Een boodschap van den kardinaal.
Drie dagen later kwamen de vier musketiers te _Parijs_ terug; zij waren
binnen de grenzen van hun verlof gebleven en gingen nog dienzelfden
avond, volgens gewoonte, bij den heer de Tréville een bezoek
afleggen.--„Wel, heeren!” vroeg de brave kapitein, „hebt gij u goed
vermaakt gedurende uw uitstapje?”--„Ontzaglijk!” antwoordde Athos in
zijn naam en in dien zijner vrienden.
Den zesden dag der volgende maand verliet de koning _Parijs_, de belofte
houdende, die hij den kardinaal had gedaan, van naar _la Rochelle_ terug
te keeren, en nog geheel bedwelmd door het gerucht, dat alom was
verspreid, dat Buckingham vermoord was geworden.
Hoewel gewaarschuwd, dat de man, dien zij zooveel liefde had
toegedragen, aan gevaar was blootgesteld, wilde echter de koningin, toen
men haar zijn dood verkondigde, zulks niet gelooven; zij ging zelfs zoo
ver onvoorzichtig uit te roepen: „Dat is valsch! hij heeft mij juist
geschreven.”--Maar den volgenden dag moest zij wel geloof hechten aan
dit treurig nieuws. La Porte, zooals iedereen door de bevelen van Karel
I in _Engeland_ opgehouden, was nu aangekomen, overbrenger van het
laatste en akelige geschenk, dat Buckingham aan de koningin zond.
De blijdschap des konings was zeer levendig geweest; hij gaf zich de
moeite niet eens ze te verbergen en deed ze zelfs in tegenwoordigheid
der koningin uitbarsten. Lodewijk XIII, zooals alle zwakke geesten,
ontbrak het aan edelmoedigheid. Maar dra werd de koning wederom treurig
en ziekelijk; hij had niet een van die aangezichten, welke voor een
langen tijd er vroolijk uitzien; hij voelde dat, als hij naar het kamp
terugkeerde, hij wederom slaaf ging worden, en echter keerde hij er
terug. De kardinaal was voor hem een begoochelende slang, en hij de
vogel, die van den eenen tak op den anderen fladdert, zonder haar te
kunnen ontkomen.
Ook was de terugtocht naar _la Rochelle_ uiterst treurig. Onze vier
vrienden vooral strekten hun krijgsmakkers tot verbazing. Zij reden
naast elkander met neergebogen hoofd en somberen blik. Athos alleen
richtte nu en dan zijn breed voorhoofd omhoog; dan schitterde een
weerlicht in zijn oogen, een bittere glimlach zweefde op zijn lippen, en
zooals zijn vrienden, gaf hij zich daarop wederom aan zijn droomerijen
over.
Zoodra het geleide in de een of andere stad aankwam en zoodra zij den
koning tot aan zijn verblijf hadden vergezeld, begaven de vier vrienden
zich naar hun kwartier, of naar de een of andere afgelegene herberg,
waar zij noch speelden noch dronken, maar fluisterend spraken, telkens
opmerkzaam rondziende, of men hen ook beluisterde.
Op zekeren dag, dat de koning op den weg halt had doen houden, om de
jacht met de ekster te zien, en de vier vrienden volgens gewoonte, in
plaats van aan de jacht deel te nemen, zich in een herberg aan den
grooten weg ophielden, liet een ruiter, die met lossen teugel van _la
Rochelle_ was gekomen, zijn paard voor de deur der herberg stilstaan en
eischte een glas wijn, terwijl hij een blik in de kamer wierp, waar de
vier musketiers bij elkander waren.
„Heidaar! mijnheer d’Artagnan!” zeide hij, „zijt gij het niet, dien ik
dáár zie?”--D’Artagnan richtte het hoofd omhoog en slaakte een
vreugdekreet. Die man, die hem had geroepen, was zijn onbekende van
_Meung_, van de Doodgraversstraat en van _Arras_. D’Artagnan trok zijn
degen en snelde de deur uit. Maar dezen keer, in plaats van te vluchten,
sprong de onbekende van zijn paard en trad d’Artagnan tegemoet.--„Ha!
mijnheer!” riep de jongeling, „ik ontmoet u eindelijk! Dezen keer zult
gij mij niet ontsnappen.”--„Dat is ook volstrekt mijn bedoeling niet,
mijnheer! want nu zoek ik u. In naam des konings neem ik u
gevangen.”--„Hoe! wat zegt gij?” riep d’Artagnan.--„Ik zeg u, dat gij
mij uw degen moet geven, en dat zonder weerstand, mijnheer! uw hoofd is
er mede gemoeid, ik waarschuw u.”--„Wie zijt gij toch?” vroeg
d’Artagnan, zijn degen latende zinken, doch zonder dien over te
geven.--„Ik ben de ridder de Rochefort,” antwoordde de onbekende, „de
adjudant van den kardinaal de Richelieu, en ik heb bevel u tot Zijne
Eminentie te geleiden....”
