HOOFDSTUK XIII.

Kozakken te Amsterdam.—Krayenhoff, Gouverneur van

Amsterdam.—Moordtooneelen te Woerden.—Zutphen in onze

macht.—Doesburg genomen.—Strijd om Den Briel.

Generaal De Jonge wist Leiden en Bodegraven voor den Prins te bewaren,

terwijl een 100-tal vrijwilligers Donderdam beveiligden. Een Haagsch

vrijwilliger, Adams geheeten, stelde zich aan 't hoofd van een bende

boeren en wist de batterij van de Buitensluis aan het Hollandsch diep

te bemachtigen. Deze batterij bestond uit twaalf achttienponders, meer

geschut, dan de verbondenen tot dusver bezeten hadden.

In Amsterdam vreesde men nog, dat Molitor met zijne troepen terug zou

keeren, waarom Van Brienen altijd nog met Molitor in briefwisseling

stond en het provisioneel Bestuur van die stad nog niet openlijk de

zijde van Oranje durfde kiezen, hoewel Van der Duyn, Kemper en Fannius

Scholten alle moeite hadden gedaan, om dat Bestuur tot een meer beslist

optreden te bewegen.

De Bondgenooten hadden Van Assen naar Friesland en Groningen gezonden,

teneinde die gewesten over te halen, de zijde van den Prins te kiezen.

Zij bevonden, dat de inwoners dier gewesten Prinsgezind genoeg waren,

doch dat de Besturen er nog niet met beslistheid tegen de Franschen

durfden optreden, wijl ze op de hulp van slechts 400 à 500 Kozakken

konden rekenen. Van Assen verzocht den aanvoerder der Russen, prins

Lapupkin, om hulp voor de omwenteling in Holland en deze beloofde

onmiddellijk eenige ruiters naar Holland te zenden.

Den 24 Nov. zond prins Lapupkin Majoor Marklay met 200 Kozakken naar

Amsterdam. Daar Naarden en Utrecht nog in de macht der Franschen waren,

trok deze afdeeling Russen over Hilversum, 's-Graveland, Weesp, de

Uitermeersche Schans (die door de Franschen verlaten was) en verscheen

eindelijk voor de Muiderpoort te Amsterdam.

Te Amsterdam wekten de Kozakken de nieuwsgierigheid in hooge mate op.

En waarlijk, deze zonen van Tartarije en de Krim boden een bont en

zonderling schouwspel aan.

[Illustratie: MR. FANNIUS SCHOLTEN.]

„De een b.v. droeg, bij een Chineesche muts, een overjas met kragen, die

misschien aan dezen of genen Franschen overste behoord had; een ander

was in een buitgemaakte huzaren-monteering uitgedost, waarover een witte

mantel golfde; een derde had een Poolsche jas en een grenadiersmuts

op het hoofd; sommigen waren met sabels, anderen met degens of dolken

gewapend, doch allen met pistolen en ellenlange speeren.”

[Illustratie: KOZAKKENWACHT.]

In het gebruiken van voedsel waren de Russen niet kieskeurig;

smeerkaarsen en klare boter aten ze alsof het niets was. In ons

land kon men ze het best trakteeren met pannekoeken en brandewijn. De

Amsterdammers zagen hoog tegen deze woeste strijders op en geloofden,

dat één Kozak wel tien Franschen kon staan. Een gevolg hiervan was, dat

Amsterdam zijn weifelende houding liet varen. Door invloed van Falck

werd nog den 24 Nov. van de pui van het paleis op den Dam aan het volk

bekend gemaakt, dat Amsterdam de zijde der Franschen verlaten en die van

den Prins gekozen had, terwijl men de Hollandsche vlag van de torens

liet wapperen. Krayenhoff, die voor 19 jaar door de Patriotten te

Amsterdam aan het hoofd van het Bestuur werd geplaatst, teneinde het

gezag der Franschen er te vestigen, werd nu tot Gouverneur van Amsterdam

aangesteld, teneinde het gezag van den Prins er te vestigen, terwijl aan

Verdooren de regeling der zeezaken werd opgedragen.

