HOOFDSTUK XXXV.

De doodstraf.

Het was omstreeks middernacht; de maan, door haar afneming als

uitgesneden en bloedkleurig door de laatste sporen van den storm, ging

op achter de kleine stad _Armentières_ en verlichtte van uit de grauwe

lucht den donkeren omtrek harer huizen en het geraamte van haar hoogen

als kant bewerkten toren; op den voorgrond stroomde de _Lys_, als een

rivier van gesmolten tin, terwijl aan de overzijde de zwarte boomen van

een bosch donker afstaken tegen een stormachtige lucht, die bedekt was

door groote koperkleurige wolken, welke te middernacht een soort van

daglicht verspreidden. Aan de linkerzijde verhief zich een oude verlaten

molen met stilstaande wieken, in welks bouwvallen een uil zijn scherp,

afgemeten en eentonig gekras deed hooren. Hier en daar op de vlakte,

rechts van den weg, dien de akelige stoet volgde, zag men eenige kleine,

lage boomen, als neergehurkte, misvormde dwergen, die op dat noodlottig

uur den voorbijganger schenen te willen aanvallen. Bijwijlen opende een

breede bliksemstraal den gezichteinder van het eene einde tot het

andere, kronkelde zich boven de donkere boomengroep en kwam dan als een

vreeselijk slagzwaard de lucht en het water in twee gelijke deelen

houwen. Geen enkel zuchtje van den wind deed zich in den loodzwaren

dampkring voelen, een doodsche stilte drukte de geheele natuur, de grond

was nat en glibberig door den regen, die gevallen was, en de verfrischte

planten deden haar balsemgeuren met meer kracht omhoog stijgen. Twee

knechts sleepten milady voort, haar elk bij een arm vasthoudende. De

scherprechter volgde hen. Lord de Winter, d’Artagnan, Porthos en Aramis

gingen achter den scherprechter. Planchet en Bazijn sloten den somberen

stoet.

De twee knechts geleidden milady naar den kant der rivier; haar mond was

stom, maar haar blikken spraken met een onbeschrijfelijke

welsprekendheid, beurtelings hem smeekende, dien zij aanzag.--Daar zij

eenige schreden vooruitgingen, zeide zij tot de knechts: „Voor elk uwer

duizend pistolen, indien gij mij helpt ontvluchten, terwijl, indien gij

mij aan uw meesters overlevert, hier in de nabijheid wrekers zijn, die u

mijn dood zwaar zullen doen boeten.”

Grimaud aarzelde, Mousqueton beefde door al zijn leden.--Athos, die

milady’s stem had gehoord, naderde haastig: lord de Winter deed

evenzoo.--„Verwijder die knechts,” zeide Athos, „zij heeft hen

aangesproken; zij zijn niet meer te vertrouwen.”--Men riep Planchet en

Bazijn, die de plaats van Grimaud en Mousqueton innamen.

Aan den oever der rivier gekomen, naderde de scherprechter milady en

bond haar handen en voeten.

Toen verbrak zij de stilte en riep uit: „Gij zijt lafaards, ellendige

moordenaars! gij, ten getale van tien vereenigd, om een vrouw het leven

te benemen; weest verzekerd, indien men mij niet te hulp komt, zal ik

gewroken worden.”--„Gij zijt geen vrouw,” zeide Athos koel, „gij behoort

niet tot het menschelijk geslacht; gij zijt een duivel, uit de hel

losgebroken, doch die wij er in zullen doen terugkeeren....”--„O,

heeren, deugdzame mannen!” zeide milady, „weest indachtig dat hij, die

één haar van mijn hoofd zal krenken, ook een moordenaar is.”--„De beul

kan ter dood brengen zonder daarom een moordenaar te zijn, mevrouw!”

zeide de man met den rooden mantel, terwijl hij op zijn breed zwaard

sloeg. „Hij is de laatste rechter, niets anders, _de Nachrichter_,

zooals onze naburen de Duitschers zeggen.”--En terwijl hij haar onder

het uitspreken dier woorden bond, slaakte milady een paar woeste kreten,

die in de duisternis en in de diepte des wouds smoorden en een akelige

en zonderlinge uitwerking hadden.

„Maar indien ik schuldig ben, indien ik de misdaden heb bedreven,

waarvan gij mij beschuldigt,” brulde milady, „brengt mij dan voor een

rechtbank; gij zijt geen rechters om mij te kunnen veroordeelen!”--„Ik

heb u _Tyburn_ voorgeslagen,” zeide lord de Winter, „waarom wildet gij

niet?”--„Omdat ik niet wil sterven!” riep milady al worstelende, „omdat

ik te jong ben om te sterven!”--„De vrouw, die gij te _Béthune_ hebt

vergiftigd, was nog jonger dan gij, mevrouw! en toch is zij gestorven,”

zeide d’Artagnan.--„Ik zal in een klooster gaan, ik zal non worden,”

zeide milady.--„Gij waart in een klooster,” hernam de scherprechter, „en

gij hebt het verlaten om mijn broeder in het verderf te

storten.”--Milady slaakte een angstkreet en viel op de knieën. De

scherprechter richtte haar bij de armen op en wilde haar in de boot

dragen.--„Ach! mijn God!” riep zij, „wilt gij mij dan verdrinken?”

