De doodstraf.
Het was omstreeks middernacht; de maan, door haar afneming als
uitgesneden en bloedkleurig door de laatste sporen van den storm, ging
op achter de kleine stad _Armentières_ en verlichtte van uit de grauwe
lucht den donkeren omtrek harer huizen en het geraamte van haar hoogen
als kant bewerkten toren; op den voorgrond stroomde de _Lys_, als een
rivier van gesmolten tin, terwijl aan de overzijde de zwarte boomen van
een bosch donker afstaken tegen een stormachtige lucht, die bedekt was
door groote koperkleurige wolken, welke te middernacht een soort van
daglicht verspreidden. Aan de linkerzijde verhief zich een oude verlaten
molen met stilstaande wieken, in welks bouwvallen een uil zijn scherp,
afgemeten en eentonig gekras deed hooren. Hier en daar op de vlakte,
rechts van den weg, dien de akelige stoet volgde, zag men eenige kleine,
lage boomen, als neergehurkte, misvormde dwergen, die op dat noodlottig
uur den voorbijganger schenen te willen aanvallen. Bijwijlen opende een
breede bliksemstraal den gezichteinder van het eene einde tot het
andere, kronkelde zich boven de donkere boomengroep en kwam dan als een
vreeselijk slagzwaard de lucht en het water in twee gelijke deelen
houwen. Geen enkel zuchtje van den wind deed zich in den loodzwaren
dampkring voelen, een doodsche stilte drukte de geheele natuur, de grond
was nat en glibberig door den regen, die gevallen was, en de verfrischte
planten deden haar balsemgeuren met meer kracht omhoog stijgen. Twee
knechts sleepten milady voort, haar elk bij een arm vasthoudende. De
scherprechter volgde hen. Lord de Winter, d’Artagnan, Porthos en Aramis
gingen achter den scherprechter. Planchet en Bazijn sloten den somberen
stoet.
De twee knechts geleidden milady naar den kant der rivier; haar mond was
stom, maar haar blikken spraken met een onbeschrijfelijke
welsprekendheid, beurtelings hem smeekende, dien zij aanzag.--Daar zij
eenige schreden vooruitgingen, zeide zij tot de knechts: „Voor elk uwer
duizend pistolen, indien gij mij helpt ontvluchten, terwijl, indien gij
mij aan uw meesters overlevert, hier in de nabijheid wrekers zijn, die u
mijn dood zwaar zullen doen boeten.”
Grimaud aarzelde, Mousqueton beefde door al zijn leden.--Athos, die
milady’s stem had gehoord, naderde haastig: lord de Winter deed
evenzoo.--„Verwijder die knechts,” zeide Athos, „zij heeft hen
aangesproken; zij zijn niet meer te vertrouwen.”--Men riep Planchet en
Bazijn, die de plaats van Grimaud en Mousqueton innamen.
Aan den oever der rivier gekomen, naderde de scherprechter milady en
bond haar handen en voeten.
Toen verbrak zij de stilte en riep uit: „Gij zijt lafaards, ellendige
moordenaars! gij, ten getale van tien vereenigd, om een vrouw het leven
te benemen; weest verzekerd, indien men mij niet te hulp komt, zal ik
gewroken worden.”--„Gij zijt geen vrouw,” zeide Athos koel, „gij behoort
niet tot het menschelijk geslacht; gij zijt een duivel, uit de hel
losgebroken, doch die wij er in zullen doen terugkeeren....”--„O,
heeren, deugdzame mannen!” zeide milady, „weest indachtig dat hij, die
één haar van mijn hoofd zal krenken, ook een moordenaar is.”--„De beul
kan ter dood brengen zonder daarom een moordenaar te zijn, mevrouw!”
zeide de man met den rooden mantel, terwijl hij op zijn breed zwaard
sloeg. „Hij is de laatste rechter, niets anders, _de Nachrichter_,
zooals onze naburen de Duitschers zeggen.”--En terwijl hij haar onder
het uitspreken dier woorden bond, slaakte milady een paar woeste kreten,
die in de duisternis en in de diepte des wouds smoorden en een akelige
en zonderlinge uitwerking hadden.
„Maar indien ik schuldig ben, indien ik de misdaden heb bedreven,
waarvan gij mij beschuldigt,” brulde milady, „brengt mij dan voor een
rechtbank; gij zijt geen rechters om mij te kunnen veroordeelen!”--„Ik
heb u _Tyburn_ voorgeslagen,” zeide lord de Winter, „waarom wildet gij
niet?”--„Omdat ik niet wil sterven!” riep milady al worstelende, „omdat
ik te jong ben om te sterven!”--„De vrouw, die gij te _Béthune_ hebt
vergiftigd, was nog jonger dan gij, mevrouw! en toch is zij gestorven,”
zeide d’Artagnan.--„Ik zal in een klooster gaan, ik zal non worden,”
zeide milady.--„Gij waart in een klooster,” hernam de scherprechter, „en
gij hebt het verlaten om mijn broeder in het verderf te
storten.”--Milady slaakte een angstkreet en viel op de knieën. De
scherprechter richtte haar bij de armen op en wilde haar in de boot
dragen.--„Ach! mijn God!” riep zij, „wilt gij mij dan verdrinken?”
