Kozakken te Amsterdam.—Krayenhoff, Gouverneur van
Amsterdam.—Moordtooneelen te Woerden.—Zutphen in onze
macht.—Doesburg genomen.—Strijd om Den Briel.
Generaal De Jonge wist Leiden en Bodegraven voor den Prins te bewaren,
terwijl een 100-tal vrijwilligers Donderdam beveiligden. Een Haagsch
vrijwilliger, Adams geheeten, stelde zich aan 't hoofd van een bende
boeren en wist de batterij van de Buitensluis aan het Hollandsch diep
te bemachtigen. Deze batterij bestond uit twaalf achttienponders, meer
geschut, dan de verbondenen tot dusver bezeten hadden.
In Amsterdam vreesde men nog, dat Molitor met zijne troepen terug zou
keeren, waarom Van Brienen altijd nog met Molitor in briefwisseling
stond en het provisioneel Bestuur van die stad nog niet openlijk de
zijde van Oranje durfde kiezen, hoewel Van der Duyn, Kemper en Fannius
Scholten alle moeite hadden gedaan, om dat Bestuur tot een meer beslist
optreden te bewegen.
De Bondgenooten hadden Van Assen naar Friesland en Groningen gezonden,
teneinde die gewesten over te halen, de zijde van den Prins te kiezen.
Zij bevonden, dat de inwoners dier gewesten Prinsgezind genoeg waren,
doch dat de Besturen er nog niet met beslistheid tegen de Franschen
durfden optreden, wijl ze op de hulp van slechts 400 à 500 Kozakken
konden rekenen. Van Assen verzocht den aanvoerder der Russen, prins
Lapupkin, om hulp voor de omwenteling in Holland en deze beloofde
onmiddellijk eenige ruiters naar Holland te zenden.
Den 24 Nov. zond prins Lapupkin Majoor Marklay met 200 Kozakken naar
Amsterdam. Daar Naarden en Utrecht nog in de macht der Franschen waren,
trok deze afdeeling Russen over Hilversum, 's-Graveland, Weesp, de
Uitermeersche Schans (die door de Franschen verlaten was) en verscheen
eindelijk voor de Muiderpoort te Amsterdam.
Te Amsterdam wekten de Kozakken de nieuwsgierigheid in hooge mate op.
En waarlijk, deze zonen van Tartarije en de Krim boden een bont en
zonderling schouwspel aan.
[Illustratie: MR. FANNIUS SCHOLTEN.]
„De een b.v. droeg, bij een Chineesche muts, een overjas met kragen, die
misschien aan dezen of genen Franschen overste behoord had; een ander
was in een buitgemaakte huzaren-monteering uitgedost, waarover een witte
mantel golfde; een derde had een Poolsche jas en een grenadiersmuts
op het hoofd; sommigen waren met sabels, anderen met degens of dolken
gewapend, doch allen met pistolen en ellenlange speeren.”
[Illustratie: KOZAKKENWACHT.]
In het gebruiken van voedsel waren de Russen niet kieskeurig;
smeerkaarsen en klare boter aten ze alsof het niets was. In ons
land kon men ze het best trakteeren met pannekoeken en brandewijn. De
Amsterdammers zagen hoog tegen deze woeste strijders op en geloofden,
dat één Kozak wel tien Franschen kon staan. Een gevolg hiervan was, dat
Amsterdam zijn weifelende houding liet varen. Door invloed van Falck
werd nog den 24 Nov. van de pui van het paleis op den Dam aan het volk
bekend gemaakt, dat Amsterdam de zijde der Franschen verlaten en die van
den Prins gekozen had, terwijl men de Hollandsche vlag van de torens
liet wapperen. Krayenhoff, die voor 19 jaar door de Patriotten te
Amsterdam aan het hoofd van het Bestuur werd geplaatst, teneinde het
gezag der Franschen er te vestigen, werd nu tot Gouverneur van Amsterdam
aangesteld, teneinde het gezag van den Prins er te vestigen, terwijl aan
Verdooren de regeling der zeezaken werd opgedragen.