Die kreten hadden iets zoo hartverscheurends, dat d’Artagnan, die

aanvankelijk de meest verwoede was geweest ter vervolging van milady, op

een afgeknotten boomstam neerzeeg en, zijn hoofd neerbuigende, zich de

ooren met de palmen van de hand stopte, hetgeen echter niet belette, dat

hij haar nog gestadig hoorde dreigen en kermen. D’Artagnan was de

jongste van allen, het hart brak hem.--„Ach! ik kan niet langer dat

afschuwelijk schouwspel aanzien,” zeide hij; „ik kan er niet in

toestemmen, dat die vrouw op die wijze het leven verliest.”

Milady had deze weinige woorden gehoord en haar verscheen weer een

straal van hoop.--„D’Artagnan! d’Artagnan!” riep zij, „herinner u, dat

ik u eenmaal heb bemind!”--De jongeling stond op en naderde haar een

paar schreden. Doch Athos kwam hem tegemoet, trok zijn degen en stelde

zich in zijn weg.--„Indien gij nog één schrede nadert, d’Artagnan!”

zeide hij, „kruisen wij onze degens.”

D’Artagnan viel op de knieën en bad.--„Komaan!” vervolgde Athos,

„scherprechter! doe uw plicht!”--„Gaarne, uwe edelheid!” zeide de

scherprechter; „want zoo waar ik een goed katholiek ben, geloof ik

rechtvaardig te handelen door het vervullen van mijn ambt jegens die

vrouw.”--„Het is wel!”

Athos naderde nu milady.--„Ik vergeef u,” zeide hij, „al het kwaad, dat

gij mij hebt berokkend. Ik vergeef u mijn verwoest geluk, mijn verlorene

eer, mijn bevlekte liefde en mijn, door de wanhoop waartoe gij mij

gebracht hebt, voor immer bedreigde zaligheid. Sterf in vrede!”

Lord de Winter naderde nu ook op zijn beurt.--„Ik vergeef u,” sprak hij,

„de vergiftiging mijns broeders, den moord van Zijne Genade den hertog

van Buckingham. Ik vergeef u den dood van den armen Felton. Ik vergeef u

uw moorddadige pogingen op mijn persoon. Sterf in vrede!”

„En ik,” zeide d’Artagnan, „ik vraag u vergiffenis, mevrouw! van uw

toorn op mij te hebben geladen door een edelman onwaardig bedrog, en

daarvoor vergeef ik u den moord mijner rampzalige vriendin en uw

wreedaardige wraak op mij. Ik vergeef en beween u. Sterf in vrede!”

„_I am lost! I must die_!” (ik ben verloren, ik moet sterven!) mompelde

milady in het Engelsch. Toen richtte zij zich overeind, wierp een dier

heldere blikken, welke uit een oog van vuur schijnen te komen, in het

rond, maar zij zag niets.... Zij luisterde, maar zij hoorde niets. Zij

werd door niemand dan door vijanden omringd.--„Waar moet ik sterven?”

vroeg zij.

„Op den anderen oever,” antwoordde de scherprechter. Daarop deed hij

haar in de boot gaan, en terwijl hij den voet er in zette om haar te

volgen, stelde Athos hem eenig geld ter hand.--„Ziedaar,” zeide hij,

„het loon voor de strafoefening; dat men wel zie, dat wij als rechters

handelen.”--„Goed!” zeide de scherprechter, „en dat nu ook die vrouw

wete, dat ik niet alleen mijn ambt, maar ook mijn plicht vervul.”--En

hij wierp het geld in het water.--„Zie,” zeide Athos, „die vrouw heeft

een kind, en zij heeft niet één enkel woord over dat kind gezegd.”

De boot verwijderde zich naar den linkeroever der _Lys_, de schuldige en

den scherprechter met zich voerende. Al de overigen bleven op den

rechteroever, waar zij op de knieën waren gevallen. De boot gleed

langzaam langs het koord der pont, overschaduwd door een bleeke wolk,

die op dat oogenblik boven het water hing. Men zag ze aan den overkant

aanlanden; de gestalten staken donker op de roodachtige kimmen af. Het

was milady gelukt gedurende den overtocht het koord los te maken, dat

haar voeten vasthield; nu aan den oever gekomen, sprong zij vlug aan den

kant en nam de vlucht. Maar de grond was nat: boven aan de afhelling

gekomen, gleed zij uit en viel op de knieën. Een bijgeloovig denkbeeld

trof haar ongetwijfeld, want zij meende, dat de Hemel haar zijn hulp

weigerde en zij bleef in de houding, waarin zij zich bevond, het hoofd

neergebogen en met gevouwen handen. Toen zag men van den anderen oever

den scherprechter langzaam zijn beide armen opheffen, een straal der

maan scheen op de kling van zijn breed slagzwaard en de armen zonken

neder; men hoorde het fluiten van het zwaard en den kreet van het

slachtoffer: vervolgens viel een verminkte klomp onder den slag. Daarna

nam de scherprechter zijn rooden mantel van zijn schouders, spreidde hem

op den grond uit, legde het lichaam er op, wierp het hoofd er bij,

knoopte hem bij de vier hoeken, laadde hem op zijn schouders en keerde

in de boot terug. In het midden der _Lys_ gekomen, liet hij de boot stil

liggen, en zijn last boven de rivier houdende, riep hij met luide stem:

„Laat Gods gericht voorbijgaan!”

En hij liet het lijk in de diepte des waters vallen, dat zich dadelijk

sloot.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 87 / 93 题