HOOFDSTUK X.

De samenzwering van G. K. v. Hogendorp, de Graaf van Limburg

Styrum en Van der Duyn v. Maasdam in den Haag.—Kozakken en

Pruisen in ons land.—Roelof Schenkel neemt een Fransch schip bij

Zoutkamp.—In den Haag en te Rotterdam.

Na Napoleons nederlaag bij Leipzig ontwaakte bij velen in Nederland de

hoop, dat ons land weer bevrijd kon worden van de Fransche heerschappij.

Evenwel, men begreep, dat het niet gemakkelijk zou gaan, want niet

alleen was Napoleons macht nog groot, maar hij hechtte ook groot

gewicht aan het bezit van ons land; zelfs had hij aan Rutger Jan

Schimmelpenninck verklaard, dat hij Holland liever aan de zee wilde

prijsgeven, dan het weer af te staan.

De vroegere Patriotten waren door de gebeurtenissen der laatste jaren

van hun revolutionaire beginselen vrijwel bekeerd. Toch waren het niet

zij, maar de vroegere Prinsgezinden, die de bevrijding van het Fransche

juk van ons land bewerkt hebben, al werden zij door de vroegere

Patriotten flink gesteund. Reeds sinds geruimen tijd hadden aanzienlijke

Prinsgezinden, zooals Gijsbert Karel van Hogendorp, F. v. d. Duyn van

Maasdam, Leopold, Graaf van Limburg Styrum, O. Repelaar van Driel,

F. I. de Jonge en F. D. Changuion, verschillende geheime bijeenkomsten

gehouden, ten einde te overleggen, hoe de prins van Oranje hier in zijne

waardigheid kon hersteld en wij van de Fransche heerschappij bevrijd

konden worden. Wat zij beoogden, deelden zij slechts aan hen mee, op

wier medewerking zij rekenen konden, o. a. aan Mr. Joan Cornelis van der

Hoop te Amsterdam, J. F. van Hogendorp te Rotterdam en Baron Bentinck

van Buckhorst te Zwolle.

Voor 1795 was Mr. J. C. van der Hoop advocaat Fiscaal bij de

admiraliteit van Amsterdam geweest. In 1795 was hij niet slechts als

zoodanig afgezet, maar ook uit Amsterdam naar den Haag gevoerd en daar 4

maanden gevangen gehouden. Na zijne invrijheidsstelling mocht hij zich

gedurende drie jaren niet buiten Amsterdam begeven. Tot 1813 leidde hij

een ambteloos leven.

[Illustratie: GIJSBERT KAREL VAN HOGENDORP.]

Bentinck stond na 1795 in briefwisseling met onzen vroegeren stadhouder

Willem V. De Fransche politie onderschepte echter een brief, zoodat hij

gevangen werd gezet en alleen door tusschenkomst van Schimmelpenninck

zijn vrijheid terug kreeg.

[Illustratie: Mr. JOAN CORNELIS V. D. HOOP.]

Na den slag bij Leipzig besloten de verbondenen hun kring uit te

breiden. Ieder van hen nam op zich vier vrienden te zoeken, die, zonder

wederzijdsche afspraak, ja zonder elkander te kennen, beloofden bij de

eerste oproeping op te komen en blindelings de aanwijzingen van den

leider te volgen. Ieder dezer vier vrienden moest zich op gelijke

wijze de medewerking van andere vier personen verzekeren. Teneinde de

achterdochtige politie niet op het spoor der samenzwering te brengen,

werd aan geen der nieuw aangeworvenen meer meegedeeld dan het groote

doel der verbintenis. Men noemde geen naam en deed niets schriftelijks.

Mocht er dus een verrader onder de bondgenooten schuilen, dan kon hij

alleen den man, die hem tot het bondgenootschap bewogen had, verraden.

Weldra omvatte het bondgenootschap 400 leden, die in oprechtheid de zaak

van den prins waren toegedaan.

De Graaf van Limburg Styrum had zich bovendien de medewerking verzekerd

van den heer Pronk te Scheveningen, die aldaar zeer veel invloed onder

de visschersbevolking had. Hij nam aan, bij de eerste oproeping 50 man

te leveren.

Ook gelukte het den Graaf van Limburg Styrum de geheele Nationale Garde

in den Haag, 300 man sterk, voor de zaak des lands te winnen. Kolonel

J. van Oldenbarneveld (Witte Tullingh bijgenaamd), bevelhebber dier

Garde, ging met zooveel beleid te werk, dat hij tot op het laatst het

vertrouwen van den prefect wist te behouden. Een Detachement vreemde

Jagers, meest uit Pruisen bestaande, en in Franschen dienst zijnde,

beloofde den opstand, zoo die mocht uitbreken, niet tegen te werken,

doch wilde zich verder tot niets verbinden.

[Illustratie: VAN DER DUYN VAN MAASDAM.]

Intusschen nam de Pruisische Generaal Bulow Munster in, terwijl de

Kozakken Aurich in Oost-Friesland bezetten. De Russische Generaal

Wintzingerode trok tegen Bremen op, terwijl hij prins Narischkin met een

afdeeling Kozakken naar ons land zond. Weldra vertoonden de Kozakken

zich te Meppel en Hoogeveen. De Fransche ambtenaren verlieten nu

Groningen en de Prefect in die stad met de aldaar liggende Zwitsers

volgden dat voorbeeld, terwijl er de kantoren der Douanen gesloten

werden. De orde te Groningen werd nu gehandhaafd door den Maire Jullens

en de kolonel Busch van de Gewapende Burgerwacht, terwijl de Nationale

Garde er de Fransche kokarde aflei. Den 16 Nov. 1813 trok nu eene

afdeeling Kozakken onder Baron Rosin Groningerland binnen. Hij vaardigde

een proclamatie uit, waarbij hij de Raden der Prefectuur aanmaande,

het bestuur van het Departement op zich te nemen en allen ambtenaren

gelastte, hun functiën op den ouden voet te blijven waarnemen.

