Het vonnis.
De nacht was stormachtig en stikdonker, zware wolken doorkliefden het
zwerk, het licht der sterren omnevelende; de maan ging niet eer dan te
middernacht op.--Bijwijlen zag men bij het licht der bliksemstralen, die
aan de kimmen schitterden, den weg wit en eenzaam voor zich heen
kronkelen, vervolgens, nadat het bliksemvuur was uitgedoofd, keerde
alles in de duisternis terug. Onophoudelijk riep Athos d’Artagnan, die
steeds vooruit was, in het gelid der kleine bende terug en dwong hem op
zijn plaats te blijven, die hij echter een oogenblik daarna weder
verliet.... slechts een gedachte, die van vooruit te komen, bezielde hem
en hij was steeds voor.
Men reed in stilte het dorpje _Festubert_ door, waar de gewonde knecht
was gebleven; vervolgens ging men langs het dorp _Richebourg_. Te
_Herlier_ gekomen, sloeg Planchet, die den troep tot gids verstrekte,
links om.--Menigmaal had lord de Winter, Porthos of Aramis beproefd een
gesprek met den man met den rooden mantel aan te knoopen, maar op elke
vraag, die men hem deed, boog hij zich, zonder te antwoorden. De
reizigers begrepen hieruit, dat er eenige reden bestond, die den
onbekende tot zwijgen noopte, en zij hielden op met hem toe te spreken.
Intusschen breidde zich het onweer uit, de bliksems volgden elkander
snel, de donder begon te rollen, en de wind, voorlooper van een orkaan,
floot door de pluimen en het hoofdhaar der ruiters. De bende zette zich
in vollen draf. Een weinig voorbij _Fromelles_ barstte de storm los. Men
sloeg de mantels om. Nog drie uur moesten er worden afgelegd, gedurende
welke de regen stroomsgewijze nederviel.
D’Artagnan had zijn hoed afgezet en zijn mantel niet omgeslagen, want
hij vond er vermaak in het water langs zijn gloeiend voorhoofd en zijn
van koortsachtige rillingen bevend lichaam te laten druipen. Op het
oogenblik, dat de kleine troep _Goskal_ voorbij was en het posthuis zou
bereiken, maakte een man, die onder een boom een schuilplaats had
gezocht, zich als van den stam los, met welken hij in de duisternis
slechts een geheel scheen te vormen, en naderde tot op het midden van
den weg, den vinger op den mond leggende. Athos herkende Grimaud.
„Wat is er?” riep d’Artagnan, „zou zij _Armentières_ verlaten
hebben?”--Grimaud maakte met het hoofd een bevestigend gebaar.
D’Artagnan knarsetandde van woede.
„Stil, d’Artagnan!” zeide Athos, „ik ben het, die zich met alles heeft
belast, mij behoort het dus Grimaud te ondervragen. Waar is zij?” vroeg
Athos.--Grimaud strekte de hand uit in de richting van de _Lys_.--„Ver
van hier?” vroeg Athos.--Grimaud vertoonde aan zijn meester zijn gebogen
wijsvinger.--„Alleen?” vroeg Athos.--Grimaud knikte van ja.--„Mijne
heeren!” zeide Athos, „zij is op een half uur afstands van hier, in de
richting der rivier.”--„Het is wel,” zeide d’Artagnan. „Geleid ons,
Grimaud!”
Grimaud ging het land over en strekte den troep tot wegwijzer. Op
ongeveer vijfhonderd schreden verder kwam men bij een beek, die men
doorwaadde. Bij het schijnsel van een weerlicht zag men het dorpje
_Esquinhem_ voor zich.
„Is het daar?” vroeg d’Artagnan.--Grimaud schudde ontkennend het
hoofd.--„Stil toch!” zeide Athos. En de troep vervolgde zijn weg.
Een nieuwe bliksemstraal schitterde; Grimaud strekte den arm uit, en bij
het blauwachtige licht van den vuurslag onderscheidde men een klein
alleenstaand huisje, aan den oever der rivier, op honderd schreden
afstands van een overzetpont. Een venster was verlicht.
„Wij zijn er,” zeide Athos.--Op dat oogenblik richtte zich een man uit
een sloot overeind, het was Mousqueton. Hij wees met den vinger het
verlichte venster aan.--„Daar is zij,” zeide hij.--„En Bazijn?” vroeg
Athos.--„Terwijl ik het venster bewaakte, bewaakte hij de
deur.”--„Goed,” zeide Athos, „gij zijt allen trouwe dienaars.”
