(De Bedienden af.--Petruccio zingt.)
"Waar zijn mijn vroeg're dagen heen?
"Waar zijn"--Ga zitten, Kaatje, welkom thuis!
Oef, oef, oef, oef!
(Het eten wordt opgebracht.)
Komaan, wat vlug!--Wees vroolijk, liefste Kaatje!
Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt!
(Hij zingt.)
"Een kloosterling in grauwe pij,
Die kwam een heilig huis voorbij;"--
Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid;
Pak aan! (Hij geeft hem een oorveeg.) en trek die and're beter uit.--
Wees vroolijk, Kaatje;--water hier! en vlug!--
Waar is mijn poedel Hector?--Knaap, ga zeggen,
Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;--(Een Bediende af.) dìen moet
Gij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom.
Waar zijn mijn muilen?--Komt het water haast?
(Een Bediende biedt hem een waschkom en waterkan aan.)
Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart'lijk welkom.
(De Bediende laat de kan vallen.)
Infame vlegel! laat je 't vallen? Hier!
(Hij slaat hem.)
KATHARINA. Verschoon het, man; het was bij ongeluk.
PETRUCCIO. Het is een schoelje, een langoor, een schavuit!
Ga zitten, Kaatje, gij zult hong'rig zijn.
Doet gij 't gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?--
Wat is dat? Lamsbout?
EERSTE BEDIENDE. Ja.
PETRUCCIO. Wie bracht dat?
EERSTE BEDIENDE. Ik.
PETRUCCIO. 't Is aangebrand; en zoo is al het eten;
Wat hondevolk!--Waar is die schelmsche kok?
Hoe hebt gij, schurken, 't hart, op onze tafel
Zulk goed te brengen, dat oneetbaar is?
Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles;
(Hij werpt het eten enz. over den vloer.)
Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas;
Wat! bromt ge? 'k Zal je leeren, hoe het hoort!
KATHARINA. Ik bid u, wees niet driftig, lieve man;
Het eten was heel goed, als gij 't woudt proeven.
PETRUCCIO. Neen, Kaatje; 't was verdroogd en aangebrand;
Zulk eten is uitdrukk'lijk mij verboden,
Omdat het gal verwekt en ergernis;
Veel beter is het, dat wij beiden vasten,--
Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,--
Dan dat we ons prikk'len met verbraden vleesch.
Geduld maar, morgen zal het beter zijn,
En dezen avond vasten wij eens saam.
Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek.
(Petruccio, Katharina en Curtis af.)
NATHANIEL. (vooruitkomend.) Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien?
PETER. Hij maakt haar met haar eigen grillen klein.
(Curtis komt terug.)
GRUMIO. Waar is hij?
CURTIS. In haar kamer,
En prijst met een sermoen haar 't vasten aan;
En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme ziel
Niet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken,
En zit als een, die uit een droom ontwaakt.
Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug.
(Allen af.)
(Petruccio komt weder op.)
PETRUCCIO. 'k Aanvaardde mijn regeering met beleid,
En ben vol moed, dat alles goed zal gaan;
Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar 't oog;
En tot zij mak is, krijgt zij niet volop,
Want anders komt ze niet op mijn geroep.
'k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temt
En komen laat op 't roepen van den baas;
Ik houd haar wakker evenals een valk,
Die klept en slaat en ongehoorzaam is.
Zij at van daag geen beet en mag 't ook niet,
Sliep gist'ren niet en zal 't van nacht ook niet;
Zooals van 't eten, zeg ik van het bed,
En zonder grond, dat niets is zooals 't hoort,
En werp het kussen hier, de peluw daar,
En hier het dek en ginds de lakens heen;--
Ja, en bij al 't getier, geef ik toch voor,
Dat ik zoo doe uit teed're zorg voor haar.
Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker;
En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik,
Dat haar het leven wel klaar wakker houdt;
Zoo wordt ze klein gemaakt door teed're zorg,
En buig ik wel haar dollen, kreeg'len kop.
Weet voor een temkuur iemand beet'ren raad,
Hij deele 't mee, zijn evenmensch ten baat.
(Petruccio af.)