Napoleons bezoek aan Amsterdam.—Hij moet wachten op een
vuilnisman.—Generaal Krayenhoff bij hem op audiëntie.—Hoe
Napoleon reisde.
In het jaar 1811 bracht Napoleon een bezoek aan Amsterdam. De
Keizer kwam den 29 Sept. 1811 te Antwerpen aan, reisde over Breda,
Hellevoetsluis, Gorinchem en Utrecht. Den 9 October 's middags half drie
deden de Keizer en de Keizerin hunne plechtige intrede in Amsterdam. In
het voorste gedeelte der stoet reed de Keizerin in een rijtuig, van 8
pages vergezeld; in het laatste gedeelte de Keizer te paard, gevolgd
van de „officieren van hoogstdeszelfs huis, van de maarschalken,
generaals, stafofficieren, rijdende vier aan vier.”
[Illustratie: REISKOETS VAN NAPOLEON.]
Toen de stoet de stadspoorten was genaderd, werden Keizer en Keizerin
onder het gebulder van het geschut en het luiden der klokken in de
hoofdstad ontvangen. Een dubbele rij Nationale gardes bezette de
straten, alwaar H. H. M. M. moesten doorgaan; alle huizen waren
met bloem-festoenen en vaandels versierd, wat een prachtig gezicht
opleverde. De geestelijken, wier kerken Z. M. voorbij ging, bevonden
zich in hun ambtsgewaad voor hunne bedehuizen geschaard. Orkesten,
die van afstand tot afstand geplaatst waren, verlevendigden het
belangrijkste tooneel, waarvan Amsterdam ooit getuige was. Een
ontzaglijke menigte vulde de straten; alle vensters waren bezet.
Het geroep van „Leve de Keizer! Leve de Keizerin!” hield haast niet
op en H. H. M. M. toonden hunne gevoeligheid voor de talrijke
huldebetuigingen door met vriendelijkheid te groeten.
Nauwelijks aan het paleis aangekomen, ontving H. M. de ministers en de
Staatslieden, waarna de prins-gouverneur de eer had, Z. M. de hooge
beambten, de officieren der land- en zeemacht, de algemeene regeering,
den algemeenen raad, de rechtbank der eerste instantie, de kamer van
koophandel, de maire met diens adjuncten en den municipalen raad, den
chef van de garde d'honneur, alsmede die der nationale garde en de
dienaren der onderscheidene godsdiensten voor te stellen.
Het weder, dat den geheelen voormiddag betrokken geweest was, bleef
des middags goed en niet dan nadat H. H. M. M. aan het paleis waren
aangekomen begon het te regenen.
[Illustratie: INTOCHT VAN NAPOLEON TE AMSTERDAM.]
Des avonds was de geheele stad geïllumineerd. Den volgenden dag
bezocht Napoleon in een sloep de scheepstimmerwerf en verscheidene
gedeelten van de haven.
Om één uur 's namiddags ontving H. M. de Keizerin de complimenten der
regeeringsmachten, die den vorigen dag aan den Keizer waren voorgesteld
geworden. De Keizerin beantwoordde met de grootste minzaamheid de
toespraken. Na de audiëntie begaf H. M. zich mede in een sloep naar de
werf.
Des avonds hadden de dames van de voornaamste beambten der stad de eer,
voorgesteld te worden. Wat de verlichting betreft, muntten het paleis
van den prins gouverneur-generaal en het hotel van den prefect uit.
Al de voornaamste gebouwen, de voornaamste bruggen binnen de stad
en verscheidene op de meest in het oog loopende plaatsen gestelde
decoratiën hadden de aangenaamste uitwerking. Overal, waar H. H. M. M.
verschenen, weerklonk uit tal van monden: „Leve onze doorluchtige
Souvereinen!” als (naar een ooggetuige verhaalt) „het gevoelen van
verknochtheid en de geestdrift der Hollanders.”
Te Amsterdam bezocht Napoleon ook in het Trippenhuis de verzameling van
schilderijen van onze Hollandsche meesters. Op den terugtocht ging de
Keizerlijke stoet door de Halssteeg, waar iemand van de stadsreiniging
juist bezig was, het vuil op te halen en met zijn kar den weg versperde.
„De Keizer, de Keizer!” riep men den man toe en beduidde hem, dat hij
maken moest, met zijn kar uit de steeg weg te komen.
Heel onnoozel vroeg de man, of er een dokter aankwam.
„Neen, geen dokter,” zei men, „maar Keizer Napoleon.”
De man antwoordde echter heel bedaard: „Ik heb order alleen voor een
dokter uit den weg te gaan.” En hij verwijderde zich eerst, toen hij
zijn arbeid verricht had, zoodat Napoleon, die zich anders door niets
liet tegenhouden, nu geruimen tijd wachten moest op—een stadsreiniger.
