Een openbare weg.
Petruccio, Katharina en Hortensio komen op.
PETRUCCIO. Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis!
Heer God, hoe hel, hoe vriend'lijk schijnt de maan!
KATHARINA. De maan! de zon, 't is nu geen maneschijn.
PETRUCCIO. Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt.
KATHARINA. Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt.
PETRUCCIO. Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf,
Maan zal het zijn of ster of wat ik wil,
Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;--
Hei daar! geleidt de paarden maar terug;--
Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak!
HORTENSIO. Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit.
KATHARINA. O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver;
En zij het maan of zon of wat gij wilt;
Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen,
Ik zweer, voortaan zal 't ook voor mij zoo zijn.
PETRUCCIO. Ik zeg, het is de maan.
KATHARINA. Ja, 'k weet, zoo is 't.
PETRUCCIO. Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon.
KATHARINA. Ja, dan is 't, lieve God, de lieve zon;--
Maar 't is de zon niet meer, zegt gij van neen;
Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil.
Zooals gij 't noemen wilt, zoo is het ook;
En zoo zal 't ook voor Katharina zijn.
HORTENSIO. Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld.
PETRUCCIO. Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goed
En poedelt niet meer zijwaarts aan 't beschot.--
Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden?
(Vincentio, in reisgewaad, komt op.)
(Tot Vincentio.) Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?--
Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht,
Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangen
Het wit en rood zoo om den voorrang streden?
En welke sterren sieren zoo den hemel,
Als die twee oogen 't hemelsche gelaat?--
Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!--
Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon.
HORTENSIO. Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt.
KATHARINA. Jong, maagd'lijk knopje, schoon en frisch en zoet;
Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis?
Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind;
Driewerf gelukkig hij, wien 't gunstig lot
U als beminn'lijk echtgenoot beschikt!
PETRUCCIO. Hoe heb ik 't, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen?
Dit is een man, oud, rimp'lig, bleek, verweerd;
En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt.
KATHARINA. Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden;
Zij waren door de felle zon verblind;
En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor.
Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader;
Vergeef mij, bid ik u, deez' dolle dwaling.
PETRUCCIO. Ja, doe dat, waardig vader, en deel ook
Ons meê, waarheen gij reist; gaan we éénen weg
Dan zal ons uw gezelschap welkom zijn.
VINCENTIO. Mijn waarde heer,--en gij mijn vroolijk vrouwtje,
Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,--
Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa,
En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoon
Bezoeken, dien 'k in lang niet heb gezien.
PETRUCCIO. Hoe heet hij, heer?
VINCENTIO. Lucentio, waarde heer.
PETRUCCIO. Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon.
Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts,
Maar uit verwantschap, vader noemen; want
De zuster van mijn vrouw, deez' dame, is juist
Met uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt;
't Zij u geen leed; zij is van elk geacht,
Brengt heel wat mee, en is van eed'len stam;
En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voor
De gade van een edelman kan wenschen.
Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand;
En gaan wij samen naar uw wakk'ren zoon,
Wien wis uw aankomst recht verblijden zal.
VINCENTIO. Maar is dit waar, of is 't uw lust, uit scherts,
Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd'ling,
Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden?
HORTENSIO. Neen, 't is zoo, vader, ik verzeker 't u.
PETRUCCIO. Ga mede en overtuig uzelf er van;
Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn.
(Petruccio, Katharina en Vincentio af.)
HORTENSIO. Petruccio, zie, dit steekt me een hart in 't lijf.
Naar 't weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn,
Niet vrucht'loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn.
(Hortensio af.)