Napoleons tocht naar Rusland.
Vroeger had Alexander, Keizer van Rusland, Napoleon bewonderd. Toen
Napoleon Oldenburg bij zijn rijk inlijfde, zette dit echter bij
Alexander kwaad bloed, daar de Groothertogin van Oldenburg eene zuster
van den Russischen Keizer was. Alexander weigerde langer zich aan het
Continentaal Stelsel te houden en begon weer handel te drijven met
Engeland. De Fransche Keizer besloot nu Rusland te tuchtigen. Hij
hoopte, na Rusland overwonnen te hebben, ook Turkije en Egypte aan zich
te onderwerpen, om vervolgens in Azië door te dringen, ten einde daar
Engeland in zijn koloniën aan te tasten.
Een ontzaglijke legermacht bracht Napoleon op de been, om zijn plannen
uit te voeren. In ons land moesten niet alleen de jongelingen opkomen,
die in 1811 aangeloot waren, maar ook de lichtingen der twee volgende
jaren. Groot was de droefheid, die dit in tal van huisgezinnen te weeg
bracht. Toen Napoleon den 9en Oct. 1811 met zijn echtgenoote een bezoek
aan Amsterdam bracht, had men hem luide toegejuicht, doch thans, nu hij
een driedubbele lichting onder de wapenen riep, werd hij hier nog meer
dan vroeger verwenscht en vervloekt.
Het „Groote Leger”, gelijk Napoleon het gaarne noemde, telde 600.000 man
en 150.000 paarden. Uit Nederland waren 15.000 man opgekomen, ingedeeld
in twee regimenten. Het ééne regiment behoorde tot een keurbende van
den Keizer, de „Oude Garde” genoemd, en bestond uit de meest geoefende
soldaten, die in beslissende oogenblikken vaak den doorslag hadden
gegeven. De helft der Hollandsche soldaten waren bij Fransche regimenten
ingedeeld, terwijl de andere helft onder het bevel van eigen officieren
stond. Onder de Hoofdofficieren bevonden zich twee Hollanders, n.l.
Daendels, die als Divisie-generaal onder Maarschalk Victor stond en
Matuschewitz, die als Generaal der Artillerie bij de afdeeling onder
Maarschalk Ney was ingedeeld.
Napoleon trok met het „Groote Leger” (uit Franschen, Italianen, Belgen,
Hollanders, Zwitsers, Polen, Duitschers en Oostenrijkers samengesteld)
den 23en Juni over de Njemen. Hevige plasregens belemmerden hem het
voorttrekken. Later werd het weer buitengewoon heet en droog en daar
de tocht ging door landstreken, waar bijna geen water was, werden de
troepen zeer door dorst gekweld. Drie maanden later was het leger reeds
tot op één derde versmolten en had dus al tweederde deel der krijgers
verloren. Het was nu zwakker dan het Russische leger, waartegen het
optrok. Aanvankelijk wilde de Czaar reeds bij de Duna aan de Franschen
slag leveren, doch hij besloot later, dit niet te doen. Het Russische
leger trok daarom dieper het binnenland in, alles achter zich
verwoestende, zoodat de Franschen, waar zij ook kwamen overal allen
voorraad uitgeput vonden. Van honger en gebrek kwamen hierdoor tal van
Franschen om en terwijl Napoleons leger van dag tot dag verminderde,
groeide dat der Russen voortdurend aan. Eindelijk, den 7 Sept. 1812,
kwam het bij Borodino (aan de Moskwa) tot een treffen. De Russen
werden verslagen en Napoleon won, doch zijn zegepraal was een
Pyrrhusoverwinning. Indien hij nog zoo'n slag won, dan was hij verloren,
want zijn gelederen waren door dezen slag zeer gedund. Van het Regiment
Hollandsche huzaren, dat tegen de batterijen der Russische achterhoede
moest inrijden, bleven slechts 46 man gespaard.
[Illustratie: SLAG BIJ BORODINO OF MOSKWA, 7 SEPT. 1812.]
Door de overwinning aan de Moskwa lag de weg voor Napoleon naar Moskou
open. Toen hij eindelijk in Ruslands hoofdstad aankwam, verscheen er
geen Magistraat, om hem te verwelkomen en om hem de sleutels der oude
Czarenstad aan te bieden. Niemand had zich bij zijn intocht in Moskou
vertoond dan eenige burgers, vreemdelingen van afkomst, die hem
aankondigden, dat Moskou door de Russen bestemd was, om voor de zaak des
vaderlands opgeofferd te worden, om in de vlammen op te gaan. Napoleon
wilde dit niet gelooven. En toch, hij had een zelfde schouwspel reeds
gezien te Smolensko, te Moshaisk, op bijna iedere plaats, die zijn leger
in Groot Rusland was doorgetrokken.
Spoedig ontdekte hij, dat het bericht van Moskou's aanstaande
vernieling, waarheid behelsde. Reeds dienzelfden 15 September stegen
vlammen in verschillende wijken ten hemel op en, ofschoon telkens
gebluscht, braken elk oogenblik nieuwe branden uit, tot den zesden dag
het werk der vernieling was volbracht. Negen tiende van Moskou lag in
puin.
In onbegrijpelijke verblinding weigerde Napoleon de stad te verlaten:
hij verwachtte dwaselijk, voorstellen van Keizer Alexander te zullen
ontvangen. Dag op dag verliep, maar de Russische Keizer bewaarde het
stilzwijgen. Een groote buit was door de Fransche soldaten in Moskou
vergaderd, doch aan deksel, schoeisel en aan voedsel leden allen gebrek.
Orde en tucht gingen verloren.
Eindelijk, den 19 Oct. 1812, gaf Napoleon bevel tot den terugtocht.
Doch na 18 dagen marsch vertoonde de Russische winter zich in al zijn
verschrikkingen. Men had slechts weinig levensmiddelen kunnen medenemen:
allen voorraad had de vijand zorgvuldig vernield. En nu maakten sneeuw
en ijs alles verward en onkenbaar. Geheele compagnieën stortten in
ondiepten, die zich tusschen de sneeuw onverwacht onder den voet
openden. Verbijsterd door den storm, die hun het ijs in het aangezicht
joeg, en de koude, die door gewaad en schoeisel drong, trokken de
krijgers voort, zonder te weten waar zij waren: vlakte en heuvels,
bosch en stroom, alles was in één witte lijkwâde getooid. Het was een
onmetelijk lijkkleed, waarin de natuur het wegsmeltende leger en de
gevallenen hulde. Van honderden bevroren de vingers aan geweer of
sabelgreep. Man en wapen verstijfden tot een onbewegelijken klomp.
Nog 1500 mijlen (bijna 300 uur) moest Napoleon afleggen, eer hij in
Frankrijk terug was. Op zijn heenreis was Napoleon met 150.000 man
Smolensko door getrokken en nu hij op zijn terugtocht er wederkwam,
beschikte hij nog over 25.000 weerbare mannen.