HOOFDSTUK IX.

Krijgsbedrijven der Hollanders in Spanje. (De Kapiteins Everts en

Schindler.—Generaal Chassé en Prins Willem van Oranje.)—De zoon

van Willem V bij Lützen.—Napoleons veldtocht in Duitschland en

zijn nederlaag bij Leipzig.

Van de 15000 Hollanders, die met Napoleon naar Rusland waren getrokken,

kwamen slechts 600 in het vaderland terug. Was daarom de droefheid in

ons land groot bij de gedachte aan zoovele landgenooten, die zulk een

droevigen dood in de sneeuwvelden van Rusland gevonden hadden, toch was

er ook blijdschap bij het vernemen van de geweldige nederlaag, die de

dwingeland in Rusland geleden had. En niet alleen in het Noorden was het

hem tegengeloopen, ook in het Zuiden, in Spanje, keerde de krijgskans

zich tegen hem. Reeds in het begin van 1812 hadden de Engelschen in

Spanje Ciudad-Rodrigo vermeesterd, terwijl zij later den slag bij

Salamanka wonnen, waardoor geheel Zuidelijk Spanje van de Franschen

bevrijd werd en Koning Jozef (broeder van Napoleon) uit Madrid moest

vluchten.

Evenals in Rusland gedroegen de Hollanders zich ook in Spanje dapper.

Zoo b.v. werd Kapitein Everts opgedragen, om met 100 man Voltigeurs op

de grenzen van Portugal levensmiddelen en gijzelaars in ontvangst te

nemen. Op het kerkhof van het dorp Maganez werd hij echter aangevallen

door 1000 Spanjaarden (waaronder 300 ruiters). Den geheelen dag

wederstond hij dezen aanval en eerst nadat hij 300 zijner vijanden had

doen vallen en van zijn eigen mannen 33 waren gesneuveld, aanvaardde hij

den terugtocht, dien hij behouden volbracht.

Kapitein Schindler werd bij Celada del Cameno met 120 man voetvolk door

een 7 keer sterkere ruiterbende aangevallen. Na een hevig gevecht van

drie uur kwam hij behouden weer in Celada terug.

Generaal Chassé wist zich in Spanje vooral geducht en roemrijk te maken

door zijne aanvallen met het bajonet, zoodat hij den bijnaam ontving van

„Generaal Bajonet”.

Doch vooral een andere Hollander, die in de gelederen der Franschen in

Spanje streed, werd met roem aldaar overladen; wij bedoelen Prins Willem

van Oranje, de oudste kleinzoon van Stadhouder Willem V. Toen hij in

1795 met zijn grootvader Holland verliet, was hij een kind van twee

jaren. Hij genoot in Engeland zijne opvoeding en oefende zich nu in

Spanje onder Wellington in de krijgskunst. Al spoedig bleek, dat hij

zich zijner voorvaderen Willem van Oranje, Maurits en Frederik Hendrik

waardig maakte. Vele waren de diensten, die hij den hertog van

Wellington bewees en bij de inneming van Ciudad-Rodrigo trok hij aan

het hoofd der bestormers de vesting binnen.

Te Smorgonie, in Litthauen, verliet Napoleon den 5 Dec. 1811 de

overblijfselen van zijn leger en bezorgd, om bij een gevreesden afval

van Pruisen, teruggehouden te worden, liet hij zich door een Poolschen

Jood in een slede door Polen, Silezië en Saksen naar den Rijn brengen.

Uit dankbaarheid voor de bewezen diensten liet hij den Jood, die hem in

de slede gevaren had, doodschieten. Van den Rijn trok hij naar Parijs,

waar hij in den nacht van 18 op 19 Dec. 1812 als een vluchteling

aankwam.