De Franschen te Gorinchem hadden 1500 man versterking uit Antwerpen
ontvangen en dit gaf De Stassart den moed, een brief naar Den Haag te
zenden, waarin hij de „rebellen” in die stad en te Rotterdam aanried,
een deputatie naar hem te sturen, teneinde Napoleons wraak af te wenden.
Natuurlijk werd het schrijven van den prefect in Den Haag met verachting
ontvangen en hooghartig beantwoord, zoodat De Stassart de gedachte moest
krijgen, dat men in Den Haag over een grootere macht beschikte, dan
werkelijk het geval was.
[Illustratie: BARON KRAYENHOFF.]
De Fransche bezetting van Woerden bestond uit slechts 28 man. Dit gaf
generaal de Jonge en Kolonel Tullingh den moed, aan het hoofd der
Nationale (nu Oranje) Garde derwaarts te trekken en de stad voor den
Prins te bezetten. De 28 Franschen trokken zich in Utrecht terug.
Terstond werd in Woerden de Hollandsche vlag op den toren gezet, doch de
vrijwilligers verzuimden, de bruggen op te halen, de poorten te sluiten
en verder Woerden in staat van tegenweer te stellen.
De Franschen, te Utrecht de Hollandsche vlag van den toren te Woerden
ziende wapperen, besloten Woerden te overvallen. Midden in den nacht
verschenen ze voor Woerden. Ze verdreven Luitenant Mirandolle uit het
fort Oranje, die zich nu met zijn 24 vrijwilligers bij de bezetting van
Woerden aansloot. De Franschen waren ondertusschen in de stad gedrongen
en de Hagenaars, nu van binnen en van buiten aangevallen, kozen de
vlucht. Kolonel Tullingh werd door bajonetsteken en sabelhouwen gewond
en als krijgsgevangene naar Parijs gevoerd. Na den val van Napoleon
mocht hij naar ons land terugkeeren.
De Franschen, die Woerden overvielen, waren zoogenaamde Pupillen, zijnde
weezen, die men voor den krijgsdienst had opgeleid. Zonder ouders of
nastaande familie, dus zonder met de maatschappij in nauwe betrekking te
staan, gaven ze om hun leven weinig of niets en was medelijden met hun
slachtoffers hun vreemd. Toen zij zagen, dat zij van Woerden meester
waren, begonnen zij er op barbaarsche wijze te rooven, te plunderen en
te moorden. Vijf en twintig inwoners van het stadje, waaronder vrouwen
en kinderen, beroofden zij van het leven, terwijl vijftig anderen min of
meer zwaar gewond werden. En het treurigste was, dat deze moordtooneelen
geheel doelloos plaats hadden, want drie dagen later ontruimden de
bandieten uit eigen beweging Woerden, met medeneming van een grooten
buit.
[Illustratie: HET GERUST VERBLIJF VAN MEVR. KEMPER TE LEIDEN BEHOUDT
DEN MOED DER GEWAPENDE BURGERIJ.]
De berichten van hetgeen te Woerden was gebeurd, werden overal in ons
land met schrik en ontzetting ontvangen. Te Leiden durfden de burgers de
stad, uit vrees, dat de Franschen hun dit euvel zouden duiden, niet in
staat van verdediging stellen, en wilden geen geschut of vrijwilligers
binnenlaten. Velen wilden zelfs de stad verlaten, doch Mevrouw Kemper,
wier man niet te huis was, ried hun dit af en zei: „Ware er gevaar,
zoude ik hier gerust met mijne kinderen blijven?”—Haar moedige houding
boezemde den burgers weer moed in. Gelukkig werd de gezonken moed door
twee betere tijdingen weer opgebeurd.