De Franschen te Gorinchem hadden 1500 man versterking uit Antwerpen

ontvangen en dit gaf De Stassart den moed, een brief naar Den Haag te

zenden, waarin hij de „rebellen” in die stad en te Rotterdam aanried,

een deputatie naar hem te sturen, teneinde Napoleons wraak af te wenden.

Natuurlijk werd het schrijven van den prefect in Den Haag met verachting

ontvangen en hooghartig beantwoord, zoodat De Stassart de gedachte moest

krijgen, dat men in Den Haag over een grootere macht beschikte, dan

werkelijk het geval was.

[Illustratie: BARON KRAYENHOFF.]

De Fransche bezetting van Woerden bestond uit slechts 28 man. Dit gaf

generaal de Jonge en Kolonel Tullingh den moed, aan het hoofd der

Nationale (nu Oranje) Garde derwaarts te trekken en de stad voor den

Prins te bezetten. De 28 Franschen trokken zich in Utrecht terug.

Terstond werd in Woerden de Hollandsche vlag op den toren gezet, doch de

vrijwilligers verzuimden, de bruggen op te halen, de poorten te sluiten

en verder Woerden in staat van tegenweer te stellen.

De Franschen, te Utrecht de Hollandsche vlag van den toren te Woerden

ziende wapperen, besloten Woerden te overvallen. Midden in den nacht

verschenen ze voor Woerden. Ze verdreven Luitenant Mirandolle uit het

fort Oranje, die zich nu met zijn 24 vrijwilligers bij de bezetting van

Woerden aansloot. De Franschen waren ondertusschen in de stad gedrongen

en de Hagenaars, nu van binnen en van buiten aangevallen, kozen de

vlucht. Kolonel Tullingh werd door bajonetsteken en sabelhouwen gewond

en als krijgsgevangene naar Parijs gevoerd. Na den val van Napoleon

mocht hij naar ons land terugkeeren.

De Franschen, die Woerden overvielen, waren zoogenaamde Pupillen, zijnde

weezen, die men voor den krijgsdienst had opgeleid. Zonder ouders of

nastaande familie, dus zonder met de maatschappij in nauwe betrekking te

staan, gaven ze om hun leven weinig of niets en was medelijden met hun

slachtoffers hun vreemd. Toen zij zagen, dat zij van Woerden meester

waren, begonnen zij er op barbaarsche wijze te rooven, te plunderen en

te moorden. Vijf en twintig inwoners van het stadje, waaronder vrouwen

en kinderen, beroofden zij van het leven, terwijl vijftig anderen min of

meer zwaar gewond werden. En het treurigste was, dat deze moordtooneelen

geheel doelloos plaats hadden, want drie dagen later ontruimden de

bandieten uit eigen beweging Woerden, met medeneming van een grooten

buit.

[Illustratie: HET GERUST VERBLIJF VAN MEVR. KEMPER TE LEIDEN BEHOUDT

DEN MOED DER GEWAPENDE BURGERIJ.]

De berichten van hetgeen te Woerden was gebeurd, werden overal in ons

land met schrik en ontzetting ontvangen. Te Leiden durfden de burgers de

stad, uit vrees, dat de Franschen hun dit euvel zouden duiden, niet in

staat van verdediging stellen, en wilden geen geschut of vrijwilligers

binnenlaten. Velen wilden zelfs de stad verlaten, doch Mevrouw Kemper,

wier man niet te huis was, ried hun dit af en zei: „Ware er gevaar,

zoude ik hier gerust met mijne kinderen blijven?”—Haar moedige houding

boezemde den burgers weer moed in. Gelukkig werd de gezonken moed door

twee betere tijdingen weer opgebeurd.