Pruisen, dat de eerste bondgenoot van Napoleon geweest was, keerde zich,

gelijk Napoleon al gevreesd had, om en verbond zich met Rusland. Koning

Frederik Wilhelm III van Pruisen sloot zich in Februari 1813 bij Keizer

Alexander van Rusland aan en begon een strijd op leven en dood. 's

Konings wapenroep vond weerklank bij alle Duitsche stammen. Weldra

voegde een nieuwe bondgenoot zich bij hen. Napoleons vroegere

krijgsmakker Bernadotte, nu, onder den naam van Karel Jan, Kroonprins

van Zweden, had zijn oude betrekking met den Keizer verbroken. Zweden

sloot nu met Rusland en Engeland een verbond, waardoor de Russische

krijgsmacht met 30.000 man versterkt werd. Van den Njemen tot den Rijn

greep nu alles naar de wapenen, terwijl de Engelschen de Franschen uit

Spanje drongen.

Napoleon eischte intusschen van den Senaat opnieuw 500.000 man, „om

de eer der groote natie te redden”. En de Senaat gehoorzaamde. Weldra

kwamen weer 180.000 Fransche jongelingen onder de wapenen, n.l.

10.000 man garde d'honneur te paard, 80.000 man uit den eersten ban

der nationale garde en 90.000 man uit de conscriptie van 1814.

Het decreet betreffende de gardes d'honneurs behelsde, dat tot hunne

regimenten zouden _toegelaten_ worden jongelieden van 18, 19 tot 30

jaar, zonen, kleinzonen, of neven van leden van het legioen van eer,

ridders, baronnen, graven, municipale raden, voorname ambtenaren en

eigenerfden van elk departement. Het _toelaten_ werd in werkelijkheid

eene op afschuwelijke wijze uitgevoerde _dwang_. O. a. werden de

ouders, die weigerden hunne zonen af te staan, onder militair geleide

als gevangenen naar Parijs gevoerd.

Napoleon stond weldra weer met een leger van 166.000 soldaten en 350

kanonnen aan de oevers der Elbe. Drie maanden later was deze krijgsmacht

reeds aangegroeid tot een leger van 311.000 man, waaronder 45.000

ruiters en 1000 kanonnen. Niet meer ter verdediging, maar tot den aanval

was hij gereed.

Ook ons vaderland had weder scharen jongelingen aan den dwingeland

moeten afstaan. Zelfs een deel der schutterijen (toen „nationale garde”

genoemd) moest mee, om tegen de verbonden mogendheden te strijden. Den 5

April 1813 werd bij Decreet ook de vorming van een „garde d'honneur” of

eerewacht van 10.000 man in ons land gelast. Nevenbedoeling van Napoleon

met dit decreet was, om in de jongelingen, die deze eerewacht vormden,

gijzelaars te hebben voor de trouw hunner ouders en familie. Deze

maatregel wekte hier echter groote verbittering en verontwaardiging,

daar deze jongelingen reeds voor groote sommen plaatsvervangers hadden

gesteld, toen ze vroeger aangeloot waren, zoodat zij geacht konden

worden reeds aan den dienstplicht te hebben voldaan. Op wreede wijze

werd het decreet ten uitvoer gelegd, vooral te Amsterdam door den

hardvochtigen De Celles. Er waren echter jongelingen, die niet wilden

opkomen en met geweld uit hunne woningen moesten worden gevoerd. Ja,

sommigen hunner bleven in den vreemde elken krijgsdienst weigeren en

verkozen de gevangenis boven het vechten voor den dwingeland.

[Illustratie: HET VERTREK DER „GARDE D'HONNEUR” VAN AMSTERDAM BUITEN

DE WEESPERPOORT.]

Weldra was de veldtocht weer geopend en behaalde Napoleon den 2 Mei 1813

bij Lützen de overwinning op de mogendheden. In dezen slag maakte de

Hollandsche kolonel Trip zich bijzonder verdienstelijk. Kolonel Trip,

die reeds in Spanje beroemd was geworden door de wijze, waarop hij er

de artillerie bestuurde, voerde te Lützen bevel over twee batterijen,

die hij ten westen van het dorp Kaja in een goed gekozen stelling had

gebracht. Een stafofficier beval hem echter, een andere stelling te

kiezen. „Goed,” antwoordde Trip, „maar vertel dan eerst, dat het mijn

geschut is, die aan de vijandelijke ruiterij het oprukken belet.”—Trip

bleef zijne stelling behouden en toen weldra de artillerie der Garde

zich bij hem aansloot, vernielde hij de vijandelijke gelederen. De

„Jonge Garde” (de nieuwe keurbende van Napoleon) rukte voort en de

zegepraal werd bevochten door de ontzaglijke vuurlijn, waaraan de

batterijen van Trip ten grondslag hadden gestrekt.