Athos sprong van zijn paard, de teugels aan Grimaud gevende, en naderde
toen het venster, na aan de overigen van den troep een teeken te hebben
gegeven, zich naar de zijde der deur te begeven. Het kleine huisje was
omringd door een bloeiende heg van twee of drie voet hoog. Athos sprong
de heg over, bereikte het venster, dat door geen luiken gesloten was,
maar waarvoor de ondergordijnen zorgvuldig dicht geschoven waren. Hij
klom op den steenen rand van het venster, ten einde over het gordijn te
kunnen zien. Bij het schijnsel eener lamp zag hij een in een
donkerkleurigen mantel gehulde vrouw bij een uitgaand vuur op een bankje
zittende. Zij leunde met haar ellebogen op een ellendige tafel en liet
haar hoofd in beide ivoorwitte handen rusten. Men kon haar gezicht niet
zien, echter zweefde een onheilspellende glimlach op de lippen van
Athos. Er was geen twijfel meer. Zij was het wel, die hij zocht.
Op dat oogenblik hinnikte een paard. Milady richtte het hoofd op, zag
het bleeke gelaat van Athos tegen de glazen gedrukt en slaakte een gil.
Athos, begrijpende dat hij herkend was, stiet met zijn knie en hand het
venster open en de glasruiten stuk, en als het beeld der wraak sprong
hij in de kamer. Milady snelde naar de deur en opende die. Doch nog
bleeker, nog dreigender dan Athos stond d’Artagnan er voor. Milady
deinsde gillende achteruit; d’Artagnan, in de meening dat haar eenig
middel ter ontvluchting overbleef, en vreezende dat zij hem mocht
ontsnappen, haalde een pistool uit zijn gordel. Maar Athos verhief de
hand en zeide:
„Berg dat wapen, d’Artagnan! deze vrouw moet geoordeeld en niet vermoord
worden.... Wacht nog een oogenblik, en gij zult voldaan zijn. Treedt
binnen, heeren!”
D’Artagnan gehoorzaamde, want Athos met zijn plechtige stem en
gebiedenden blik scheen een afgezant des hemels te zijn. Achter
d’Artagnan traden Porthos, Aramis, lord de Winter en de man met den
rooden mantel binnen. De vier knechts bewaakten het venster en de deur.
Milady was op haar bankje neergevallen en strekte de handen uit, als om
deze vreeselijke verschijning te bezweren. Haar schoonbroeder ziende,
slaakte zij een akeligen gil.
„Wat wilt gij?” riep milady.--„Wij willen,” zeide Athos, „Anna de
Breuil, die zich daarvoor heeft genoemd: gravin de la Fère, vervolgens
lady de Winter, baronesse de Sheffield....”
„Dat ben ik,” stamelde zij, met stijgende verwondering. „Wat wilt
gij?”--„Wij willen u oordeelen naar uw misdaden,” zeide Athos; „gij hebt
het recht u te verdedigen; rechtvaardig u, zoo gij kunt. Mijnheer
d’Artagnan! gij zijt het, die het eerst als beschuldiger zult optreden.”
D’Artagnan trad naar voren.--„Voor God en voor de menschen,” zeide hij,
„beschuldig ik die vrouw, Constance Bonacieux, die gisteren avond is
overleden, te hebben vergiftigd.”--Hij wendde zich tot Porthos en
Aramis.--„Wij bevestigen het,” zeiden eenparig beide musketiers.
D’Artagnan vervolgde:
„Voor God en voor de menschen beschuldig ik die vrouw, mij zelven te
hebben willen vergiftigen door wijn, dien zij mij van _Villeroy_ had
gezonden met een valschen brief, alsof die wijn van mijn vrienden kwam.
God heeft mij gered, doch een man, Brisemont genaamd, is in mijn plaats
gestorven.”--„Wij bevestigen,” zeiden wederom tegelijkertijd Porthos en
Aramis.
„Voor God en voor de menschen,” ging d’Artagnan opnieuw voort,
„beschuldig ik die vrouw, mij tot het vermoorden van den graaf de Wardes
te hebben aangezet, en daar er niemand is, om de waarheid van deze
beschuldiging te bevestigen, bevestig ik die. Ik heb gezegd.”--En
d’Artagnan begaf zich met Porthos en Aramis naar de andere zijde der
kamer.
„Aan u, mylord,” zeide Athos.
De baron naderde nu op zijn beurt.--„Voor God en voor de menschen,”
zeide hij, „beschuldig ik die vrouw, den hertog van Buckingham te hebben
doen vermoorden.”--„De hertog van Buckingham vermoord!” riepen uit een
mond al de omstanders.--„Ja,” zeide de baron, „vermoord! Volgens het
bericht, in uw aan mij geschreven brief vervat, had ik deze vrouw laten
aanhouden en haar in bewaring aan een trouwen dienaar gegeven; zij heeft
hem den dolk in handen gesteld en hem den hertog doen vermoorden;
misschien boet Felton reeds op dit oogenblik met zijn hoofd de misdaad
dezer helsche furie.”