Tusschen Amsterdam en Haarlem lag een fort, dat door de Franschen bezet

was en dat de verbinding tusschen die steden belemmerde. Het gelukte den

Kozakken, de Franschen uit dit fort te verdrijven en het voor den Prins

in bezit te nemen.

De Kozakken hadden reeds een paar keer gepoogd, doch tevergeefs,

de Fransche bezetting, meest uit Douanen bestaande, uit Zutphen te

verdrijven. Den 24 Nov. werd Zutphen belegerd door 4000 Pruisische

ruiters en jagers. De Duitschers werden door de inwoners van Zutphen

geholpen en de Maire Op ten Noort wist den Franschen bevelhebber te

bewegen, Zutphen aan de Pruisen over te geven. Terstond werd nu de

Hollandsche vlag op den toren geplaatst, een bal aan de Pruisische

officieren gegeven en in de straten geïllumineerd. Een Algemeen Bestuur

werd ingesteld, dat Zutphen voor den prins moest bewaren.

In weerwil van deze twee moedgevende gebeurtenissen, bleef men toch in

Holland nog met zorg de toekomst tegemoet zien, daar Molitor te Utrecht

nog 4 à 5000 man, allen goed gewapend, tot zijn beschikking had. Molitor

was echter zelf te zeer op zijn hoede, dan dat hij aanvallend durfde

optreden. Een tuinier toch te Oudshoorn, Mens genaamd, had brieven laten

schrijven en aan verschillende personen bezorgen, waarin hij vermeldde,

dat de Engelschen te Scheveningen geland waren en dat 3000 Russen

aanrukten, om ons te hulp te komen. Deze brieven, te Woerden in handen

der Franschen gevallen, hebben niet weinig er toe bijgedragen, dat

dezen de stad verlieten. En ook Molitor liet er zich door bang maken.

Ook meende Molitor, toen hij hoorde, dat een bekwaam krijgsoverste

als Krayenhoff de verdediging van Amsterdam op zich had genomen, dat

Amsterdam over meer middelen ter verdediging kon beschikken, dan

werkelijk het geval was. Bovendien wist hij niet, wat de verbonden

Mogendheden beoogden, zoodat hij Gelderland, dat hij beschermen moest,

niet durfde verlaten.

Wat het meest in ons land den moed verlevendigde, was het heuglijke

feit, dat Van Hogendorp den 27 Nov. een eigenhandigen brief van den

Prins van Oranje ontving, waarin de Prins beloofde, spoedig over te

komen en dat Engeland hulp zou verleenen. Terstond liet men dezen brief

drukken en door het geheele land verspreiden, waardoor ook Friesland en

Groningen moed vatten en zich voor den Prins verklaarden.

Kapitein Wauthier, die in Duitschland den Prins moest zoeken, ontmoette

den 22 Nov. te Munster den Pruisischen Generaal Van Bulow, dien hij op

de hoogte bracht van hetgeen in Holland plaats greep. Vervolgens bezocht

Wauthier het hoofdkwartier der Gealliëerden te Frankfort, waar hij

bemerkte, dat de verbonden mogendheden de provinciën ten Westen van

den IJsel als bevriende mogendheid beschouwden.

De verbondenden in Den Haag zonden hun agent Van der Hoeven naar

het Oosten van ons land. Te Nijkerk wist hij den Kozakkenhoofdman

Marklay te bewegen, zich naar Amsterdam te begeven. Prins Narischkin,

opperbevelhebber der Russische voorhoede, die zich te Zwolle bevond, had

Bentinck reeds tot Gouverneur van Overijsel aangesteld. Hij gaf aan Van

der Hoeven paspoorten, teneinde het hoofdkwartier van den kroonprins van

Zweden te kunnen bezoeken, en beloofde ook naar Amsterdam te zullen

trekken.

