Na die paar woorden gelezen te hebben, verviel de kardinaal in een diep
gepeins; doch hij gaf d’Artagnan het papier niet terug.--„Hij peinst
door welke soort van foltering hij mij zal doen sterven,” dacht de
Gaskonjer. „Welnu! in Godsnaam! dan zal hij zien, hoe een edelman
sterft.”--De jonge musketier was in de heerlijkste geestgesteldheid om
als een held te sterven.
Richelieu bleef steeds in gedachten verzonken; hij rolde en ontrolde het
papier in zijn hand. Eindelijk richtte hij het hoofd omhoog, vestigde
zijn adelaarsblik op dat edel, open en vol gelaat, las op die van tranen
doorgroefde wangen al het lijden, dat hij sedert een maand verduurd had,
en overwoog voor de derde of vierde maal, welke toekomst er voor dien
knaap van twintig jaren nog open stond, en welke hulp zijn
bedrijvigheid, zijn moed en zijn verstand een goeden meester konden
aanbieden. Van den anderen kant hadden de misdaden, de macht en het
helsche genie van milady hem meer dan eens met ontzetting vervuld. Hij
gevoelde een geheime vreugde voor altijd van de gevaarlijke handlangster
verlost te zijn. Hij verscheurde langzaam het papier, dat d’Artagnan hem
zoo edelmoedig had afgestaan.
„Ik ben verloren,” zeide d’Artagnan bij zich zelven. En hij boog zich
diep voor den kardinaal, als iemand die zou zeggen: „Heer! uw wil
geschiede.”
De kardinaal naderde de tafel, en zonder te gaan zitten schreef hij
eenige regels op een perkament, waarvan het twee-derde reeds was
ingevuld; vervolgens zette hij er zijn zegel op.
„Dat is mijn veroordeeling,” dacht d’Artagnan, „hij bespaart mij de
verveling der Bastille en de langdurigheid van een rechtsgeding. Dat is
waarlijk zeer beminnelijk van hem.”
„Ziedaar, mijnheer!” zeide de kardinaal tot den jongeling, „ik heb van u
een volmacht terugontvangen, en ik geef er u een ander voor in de
plaats. De naam is op dit brevet oningevuld; gij zult er hem
inzetten.”--D’Artagnan nam het papier aarzelend aan en wierp er het oog
op. Het was een aanstelling als luitenant bij de musketiers. D’Artagnan
viel voor de voeten des kardinaals neer.--„Uwe Eminentie!” zeide hij,
„mijn leven behoort u, beschik er voortaan over; doch die gunst, welke
gij mij schenkt, heb ik niet verdiend; ik heb drie vrienden, die dezelve
meer waardig zijn.”--„Gij zijt een braaf jongeling, d’Artagnan!” viel de
kardinaal hem in de rede, hem vertrouwelijk op den schouder kloppende,
bekoord een zoo weerbarstigen aard te hebben overwonnen; „doe met die
aanstelling wat gij wilt, dewijl de naam oningevuld is; alleen herinner
u, dat het aan u is, dat ik ze geef.”--„Ik zal het nooit vergeten,”
antwoordde d’Artagnan, „Uwe Eminentie kan er van verzekerd zijn.”
De kardinaal keerde zich om en riep luide: „Rochefort!”--De ridder, die
ongetwijfeld voor de deur was blijven staan, trad onmiddellijk
binnen.--„Rochefort!” zeide de kardinaal, „gij ziet daar den heer
d’Artagnan; hij behoort onder het getal mijner vrienden. Omhelst
elkander en weest verstandig, indien gij er op gesteld zijt het hoofd te
behouden.”
Rochefort en d’Artagnan omhelsden elkander wel niet zeer hartelijk, maar
de kardinaal was tegenwoordig en sloeg hen met zijn doordringend oog
gade. Zij verlieten gelijktijdig de kamer.--„Wij zullen elkander later
ontmoeten, niet waar, mijnheer!” zeiden zij.--„Wanneer het u gelegen
komt,” antwoordde d’Artagnan.--„De gelegenheid zal zich wel eens
voordoen,” hernam Rochefort.--„Hm!” liet Richelieu hooren, de deur
openende.--Beide mannen glimlachten tegen elkander, drukten elkander de
hand en groetten Zijne Eminentie.
„Wij begonnen ongeduldig te worden,” zeide Athos.--„Hier ben ik, mijn
vrienden!” antwoordde d’Artagnan.--„Vrij?”--„Niet alleen vrij, maar in
gunst!”--„Gij moet ons dat eens verhalen.”--„Van avond, scheiden wij
voor het oogenblik.”