Deze werd des avonds op het stadhuis ontboden. De man beriep zich
terecht op zijne instructie. Toch werd hij bij wijze van straf zes weken
in zijne bediening geschorst.
Te Amsterdam vroeg ook generaal Krayenhoff den Keizer te spreken.
Krayenhoff had in 1810 Neerlands hoofdstad op last van Koning Lodewijk
Napoleon tegen den Keizer in staat van verdediging gebracht. Napoleon,
die dit wist, vroeg toornig:
„Zijt gij dat, Mijnheer Krayenhoff, die Amsterdam hadt willen
verdedigen.” En moedig antwoordde de generaal:
„Ja, Sire, en het zou u niet gelukt zijn er in te komen, indien ik zulks
niet gewild had!”
De Keizer, door dit onverschrokken antwoord getroffen, vroeg, hoe de
generaal het zou aangelegd hebben, om Amsterdam tegen hem, Napoleon,
te verdedigen. Krayenhoff ontvouwde nu zijn verdedigingsplannen en de
Keizer, die het vernuftige er van moest erkennen, herstelde Krayenhoff
in zijn vroegeren rang in den werkelijken dienst.
Den 11 October voer Napoleon in een sloep door de grachten van
Amsterdam, terwijl de Keizerin in een open rijtuig een tocht door de
stad maakte.
Ook woonden de vorstelijke personen eene voorstelling in den
Amsterdamschen Schouwburg bij; aan het verslag hiervan ontleenen wij het
volgende:
„Een ontzaglijke toevloed had zich gisteren naar den schouwburg begeven;
bij het verlangen, om de talenten van Talma en Mej. Duchesnois te
zien, voegde zich een veel vermogender, dan al de overige, dat, om het
gezicht van twee aanbiddelijke Souvereinen te genieten. De verwachting
van het publiek is geenszins teleurgesteld geworden; om half negen zijn
H. H. M. M. in de loge gekomen en nu bevond zich het schouwtooneel in
de zaal; het leverde een uitmuntend gezicht op, een talloos gezelschap
te zien, geheel opgerezen, lauriertakken in de hoogte schuddende en
deze eenparige vreugdekreet herhalende: „Leve de Keizer!” „Leve Maria
Louise!” Zoodra de geestdrift der aanschouwers toeliet, dat iets anders
dan hunne stemmen gehoord werd, hief het orkest de aria aan: „Où peut on
être mieux?”—Het gejuich van „Leve de Keizer!” barstte opnieuw los en
Z. M. boog zich over zijn loge en scheen door zijn toegenegen glimlach
te zeggen: „Voorwaar, ik ben te midden mijner kinderen!””
De couranten bevatten in ons land een paar dagen later het volgende
bericht:
„Een Commissaris van Politie, heden bij het aanbreken van den dag de
ronde doende, heeft bevonden, dat er verzen aan de deuren van het paleis
aangeplakt waren; hij kon met grond vermoeden, dat deze in een kwalijk
gezinden geest waren. De nacht is slechts aan heimelijke en misdadige
verrichtingen gunstig, doch hoe groot was zijne verwondering te
ontwaren, dat deze verzen een edele en verfijnde hulde aan Z. M.
inhielden.
„Ziehier dezelve:
„Op het Keizerlijk paleis te Amsterdam. (Het paleis spreekt):
Triumf; ik, 't pronkstuk der gebouwen,
Mag thans mijn waar geluk op 't allerhoogst aanschouwen,
Want in mijn luistervollen staat
Ben ik de zetel en de woning
Des Franschen Keizers en des Italiaanschen Koning,
Wiens hart voor de onderdanen slaat;
Dus is mijn naam op 't hoogst gerezen!
En 'k mag nu eerst met recht het achtste wonder wezen!”
Van uit Amsterdam maakten de vorstelijke personen verschillende
uitstapjes naar omliggende plaatsen en vertrokken 24 October weder.
Als een bewijs, hoe overdreven sommigen over Napoleon dachten, besluiten
wij hier met een uittreksel uit een brief uit Utrecht, den 9 Oct. 1811
geschreven:
„Voor het den grooten Napoleon behaagde zich binnen onze muren
te houden, aanschouwden wij in hem, den eersten der helden, het
verwonderingwekkendst genie, dat de wereld immer tot luister strekte;
maar verre was het van ons, eenig juist denkbeeld van zijne goedheid te
kunnen maken. Hij is onder ons verschenen als een vader te midden van
zijne kinderen, zonder geleide, zonder wachten, omringd en gedrongen
door de menigte, die onverzadelijk was, zijne gelaatstrekken te
beschouwen en hem hare liefde te bewijzen. Men wedijverde, wien het
gebeuren zou zijn rok, het dekkleed of wel de teugels van zijn paard aan
te raken, terwijl hij, alleen groetende met die minzaamheid, welke hem
zoo bijzonder eigen is, aldus de stad stapvoets doorreed, met niets
bekommerd, dan met de zorg, om allen voor gevaar te behoeden, die in
hunne geestvervoering zich voor hem nederwierpen en ofschoon zij hem
reeds gezien hadden, hem nogmaals wilden zien.
