HOOFDSTUK XXXIV.

Het vonnis.

De nacht was stormachtig en stikdonker, zware wolken doorkliefden het

zwerk, het licht der sterren omnevelende; de maan ging niet eer dan te

middernacht op.--Bijwijlen zag men bij het licht der bliksemstralen, die

aan de kimmen schitterden, den weg wit en eenzaam voor zich heen

kronkelen, vervolgens, nadat het bliksemvuur was uitgedoofd, keerde

alles in de duisternis terug. Onophoudelijk riep Athos d’Artagnan, die

steeds vooruit was, in het gelid der kleine bende terug en dwong hem op

zijn plaats te blijven, die hij echter een oogenblik daarna weder

verliet.... slechts een gedachte, die van vooruit te komen, bezielde hem

en hij was steeds voor.

Men reed in stilte het dorpje _Festubert_ door, waar de gewonde knecht

was gebleven; vervolgens ging men langs het dorp _Richebourg_. Te

_Herlier_ gekomen, sloeg Planchet, die den troep tot gids verstrekte,

links om.--Menigmaal had lord de Winter, Porthos of Aramis beproefd een

gesprek met den man met den rooden mantel aan te knoopen, maar op elke

vraag, die men hem deed, boog hij zich, zonder te antwoorden. De

reizigers begrepen hieruit, dat er eenige reden bestond, die den

onbekende tot zwijgen noopte, en zij hielden op met hem toe te spreken.

Intusschen breidde zich het onweer uit, de bliksems volgden elkander

snel, de donder begon te rollen, en de wind, voorlooper van een orkaan,

floot door de pluimen en het hoofdhaar der ruiters. De bende zette zich

in vollen draf. Een weinig voorbij _Fromelles_ barstte de storm los. Men

sloeg de mantels om. Nog drie uur moesten er worden afgelegd, gedurende

welke de regen stroomsgewijze nederviel.

D’Artagnan had zijn hoed afgezet en zijn mantel niet omgeslagen, want

hij vond er vermaak in het water langs zijn gloeiend voorhoofd en zijn

van koortsachtige rillingen bevend lichaam te laten druipen. Op het

oogenblik, dat de kleine troep _Goskal_ voorbij was en het posthuis zou

bereiken, maakte een man, die onder een boom een schuilplaats had

gezocht, zich als van den stam los, met welken hij in de duisternis

slechts een geheel scheen te vormen, en naderde tot op het midden van

den weg, den vinger op den mond leggende. Athos herkende Grimaud.

„Wat is er?” riep d’Artagnan, „zou zij _Armentières_ verlaten

hebben?”--Grimaud maakte met het hoofd een bevestigend gebaar.

D’Artagnan knarsetandde van woede.

„Stil, d’Artagnan!” zeide Athos, „ik ben het, die zich met alles heeft

belast, mij behoort het dus Grimaud te ondervragen. Waar is zij?” vroeg

Athos.--Grimaud strekte de hand uit in de richting van de _Lys_.--„Ver

van hier?” vroeg Athos.--Grimaud vertoonde aan zijn meester zijn gebogen

wijsvinger.--„Alleen?” vroeg Athos.--Grimaud knikte van ja.--„Mijne

heeren!” zeide Athos, „zij is op een half uur afstands van hier, in de

richting der rivier.”--„Het is wel,” zeide d’Artagnan. „Geleid ons,

Grimaud!”

Grimaud ging het land over en strekte den troep tot wegwijzer. Op

ongeveer vijfhonderd schreden verder kwam men bij een beek, die men

doorwaadde. Bij het schijnsel van een weerlicht zag men het dorpje

_Esquinhem_ voor zich.

„Is het daar?” vroeg d’Artagnan.--Grimaud schudde ontkennend het

hoofd.--„Stil toch!” zeide Athos. En de troep vervolgde zijn weg.

Een nieuwe bliksemstraal schitterde; Grimaud strekte den arm uit, en bij

het blauwachtige licht van den vuurslag onderscheidde men een klein

alleenstaand huisje, aan den oever der rivier, op honderd schreden

afstands van een overzetpont. Een venster was verlicht.

„Wij zijn er,” zeide Athos.--Op dat oogenblik richtte zich een man uit

een sloot overeind, het was Mousqueton. Hij wees met den vinger het

verlichte venster aan.--„Daar is zij,” zeide hij.--„En Bazijn?” vroeg

Athos.--„Terwijl ik het venster bewaakte, bewaakte hij de

deur.”--„Goed,” zeide Athos, „gij zijt allen trouwe dienaars.”

