De krijgsbedrijven der Hollanders in Rusland.—Hollandsche
pontonniers met hun bevelhebber Kapitein Benthien.
Napoleon trok van Smolensko terug naar Krasnoi, steeds vervolgd
door de hoofdmacht der Russen onder Kutusow. Hij verwachtte nog drie
legercorpsen en daar hij vreesde, dat die door den vijand zouden worden
afgesneden, trachtte hij eene door hem genomen stelling te behouden.
Eén dier afdeelingen wist zich door den vijand heen te slaan, doch de
tweede, die onder bevel van Davoust stond, werd door de Russen zoodanig
bestookt, dat Lefèbre aan het Hollandsche regiment, hoewel dat reeds tot
op 500 man verminderd was, bevel gaf, de benarde afdeeling te hulp te
komen. Het Hollandsche regiment, aangevoerd door den overste George,
tastte nu de Russen moedig aan en wist ze zoolang bezig te houden,
dat Davoust zich bij de hoofdarmee kon aansluiten. George keerde nu
terug, doch van de 500 Hollanders waren er slechts 40 overgebleven. Het
Hollandsche regiment, vroeger door Napoleon „Hollands roem” genoemd,
_had opgehouden te bestaan_. Evenals dat bij den slag bij Borodino met
het Regiment Hollandsche Huzaren was geschied, werden de overgebleven
soldaten bij de andere regimenten ingedeeld.
[Illustratie: TERUGTOCHT DER „GROOTE ARMEE” UIT RUSLAND.]
Eenigen tijd later werd het 33e regiment Lichte Infanterie (vroeger
het derde Regiment Hollandsche jagers) onophoudelijk door de Russische
ruiters aangevallen. Door zich telkens in quarré te vormen, wisten de
Hollanders steeds de aanvallen der Russen af te slaan. Ten laatste
werden ze ook door het vijandelijke voetvolk met geschut bestookt,
zoodat eindelijk slechts 78 van de onzen overbleven, waarvan 53 nog
gewond waren.
Het Hollandsche regiment „Garde te paard” van Koning Lodewijk (bij het
„Groote Leger” als Regiment „Lanciers van de Garde” ingedeeld) werd
versterkt door 200 geharde strijders, die reeds in Spanje met roem
gestreden hadden. Telkens door de Russen bestookt, was te Wilna van
dit Regiment Lanciers nog een enkel peloton over onder bevel van een
luitenant.
Van de vier Hollandsche Corpsen, bij het „Groote Leger” ingedeeld,
heeft slechts één, tenminste in naam, den veldtocht doorstaan. Van
het Hollandsche voetvolk waren de meeste officieren en manschappen
reeds omgekomen, vóór Moskou bereikt was. Dat er nog iets van het
„Groote Leger” gered is, is hoofdzakelijk te danken aan de Hollandsche
pontonniers, inzonderheid aan hun aanvoerder Kapitein George Diederik
Benthien. Te Moskou reeds werd deze Kapitein wegens de belangrijke
diensten, aan het leger bewezen, door Napoleon vereerd met de Ridderorde
van het Legioen van eer. Den 19 Oct. 1812 werd in de straten van
Polotzk het legercorps van Oudinot door de Russen onder Wittgenstein
aangevallen. Aan Benthien werd opgedragen, de brug over de Duna,
waarover de Franschen zich terug moesten trekken, niet slechts te
verdedigen, maar ook af te breken, zoo spoedig de Franschen er over
waren, opdat de Russen hen niet konden volgen. Dit laatste was niet best
te volvoeren, daar het laatste regiment dat zich aan de brug vertoonde
en uit Zwitsers bestond, de Russische voorhoede onmiddellijk op de
hielen zat. Benthien had echter de brug zoo gemaakt, dat de deelen los
aan elkander zaten en telkens uit elkander konden genomen worden. Toen
dan ook de Zwitsers de sterk golvende en slingerende brug over gestormd
waren, rukte Benthien de brug los en een oogenblik later voerden de
snelvlietende wateren van de Duna de planken en ribben der brug met zich
mee, terwijl de Franschen zich veilig aan den linkeroever der rivier
konden verschansen.
[Illustratie: DE OVERTOCHT OVER DE BEREZINA.]
