EERSTE TOONEEL.

Een zaal in Petruccio's landhuis.

Grumio komt op.

GRUMIO. Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle

dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo

geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch

zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij

komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo'n kleine pot,

die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden

vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf,

eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;--maar ik zal mijzelf

warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken,

een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis!

(Curtis komt op.)

CURTIS. Wie roept daar met zoo'n bevroren stem?

GRUMIO. Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan

maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van

mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis!

CURTIS. Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio?

GRUMIO. Ja, ja, Curtis, ja; en daarom vuur, vuur en gooi er geen water,

geen water op!

CURTIS. Is zij wezenlijk zoo'n heetgebakerde feeks, als men vertelt?

22

GRUMIO. Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je

weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft

mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook,

broeder Curtis.

CURTIS. Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest.

GRUMIO. Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en

zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken,

of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,--en

ze is nu ophanden,--gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo

lauw bent in je warmen dienst.

CURTIS. Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om?

GRUMIO. De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm

baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat

je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna

doodgevroren.

CURTIS. Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met

wat nieuws!

GRUMIO. Nu, hoor dan: "Er waren zeven kikkertjes" (Hij zingt.) en

zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien.

CURTIS. Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet.

GRUMIO. Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik

gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het

huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd,

de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in

hun bruîgomspakken?

Zijn de kannen kant en de bekers klaar,

Niets aangebrand en alles goed gaar,

En de vloer wel gezand voor het jonge paar?

Is alles in orde?

CURTIS. Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws!

GRUMIO. Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is;

en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn

uitgevallen.

CURTIS. Zoo?

GRUMIO. Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele

geschiedenis aan vast.

CURTIS. Zoo, laat hooren, beste Grumio!

GRUMIO. Stil, aan 't oor.

CURTIS. Hier.

GRUMIO. Daar (Hij geeft Curtis een oorveeg.)!

CURTIS. Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren.

GRUMIO. En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar 't was

alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik:

primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed

achter mijn meesteres.

CURTIS. Samen op één paard?

GRUMIO. Wat vertel je?

CURTIS. Samen op een paard?

GRUMIO. Vertel jij dan de geschiedenis;--maar, als je me niet in de

rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij

onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar

was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar

paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde;

hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij

vloekte; hoe zij smeekte,--zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik

schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe

ik mijn staartriem verloor;--en nog veel andere gedenkwaardige dingen,

die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid

tot uw graf wederkeeren.

CURTIS. Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij.

GRUMIO. Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden,

als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?--roep

toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest;

laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed

borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging

maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan

te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust

hebben. Zijn ze allen klaar?

CURTIS. Ja zeker.

GRUMIO. Roep ze dan hier.

CURTIS. Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet

gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres.

GRUMIO. Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen.

CURTIS. Nu, wie weet dat niet?

GRUMIO. Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor

haar een figuur te maken.

CURTIS. Ik riep hen, om haar eer te bewijzen.

GRUMIO. Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en

daar ze 't wel mee doen kan.

(Eenige Bedienden komen op.)

NATHANIEL. Welkom thuis, Grumio!

FLIP. Hoe gaat het, Grumio?

JOZEF. Kijk eens aan! Grumio!

KLAAS. Zoo, zoo, onze vriend Grumio!

NATHANIEL. Hoe staat het ermee, ouwe jongen?

GRUMIO. Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend,

jij;--en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me 'reis, mooie jongens,

is alles klaar, is alles in de puntjes?

NATHANIEL. Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen?

GRUMIO. Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom

op,--Heere beware, stil, daar is hij al!

(Petruccio en Katharina komen op.)

PETRUCCIO. Waar is 't geboeft? Wat! niemand aan de deur,

Die mij den beugel hield, het paard mij afnam!

Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip?

ALLEN. Hier, hier, heer! hier, heer!

PETRUCCIO. Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer!

Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels!

Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?--

Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb!

GRUMIO. Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging,

PETRUCCIO. Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind!

Heb ik je niet gezegd, dat jij in 't park

Met dit geboeft' mij tegenkomen zoudt?

GRUMIO. Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd;

En Gabriels schoenen sloften telkens uit;

Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed;

De scheê van Walters dolk werd juist gelapt;

In 't beste pak slechts Adam, Ralph en Flip,

Al de and'ren haav'loos en gescheurd; maar toch,

Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst.

De getemde feeks · 第 15 / 30 题