Athos sprong van zijn paard, de teugels aan Grimaud gevende, en naderde

toen het venster, na aan de overigen van den troep een teeken te hebben

gegeven, zich naar de zijde der deur te begeven. Het kleine huisje was

omringd door een bloeiende heg van twee of drie voet hoog. Athos sprong

de heg over, bereikte het venster, dat door geen luiken gesloten was,

maar waarvoor de ondergordijnen zorgvuldig dicht geschoven waren. Hij

klom op den steenen rand van het venster, ten einde over het gordijn te

kunnen zien. Bij het schijnsel eener lamp zag hij een in een

donkerkleurigen mantel gehulde vrouw bij een uitgaand vuur op een bankje

zittende. Zij leunde met haar ellebogen op een ellendige tafel en liet

haar hoofd in beide ivoorwitte handen rusten. Men kon haar gezicht niet

zien, echter zweefde een onheilspellende glimlach op de lippen van

Athos. Er was geen twijfel meer. Zij was het wel, die hij zocht.

Op dat oogenblik hinnikte een paard. Milady richtte het hoofd op, zag

het bleeke gelaat van Athos tegen de glazen gedrukt en slaakte een gil.

Athos, begrijpende dat hij herkend was, stiet met zijn knie en hand het

venster open en de glasruiten stuk, en als het beeld der wraak sprong

hij in de kamer. Milady snelde naar de deur en opende die. Doch nog

bleeker, nog dreigender dan Athos stond d’Artagnan er voor. Milady

deinsde gillende achteruit; d’Artagnan, in de meening dat haar eenig

middel ter ontvluchting overbleef, en vreezende dat zij hem mocht

ontsnappen, haalde een pistool uit zijn gordel. Maar Athos verhief de

hand en zeide:

„Berg dat wapen, d’Artagnan! deze vrouw moet geoordeeld en niet vermoord

worden.... Wacht nog een oogenblik, en gij zult voldaan zijn. Treedt

binnen, heeren!”

D’Artagnan gehoorzaamde, want Athos met zijn plechtige stem en

gebiedenden blik scheen een afgezant des hemels te zijn. Achter

d’Artagnan traden Porthos, Aramis, lord de Winter en de man met den

rooden mantel binnen. De vier knechts bewaakten het venster en de deur.

Milady was op haar bankje neergevallen en strekte de handen uit, als om

deze vreeselijke verschijning te bezweren. Haar schoonbroeder ziende,

slaakte zij een akeligen gil.

„Wat wilt gij?” riep milady.--„Wij willen,” zeide Athos, „Anna de

Breuil, die zich daarvoor heeft genoemd: gravin de la Fère, vervolgens

lady de Winter, baronesse de Sheffield....”

„Dat ben ik,” stamelde zij, met stijgende verwondering. „Wat wilt

gij?”--„Wij willen u oordeelen naar uw misdaden,” zeide Athos; „gij hebt

het recht u te verdedigen; rechtvaardig u, zoo gij kunt. Mijnheer

d’Artagnan! gij zijt het, die het eerst als beschuldiger zult optreden.”

D’Artagnan trad naar voren.--„Voor God en voor de menschen,” zeide hij,

„beschuldig ik die vrouw, Constance Bonacieux, die gisteren avond is

overleden, te hebben vergiftigd.”--Hij wendde zich tot Porthos en

Aramis.--„Wij bevestigen het,” zeiden eenparig beide musketiers.

D’Artagnan vervolgde:

„Voor God en voor de menschen beschuldig ik die vrouw, mij zelven te

hebben willen vergiftigen door wijn, dien zij mij van _Villeroy_ had

gezonden met een valschen brief, alsof die wijn van mijn vrienden kwam.

God heeft mij gered, doch een man, Brisemont genaamd, is in mijn plaats

gestorven.”--„Wij bevestigen,” zeiden wederom tegelijkertijd Porthos en

Aramis.

„Voor God en voor de menschen,” ging d’Artagnan opnieuw voort,

„beschuldig ik die vrouw, mij tot het vermoorden van den graaf de Wardes

te hebben aangezet, en daar er niemand is, om de waarheid van deze

beschuldiging te bevestigen, bevestig ik die. Ik heb gezegd.”--En

d’Artagnan begaf zich met Porthos en Aramis naar de andere zijde der

kamer.

„Aan u, mylord,” zeide Athos.

De baron naderde nu op zijn beurt.--„Voor God en voor de menschen,”

zeide hij, „beschuldig ik die vrouw, den hertog van Buckingham te hebben

doen vermoorden.”--„De hertog van Buckingham vermoord!” riepen uit een

mond al de omstanders.--„Ja,” zeide de baron, „vermoord! Volgens het

bericht, in uw aan mij geschreven brief vervat, had ik deze vrouw laten

aanhouden en haar in bewaring aan een trouwen dienaar gegeven; zij heeft

hem den dolk in handen gesteld en hem den hertog doen vermoorden;

misschien boet Felton reeds op dit oogenblik met zijn hoofd de misdaad

dezer helsche furie.”