Van der Hoeven zocht ook den kroonprins van Zweden op, die aan de

omwenteling in Holland zooveel waarde hechtte, dat hij van der Hoeven

een officier mede gaf met last aan Generaal Wintzingerode, om den

IJsel over te rukken. Gelukkig behoefde deze last niet meer uitgevoerd

te worden, want Molitor had Utrecht reeds verlaten. Hij had vier

aanzienlijke ingezetenen van Utrecht als gijzelaars mee naar Parijs

genomen, en wel de heeren Ram, Singendonck, Buddingh, en de Perponcher

van Wolphaartsdijk. Dezen werden te Parijs in een gewone gevangenis

geworpen. Op voorspraak van Lodewijk Napoleon herkregen ze in het begin

van 1814 hun vrijheid en mochten ze naar hunne woningen terugkeeren.

Molitor had Utrecht in de beste orde verlaten en geen gewelddadigheden

gepleegd. Terstond na zijn vertrek verklaarde de stad zich voor den

Prins. Den 29 Nov. trok prins Narischkin met 2000 Kozakken Utrecht

binnen met Kolonel v. d. Bosch, den Adjudant van Krayenhoff, die, met

toestemming van den Russischen bevelhebber, Utrecht voor den Prins in

bezit nam.

Den 28 Nov., toen Molitor Utrecht verliet, had Schwartsman,

vroeger consul van Spanje, die op last van Graaf van Styrum met een

visscherspink op de Noordzee kruiste, om de Engelsche vloot te zoeken,

eindelijk deze gevonden op de banken van Hollesley-baai. Op Schwartsmans

verzoek zond de Engelsche Vice-admiraal Ferrier terstond drie

oorlogsschepen naar Scheveningen, die daar een aantal zeesoldaten aan

wal zetten. De tijding hiervan werd door het geheele land met blijdschap

vernomen en werkte vooral in Amsterdam zeer geruststellend. Ook ontving

men de verzekering, dat behalve de 1200 Kozakken, die Utrecht binnen

getrokken waren, nog meer Russisch krijgsvolk te wachten was.

Aan Van Bulow had men een onderschepten brief van den prefect van

Coblenz aan De Celles gezonden, waarin de treurige toestand van het

Fransche leger in ons land werd geschilderd. Dit deed Van Bulow

besluiten, tegen zijn last in, den IJsel over te steken.

Den 18 Nov. had de bezetting van Doesburg, uit Jagers bestaande, deze

stad aan de Pruisen overgeleverd. Den 22 Nov. wisten de Franschen de

stad te hernemen, doch denzelfden dag werd hun Doesburg weer ontnomen,

helaas ten koste van een vrij groot aantal mannen. De Fransche Generaal

Amey te Arnhem deed nogmaals een poging, om Doesburg in zijn macht te

krijgen, doch den 24 Nov. werden zijne krijgslieden reeds te Velp door

de Pruisen met zwaar verlies teruggeslagen.

Wij beproefden nu Arnhem onze zijde te doen kiezen. De Fransche

bezetting in die stad werd echter door den Maarschalk Macdonald, hertog

van Tarente, die te Nijmegen zijn hoofdkwartier had, met eene afdeeling

krijgslieden versterkt, zoodat ze nu 3400 man telde. Den 30 Nov. waagden

de Gealliëerden de stad te bestormen en het gelukte hun, na een hevig

gevecht, Arnhem in hun macht te krijgen.