Een siddering doorliep de rechters bij de openbaring dezer nog onbekende
misdaden.
„Dat is niet alles,” hernam lord de Winter, „mijn broeder, die u tot
zijn erfgenaam had gemaakt, is binnen den tijd van drie uur aan een
ziekte gestorven, welke op het gansche lichaam zwarte vlekken
achterliet. Waaraan is mijn broeder gestorven, zuster?”--„Afgrijselijk!”
riepen Porthos en Aramis.
„Moordenaresse van Buckingham! moordenaresse van Felton! moordenaresse
mijns broeders! ik eisch wraak tegen u en verklaar dat, indien men mij
die niet geeft, ik die zal nemen!”--En lord de Winter rangschikte zich
naast d’Artagnan, de plaats inruimende voor een anderen beschuldiger.
Milady liet het hoofd in haar beide handen zinken en trachtte haar door
een doodelijke benauwdheid verwarde denkbeelden te verzamelen.
„Op mijn beurt,” zeide Athos bevende, gelijk de leeuw bij het zien van
een slang. „Ik huwde die jonge vrouw, toen zij nog meisje was; ik huwde
haar, tegen den wil van mijn geheele familie, ik schonk haar mijn
bezittingen, mijn naam; doch op zekeren dag bespeurde ik, dat die vrouw
gebrandmerkt was; op haar linkerschouder stond een lelie
ingedrukt.”--„O!” zeide milady opstaande, „ik tart u de rechtbank aan te
wijzen, die over mij die onteerende straf heeft uitgesproken; ik tart u
hem te vinden, die dezelve heeft uitgevoerd.”
„Stil!” sprak een stem. „Aan mij behoort het, hierop te antwoorden.”--En
de man met den rooden mantel naderde op zijn beurt.--„Wie is die man?
wie is die man?” riep milady, van angst stikkende, en met losrakende
haren, die door ontzetting op haar lijkkleurig hoofd te berge rezen, als
leefden ze.--Aller oogen vestigden zich op dien man, want voor allen,
behalve voor Athos, was hij onbekend. Maar ook Athos beschouwde hem met
evenveel verbazing als de anderen, want hij wist niet, op welke wijze
hij betrokken was in dat vreeselijke drama, dat thans de ontknooping
naderde.
Na milady met langzame, plechtige schreden genaderd te zijn, derwijze,
dat alleen de tafel hem van haar scheidde, nam de onbekende zijn masker
af. Milady beschouwde eenige oogenblikken met klimmenden angst dat
bleeke gelaat, omringd van zwart hoofdhaar en zwarten baard, en welks
eenige uitdrukking een ijskoude onbeweeglijkheid vertoonde; vervolgens
tot tegen den muur achteruit deinzende, riep zij eensklaps: „O! neen,
neen! dat is een helsche verschijning! hij is het niet. Red mij! red
mij!” riep zij met een holle stem, zich tegen den muur dringende, alsof
zij met haar handen zich daar door een doorgang had willen banen.--„Maar
wie zijt gij toch?” riepen al de getuigen van dit tooneel.--„Vraagt het
aan die vrouw,” antwoordde de roodmantel, „want gij ziet wel, dat zij
mij heeft herkend.”
„De beul van _Rijssel_! de beul van _Rijssel_!” riep milady, ten prooi
aan een krankzinnige vrees, zich met haar handen aan den muur
vasthoudende om niet te vallen.--Allen weken ter zijde, en de man met
den rooden mantel bleef alleen in het midden der kamer staan.--„Ach,
genade! vergiffenis!” riep de rampzalige, op de knieën vallende.--De
onbekende wachtte, totdat er stilte heerschte.--„Ik zeide het u wel, dat
zij mij herkend had,” hernam hij. „Ja, ik ben de scherprechter der stad
_Rijssel_, en ziehier mijn verhaal.”--Aller oogen waren op dezen man
gevestigd, naar wiens woorden men met een angstige spanning wachtte.
„Die jonge vrouw was vroeger, toen zij nog meisje was, even schoon als
thans. Zij was non in het _Benedictijner-klooster_ te _Templemar_. Een
jong priester, met een eenvoudig en geloovig hart, bediende de kerk van
dat klooster; zij ondernam hem te verleiden, en het gelukte haar. Zij
zou een heilige hebben verleid. Beider geloften waren heilig,
onherroepelijk, en hun gemeenschap kon van geen langen duur zijn, zonder
beiden in het verderf te storten. Zij haalde hem over om het land te
verlaten, om samen te vluchten, om een ander gedeelte van _Frankrijk_ te
bereiken, waar zij gerust konden wonen, omdat zij daar onbekend zouden
zijn; hiertoe was geld noodig, en de een noch de ander had het. De
priester stal de gewijde vazen, verkocht ze, doch op het oogenblik van
hun vertrek werden beiden in hechtenis genomen. Acht dagen later had zij
den zoon des cipiers verleid en was gevlucht. De jonge priester werd tot
tien jaren dwangarbeid en het brandmerk veroordeeld. Ik was de
scherprechter der stad _Rijssel_, zooals gij van die vrouw hebt gehoord.
