PETRUCCIO. Ja, daar zit 'em de schelmerij.
GRUMIO. Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb
besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid;
en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed
gewapend.
SNIJDER. Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan
zou ik 't je wel leeren.
GRUMIO. Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst
en geef mij je meetstok; en spaar me niet.
HORTENSIO. Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor.
PETRUCCIO. Nu, kort en goed, man; 't kleed is niet voor mij.
(Hij werpt het op den grond.)
GRUMIO. Gij hebt gelijk, 't is voor mijn meest'res.
PETRUCCIO (tot den Snijder). Neem 't op, man, 't is ten dienste van
uw meester.
GRUMIO. Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres
opnemen ten dienste van je meester!
PETRUCCIO. Wel, man, wat zoek je daarachter?
GRUMIO. O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt;
Het kleed opnemen van mijn meesteres.
Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei!
PETRUCCIO (ter zijde). Hortensio, zeg, dat gij 't betalen zult.
(Luid.) Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer.
HORTENSIO (tot den Snijder). Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt
gij 't geld;
En wees maar niet verstoord om zijne drift.
Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester.
(Snijder af.)
PETRUCCIO. Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe,
In dit armoedig, doch welvoeg'lijk kleed;
Met trotsche beurs, schoon need'rig van gewaad;
De geest alleen geeft aan het lijf waardij;
Gelijk de zon door zwarte wolken breekt,
Zoo schittert de eer zelfs in het need'rigst kleed.
Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik,
Omdat zijn veed'ren fraaier zijn van kleur?
Wie acht een adder beter dan den aal,
Omdat haar bonte huid het oog bekoort?
Neen, Kaatjelief, gij zijt in 't minst er niet
Te minder om, al is 't gewaad wat min.
Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last;
Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad'lijk naar
Uws vaders huis om vroolijk feest te vieren.--
Ga, roep mijn volk; wij reizen daad'lijk af;
Men breng' de paarden aan het eind der laan;
Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.--
Laat zien; het is nu zeven uur omtrent,
Wij kunnen juist op etenstijd er zijn.
KATHARINA. Geloof me, waarlijk, 't is niet ver van twee;
't Is tijd voor 't avondmaal, eer gij er zijt.
PETRUCCIO. 't Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard;
Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen,
Nooit is het goed.--Gij knapen, gaat maar heen;
Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik 't doe,
Zal het zoo laat zijn, als ik 't hebben wil.
HORTENSIO. Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet.
(Allen af.)