Een siddering doorliep de rechters bij de openbaring dezer nog onbekende

misdaden.

„Dat is niet alles,” hernam lord de Winter, „mijn broeder, die u tot

zijn erfgenaam had gemaakt, is binnen den tijd van drie uur aan een

ziekte gestorven, welke op het gansche lichaam zwarte vlekken

achterliet. Waaraan is mijn broeder gestorven, zuster?”--„Afgrijselijk!”

riepen Porthos en Aramis.

„Moordenaresse van Buckingham! moordenaresse van Felton! moordenaresse

mijns broeders! ik eisch wraak tegen u en verklaar dat, indien men mij

die niet geeft, ik die zal nemen!”--En lord de Winter rangschikte zich

naast d’Artagnan, de plaats inruimende voor een anderen beschuldiger.

Milady liet het hoofd in haar beide handen zinken en trachtte haar door

een doodelijke benauwdheid verwarde denkbeelden te verzamelen.

„Op mijn beurt,” zeide Athos bevende, gelijk de leeuw bij het zien van

een slang. „Ik huwde die jonge vrouw, toen zij nog meisje was; ik huwde

haar, tegen den wil van mijn geheele familie, ik schonk haar mijn

bezittingen, mijn naam; doch op zekeren dag bespeurde ik, dat die vrouw

gebrandmerkt was; op haar linkerschouder stond een lelie

ingedrukt.”--„O!” zeide milady opstaande, „ik tart u de rechtbank aan te

wijzen, die over mij die onteerende straf heeft uitgesproken; ik tart u

hem te vinden, die dezelve heeft uitgevoerd.”

„Stil!” sprak een stem. „Aan mij behoort het, hierop te antwoorden.”--En

de man met den rooden mantel naderde op zijn beurt.--„Wie is die man?

wie is die man?” riep milady, van angst stikkende, en met losrakende

haren, die door ontzetting op haar lijkkleurig hoofd te berge rezen, als

leefden ze.--Aller oogen vestigden zich op dien man, want voor allen,

behalve voor Athos, was hij onbekend. Maar ook Athos beschouwde hem met

evenveel verbazing als de anderen, want hij wist niet, op welke wijze

hij betrokken was in dat vreeselijke drama, dat thans de ontknooping

naderde.

Na milady met langzame, plechtige schreden genaderd te zijn, derwijze,

dat alleen de tafel hem van haar scheidde, nam de onbekende zijn masker

af. Milady beschouwde eenige oogenblikken met klimmenden angst dat

bleeke gelaat, omringd van zwart hoofdhaar en zwarten baard, en welks

eenige uitdrukking een ijskoude onbeweeglijkheid vertoonde; vervolgens

tot tegen den muur achteruit deinzende, riep zij eensklaps: „O! neen,

neen! dat is een helsche verschijning! hij is het niet. Red mij! red

mij!” riep zij met een holle stem, zich tegen den muur dringende, alsof

zij met haar handen zich daar door een doorgang had willen banen.--„Maar

wie zijt gij toch?” riepen al de getuigen van dit tooneel.--„Vraagt het

aan die vrouw,” antwoordde de roodmantel, „want gij ziet wel, dat zij

mij heeft herkend.”

„De beul van _Rijssel_! de beul van _Rijssel_!” riep milady, ten prooi

aan een krankzinnige vrees, zich met haar handen aan den muur

vasthoudende om niet te vallen.--Allen weken ter zijde, en de man met

den rooden mantel bleef alleen in het midden der kamer staan.--„Ach,

genade! vergiffenis!” riep de rampzalige, op de knieën vallende.--De

onbekende wachtte, totdat er stilte heerschte.--„Ik zeide het u wel, dat

zij mij herkend had,” hernam hij. „Ja, ik ben de scherprechter der stad

_Rijssel_, en ziehier mijn verhaal.”--Aller oogen waren op dezen man

gevestigd, naar wiens woorden men met een angstige spanning wachtte.

„Die jonge vrouw was vroeger, toen zij nog meisje was, even schoon als

thans. Zij was non in het _Benedictijner-klooster_ te _Templemar_. Een

jong priester, met een eenvoudig en geloovig hart, bediende de kerk van

dat klooster; zij ondernam hem te verleiden, en het gelukte haar. Zij

zou een heilige hebben verleid. Beider geloften waren heilig,

onherroepelijk, en hun gemeenschap kon van geen langen duur zijn, zonder

beiden in het verderf te storten. Zij haalde hem over om het land te

verlaten, om samen te vluchten, om een ander gedeelte van _Frankrijk_ te

bereiken, waar zij gerust konden wonen, omdat zij daar onbekend zouden

zijn; hiertoe was geld noodig, en de een noch de ander had het. De

priester stal de gewijde vazen, verkocht ze, doch op het oogenblik van

hun vertrek werden beiden in hechtenis genomen. Acht dagen later had zij

den zoon des cipiers verleid en was gevlucht. De jonge priester werd tot

tien jaren dwangarbeid en het brandmerk veroordeeld. Ik was de

scherprechter der stad _Rijssel_, zooals gij van die vrouw hebt gehoord.

