bevel van
Bouvier in Den Haag teruggekeerd, om de zaak der verbondenen te steunen.
Met de Franschen uit Den Haag vertrokken, waren ze tegen dezen in verzet
gekomen, hadden kanonnen vernageld en vele douanen gewond en waren thans
in Den Haag een onwaardeerbare steun voor de verbondenen. Ook wekte het
in Den Haag zeer den moed op, dat in Rotterdam een voorloopig Bestuur
gevormd was met J. F. Hogendorp aan het hoofd, dat dit te Leiden was
gebeurd onder den Maire Heldewier, terwijl ook Haarlem en Edam het
Fransche juk hadden afgeschud.
Zou echter de onafhankelijkheid van ons land verzekerd worden, dan was
het noodzakelijk, dat een Prins uit het Stamhuis van Oranje zich aan
het hoofd der beweging zette. Daar men niet wist, waar de Prins zich
bevond, reisden Jacob Fagel (broeder van den vroegeren Griffier) en de
Perponcher (vroeger de trouwe strijdmakker van wijlen Prins Frederik)
naar Engeland en Kapitein Wauthier naar Duitschland, teneinde den Prins
te zoeken.
[Illustratie: AANVAARDING VAN HET HOOG BEWIND IN NAAM V. D. PRINS VAN
ORANJE, 21 NOV. 1813, TEN HUIZE VAN GIJSB. KAREL V.
HOGENDORP.]
Teneinde tot een voorloopig Bestuur van het land te komen, werd er den
20 Nov. 1813 bij Van Hogendorp wederom een vergadering gehouden. Er
werd een brief voorgelezen van De Stassart, door dezen uit Gorinchem
geschreven, waarin hij meldde, dat hij met een sterke strijdmacht in Den
Haag terug zou komen, en dan straffen zou, die zich bleef verzetten,
doch vergiffenis beloofde aan wie zich nu nog onderwierp. In plaats, dat
dit schrijven ontmoedigend werkte, zag men er een bewijs van zwakheid in
van De Stassart en werd er de moed door verlevendigd. Dit was evenzoo
het geval met het bericht, dat de Franschen Gouda hadden ontruimd en
ook daar een voorloopig bestuur was ingesteld. Men besloot daarom tot
krachtig optreden. Van der Duyn van Maasdam en G. K. van Hogendorp
aanvaardden het voorloopig Bestuur van het land; Falck wilde men de
betrekking van Algemeen Secretaris toevertrouwen, doch daar hij te
Amsterdam niet kon gemist worden, liet Changuion zich deze functie
welgevallen. Prof. Kemper, die in Leiden reeds veel voor de zaak des
lands had gedaan en Fannius Scholten wilden trachten, de besturen der
overige Hollandsche steden voor de zaak des lands te winnen.
[Illustratie: FRANÇOIS DANIEL CHANGUION.]
Bij proclamatie van 21 Nov. werd aan het volk van de samenstelling van
dit voorloopig Bestuur mededeeling gedaan, terwijl bij proclamatie van
22 Nov. het volk ontslagen werd van den eed, aan Napoleon gedaan, en elk
een muiter werd genoemd, die nog aan het Fransche Bestuur gehoorzaamde
en ieder weerbaar man te wapen werd geroepen, om de Franschen te
bestrijden. Eene afdeeling krijgslieden onder bevel van Baron Sweertz
de Landas moest de Franschen, die in Gorinchem gelegerd waren, in het
oog houden, terwijl eene andere afdeeling onder bevel van generaal C. F.
de Jonge Zuid-Holland beschermen moest tegen een aanval der Franschen
uit Utrecht. Beide afdeelingen te zamen waren echter nog geen 1000 man
sterk. Gelukkig werd de afdeeling Sweertz de Landas te Rotterdam met 300
vrijwilligers versterkt. Ook had ondertusschen Ampt te Rotterdam de werf
genomen. Hij zond nu twee kanonneerbooten de Maas op, die een vaartuig
wisten te bemachtigen, voor het Fransche garnizoen in Gorinchem bestemd
en beladen met 80.000 pond buskruit en 40.000 patronen, welke voorraad
terstond naar Den Haag werd gezonden.
[Illustratie: HET BESCHIETEN VAN DORDT DOOR DE FRANSCHEN.]
De Franschen hadden Dordrecht verlaten, waarna er de burgers terstond de
Hollandsche vlag op den toren zetten. 400 Douanen, met een zesponder en
een mortier gewapend, bezetten echter Papendrecht en eischten nu ook
Dordrecht weer voor Frankrijk op. Toen ze deze stad met houwitsers en
kanonskogels beschoten, lieten de Dordrechtenaars de Franschen binnen,
die terstond 200.000 gld. eischten voor levensmiddelen ten behoeve der
Fransche bezetting in Gorinchem, doch zich niet aan wanordelijkheden
schuldig maakten. Toen de Franschen echter hoorden, dat de Hollandsche
bezetting van Rotterdam zou pogen, Dordrecht te hernemen, verlieten de
Franschen de stad weder. Werkelijk namen den 23 Nov. 100 vrijwilligers
van de afdeeling onder Sweertz de Landas te Rotterdam Papendrecht en
trokken toen voor een deel Dordrecht in. Twee kanonneerbooten onder
bevel van Van Ampt legerden zich des nachts tusschen Dordrecht en
Papendrecht. Den 24 Nov. verdreef echter een Fransche bende de
vrijwilligers uit Papendrecht en begon toen met haar geschut Dordrecht
te beschieten. Eén der kanonneerbooten zocht weldra haar heil in
de vlucht, doch de andere hield twee uren lang den strijd vol, tot
eindelijk al het kruit en de kogels op waren. Toen men het laatste schot
zou doen, vroeg iemand, in het bedienen van het geschut zeer bekwaam, om
dit laatste schot te mogen richten. Na bekomen verlof deed hij met de
laatste kardoes een koevoet in het kanon en richtte toen het schot zoo
juist, dat hij zeven Franschen deed sneuvelen. De vijand, door schrik
overmand, sloeg op de vlucht en—Dordrecht bleef voor ons behouden. De
Dordrechtenaars, in vereeniging met de Rotterdammers, zetten nu gewapend
de Franschen na en namen eenigen dezer gevangen. Toen de gemeenschap
tusschen Rotterdam en Dordrecht was hersteld, kwamen er van alle zijden
zooveel vrijwilligers opdagen, dat de vijand het niet waagde, zich weer
in deze streken te vertoonen.