Padua. Voor het huis van Battista.
Tranio en de Pedant, de laatste als Vincentio gekleed, komen op.
TRANIO. Heer, dit is 't huis; verlangt gij, dat ik klop?
PEDANT. Wat anders? en als ik mij niet bedrieg,
Zal ik signor Battista nog wel voorstaan;
't Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in Genua
Onze' intrek hadden in den Pegasus.
TRANIO. Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur',
Uw deftigheid, zooals 't een vader past.
(Biondello komt op.)
PEDANT. Ik sta u borg;--maar, heer, daar komt uw dienaar;
Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak.
TRANIO. O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister!
Pas nu goed op, en weet,--vergis u niet,--
Deez' heer is thans Vincentio in persoon.
BIONDELLO. O, wees gerust.
TRANIO. En bracht ge uw boodschap over aan Battista?
BIONDELLO. Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië,
En wordt vandaag in Padua verwacht.
TRANIO. Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.--
Daar komt Battista; heer, houd thans u goed.
(Battista en Lucentio komen op.)
Signor Battista, dat is wel getroffen.--
Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak.
Ik bid u, geef uw vaderhart het woord;
Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca.
PEDANT. Al zacht, mijn zoon!--
Vergun mij, heer: ik kwam naar Padua
Om schulden te innen, en daar meldt mijn zoon
Lucentio mij een zeer gewichtig nieuws,
Van liefde tusschen hem en uwe dochter;
En daar ik zooveel goeds van u vernam,
En merk, dat hij uw dochter teer bemint
En zij hem ook, zoo houd ik hem niet op,
En keur, zooals een zorg'lijk vader doet,
Goed, dat hij trouwt; en,--denkt gij zooals ik,--
Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag,
En stemmen wij te zaam in 't huw'lijk toe;
'k Wil geen bedenktijd nemen nu 't u geldt,
Signor Battista; 'k hoor veel goeds van u.
BATTISTA. Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;--
Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij;
Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hier
Mijn dochter mint en zij hem weer bemint,
Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen;
En daarom, als gij dit mij slechts verklaart,
Dat gij als vader met hem hand'len zult,
En haar een passend weduwgoed verzeek'ren,
Dan zijn wij 't eens en is het huwlijk klaar
En geef ik graag mijn dochter aan uw zoon.
TRANIO. Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best,
Dat de verloving plaats grijp' en 't contract,
Dat wederzijds voldoet, geteekend word'?
BATTISTA. Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren,
Zooals ge weet, en 'k heb vrij wat bedienden;
En de oude Gremio ligt er niet voor niets
Steeds op de loer; licht werden wij gestoord.
TRANIO. Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt.
Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daar
Van avond stil de zaak in orde brengen;
Ontbied uw dochter door uw dienaar hier;
Mijn dienaar spoede zich naar den notaris.
Het ergst is,--bij 't onvoorbereid bezoek
Vindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal.
BATTISTA. Mij is het goed;--ga, Cambio, huiswaarts nu,
En zeg Bianca met u mee te gaan,
En, wilt ge, deel haar mede, hoe 't hier staat;--
Dat hier de vader van Lucentio is,
En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt.
LUCENTIO. De goden geven 't! 't is mijn hartewensch!
TRANIO. Haal er de goden maar niet bij; doch ga!
Signor Battista, mag ik u eens voorgaan?
Welkom! maar 'k vrees, het maal telt één gerecht;
Doch, heer, in Pisa maken we alles goed.
BATTISTA. Ik volg u.
(Tranio, de Pedant en Battista af.)
BIONDELLO. Cambio!
LUCENTIO. Wat wilt ge, Biondello?
BIONDELLO. Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en
u toelachte?
LUCENTIO. Wat zou dat, Biondello?
BIONDELLO. Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de
beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen.
LUCENTIO. Kom aan dan, voor den dag met de toepassing!
BIONDELLO. Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat
gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon.
LUCENTIO. En wat verder met hem?
BIONDELLO. En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen.
LUCENTIO. En verder?
BIONDELLO. De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren
van den dag tot uw beschikking.
LUCENTIO. En wat moet dit alles?
BIONDELLO. Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een
waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar, cum
privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester,
den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen:
Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag;
Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.
(Hij wil heengaan.)
LUCENTIO. Hoor nog eens, Biondello!
BIONDELLO. Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die
trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie
te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel,
heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk
gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen
dat gij er komt met uw appendix.
(Biondello af.)
LUCENTIO. Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt;
Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz'ling meer!
Het loop' hoe 't loop', ik ga 't haar ronduit voorslaan;
En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan.
(Allen af.)