„Ik ben ooggetuige geweest, mijn vriend, van dat verrukkend tooneel;
dan, geen minder levendige aandoeningen hebben mijn ziel vervuld, toen
ik, toegelaten ten gehoor bij Z. M., met al de publieke ambtenaren hem
onze belangen heb hooren behandelen; geen der minste bijzonderheden van
bestuur te gering achtende en met een doorzicht, dat hem alleen eigen
is, klem gevende aan elk antwoord, dat hem op zijne vragen werd gegeven.
„Ik had den vader van het volk, den wetgever van het rijk bewonderd,
ik wilde ook den held volgen op de vlakte, waar zijne legerscharen
verzameld waren, maar hoe zou ik u de nieuwe aandoeningen kunnen
afmalen, die ik gevoelde: de geestdrift der soldaten, zoo dikwijls door
hem ter overwinning geleid, de vervoering van alle aanwezenden, op de
aankomst der Keizerin, vooral toen de troepen voorbij haar gedefileerd
hadden en elk soldaat hare trekken heeft kunnen bewonderen, die
mengeling van waardigheid en onveranderlijke welwillendheid, die haar de
lust en de liefde doen zijn van een volk, welks geluk zij vereeuwigd
heeft.”
En niet alleen in Nederland werd Napoleon zooveel eer bewezen, maar in
geheel Europa, Engeland uitgezonderd. Rust kende hij niet. De helft van
zijn tijd haast bracht hij op reis door.
Toch was de hulde, die men den Keizer in ons land bracht, niet enkel
geveinsdheid. Gelijk uit een versje onder een plaatje uit die dagen
blijkt, was men niet blind voor het vele, dat Napoleon ook voor ons land
heeft gedaan.
De krijgstochten van zijn leger voerden Napoleon door geheel Europa en
bijna overal verscheen het Fransche leger als heerscher en niet als
vreemde.
De meeste kasteelen waren hem bekend. Zijn staf, de officieren en
lakeien van zijn hofstoet vertrokken een dag eerder dan hun heer. Als 's
avonds dan de keizerlijke reiswagen in galop onder de poort doorreed,
stonden de fakkeldragers reeds bij de trap gereed.
Zijn eigen dienaren openden de deuren en alsof hij thuis was, ging
de kleine man in de grijze jas de trappen op, terwijl de werkelijke
bedienden van het paleis verbluft op zijde bleven staan, met brandende
kaarsen in de bevende handen. Door de lange rij van vertrekken ging hij
dan dadelijk naar zijn eigen kamers; zijn kamerdienaar ontdeed hem van
zijn kleeren en dadelijk sprong de Keizer in het wachtende, dampende
bad. Alles, wat tot zijne reisbenoodigdheden behoorde, was van kostbare
kwaliteit, en het moest netjes en precies op de bepaalde plaats liggen.
Zijn paarden waren uitstekende dieren, altijd zes, twee aan twee naast
elkander gespannen, ieder paar voorzien van een even bekwamen menner.
Om een afstand van 20 K.M. af te leggen, werd vier keer halt gehouden om
de paarden te verwisselen, zoodat hij met dezelfde paarden hoogstens 5
K.M. reed.
Het gewone rijtempo was een soort galop; men moet daarbij bedenken, dat
de straten en wegen, die toen bestonden, groote bezwaren leverden voor
het verkeer.
Van lezen of het bestudeeren der landkaarten kon gedurende den tocht
geen sprake zijn. Toch moest iedere halte voorzien zijn van boeken,
kaarten en schrijfmateriaal. Hij had echter gedurende zijn reis genoeg
te denken.
Als hij naar het Oosten reed, was zijn geest vervuld met zijn
veldtochten. Onderweg kwamen renboden hem tegemoet. Op bepaalde
plaatsen werd hij reeds opgewacht door Maarschalken, die met hem wilden
confereeren. Dag en nacht galoppeerde zijn wagen dan weder door steden
en dorpen, door bosch en veld. Donderend ratelde het rijtuig, met slijk
en modder bespat, soms midden in den nacht door de nauwe straatjes van
Duitsche steden, de lichtjes van den wagen flikkerden spookachtig door
de duisternis.
Frankrijk was voor Napoleon te eng; Europa was hem te eng; in de schaduw
der Pyramiden heeft hij gevochten. Alles beefde voor dezen man; alles
vleide hem; inderdaad werd hem afgodische eer bewezen.