Een kamer in Petruccio's huis.
Katharina en Grumio komen op.
GRUMIO. Neen, neen, voorwaar, ik durf niet 't gold mijn leven.
KATHARINA. Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon!
Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong'ren?
Geen beed'laar smeekt er aan mijns vaders deur,
Of oogenblikk'lijk krijgt hij ook een aalmoes,
Of anders vindt hij elders wel erbarming;
Doch ik,--die nimmer wist wat smeeken is,
En die de nood tot smeeken nimmer dwong,--
Ik sterf van honger, suizebol van slaap;
Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier;
En,--wat mij dieper krenkt dan al deez' nood,--
Hij kleurt dit met den schijn van teederheid,
Als zei hij: "Slaap toch niet", en "Eet toch niet;
"'t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk."--
Ik bid u, breng mij iets om te eten! breng
Wat het ook zij, als het maar eetbaar is.
GRUMIO. Wat dunkt u van een kalfspoot?
KATHARINA. O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u.
GRUMIO. Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.--
Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens?
KATHARINA. O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio.
GRUMIO. Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek.
Wat dunkt u,--een stuk ossevleesch met mosterd?
KATHARINA. 't Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken.
GRUMIO. Ja, maar die mosterd is wat al te prikk'lend.
KATHARINA. Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg.
GRUMIO. Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd,
Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch.
KATHARINA. Nu, 't een of 't ander, beide, of wat gij wilt.
GRUMIO. Nu, dan den mosterd zonder 't ossevleesch.
KATHARINA. Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel,
(Zij slaat hem.)
Die mij met etensnamen spijzen wilt;
Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent,
Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend!
Weg, zeg ik, scheer u weg!
(Petruccio komt op, met een schotel, vergezeld van Hortensio.)
PETRUCCIO. Hoe is 't, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig?
HORTENSIO. Hoe is 't, mevrouw?
KATHARINA. Nu, waarlijk slecht genoeg.
PETRUCCIO. Kom, opgewekt! en zie mij vriend'lijk aan.
Zie, liefste, zie, hoe 'k alles voor u doe;
Ik richt het maal zelf aan en breng 't u hier,
(Hij zet den schotel neer.)
En reken, lieve Kaatje, op uw dank.
Wat, zelfs geen woord? Dan is 't niet naar uw smaak,
En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;--
Hier, neem den schotel weg.
KATHARINA. Ach, laat hem staan.
PETRUCCIO. De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden,
En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank.
KATHARINA. Ik dank u zeer.
HORTENSIO. Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;--
Kom, eet, mevrouw; 'k zal u gezelschap houden.
PETRUCCIO (ter zijde). Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.--
't Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje,
Eet spoedig af;--want hoor, mijn zoetelief,
Wij gaan nu naar uws vaders huis en komen
Er op het feest eens prachtig voor den dag,
Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen,
Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen,
Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi,
Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi.
Hebt gij gedaan? De snijder staat gereed
En hult u in een ruischend zijden kleed.
(Een Snijder komt op.)
Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei
't Gewaad nu uit.--
(Een Hoedenmaker komt op.)
En gij, wat nieuws brengt gij?
HOEDENMAKER. Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde.
PETRUCCIO. Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd!
Een schotel van fluweel! Foei, miss'lijk, aak'lig!
O foei, een oester of een notedop,
Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed!
Kom, weg er mee, en laat me een groot'ren zien.
KATHARINA. Ik wil geen groot'ren; dit is juist de smaak;
Zoo dragen het de dames van het hof.
PETRUCCIO. Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed,
Doch eerder niet.
HORTENSIO (ter zijde). Dat loopt nog wel wat aan.
KATHARINA. Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk,
En 'k wil het zeggen; 'k ben geen kind, geen zuig'ling;
Ik heb, wat mij op 't hart lag, steeds gezegd,
Aan beet'ren zelfs dan gij; verdraagt gij 't niet,
Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten;
Mijn hart bezweek van ergernis, zoo 'k zweeg;
En eerder geef ik, wat ik denk en wil,
Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht.
PETRUCCIO. Gij hebt gelijk, afschuw'lijk is de hoed,
Een taartendeksel, een pastei van taf;
't Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt.
KATHARINA. Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief:
Dien wil ik hebben, of ik wil er geen.
(De Hoedenmaker vertrekt.)
PETRUCCIO. Ah ja, uw kleed!--Kom, snijder, laat eens zien.--
Gerechte hemel! goed voor vastelavond!
Wat 's dit?--een mouw? 't lijkt wel een klein kanon,
Gekorven op en neer, als appeltaart;
't Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap;
't Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;--
Hoe noemt ge, snijder, dit, in 's duivels naam?
HORTENSIO (ter zijde.) Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed.
SNIJDER. De last was, om het net en, zooals 't hoort,
Te maken naar den laatsten smaak en snit,
PETRUCCIO. Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel,
Ik sprak niet van versnijden naar den smaak.
Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis,
Dros op, maar zonder mijn klandisie, man;
Ik dank je; zie maar, dat je 't elders slijt.
KATHARINA. Ik zag nog nooit een kleed van beter snit,
Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig;
Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word.
PETRUCCIO. Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt.
SNIJDER. Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt.
PETRUCCIO. Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos,
Jij vingerhoed!
Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste!
Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel,
Jij endje draad, mij tarten in mijn huis!
Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper,
Of ik neem met jouw el je zóó de maat,
Dat heel je leven je deez' praatjes rouwen!
Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt.
SNIJDER. Uw edelheid vergist zich; 't is gemaakt,
Precies zooals 't mijn meester werd besteld,
Hier, Grumio, gaf hem op, hoe 't wezen moest.
GRUMIO. Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof.
SNIJDER. En wat hebt gij van 't maken dan gezegd?
GRUMIO. Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf.
SNIJDER. En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn?
GRUMIO. Je hebt zeker al heel wat geboord?
SNIJDER. Nog al.
GRUMIO. Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt
zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies
nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester
gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten,
het heelemaal stuk te snijden; ergo, je liegt.
SNIJDER. Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs.
PETRUCCIO. Lees op.
GRUMIO. Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het
zoo besteld heb.