TWEEDE TOONEEL.

Padua. Voor het huis van Battista.

Tranio en Hortensio komen op.

TRANIO. Vriend Licio, is 't moog'lijk, dat Bianca

Een ander dan Lucentio bemint?

Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor 't oog.

HORTENSIO. Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak,

Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht.

(Zij gaan ter zijde.)

(Bianca en Lucentio komen op.)

LUCENTIO. Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest?

BIANCA. Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest.

LUCENTIO. Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen.

BIANCA. O blijk weldra, heer, meester in die kunst!

LUCENTIO. Ja, dier'bre meesteresse, door uw gunst!

(Zij gaan voorbij.)

HORTENSIO. Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorst

Een eed doen: uw meest'res Bianca minde

Ter wereld niemand dan Lucentio.

TRANIO. O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk!

Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord.

HORTENSIO. Ik werp het masker af; ik ben niet Licio,

Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn;

Maar een, wien 't nu verdriet vermomd te zijn

Voor iemand, die een edelman versmaadt

En zulk een schobbejak als God vereert;

Mijn ware naam, heer, is Hortensio.

TRANIO. Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio,

Van uwen grooten hartstocht voor Bianca;

Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheid

Getuige, en 'k zweer met u,--dunkt dit u goed,--

Voor eeuwig haar en hare min hier af.

HORTENSIO. Zie eens dat koozen, kussen!--Hier, Lucentio,

Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:--

Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af,

Omdat zij nooit de teederheid verdiende,

Waarmede ik dwaas'lijk haar bewierookt heb.

TRANIO. En hier doe ik oprecht denzelfden eed,--

Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze 't mij;

Foei, zie, hoe schand'lijk zij daar met hem koost!

HORTENSIO. Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!--

Ikzelf,--zoo houd ik wis mijn eed,--ik neem,

Eer 't jaar drie dagen ouder is, tot vrouw

Een rijke weeuw, die al den tijd, dat mij

Dit preutsche meisje boeide, heeft bemind.

En nu vaarwel, Signor Lucentio.

Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheid

Verwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u,

En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer.

(Hortensio af.)

(Lucentio en Bianca komen naar voren.)

TRANIO. Jonkvrouw Bianca, stroome u ied're zegen,

Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen,

Ja, ja, 'k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind,

En afgezworen, met Hortensio.

BIANCA. Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af?

TRANIO. Ja, jonkvrouw.

LUCENTIO. Goed; dan zijn wij Licio kwijt.

TRANIO. O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje,

Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn.

BIANCA. Wel moog' het hem bekomen!

TRANIO. Ja, en hij maakt haar mak.

BIANCA. Dit zegt hij, Tranio.

TRANIO. Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool.

BIANCA. De makmaakschool; wat! is er zulk een ding?

TRANIO. Ja toch; Petruccio geeft er les, en leert

Er op zijn elf en dertigst, hoe een man

Een booze vrouwetong bezweren kan.

(Biondello komt haastig aangeloopen.)

BIONDELLO. O meester, 'k stond zoo lang op wacht, dat ik

Zoo moe ben als een hond; maar eind'lijk daalt

Ginds van den berg een oude hemelzend'ling,

Die juist ons past.

TRANIO. Wat man is 't, Biondello?

BIONDELLO. 't Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer,

Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed,

Naar gang en houding op ende op een vader.

LUCENTIO. Wat wilt ge, Tranio?

TRANIO. Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal,

Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt,

En borg is bij Battista Minola,

Als waar' hij onvervalscht Vincentio.

Ga met uw liefste heen; laat mij begaan.

(Lucentio en Bianca af.)

(Een Pedant komt op.)

PEDANT. Gegroet, heer!

TRANIO. Insgelijks; wees welkom, heer!

Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan 't doel?

PEDANT. Ik ben aan 't doel, heer, voor een week of twee;

Dan reis ik verder op, en wel naar Rome,

En dan, als God wil, heel naar Tripoli.

TRANIO. Vergun, wat landsman, heer?

PEDANT. Van Mantua.

TRANIO. Van Mantua?--Verhoede 't God! En zijt gij

Uw leven moe, dat gij naar Padua komt?

PEDANT. Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik!

TRANIO. Elk, die uit Mantua in Padua komt,

Die is des doods. En weet gij niet waarom?

Venetië legt beslag op uwe schepen;

De doge ligt in twist met uwen hertog,

En heeft het openlijk bekendgemaakt.

't Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan,

De lezing ware u anders niet ontgaan.

PEDANT. Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij,

Want ik heb wisselbrieven uit Florence,

Die ik alhier te gelde maken moet.

TRANIO. Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ik

Dit doen, en dezen raad u geven:--maar

Zeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest?

PEDANT. Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest,

Pisa, beroemd door tal van wakk're burgers.

TRANIO. Kent gij daaronder zeek'ren heer Vincentio?

PEDANT. Niet van persoon, doch 'k heb van hem gehoord;

Een koopman van onmetelijk fortuin.

TRANIO. Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woord

Hij heeft in zijn gelaat wel wat van u.

BIONDELLO (ter zijde). Zooals een appel van een oester, ja precies.

TRANIO. Om 't leven u te redden in deez' nood,

Wil ik om zijnentwil deez' dienst u doen;

Gij, reken het voorwaar geen klein geluk,

Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt.

Gij borgt van hem den naam nu en 't krediet,

En neemt,--dit spreekt,--uw intrek in mijn huis;--

Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt;

Begrepen, heer?--en blijf gerust, tot gij

Uw zaken in de stad hebt afgedaan;

Acht gij dit aanbod goed, heer, neem 't dan aan.

PEDANT. O gaarne, heer, en immer roem ik u

Als redder van mijn leven en mijn vrijheid.

TRANIO. Kom mee dan, en terstond aan 't werk getogen!

Voorloopig echter deel ik dit u mee:

Mijn vader wordt hier elken dag verwacht,

Om 't weduwgoed te reeg'len voor mijn bruid,

De dochter van een zeek'ren heer Battista.

Dit alles moet ge omstandig weten, heer;

Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand.

(Allen af.)

De getemde feeks · 第 17 / 30 题