„Wij keeren naar Zijne Eminentie terug, mijnheer de ridder!” zeide
Athos, toetredende; „en gij zult wel het woord van eer van den heer
d’Artagnan willen aannemen, dat hij zich rechtstreeks naar _la Rochelle_
zal begeven.”--„Ik moet hem in handen der gardes stellen, die hem naar
het legerkamp zullen voeren.”--„Wij zullen hem tot geleide verstrekken,
mijnheer! op ons woord van eer.... Maar ook op ons woord van eer,”
voegde Athos er bij, de wenkbrauwen fronsende, „de heer d’Artagnan zal
ons niet verlaten.”
De ridder de Rochefort wierp een blik achter zich en ontwaarde Porthos
en Aramis, die hem voor de deur hielden ingesloten; hij begreep, dat hij
volkomen aan de genade van de vier mannen was overgelaten.--„Mijne
heeren!” zeide hij, „indien de heer d’Artagnan mij zijn degen wil
overgeven en zijn woord bij het uwe voegen, wil ik mij met uw belofte
tevreden stellen, van den heer d’Artagnan naar het hoofdkwartier van den
kardinaal te geleiden.”--„Ik geef u mijn woord, mijnheer!” zeide
d’Artagnan, „en ziedaar mijn degen.”--„Dat is mij des te liever,” hernam
Rochefort, „daar ik mijn reis moet vervolgen.”--„Indien het is om u met
milady te vereenigen,” zeide Athos koel, „dan is het vruchteloos, gij
zult haar niet vinden.”--„Wat is er dan van haar geworden?” vroeg
Rochefort ongeduldig.--„Vergezel ons naar het legerkamp en gij zult het
vernemen.”
Rochefort bleef een oogenblik in gedachten verzonken; daar men slechts
een dagreis van _Surgères_ was verwijderd, tot waar de kardinaal den
koning moest tegemoet gaan, besloot hij den raad van Athos te volgen en
met hem terug te keeren. Bovendien bood de terugreis hem een voordeel
aan, namelijk in persoon den gevangene te kunnen bewaken. Men begaf zich
op weg.
Den volgenden dag, des namiddags te drie uur, kwam men te _Surgères_
aan; de kardinaal wachtte er Lodewijk XIII reeds. De minister en de
koning wisselden dáár met elkander veel beleefdheden, wenschten elkander
geluk met het toeval, dat _Frankrijk_ van den halsstarrigen vijand had
verlost, die _Europa_ er tegen ophitste....; waarna de kardinaal, door
Rochefort verwittigd van de inhechtenisneming van d’Artagnan en
ongeduldig hem te verhooren, van den koning afscheid nam, hem
uitnoodigende den volgenden morgen de werkzaamheden aan den dijk te
komen bezichtigen, die voleind waren.
Toen hij des avonds in zijn hoofdkwartier van _Pont de Pierre_
terugkwam, vond de kardinaal voor het huis, dat hij bewoonde, d’Artagnan
zonder degen, en de drie musketiers gewapend staan. Nu, daar hij zich
bewust was van zijn macht, beschouwde hij hem met een gestrengen blik en
wenkte d’Artagnan met oog en hand om hem te volgen.--„Wij wachten u,
d’Artagnan!” zeide Athos luide genoeg om door den kardinaal gehoord te
worden.--Zijne Eminentie fronste het voorhoofd, bleef een oogenblik
staan en vervolgde toen zijn weg, zonder een woord te spreken.
D’Artagnan trad achter den kardinaal, en Rochefort na d’Artagnan binnen;
de deur werd bewaakt.--Zijne Eminentie begaf zich in de kamer, welke hem
tot kabinet diende, en gaf Rochefort een wenk, den jongen musketier
binnen te geleiden.--Rochefort gehoorzaamde en verwijderde
zich.--D’Artagnan bleef alleen met den kardinaal; het was zijn tweede
samenkomst met Richelieu, en hij bekende later, dat hij overtuigd was,
dat het de laatste zou zijn.