Tusschen Amsterdam en Haarlem lag een fort, dat door de Franschen bezet
was en dat de verbinding tusschen die steden belemmerde. Het gelukte den
Kozakken, de Franschen uit dit fort te verdrijven en het voor den Prins
in bezit te nemen.
De Kozakken hadden reeds een paar keer gepoogd, doch tevergeefs,
de Fransche bezetting, meest uit Douanen bestaande, uit Zutphen te
verdrijven. Den 24 Nov. werd Zutphen belegerd door 4000 Pruisische
ruiters en jagers. De Duitschers werden door de inwoners van Zutphen
geholpen en de Maire Op ten Noort wist den Franschen bevelhebber te
bewegen, Zutphen aan de Pruisen over te geven. Terstond werd nu de
Hollandsche vlag op den toren geplaatst, een bal aan de Pruisische
officieren gegeven en in de straten geïllumineerd. Een Algemeen Bestuur
werd ingesteld, dat Zutphen voor den prins moest bewaren.
In weerwil van deze twee moedgevende gebeurtenissen, bleef men toch in
Holland nog met zorg de toekomst tegemoet zien, daar Molitor te Utrecht
nog 4 à 5000 man, allen goed gewapend, tot zijn beschikking had. Molitor
was echter zelf te zeer op zijn hoede, dan dat hij aanvallend durfde
optreden. Een tuinier toch te Oudshoorn, Mens genaamd, had brieven laten
schrijven en aan verschillende personen bezorgen, waarin hij vermeldde,
dat de Engelschen te Scheveningen geland waren en dat 3000 Russen
aanrukten, om ons te hulp te komen. Deze brieven, te Woerden in handen
der Franschen gevallen, hebben niet weinig er toe bijgedragen, dat
dezen de stad verlieten. En ook Molitor liet er zich door bang maken.
Ook meende Molitor, toen hij hoorde, dat een bekwaam krijgsoverste
als Krayenhoff de verdediging van Amsterdam op zich had genomen, dat
Amsterdam over meer middelen ter verdediging kon beschikken, dan
werkelijk het geval was. Bovendien wist hij niet, wat de verbonden
Mogendheden beoogden, zoodat hij Gelderland, dat hij beschermen moest,
niet durfde verlaten.
Wat het meest in ons land den moed verlevendigde, was het heuglijke
feit, dat Van Hogendorp den 27 Nov. een eigenhandigen brief van den
Prins van Oranje ontving, waarin de Prins beloofde, spoedig over te
komen en dat Engeland hulp zou verleenen. Terstond liet men dezen brief
drukken en door het geheele land verspreiden, waardoor ook Friesland en
Groningen moed vatten en zich voor den Prins verklaarden.
Kapitein Wauthier, die in Duitschland den Prins moest zoeken, ontmoette
den 22 Nov. te Munster den Pruisischen Generaal Van Bulow, dien hij op
de hoogte bracht van hetgeen in Holland plaats greep. Vervolgens bezocht
Wauthier het hoofdkwartier der Gealliëerden te Frankfort, waar hij
bemerkte, dat de verbonden mogendheden de provinciën ten Westen van
den IJsel als bevriende mogendheid beschouwden.
De verbondenden in Den Haag zonden hun agent Van der Hoeven naar
het Oosten van ons land. Te Nijkerk wist hij den Kozakkenhoofdman
Marklay te bewegen, zich naar Amsterdam te begeven. Prins Narischkin,
opperbevelhebber der Russische voorhoede, die zich te Zwolle bevond, had
Bentinck reeds tot Gouverneur van Overijsel aangesteld. Hij gaf aan Van
der Hoeven paspoorten, teneinde het hoofdkwartier van den kroonprins van
Zweden te kunnen bezoeken, en beloofde ook naar Amsterdam te zullen
trekken.