Ik was verplicht den schuldige te brandmerken, en de schuldige, mijne
heeren! was mijn broeder.... Ik zwoer toen, dat de vrouw, die hem ten
verderve had gebracht, die meer was dan zijn medeplichtige, daar zij hem
tot de misdaad had aangezet, ten minste zijn straf zou deelen. Ik was
ten halve zeker van de plaats, waar zij zich verborgen hield; ik begaf
mij op weg om haar te zoeken, vond haar, knevelde haar en drukte haar
hetzelfde schandmerk op den rug als mijn broeder. Den dag na mijn
terugkomst te _Rijssel_ gelukte het mijn broeder op zijn beurt te
ontvluchten; men beschuldigde mij van medeplichtigheid, en men
veroordeelde mij zoolang in zijn plaats gevangen te blijven, totdat hij
zich zou komen gevangen geven.... Mijn arme broeder wist niets van dat
vonnis en had zich wederom met de vrouw vereenigd, met welke hij naar
_Berry_ vluchtte, waar hij een kleine pastorie verkreeg. Die vrouw gaf
zich voor zijn zuster uit. De heer van het landgoed, waar de kerk des
pastoors was gelegen, zag die vermeende zuster en werd op haar verliefd,
en derwijze verliefd, dat hij haar ten huwelijk vroeg. Toen verliet zij
dengene, dien zij in het verderf had gestort, voor hem, dien zij er nog
in moest storten, en zij werd gravin de la Fère.”
Allen richtten hun blik op Athos, wiens ware naam het was, en die door
een hoofdknik te kennen gaf, dat al hetgeen de scherprechter zeide waar
was.
„Toen,” hernam hij, „zinneloos, wanhopig, besloten zich van een leven te
berooven, dat zij van alles, van eer en geluk had beroofd, keerde mijn
ongelukkige broeder naar _Rijssel_ terug, en daar het vonnis vernemende,
dat mij in zijn plaats strafte, gaf hij zich gevangen en hing zich
dienzelfden avond aan de tralies van zijn kerker op. Trouwens ik ben hun
recht verschuldigd, zij, die mij veroordeeld hadden, hielden hun woord.
Nauwelijks was de echtheid van het lijk bewezen, of men gaf mij mijn
vrijheid weder.... Ziedaar de misdaad, waarvan ik haar beschuldig,
ziedaar de reden, waarom ik haar heb gebrandmerkt.”
„Mijnheer d’Artagnan!” vroeg Athos, „welke straf eischt gij tegen die
vrouw?”--„De doodstraf,” antwoordde d’Artagnan.
„Mylord de Winter!” vervolgde Athos, „welke straf eischt gij tegen die
vrouw?”--„De doodstraf,” antwoordde lord de Winter.
„Mijne heeren Porthos en Aramis!” zeide Athos, „gij, die haar rechters
zijt, welk is het vonnis, dat gij over die vrouw zult uitspreken?”--„Het
doodvonnis,” antwoordden met gesmoorde stem de twee musketiers.
Milady gilde op een vreeselijke wijze en naderde eenige schreden haar
rechters, op haar knieën kruipende. Athos strekte de hand naar haar
uit.--„Anna de Breuil! gravin de la Fère! milady de Winter!” zeide hij,
„uw misdaden hebben het geduld der menschen op aarde en dat van God in
den Hemel ten einde gebracht. Indien gij het een of ander gebed kent,
zeg het dan, want gij zijt veroordeeld en gij zult sterven.”
Op die woorden, die niet de minste hoop overlieten, stond milady
overeind en wilde spreken; maar zij kon geen geluid voortbrengen. Zij
voelde, dat een machtige en onverzoenlijke hand haar als ware het bij
het hoofdhaar greep, en haar even onweerstaanbaar voortsleepte, als het
noodlot den mensch; zij trachtte dan ook niet den minsten weerstand te
beproeven en verliet op een daartoe door Athos gegeven teeken de hut.
Lord de Winter, d’Artagnan, Athos, Porthos en Aramis traden achter haar
voort; de knechts volgden hun meesters, en de kamer bleef eenzaam, met
haar ingetrapt venster, haar opene deur en de walmende lamp, die treurig
op de tafel brandde.