Richelieu bleef overeind, tegen den schoorsteen leunende, staan; een
tafel stond tusschen hem en d’Artagnan.--„Mijnheer!” zeide de kardinaal,
„gij zijt op mijn bevel in hechtenis genomen.”--„Men heeft het mij
gezegd, Uwe Eminentie!”--„Weet gij waarom?”--„Neen, Uwe Eminentie! want
het eenige, waarvoor men mij zou kunnen in hechtenis nemen, is u nog
onbekend.”--Richelieu beschouwde den jongeling met strakken
blik.--„Wel,” zeide hij, „wat moet dat beteekenen?”--„Indien Uwe
Eminentie mij eerst de misdaden wil mededeelen, waarvan men mij
beschuldigt, zal ik Uwe Eminentie de daden verhalen, die ik heb
verricht.”--„Men beschuldigt u van misdaden, die grootere hoofden dan
het uwe hebben doen vallen,” antwoordde de kardinaal.--„Welke? Uwe
Eminentie!” vroeg d’Artagnan met een kalmte, die den kardinaal
verbaasde.--„Men beschuldigt u, van met den vijand des koninkrijks
briefwisseling te hebben gehouden; men beschuldigt u, de geheimen van
den Staat te hebben verraden; men beschuldigt u, getracht te hebben de
plannen van uw generaal te doen mislukken.”--„En wie beschuldigt mij
hiervan, Uwe Eminentie?” vroeg d’Artagnan, die zich overtuigd hield, dat
de beschuldiging van milady kwam. „Een door den scherprechter van het
land gebrandmerkte vrouw, een vrouw, die in _Frankrijk_ een man en in
_Engeland_ een anderen man heeft gehuwd, een vrouw, die haar tweeden
echtgenoot door vergif om het leven heeft gebracht, en die getracht
heeft ook mij te vergiftigen.”--„Wat zegt gij toch, mijnheer!” riep de
kardinaal verwonderd uit, „en van welke vrouw spreekt gij op die
wijze?”--„Van milady de Winter, van wie Uwe Eminentie ongetwijfeld de
misdaden niet kende, toen zij haar met eenig vertrouwen
vereerde.”--„Mijnheer!” zeide de kardinaal, „indien milady de misdaden
heeft bedreven, welke gij zegt, dan zal zij gestraft worden.”--„Zij is
het reeds, Uwe Eminentie!”--„En wie heeft haar gestraft?”--„Wij.”--„Is
zij in de gevangenis?”--„Zij is dood.”--„Dood!” herhaalde de kardinaal,
die niet kon gelooven, wat hij hoorde; „dood! hebt gij mij niet gezegd,
dat zij dood was?”--„Tot drie malen toe heeft zij getracht mij om het
leven te brengen, en ik heb haar vergiffenis geschonken; maar toen heeft
zij de vrouw vermoord, die ik beminde, en ik en mijn vrienden hebben
haar genomen, veroordeeld en gestraft.”
D’Artagnan verhaalde toen de vergiftiging van juffrouw Bonacieux in het
Karmelieten-klooster van _Béthune_, de veroordeeling in het eenzame huis
en de strafoefening op den oever der _Lys_.--Een rilling doorliep het
geheele lichaam van den kardinaal, die toch niet spoedig rilde.... Maar
eensklaps, alsof hij den invloed eener diepe gedachte onderging,
helderde van lieverlede het aangezicht van den kardinaal op, dat tot
hiertoe somber was geweest, en bleef in de volkomenste rust.--„Alzoo,”
zeide hij met een stem, wier zachtheid weinig overeenstemde met de
strengheid zijner woorden, „alzoo hebt gij u tot rechters opgeworpen,
zonder hierbij te overwegen, dat zij, die den last niet hebben te
straffen en evenwel straffen, moordenaars zijn.”--„Ik zweer u, Uwe
Eminentie! dat ik niet een oogenblik de gedachte heb gehad, mijn hoofd
tegen u te verdedigen; ik zal de straf ondergaan, die Uwe Eminentie mij
zal opleggen. Ik ben niet genoeg aan het leven gehecht, om den dood te
vreezen.”--„Ja, ik weet het, gij zijt een moedig jongeling, mijnheer!”
hernam de kardinaal met bijna vriendelijke stem; „ik kan u dan vooraf
zeggen, dat gij geoordeeld, ja gevonnist zult worden.”--„Een ander zou
Uwe Eminentie kunnen antwoorden, dat hij zijn gratie in den zak had; ik
zal mij bepalen u te zeggen: beveel, Uwe Eminentie! ik ben gereed.”--„Uw
gratie?” zeide Richelieu verwonderd.--„Ja, Uwe Eminentie!” hernam
d’Artagnan.--„En door wien geteekend?.... door den koning?”--De
kardinaal sprak de laatste woorden met een zonderlingen toon van
verachting uit.--„Neen, van Uwe Eminentie!”--„Van mij, zijt gij gek,
mijnheer!”--„Uwe Eminentie zal ongetwijfeld het schrift wel
herkennen.”--En d’Artagnan bood den kardinaal het kostbaar papier aan,
dat Athos aan milady had ontrukt, en hetwelk deze d’Artagnan had gegeven
om hem tot een redmiddel te strekken.
Zijne Eminentie nam het papier en las langzaam en op elk woord
drukkende:
„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder
dezes deed, wat hij heeft gedaan.
Richelieu.”