Des avonds begaf d’Artagnan zich dan ook werkelijk naar Athos, dien hij
bezig vond een flesch Spaanschen wijn te ledigen, een bezigheid, die hij
elken avond stiptelijk vervulde. D’Artagnan verhaalde, hetgeen er
tusschen den kardinaal en hem was voorgevallen, terwijl hij de
aanstelling uit zijn zak haalde.--„Ziedaar! mijn waarde Athos! ziedaar!”
zeide hij, „iets dat u natuurlijk toekomt.”
Athos glimlachte zacht en bekoorlijk.--„Vriend!” zeide hij, „voor Athos
is het te veel; voor den graaf de la Fère is het te weinig. Houd die
aanstelling, zij behoort u. Helaas! mijn God! gij hebt ze duur genoeg
gekocht.”
D’Artagnan verliet de kamer van Athos en trad die van Porthos binnen.
Hij vond hem in een prachtig gewaad, bedekt met schitterende
borduursels, bezig zich in een spiegel te beschouwen.--„Ha! ha!” zeide
Porthos, „zijt gij het, waarde vriend! hoe vindt gij, dat mij dit kleed
staat?”--„Voortreffelijk!” zeide d’Artagnan; „maar ik kom u een kleed
aanbieden, dat u nog beter zal staan.”--„Welk?” vroeg Porthos.--„Dat van
luitenant der musketiers.”--D’Artagnan verhaalde aan Porthos zijn
samenkomst met den kardinaal, en de aanstelling uit zijn zak halende,
zeide hij: „Ziedaar! mijn waarde! schrijf uw naam daar op en wees mij
een goed officier!”
Porthos sloeg het oog op de aanstelling, maar gaf ze aan d’Artagnan
terug, tot groote verwondering des jongelings.--„Ja,” zeide Porthos, „ik
zou mij hiermede zeer gestreeld vinden, maar ik kan van die gunst niet
lang genoeg genot hebben. Gedurende onze reis naar _Béthune_ is de man
mijner hertogin gestorven, zoodat de geldkist des overledenen, die mij
toelonkte, mij noopte de weduwe te trouwen. Zie, ik was juist bezig mijn
bruiloftspak aan te passen. Behoud voor u de luitenantsplaats, mijn
vriend! behoud ze voor u.”--En hij gaf de aanstelling aan d’Artagnan
terug.
De jongeling trad hierop bij Aramis binnen. Hij vond dezen voor een
bidbankje geknield, het hoofd op het voor hem geopend getijdeboek
gedrukt. D’Artagnan verhaalde hem zijn gesprek met den kardinaal, en
voor de derde maal de aanstelling te voorschijn halende, zeide hij:
„Gij, onze vriend! ons licht, onze onzichtbare beschermer, neem deze
aanstelling aan; gij hebt ze meer dan iemand verdiend door uw wijsheid
en raad, die steeds met den gelukkigsten uitslag is bekroond
geworden.”--„Helaas! waarde vriend!” zeide Aramis, „onze laatste
avonturen hebben mij van het leven eens krijgsmans afkeerig gemaakt.
Dezen keer is mijn besluit onherroepelijk genomen; na de belegering ga
ik bij de _Lazaristen_. Behoud deze aanstelling, d’Artagnan! Het
krijgsmansberoep voegt u. Gij zult een moedig en gelukkig krijgsman
worden.”
D’Artagnan, met de oogen door dankbaarheid vochtig en blinkend van
vreugd, keerde tot Athos terug, dien hij nog aan tafel vond, in de vlam
der lamp zijn laatste glas _Malaga_ spiegelende.--„Ook zij hebben
geweigerd!” sprak d’Artagnan.--„Dat is, omdat niemand dan gij, mijn
waarde vriend, die gunst meer waardig is,” zeide Athos. En een pen
nemende, schreef hij op de aanstelling den naam van d’Artagnan, wien hij
ze teruggaf.
„Ik zal dan geen vrienden meer hebben,” zeide de jongeling. „Helaas!
niets anders dan bittere herinneringen.”--En hij liet het hoofd in zijn
handen vallen, terwijl twee traandroppels langs zijn wangen biggelden.
„Gij zijt nog jong,” antwoordde Athos, „en uw bittere herinneringen
hebben den tijd in zoete te veranderen.”