Deze Anton Reinhard Falck was onder het Staatsbewind
Gezantschaps-Secretaris te Madrid geweest, terwijl hij onder Koning
Lodewijk de betrekking bekleed had van Secretaris-Generaal bij het
Departement van Marine. Toen Holland bij Frankrijk werd ingelijfd,
weigerde hij eenig ambt te bekleeden, ja wilde hij de ridderorde der
Reünie niet aannemen. Nadat hij zich bij de verbondenen had aangesloten,
begreep hij, dat hij het vaderland nog van dienst kon zijn, en liet hij
zich in den zomer van 1813 eene benoeming tot Kapitein der Nationale
Garde welgevallen. Nog voor Molitor vertrokken was, wist hij zijn
mede-officieren en zelfs Kolonel van Brienen voor de zaak der
verbondenen te winnen. Doch vooral op den genoemden 15 November maakte
hij zich verdienstelijk. Hij ried den Prins van Plaisance, den prefect
en velen der overige achtergebleven Fransche ambtenaren aan, de stad te
verlaten, daar hij voor de veiligheid van hun persoon en goederen niet
kon instaan. Men volgde zijn raad op en toen ook zij Amsterdam ontvlucht
waren, kreeg de volksbeweging nieuwe kracht. Den 16 Nov. begon het volk
de wachthuizen, o.a. dat op de Nieuwe Brug te Amsterdam, te verbranden
en plunderde het 't huis van den Ontvanger der personeele belasting op
de Prinsengracht, en de huizen van den Wapencommandant en der Politie op
de oude Turfmarkt. De Nationale Garde kon verdere baldadigheden slechts
voorkomen, door krachtig op te treden, zoodat ze zelfs ten laatste
op de menigte moest schieten. Het was een toestand van verwarring en
regeeringloosheid, die in Amsterdam heerschte. De Maire was te Parijs,
om daar opnieuw in naam der derde hoofdstad van het rijk, trouw aan
Napoleon te zweren; de politie had weinig gezag en om dat weinige gezag
te handhaven, beschikte zij over te weinig hulpmiddelen, vooral doordat
het Hoofdbestuur de stad verlaten had. Falck begreep, zou er een eind
aan de verwarring komen, dat er een voorloopig bewind moest zijn. Hij
trachtte de leden der Municipaliteit te bewegen met nog eenige andere
aanzienlijken zich voor Oranje te verklaren, doch dezen durfden dat
nog niet aan uit vrees voor een mogelijken terugkeer der Franschen.
Eindelijk wist hij van kolonel Van Brienen gedaan te krijgen, dat
deze 24 der aanzienlijkste burgers opriep, om een voorloopig Bestuur
te vormen. Van deze 24 gaven 20 aan de oproeping gehoor. In de
Vroedschapskamer wees Falck de opgekomenen op een verzoek, door den
prins van Plaisance aan den gewezen Hoofdofficier David Willem Elias en
door den prefect aan Van Brienen gedaan, om te zorgen voor de handhaving
der orde in Amsterdam. 17 personen verklaarden zich nu bereid, in het
Bestuur zitting te nemen, dat ten slotte aldus was samengesteld:
[Illustratie: HET VERBRANDEN DER DOUANENHUISJES BIJ DE NIEUWE BRUG TE
AMSTERDAM.]
Mr. J. C. v. der Hoop, Voorzitter, Mr. P. A. van Boetzelaer, Mr. D. W.
Elias, P. P. Charlé, W. Boreel, Mr. C. van der Oudermeulen, Mr. J. van
Loon Jansz., Mr. D. J. van Lennep, H. van Slingelandt, G. ten Sande,
A. Mendes de Leon, J. A. Willink, J. J. Moy, Mr. P. A. Brugmans, Mr.
J. D. Meyer, Mr. J. S. van de Poll en Mr. A. A. Deutz van Assendelft,
allen vurige Oranjegezinden, die ook vroeger deel van het Stads- of
Staatsbestuur hadden uitgemaakt.
Op verzoek van Falck had de Adjunct-Maire Charlé, die zich met het
eigenlijk bestuur der stad had belast, afstand van dit bestuur gedaan.
Hij begeerde echter en verkreeg dan ook een schriftelijk bewijs, door
Van Brienen en eenige andere Officieren geteekend, dat de Officieren
der Nationale Garde hem voor ontslagen hielden.