[Illustratie: L. GRAAF VAN LIMBURG STYRUM.]

Toen de Franschen Groningen verlieten, hadden ze alle in de kassen

aanwezige gelden in een schip gebracht, waarmee zij door het Reitdiep

naar zee trachtten te ontkomen. Eene afdeeling Russen zette hen

achterna, om hun de buit afhandig te maken, doch zonder resultaat. Een

negental schippersgasten wisten echter in een sloep nabij den „Rooden

Haan” (drie uren van Groningen) het Fransche schip te achterhalen, dat

bemand was met 32 gewapende douanen, die 28 vrouwen en kinderen bij zich

hadden. Ze hadden 80.000 gld. bij zich. De schippers zetten de Franschen

tot bij Zoutkamp achterna, doch waagden niet zulk een overmacht aan te

vallen. Zij hoopten echter bij Zoutkamp hulp van Kozakken te vinden.

Toen ze hierin teleurgesteld werden, besloten ze toch tot den aanval

over te gaan. Terwijl de douanen in het ruim van het schip waren, sprong

Roelof Schenkel op hun schip over. Met het pistool in de eene en een

zwaard in de andere hand, opende hij het luik en eischte de overgave der

douanen. Dezen, door schrik overmand en niet wetende, hoe talrijk de

aanvallers waren, voldeden aan dezen eisch, gaven hunne wapenen en geld

over en lieten zich als weerlooze lammeren naar Groningen brengen.

Schenkel en zijn gezellen, inplaats, dat zij met geld en schip er

vandoor gingen, gaven echter alles belangeloos aan Rosin, den aanvoerder

der Kozakken te Groningen, over.

Den 18 Nov. verlieten de Franschen Appingedam. Zij namen er een grooten

voorraad uit mee en vestigden zich te Delfzijl. Bij de nadering der

Kozakken trokken de Franschen zich onverwijld uit Friesland terug.

Toen de Prefect der Monden van den IJsel de nadering der Bondgenooten

vernam, stuurde hij de in de kassen aanwezige gelden naar Amsterdam,

doch zelf bleef hij op zijn post. Den 12 Nov. 1813 namen de Kozakken te

Zwolle twee poorten, terwijl zij Kampen, dat verdedigd werd door een

honderdtal Franschen, beschoten. De burgerij van Kampen koos de zijde

der Russen, maakte zich meester van den Franschen Commandant, nam de

wacht aan de Vischpoort gevangen en liet de Kozakken binnen, door de

brug over den IJsel neder te laten. De Fransche bezetting werd nu

gevangen genomen.

Midden December hadden de Franschen in de vier provinciën Groningen,

Friesland, Overijsel en Drente nog slechts drie vestingen bezet, n.l.

Delfzijl, Koevorden en Deventer. Het Noorden verwachtte echter uit

Holland waarborgen der pas herkregen vrijheid.

In Den Haag werd het gerucht verspreid, dat Napoleon was gevangen

genomen. De leiders van het verbond vertrouwden echter het gerucht

niet, en dit was ook maar goed, want het bleek weldra, dat het valsch

was. Later begeerde het volk in Den Haag, dat de bekende vroegere

Burgemeester Slicher, een vurig Oranjegezinde, weer aan het hoofd der

Gemeente zou worden geplaatst, doch daar de leiders der samenverbondenen

het oogenblik nog niet rijp achtten, werd aan de begeerte van het volk

niet voldaan.

De Stassart, de gisting onder het volk bespeurende en wel inziende,

dat hij een opstand niet kon bedwingen, verzocht zelf eenige Haagsche

ingezetenen, een Provisioneel Bestuur te vormen, dat de gemeenschap met

het Fransche bewind moest onderhouden. In zoover hij bij de verbondenen

aanklopte, ontving hij overal een weigerend antwoord. Hij begon nu te

vermoeden, wat men van plan was en hij was van zin, hen gevangen te

nemen, doch hij liet dit voornemen varen, uit vrees, dat hij daardoor

den opstand zou verhaasten.

Den 13 Nov. werden in verschillende winkels te Rotterdam reeds

Oranjestrikken te koop aangeboden, die echter door de politie werden in

beslag genomen. De tooneelspeler Rozenveld waagde het zelfs met een rood

lint om den hoed op het tooneel te verschijnen. Het volk juichte hem

toe, doch des nachts werd hij door de politie opgelicht en naar Breda

gevoerd, hoewel hij bewees, datzelfde roode lint steeds in de toen

door hem vervulde rol gedragen te hebben. Ook vond men te Rotterdam op

zekeren morgen het Erasmusbeeld versierd met een Oranjestrik en het

navolgende tweeregelig versje:

Durft niemand nog Oranje dragen.

Ik durf mijn grijzen kop wel wagen.

God redde Nederland gedenkschrift bij gelegenheid van het honderd-jarig jubileum van Neerlands herkregen onafhankelijk volksbestaan (30 Nov. 1813 - 30 Nov. 1913) · 第 18 / 39 题