In dezen slag bij Lützen streed ook aan de zijde van Blücher de

16-jarige Willem Frederik Karel mede, de zoon van onzen vroegeren

stadhouder Willem V. Voor het eerst nam hij hier aan het krijgsgewoel

deel. Weinig kon hij bij Lützen vermoeden, dat hij bij Waterloo nog

eens, en wel als hoofd der Nederlandsche Artillerie, onder Blücher zou

strijden.

Den 21 Mei 1813 behaalde Napoleon ook de zege bij Bautzen. Den 1 Juni

stelde nu de Keizer van Oostenrijk aan beide partijen een wapenstilstand

van twee maanden voor, ten einde tot een vergelijk tusschen de partijen

te komen. Den 11 Juli bood de Oostenrijksche vorst te Praag nogmaals

zijn gewapende bemiddeling aan; toen hij zag, dat zijne pogingen op den

onwil van Napoleon afstuitten, verbond zich Oostenrijk met Rusland,

Engeland en Pruisen en verklaarde aan Napoleon den oorlog.

In Spanje ging het den Franschen niet voorspoedig. Den 21 Juni werden

zij door de Engelschen onder Wellington bij Vittoria verslagen. Aan de

zijde van Wellington streed daar mede de Erfprins van Oranje met moed en

doorzicht.

[Illustratie: INTOCHT DER GEALLIEERDEN IN LEIPZIG, 15 OCT. 1813.]

Nu Napoleon ook Oostenrijk tegen zich had, leed hij de eene nederlaag

na de andere. Zijne legers werden den 23 Aug. bij Grootbeeren,

den 30 Aug. bij Culm en den 6 Sept. bij Dennewitz verslagen. Het

hoofdtreffen had echter bij Leipzig plaats, waar van 15 tot 19 Oct. „de

_Drie-Keizersslag_” geleverd werd. Napoleon deed hier met 170.000 man

tegenover een 300.000 man sterken vijand wonderen van dapperheid en

overdekte zich met roem. Toch leed hij een verpletterende nederlaag en

kwam hij met slechts 70.000 man in Frankrijk terug. Beieren, Wurtemburg

en Baden, die vroeger om zijn gunst gebedeld hadden, vielen nu Napoleon

af; de verdreven vorstenhuizen van Hannover en Keur-Hessen werden

hersteld. In Spanje hielden de Franschen nog slechts Barcelona en

een paar forten bezet; overigens hadden ze dat geheele land moeten

ontruimen, ja, Wellington trok met zijn leger de Pyreneën over, terwijl

Russen, Duitschers en Oostenrijkers in het Oosten tegen Frankrijk

optrokken.

Met groote verschooning behandelden de verbonden Mogendheden overigens

Napoleon. Zij boden hem het behoud van zijn Keizerrijk aan, zoo hij den

Rijn als grens van zijn rijk wilde erkennen. Napoleon weigerde, waarom

de Verbondenen na lang weifelen 1 Januari 1814 den Rijn overtrokken.

Weder herhaalden zij hun aanbod, doch nu onder de uitdrukkelijke

voorwaarde, dat Frankrijk binnen de grenzen zou blijven, die het in

1792 bezat. Napoleon verwierp beide voorslagen. Hij wilde het Fransche

Keizerrijk behouden, zooals hij het door list en geweld had gevormd.

God redde Nederland gedenkschrift bij gelegenheid van het honderd-jarig jubileum van Neerlands herkregen onafhankelijk volksbestaan (30 Nov. 1813 - 30 Nov. 1913) · 第 17 / 39 题