3 Augustus 1628.

Na die paar woorden gelezen te hebben, verviel de kardinaal in een diep

gepeins; doch hij gaf d’Artagnan het papier niet terug.--„Hij peinst

door welke soort van foltering hij mij zal doen sterven,” dacht de

Gaskonjer. „Welnu! in Godsnaam! dan zal hij zien, hoe een edelman

sterft.”--De jonge musketier was in de heerlijkste geestgesteldheid om

als een held te sterven.

Richelieu bleef steeds in gedachten verzonken; hij rolde en ontrolde het

papier in zijn hand. Eindelijk richtte hij het hoofd omhoog, vestigde

zijn adelaarsblik op dat edel, open en vol gelaat, las op die van tranen

doorgroefde wangen al het lijden, dat hij sedert een maand verduurd had,

en overwoog voor de derde of vierde maal, welke toekomst er voor dien

knaap van twintig jaren nog open stond, en welke hulp zijn

bedrijvigheid, zijn moed en zijn verstand een goeden meester konden

aanbieden. Van den anderen kant hadden de misdaden, de macht en het

helsche genie van milady hem meer dan eens met ontzetting vervuld. Hij

gevoelde een geheime vreugde voor altijd van de gevaarlijke handlangster

verlost te zijn. Hij verscheurde langzaam het papier, dat d’Artagnan hem

zoo edelmoedig had afgestaan.

„Ik ben verloren,” zeide d’Artagnan bij zich zelven. En hij boog zich

diep voor den kardinaal, als iemand die zou zeggen: „Heer! uw wil

geschiede.”

De kardinaal naderde de tafel, en zonder te gaan zitten schreef hij

eenige regels op een perkament, waarvan het twee-derde reeds was

ingevuld; vervolgens zette hij er zijn zegel op.

„Dat is mijn veroordeeling,” dacht d’Artagnan, „hij bespaart mij de

verveling der Bastille en de langdurigheid van een rechtsgeding. Dat is

waarlijk zeer beminnelijk van hem.”

„Ziedaar, mijnheer!” zeide de kardinaal tot den jongeling, „ik heb van u

een volmacht terugontvangen, en ik geef er u een ander voor in de

plaats. De naam is op dit brevet oningevuld; gij zult er hem

inzetten.”--D’Artagnan nam het papier aarzelend aan en wierp er het oog

op. Het was een aanstelling als luitenant bij de musketiers. D’Artagnan

viel voor de voeten des kardinaals neer.--„Uwe Eminentie!” zeide hij,

„mijn leven behoort u, beschik er voortaan over; doch die gunst, welke

gij mij schenkt, heb ik niet verdiend; ik heb drie vrienden, die dezelve

meer waardig zijn.”--„Gij zijt een braaf jongeling, d’Artagnan!” viel de

kardinaal hem in de rede, hem vertrouwelijk op den schouder kloppende,

bekoord een zoo weerbarstigen aard te hebben overwonnen; „doe met die

aanstelling wat gij wilt, dewijl de naam oningevuld is; alleen herinner

u, dat het aan u is, dat ik ze geef.”--„Ik zal het nooit vergeten,”

antwoordde d’Artagnan, „Uwe Eminentie kan er van verzekerd zijn.”

De kardinaal keerde zich om en riep luide: „Rochefort!”--De ridder, die

ongetwijfeld voor de deur was blijven staan, trad onmiddellijk

binnen.--„Rochefort!” zeide de kardinaal, „gij ziet daar den heer

d’Artagnan; hij behoort onder het getal mijner vrienden. Omhelst

elkander en weest verstandig, indien gij er op gesteld zijt het hoofd te

behouden.”

Rochefort en d’Artagnan omhelsden elkander wel niet zeer hartelijk, maar

de kardinaal was tegenwoordig en sloeg hen met zijn doordringend oog

gade. Zij verlieten gelijktijdig de kamer.--„Wij zullen elkander later

ontmoeten, niet waar, mijnheer!” zeiden zij.--„Wanneer het u gelegen

komt,” antwoordde d’Artagnan.--„De gelegenheid zal zich wel eens

voordoen,” hernam Rochefort.--„Hm!” liet Richelieu hooren, de deur

openende.--Beide mannen glimlachten tegen elkander, drukten elkander de

hand en groetten Zijne Eminentie.

„Wij begonnen ongeduldig te worden,” zeide Athos.--„Hier ben ik, mijn

vrienden!” antwoordde d’Artagnan.--„Vrij?”--„Niet alleen vrij, maar in

gunst!”--„Gij moet ons dat eens verhalen.”--„Van avond, scheiden wij

voor het oogenblik.”