Ik was verplicht den schuldige te brandmerken, en de schuldige, mijne

heeren! was mijn broeder.... Ik zwoer toen, dat de vrouw, die hem ten

verderve had gebracht, die meer was dan zijn medeplichtige, daar zij hem

tot de misdaad had aangezet, ten minste zijn straf zou deelen. Ik was

ten halve zeker van de plaats, waar zij zich verborgen hield; ik begaf

mij op weg om haar te zoeken, vond haar, knevelde haar en drukte haar

hetzelfde schandmerk op den rug als mijn broeder. Den dag na mijn

terugkomst te _Rijssel_ gelukte het mijn broeder op zijn beurt te

ontvluchten; men beschuldigde mij van medeplichtigheid, en men

veroordeelde mij zoolang in zijn plaats gevangen te blijven, totdat hij

zich zou komen gevangen geven.... Mijn arme broeder wist niets van dat

vonnis en had zich wederom met de vrouw vereenigd, met welke hij naar

_Berry_ vluchtte, waar hij een kleine pastorie verkreeg. Die vrouw gaf

zich voor zijn zuster uit. De heer van het landgoed, waar de kerk des

pastoors was gelegen, zag die vermeende zuster en werd op haar verliefd,

en derwijze verliefd, dat hij haar ten huwelijk vroeg. Toen verliet zij

dengene, dien zij in het verderf had gestort, voor hem, dien zij er nog

in moest storten, en zij werd gravin de la Fère.”

Allen richtten hun blik op Athos, wiens ware naam het was, en die door

een hoofdknik te kennen gaf, dat al hetgeen de scherprechter zeide waar

was.

„Toen,” hernam hij, „zinneloos, wanhopig, besloten zich van een leven te

berooven, dat zij van alles, van eer en geluk had beroofd, keerde mijn

ongelukkige broeder naar _Rijssel_ terug, en daar het vonnis vernemende,

dat mij in zijn plaats strafte, gaf hij zich gevangen en hing zich

dienzelfden avond aan de tralies van zijn kerker op. Trouwens ik ben hun

recht verschuldigd, zij, die mij veroordeeld hadden, hielden hun woord.

Nauwelijks was de echtheid van het lijk bewezen, of men gaf mij mijn

vrijheid weder.... Ziedaar de misdaad, waarvan ik haar beschuldig,

ziedaar de reden, waarom ik haar heb gebrandmerkt.”

„Mijnheer d’Artagnan!” vroeg Athos, „welke straf eischt gij tegen die

vrouw?”--„De doodstraf,” antwoordde d’Artagnan.

„Mylord de Winter!” vervolgde Athos, „welke straf eischt gij tegen die

vrouw?”--„De doodstraf,” antwoordde lord de Winter.

„Mijne heeren Porthos en Aramis!” zeide Athos, „gij, die haar rechters

zijt, welk is het vonnis, dat gij over die vrouw zult uitspreken?”--„Het

doodvonnis,” antwoordden met gesmoorde stem de twee musketiers.

Milady gilde op een vreeselijke wijze en naderde eenige schreden haar

rechters, op haar knieën kruipende. Athos strekte de hand naar haar

uit.--„Anna de Breuil! gravin de la Fère! milady de Winter!” zeide hij,

„uw misdaden hebben het geduld der menschen op aarde en dat van God in

den Hemel ten einde gebracht. Indien gij het een of ander gebed kent,

zeg het dan, want gij zijt veroordeeld en gij zult sterven.”

Op die woorden, die niet de minste hoop overlieten, stond milady

overeind en wilde spreken; maar zij kon geen geluid voortbrengen. Zij

voelde, dat een machtige en onverzoenlijke hand haar als ware het bij

het hoofdhaar greep, en haar even onweerstaanbaar voortsleepte, als het

noodlot den mensch; zij trachtte dan ook niet den minsten weerstand te

beproeven en verliet op een daartoe door Athos gegeven teeken de hut.

Lord de Winter, d’Artagnan, Athos, Porthos en Aramis traden achter haar

voort; de knechts volgden hun meesters, en de kamer bleef eenzaam, met

haar ingetrapt venster, haar opene deur en de walmende lamp, die treurig

op de tafel brandde.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 86 / 93 题