Van der Hoeven zocht ook den kroonprins van Zweden op, die aan de
omwenteling in Holland zooveel waarde hechtte, dat hij van der Hoeven
een officier mede gaf met last aan Generaal Wintzingerode, om den
IJsel over te rukken. Gelukkig behoefde deze last niet meer uitgevoerd
te worden, want Molitor had Utrecht reeds verlaten. Hij had vier
aanzienlijke ingezetenen van Utrecht als gijzelaars mee naar Parijs
genomen, en wel de heeren Ram, Singendonck, Buddingh, en de Perponcher
van Wolphaartsdijk. Dezen werden te Parijs in een gewone gevangenis
geworpen. Op voorspraak van Lodewijk Napoleon herkregen ze in het begin
van 1814 hun vrijheid en mochten ze naar hunne woningen terugkeeren.
Molitor had Utrecht in de beste orde verlaten en geen gewelddadigheden
gepleegd. Terstond na zijn vertrek verklaarde de stad zich voor den
Prins. Den 29 Nov. trok prins Narischkin met 2000 Kozakken Utrecht
binnen met Kolonel v. d. Bosch, den Adjudant van Krayenhoff, die, met
toestemming van den Russischen bevelhebber, Utrecht voor den Prins in
bezit nam.
Den 28 Nov., toen Molitor Utrecht verliet, had Schwartsman,
vroeger consul van Spanje, die op last van Graaf van Styrum met een
visscherspink op de Noordzee kruiste, om de Engelsche vloot te zoeken,
eindelijk deze gevonden op de banken van Hollesley-baai. Op Schwartsmans
verzoek zond de Engelsche Vice-admiraal Ferrier terstond drie
oorlogsschepen naar Scheveningen, die daar een aantal zeesoldaten aan
wal zetten. De tijding hiervan werd door het geheele land met blijdschap
vernomen en werkte vooral in Amsterdam zeer geruststellend. Ook ontving
men de verzekering, dat behalve de 1200 Kozakken, die Utrecht binnen
getrokken waren, nog meer Russisch krijgsvolk te wachten was.
Aan Van Bulow had men een onderschepten brief van den prefect van
Coblenz aan De Celles gezonden, waarin de treurige toestand van het
Fransche leger in ons land werd geschilderd. Dit deed Van Bulow
besluiten, tegen zijn last in, den IJsel over te steken.
Den 18 Nov. had de bezetting van Doesburg, uit Jagers bestaande, deze
stad aan de Pruisen overgeleverd. Den 22 Nov. wisten de Franschen de
stad te hernemen, doch denzelfden dag werd hun Doesburg weer ontnomen,
helaas ten koste van een vrij groot aantal mannen. De Fransche Generaal
Amey te Arnhem deed nogmaals een poging, om Doesburg in zijn macht te
krijgen, doch den 24 Nov. werden zijne krijgslieden reeds te Velp door
de Pruisen met zwaar verlies teruggeslagen.
Wij beproefden nu Arnhem onze zijde te doen kiezen. De Fransche
bezetting in die stad werd echter door den Maarschalk Macdonald, hertog
van Tarente, die te Nijmegen zijn hoofdkwartier had, met eene afdeeling
krijgslieden versterkt, zoodat ze nu 3400 man telde. Den 30 Nov. waagden
de Gealliëerden de stad te bestormen en het gelukte hun, na een hevig
gevecht, Arnhem in hun macht te krijgen.