Des avonds begaf d’Artagnan zich dan ook werkelijk naar Athos, dien hij

bezig vond een flesch Spaanschen wijn te ledigen, een bezigheid, die hij

elken avond stiptelijk vervulde. D’Artagnan verhaalde, hetgeen er

tusschen den kardinaal en hem was voorgevallen, terwijl hij de

aanstelling uit zijn zak haalde.--„Ziedaar! mijn waarde Athos! ziedaar!”

zeide hij, „iets dat u natuurlijk toekomt.”

Athos glimlachte zacht en bekoorlijk.--„Vriend!” zeide hij, „voor Athos

is het te veel; voor den graaf de la Fère is het te weinig. Houd die

aanstelling, zij behoort u. Helaas! mijn God! gij hebt ze duur genoeg

gekocht.”

D’Artagnan verliet de kamer van Athos en trad die van Porthos binnen.

Hij vond hem in een prachtig gewaad, bedekt met schitterende

borduursels, bezig zich in een spiegel te beschouwen.--„Ha! ha!” zeide

Porthos, „zijt gij het, waarde vriend! hoe vindt gij, dat mij dit kleed

staat?”--„Voortreffelijk!” zeide d’Artagnan; „maar ik kom u een kleed

aanbieden, dat u nog beter zal staan.”--„Welk?” vroeg Porthos.--„Dat van

luitenant der musketiers.”--D’Artagnan verhaalde aan Porthos zijn

samenkomst met den kardinaal, en de aanstelling uit zijn zak halende,

zeide hij: „Ziedaar! mijn waarde! schrijf uw naam daar op en wees mij

een goed officier!”

Porthos sloeg het oog op de aanstelling, maar gaf ze aan d’Artagnan

terug, tot groote verwondering des jongelings.--„Ja,” zeide Porthos, „ik

zou mij hiermede zeer gestreeld vinden, maar ik kan van die gunst niet

lang genoeg genot hebben. Gedurende onze reis naar _Béthune_ is de man

mijner hertogin gestorven, zoodat de geldkist des overledenen, die mij

toelonkte, mij noopte de weduwe te trouwen. Zie, ik was juist bezig mijn

bruiloftspak aan te passen. Behoud voor u de luitenantsplaats, mijn

vriend! behoud ze voor u.”--En hij gaf de aanstelling aan d’Artagnan

terug.

De jongeling trad hierop bij Aramis binnen. Hij vond dezen voor een

bidbankje geknield, het hoofd op het voor hem geopend getijdeboek

gedrukt. D’Artagnan verhaalde hem zijn gesprek met den kardinaal, en

voor de derde maal de aanstelling te voorschijn halende, zeide hij:

„Gij, onze vriend! ons licht, onze onzichtbare beschermer, neem deze

aanstelling aan; gij hebt ze meer dan iemand verdiend door uw wijsheid

en raad, die steeds met den gelukkigsten uitslag is bekroond

geworden.”--„Helaas! waarde vriend!” zeide Aramis, „onze laatste

avonturen hebben mij van het leven eens krijgsmans afkeerig gemaakt.

Dezen keer is mijn besluit onherroepelijk genomen; na de belegering ga

ik bij de _Lazaristen_. Behoud deze aanstelling, d’Artagnan! Het

krijgsmansberoep voegt u. Gij zult een moedig en gelukkig krijgsman

worden.”

D’Artagnan, met de oogen door dankbaarheid vochtig en blinkend van

vreugd, keerde tot Athos terug, dien hij nog aan tafel vond, in de vlam

der lamp zijn laatste glas _Malaga_ spiegelende.--„Ook zij hebben

geweigerd!” sprak d’Artagnan.--„Dat is, omdat niemand dan gij, mijn

waarde vriend, die gunst meer waardig is,” zeide Athos. En een pen

nemende, schreef hij op de aanstelling den naam van d’Artagnan, wien hij

ze teruggaf.

„Ik zal dan geen vrienden meer hebben,” zeide de jongeling. „Helaas!

niets anders dan bittere herinneringen.”--En hij liet het hoofd in zijn

handen vallen, terwijl twee traandroppels langs zijn wangen biggelden.

„Gij zijt nog jong,” antwoordde Athos, „en uw bittere herinneringen

hebben den tijd in zoete te veranderen.”

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 89 / 93 题