Den 19 Nov. was Den Briel door de aldaar gelegerde Fransche bezetting

in staat van beleg verklaard. De Gemeenteraad zond nu in stilte vier

zijner leden naar Den Haag, om te vernemen, of verlossing aanstaande

was en op hulp kon gerekend worden. In Den Haag kon men den Brielschen

afgevaardigden voor het oogenblik weinig moed geven, waarom men in

Den Briel besloot, zich aan het Fransche Bestuur te onderwerpen. Voor

de dorpen om Den Briel, die reeds de Oranjevlag van den toren lieten

wapperen, was dit mede een groote teleurstelling. De Franschen

haalden overal die vlaggen naar beneden en legden al deze dorpen een

brandschatting op. Ze namen overal den Maire en andere notabelen als

gijzelaars mee. Gelukkig deserteerden er vele soldaten van de Fransche

bezetting, die uit zoogenaamde „_Etrangers_” bestond. Toen er in één

nacht weer 50 soldaten verdwenen, vatte de Maire Heeneman weer moed

en zond den predikant Pauw in stilte naar Den Haag. Dominé Pauw kreeg

van Van Hogendorp de schriftelijke machtiging, om in Den Briel de

omwenteling door te zetten. Voor dat doel kon men er over krijgsvolk,

magazijnen en geld beschikken. In Den Briel wist men nu Holssourt,

Kapitein der Etrangers, voor de zaak van Oranje te winnen. Holssourt

beloofde, te zullen trachten, ook de onder hem staande officieren onze

zijde te doen kiezen. Besloten werd, om te pogen den volgenden dag de

bezetting in opstand te brengen. Ongelukkig werd de samenzwering

verraden. Holssourt werd gevangen naar Antwerpen gevoerd, de Maire

Heeneman moest Den Briel verlaten, terwijl het huis van Dominé Pauw

omsingeld werd. Gelukkig wist hij door de tuinen te ontvluchten en zich

twee dagen bij een bakker schuil te houden, tot hij veilig uit Den Briel

wist te ontkomen. Toch gaf men in de stad den moed niet op. Dokter de

Lang plakte eene proclamatie van den Pruisischen Generaal Blücher aan

de Kazerne der Etrangers (die meest Pruisen waren) aan, waarin alle

Pruisische soldaten met zware straffen werden bedreigd, die in dienst

der Franschen bleven. Zoo zij zich in Den Haag bij de verbondenen

aansloten, werden hun allerlei beloften gedaan.

Deze proclamatie werkte. Toen de Onder-prefect met een paar Fransche

Officieren naar Hellevoetsluis was, om een 50-tal marine-soldaten van

daar naar Den Briel te geleiden, overweldigden de Etrangers de wacht en

kozen de zijde der verbondenen. De Onder-prefect, uit Hellevoetsluis

teruggekeerd, liet de trouw gebleven bezetting op de markt voor de

hoofdwacht aan 't stadhuis post vatten, waar hij terstond de kanonnen

liet laden en zoo de stad in bedwang hield. Een Nationale Garde, die

een brief moest overbrengen, werd helaas het slachtoffer van deze

verdediging. Een uur lang duurde deze toestand, toen Nikolaas den

Broeder, die in een der dorpjes bij Den Briel woonde, den raad gaf,

zich tegen de Franschen te verdedigen. De Magazijnmeester Lux, die nog

altijd met den vroegeren Maire Heeneman correspondeerde, stelde zich

aan de spits van eenige manschappen, waarmee hij naar de kazerne der

kustkanonniers trok, die, allen Hollanders zijnde, zich ook allen bij

hem voegden. Nadat men nu de poorten overrompeld had, trok men met twee

stukken geschut naar de markt. Bij het gevecht, dat nu volgde, werden

eenige burgers gekwetst. Lux wist echter het stadhuis van achteren

binnen te rukken, waarna hij de Franschen uit de vensters van den

voorgevel beschoot. Dezen moesten nu hun geschut verlaten en een

schuilplaats in de hoofdwacht zoeken, waarna ze zich weldra aan de

Hollanders moesten overgeven. Twee Franschen en drie burgers waren

gesneuveld en vele anderen waren gewond. De Onder-prefect en de

Franschen werden gevangen naar Den Haag gevoerd, terwijl de Mariniers,

die aan de Zuidpoort aanklopten, weer naar Hellevoetsluis terugkeerden,

toen ze vernamen, dat de stad de zijde van den Prins gekozen had.

God redde Nederland gedenkschrift bij gelegenheid van het honderd-jarig jubileum van Neerlands herkregen onafhankelijk volksbestaan (30 Nov. 1813 - 30 Nov. 1913) · 第 22 / 39 题