Den 19 Nov. was Den Briel door de aldaar gelegerde Fransche bezetting
in staat van beleg verklaard. De Gemeenteraad zond nu in stilte vier
zijner leden naar Den Haag, om te vernemen, of verlossing aanstaande
was en op hulp kon gerekend worden. In Den Haag kon men den Brielschen
afgevaardigden voor het oogenblik weinig moed geven, waarom men in
Den Briel besloot, zich aan het Fransche Bestuur te onderwerpen. Voor
de dorpen om Den Briel, die reeds de Oranjevlag van den toren lieten
wapperen, was dit mede een groote teleurstelling. De Franschen
haalden overal die vlaggen naar beneden en legden al deze dorpen een
brandschatting op. Ze namen overal den Maire en andere notabelen als
gijzelaars mee. Gelukkig deserteerden er vele soldaten van de Fransche
bezetting, die uit zoogenaamde „_Etrangers_” bestond. Toen er in één
nacht weer 50 soldaten verdwenen, vatte de Maire Heeneman weer moed
en zond den predikant Pauw in stilte naar Den Haag. Dominé Pauw kreeg
van Van Hogendorp de schriftelijke machtiging, om in Den Briel de
omwenteling door te zetten. Voor dat doel kon men er over krijgsvolk,
magazijnen en geld beschikken. In Den Briel wist men nu Holssourt,
Kapitein der Etrangers, voor de zaak van Oranje te winnen. Holssourt
beloofde, te zullen trachten, ook de onder hem staande officieren onze
zijde te doen kiezen. Besloten werd, om te pogen den volgenden dag de
bezetting in opstand te brengen. Ongelukkig werd de samenzwering
verraden. Holssourt werd gevangen naar Antwerpen gevoerd, de Maire
Heeneman moest Den Briel verlaten, terwijl het huis van Dominé Pauw
omsingeld werd. Gelukkig wist hij door de tuinen te ontvluchten en zich
twee dagen bij een bakker schuil te houden, tot hij veilig uit Den Briel
wist te ontkomen. Toch gaf men in de stad den moed niet op. Dokter de
Lang plakte eene proclamatie van den Pruisischen Generaal Blücher aan
de Kazerne der Etrangers (die meest Pruisen waren) aan, waarin alle
Pruisische soldaten met zware straffen werden bedreigd, die in dienst
der Franschen bleven. Zoo zij zich in Den Haag bij de verbondenen
aansloten, werden hun allerlei beloften gedaan.
Deze proclamatie werkte. Toen de Onder-prefect met een paar Fransche
Officieren naar Hellevoetsluis was, om een 50-tal marine-soldaten van
daar naar Den Briel te geleiden, overweldigden de Etrangers de wacht en
kozen de zijde der verbondenen. De Onder-prefect, uit Hellevoetsluis
teruggekeerd, liet de trouw gebleven bezetting op de markt voor de
hoofdwacht aan 't stadhuis post vatten, waar hij terstond de kanonnen
liet laden en zoo de stad in bedwang hield. Een Nationale Garde, die
een brief moest overbrengen, werd helaas het slachtoffer van deze
verdediging. Een uur lang duurde deze toestand, toen Nikolaas den
Broeder, die in een der dorpjes bij Den Briel woonde, den raad gaf,
zich tegen de Franschen te verdedigen. De Magazijnmeester Lux, die nog
altijd met den vroegeren Maire Heeneman correspondeerde, stelde zich
aan de spits van eenige manschappen, waarmee hij naar de kazerne der
kustkanonniers trok, die, allen Hollanders zijnde, zich ook allen bij
hem voegden. Nadat men nu de poorten overrompeld had, trok men met twee
stukken geschut naar de markt. Bij het gevecht, dat nu volgde, werden
eenige burgers gekwetst. Lux wist echter het stadhuis van achteren
binnen te rukken, waarna hij de Franschen uit de vensters van den
voorgevel beschoot. Dezen moesten nu hun geschut verlaten en een
schuilplaats in de hoofdwacht zoeken, waarna ze zich weldra aan de
Hollanders moesten overgeven. Twee Franschen en drie burgers waren
gesneuveld en vele anderen waren gewond. De Onder-prefect en de
Franschen werden gevangen naar Den Haag gevoerd, terwijl de Mariniers,
die aan de Zuidpoort aanklopten, weer naar Hellevoetsluis terugkeerden,
toen ze vernamen, dat de stad de zijde van den Prins gekozen had.