Die kreten hadden iets zoo hartverscheurends, dat d’Artagnan, die
aanvankelijk de meest verwoede was geweest ter vervolging van milady, op
een afgeknotten boomstam neerzeeg en, zijn hoofd neerbuigende, zich de
ooren met de palmen van de hand stopte, hetgeen echter niet belette, dat
hij haar nog gestadig hoorde dreigen en kermen. D’Artagnan was de
jongste van allen, het hart brak hem.--„Ach! ik kan niet langer dat
afschuwelijk schouwspel aanzien,” zeide hij; „ik kan er niet in
toestemmen, dat die vrouw op die wijze het leven verliest.”
Milady had deze weinige woorden gehoord en haar verscheen weer een
straal van hoop.--„D’Artagnan! d’Artagnan!” riep zij, „herinner u, dat
ik u eenmaal heb bemind!”--De jongeling stond op en naderde haar een
paar schreden. Doch Athos kwam hem tegemoet, trok zijn degen en stelde
zich in zijn weg.--„Indien gij nog één schrede nadert, d’Artagnan!”
zeide hij, „kruisen wij onze degens.”
D’Artagnan viel op de knieën en bad.--„Komaan!” vervolgde Athos,
„scherprechter! doe uw plicht!”--„Gaarne, uwe edelheid!” zeide de
scherprechter; „want zoo waar ik een goed katholiek ben, geloof ik
rechtvaardig te handelen door het vervullen van mijn ambt jegens die
vrouw.”--„Het is wel!”
Athos naderde nu milady.--„Ik vergeef u,” zeide hij, „al het kwaad, dat
gij mij hebt berokkend. Ik vergeef u mijn verwoest geluk, mijn verlorene
eer, mijn bevlekte liefde en mijn, door de wanhoop waartoe gij mij
gebracht hebt, voor immer bedreigde zaligheid. Sterf in vrede!”
Lord de Winter naderde nu ook op zijn beurt.--„Ik vergeef u,” sprak hij,
„de vergiftiging mijns broeders, den moord van Zijne Genade den hertog
van Buckingham. Ik vergeef u den dood van den armen Felton. Ik vergeef u
uw moorddadige pogingen op mijn persoon. Sterf in vrede!”
„En ik,” zeide d’Artagnan, „ik vraag u vergiffenis, mevrouw! van uw
toorn op mij te hebben geladen door een edelman onwaardig bedrog, en
daarvoor vergeef ik u den moord mijner rampzalige vriendin en uw
wreedaardige wraak op mij. Ik vergeef en beween u. Sterf in vrede!”
„_I am lost! I must die_!” (ik ben verloren, ik moet sterven!) mompelde
milady in het Engelsch. Toen richtte zij zich overeind, wierp een dier
heldere blikken, welke uit een oog van vuur schijnen te komen, in het
rond, maar zij zag niets.... Zij luisterde, maar zij hoorde niets. Zij
werd door niemand dan door vijanden omringd.--„Waar moet ik sterven?”
vroeg zij.
„Op den anderen oever,” antwoordde de scherprechter. Daarop deed hij
haar in de boot gaan, en terwijl hij den voet er in zette om haar te
volgen, stelde Athos hem eenig geld ter hand.--„Ziedaar,” zeide hij,
„het loon voor de strafoefening; dat men wel zie, dat wij als rechters
handelen.”--„Goed!” zeide de scherprechter, „en dat nu ook die vrouw
wete, dat ik niet alleen mijn ambt, maar ook mijn plicht vervul.”--En
hij wierp het geld in het water.--„Zie,” zeide Athos, „die vrouw heeft
een kind, en zij heeft niet één enkel woord over dat kind gezegd.”
De boot verwijderde zich naar den linkeroever der _Lys_, de schuldige en
den scherprechter met zich voerende. Al de overigen bleven op den
rechteroever, waar zij op de knieën waren gevallen. De boot gleed
langzaam langs het koord der pont, overschaduwd door een bleeke wolk,
die op dat oogenblik boven het water hing. Men zag ze aan den overkant
aanlanden; de gestalten staken donker op de roodachtige kimmen af. Het
was milady gelukt gedurende den overtocht het koord los te maken, dat
haar voeten vasthield; nu aan den oever gekomen, sprong zij vlug aan den
kant en nam de vlucht. Maar de grond was nat: boven aan de afhelling
gekomen, gleed zij uit en viel op de knieën. Een bijgeloovig denkbeeld
trof haar ongetwijfeld, want zij meende, dat de Hemel haar zijn hulp
weigerde en zij bleef in de houding, waarin zij zich bevond, het hoofd
neergebogen en met gevouwen handen. Toen zag men van den anderen oever
den scherprechter langzaam zijn beide armen opheffen, een straal der
maan scheen op de kling van zijn breed slagzwaard en de armen zonken
neder; men hoorde het fluiten van het zwaard en den kreet van het
slachtoffer: vervolgens viel een verminkte klomp onder den slag. Daarna
nam de scherprechter zijn rooden mantel van zijn schouders, spreidde hem
op den grond uit, legde het lichaam er op, wierp het hoofd er bij,
knoopte hem bij de vier hoeken, laadde hem op zijn schouders en keerde
in de boot terug. In het midden der _Lys_ gekomen, liet hij de boot stil
liggen, en zijn last boven de rivier houdende, riep hij met luide stem:
„Laat Gods gericht voorbijgaan!”
En hij liet het lijk in de diepte des waters vallen, dat zich dadelijk
sloot.