Nog verdienstelijker maakte Benthien zich bij den overtocht over de
Berezina. Daar de oevers dezer rivier zeer moerassig zijn, was het
moeilijk, een geschikte plaats voor den overtocht te vinden. Bij het
dorp Studianka meenden de Franschen den overtocht te moeten wagen. Ze
telden 30.000 strijdbare mannen en bovendien nog 60.000 ongewapenden,
terwijl ze voorzien waren van een groot aantal vaartuigen. Ongelukkig
hadden ze tegen den raad van Benthien in, de laatste pontons verbrand,
wijl ze de daarvoor gespannen paarden noodig hadden, om de kanonnen te
trekken. Benthien liet daarom de houten huizen van Studianka afbreken,
waarvan hij schragen en twee houten bruggen maakte. Twee dagen van
ongeloofelijke inspanning gingen daarmee heen. Om de schragen in de
rivier te bevestigen moesten de pontonniers in het water en daarbij
zakten zij soms tot den hals toe in den modder, terwijl de scherpe
ijsschotsen, die de rivier afdreven, den arbeid zeer belemmerden.
Tot overmaat van ramp kon men geen balken en planken krijgen, die de
vereischte lengte hadden, om voor het bouwen der brug te dienen, terwijl
men de deelen met hennep, hooi en boomschors aan elkander moest hechten.
Toch waren de twee bruggen in twee uren tijds voltooid. Terstond
liet Napoleon er 7000 man overtrekken, teneinde de Russen onder
Tschitschakou, die hem van de overzijde bestookten, terug te drijven. De
Franschen behaalden de overwinning, hoofdzakelijk tengevolge der heftige
wijze, waarop de Hollandsche kurassiers onder kolonel A. D. Trip den
vijand aanvielen. Nu de weg hierdoor vrij geworden was, trokken de
overige Franschen ook over de bruggen. Alleen bleef Maarschalk Victor
met 4300 weerbare strijders aan den linkeroever, teneinde een talrijke
menigte van ongewapenden, zieken, gewonden, paarden, kanonnen en
voertuigen te beschermen en den overtocht over de Berezina mogelijk te
maken. Daar Wittgenstein met driedubbele overmacht Maarschalk Victor
bestookte, beval Napoleon aan Daendels, naar den linkeroever terug te
keeren, teneinde den overtocht te dekken. Victor, nu door Daendels
ondersteund, wist den geheelen dag den vijand tegen te houden,
terwijl intusschen de weerlooze hoop de bruggen overtrok. Het was
een schrikkelijk schouwspel, die ordelooze en onafzienbare menigte
vluchtelingen, zieken, gewonden, vrouwen, kinderen, gedrongen tusschen
paarden, wagens en kanonnen, elkander verdringend, terugstootend,
vertrappend, om maar het eerst buiten het bereik van den vijand te zijn,
terwijl de Russen niet ophielden kogels en granaten in die vluchtende
menigte te schieten. Tegen den avond eindigde van beide zijden het
schieten. Opdat nu ook Victor en zijne manschappen de brug bereiken
konden, legden 160 pontonniers en sapeurs een loopgraaf van opgestapelde
lijken aan, waartusschen de soldaten voor de aanvallen van den vijand
beveiligd waren. Toen zij den overkant bereikt hadden, werd de brug in
brand gestoken. Toch bleven er nog 5000 man aan den linkeroever, die
niet in staat waren te vluchten of niet de wagens met levensmiddelen
wilden verlaten. Voor zoover zij niet door de speren der Kozakken van
het leven werden beroofd, werden ze door de Russen in harde
krijgsgevangenschap gevoerd.
Van de 160 pontonniers waren ten laatste slechts 40 overgebleven en van
dezen hebben niet meer dan 7 het vaderland terug gezien.
Bij het overtrekken van één der bruggen, door de genie over de Berezina
geslagen, bezweek de brug. Vruchteloos schreeuwden de voorsten aan
hunne achter hen opdringende makkers toe, om terug te keeren. Niemand
luisterde naar die stemmen. Men drong vooruit en stortte zijne
voorgangers in de diepte, tusschen de bulderende ijsschotsen, om
een oogenblik later in denzelfden afgrond gedrongen te worden.
Van de 15000 man, waarmee Napoleon Wilna binnentrok, droegen nog slechts
600 de wapens.