Het nieuwe Bestuur werd te Amsterdam met ingenomenheid begroet, vooral,
omdat de leden er van gunstig bij het volk bekend stonden en men er
mannen onder vond, van verschillende godsdienstige belijdenis. Bij
fakkellicht, door een gedeelte der Burgerwacht begeleid, deed het
nieuwe Bestuur een rondgang door de stad, door het volk overal luide
toegejuicht. Onder bevel van W. Willink werd een vrijwillige ruiterbende
van 300 man opgericht en deze, geholpen door vele patrouilles van
gewapende burgers, deden nu alles, om de rust te herstellen. Vooral
Van der Hoop werkte kalmeerend op de menigte. Hij ging des nachts de
wijnhuizen rond en sprak tot het aldaar samengeschoolde volk: „Wat wilt
gij meer, mannen! De oude regeering is immers hersteld.” En op zijne
aanmaning gingen allen naar huis.
Wat te Amsterdam had plaats gevonden, werd al spoedig in Den Haag bekend
gemaakt. Toen aldaar de verbondenen hoorden, dat De Stassart voornemens
was, Den Haag te verlaten, begrepen zij, dat het tijdstip daar was, om
handelend op te treden. Den 17 Nov. 1813 ging de Graaf van Limburg
Styrum met de Oranje-kokarde op den hoed van het huis van Van Hogendorp
naar dat van Slicher, waarop deze eveneens de Oranje-kokarde op den hoed
deed en met Van Styrum naar den Adjunct-Maire Faber van Riemsdijk ging,
om te trachten een voorloopig stadsbestuur te verkrijgen. Toen nu ook
de zonen van Van Hogendorp met de Oranje-kokarde op den hoed zich op
straat vertoonden, geraakte het volk in beweging en hield het geroep
van „Oranje boven!” haast niet op. Ten huize van Van Styrum kwamen
nog dienzelfden dag de verbondenen te zamen, die twee proclamatie's
vaststelden, beide door Van der Duyn van Maasdam, Repelaer en Changuion
en de Graven G. K. en J. F. van Hogendorp geteekend en wel _namens de
oude Regenten_. Bij de eene proclamatie werd Van Styrum gemachtigd,
als voorloopig (provisioneel) Gouverneur van den Haag voor den prins
van Oranje op te treden. De andere proclamatie riep op 18 Nov. eene
vergadering der Regenten van 1794 bijeen.
't Hoen en Bachman, die vóór 1795 Burgemeesters van den Haag geweest
waren, begaven zich nu met Slicher naar het Stadhuis, waar zij hun
vroegere ambten weder aanvaardden. De Oranjevlag werd op den toren
geplaatst, en bij proclamatie van den nieuwen Gouverneur werd het
optreden van het voorloopig Bestuur aan het volk bekend gemaakt. De
Nationale Garde, die zich ook voor den prins verklaarde, trok nu met
vliegende vaandels, slaande trom en onder het spelen van het Wilhelmus
door de stad.
En dit alles geschiedde, terwijl in den Haag zich nog een Regiment
vreemde Jagers en 100 Douaniers, allen goed gewapend en twee achtponders
tot hun beschikking hebbende, bevonden. De bevelhebber dezer troepen,
Generaal Bouvier, door schrik als verlamd, deed niets om den opstand
te onderdrukken en verschanste zich met zijne krijgslieden op het
Binnenhof. Hier liet hij zelfs toe, dat de Nationale Garde uit het daar
aanwezige depôt en dus als het ware onder zijne oogen, zich van wapenen
voorzag.
In Den Haag had men hoop, dat men hulp van de verbonden Mogendheden zou
ontvangen. Het was dus met groote teleurstelling, dat men het bericht
ontving, dat Generaal Bulow bevel had ontvangen, den IJsel niet over te
steken. Baron Bentinck, die dit bericht in Den Haag overbracht, ried
er daarom den bondgenooten aan, nog geen beslissende stappen te doen.
Evenwel, die raad kwam te laat, want de beslissende stap was reeds
gedaan. Van Styrum deed daarom al het mogelijke, om den moed der burgers
aan te wakkeren en den Franschen schrik aan te jagen. Hij liet het
Binnenhof door de burgerwacht omzetten, terwijl hij gewapende ruiters
onophoudelijk er om heen liet draven. De meeste burgers brachten den
nacht op de straat door, terwijl de straten verlicht bleven. Door al
deze maatregelen bevreesd geworden, vroeg Generaal Bouvier aan Van
Styrum den volgenden dag vrijen aftocht voor zich zelf en zijn troepen,
wat hem gaarne werd toegestaan. Vele vrijwilligers boden zich nu aan,
die bij gebrek aan andere wapenen met pieken werden gewapend. De heer
Pronk te Scheveningen zond een aantal pinken in zee, ten einde de
Engelsche vloot op te zoeken, om die met de omwenteling in kennis te
stellen.