HOOFDSTUK XXXIII.

De man met den rooden mantel.

De wanhoop van Athos had plaats gemaakt voor een onderdrukte smart, die

nog meer zijn schitterende hoedanigheden deed uitkomen. Aan een enkele

gedachte overgegeven, die der belofte, welke hij had gedaan, en der

verantwoordelijkheid, welke hij op zich had genomen, begaf hij zich het

laatst naar zijn kamer, verzocht den herbergier hem een kaart der

provincie te bezorgen, boog er zich over, raadpleegde de daarop

getrokken lijnen en bemerkte, dat vier verschillende wegen van _Béthune_

tot _Armentières_ liepen, waarop hij de knechts liet roepen.

Planchet, Grimaud, Mousqueton en Bazijn vertoonden zich en ontvingen de

duidelijke, strenge en ernstige bevelen van Athos. Zij moesten den

volgenden morgen bij het krieken van den dag vertrekken en zich naar

_Armentières_ begeven, elk langs een bijzonderen weg. Planchet, de

schranderste van de vier, moest dien weg volgen, welken het rijtuig had

genomen, waarop de drie vrienden geschoten hadden, en dat, zooals men

zich zal herinneren, voorafgegaan werd door den lakei van Rochefort.

Athos zond de lakeien ter ontdekking uit, vooreerst omdat hij, sedert

die mannen in zijn dienst en in dienst zijner vrienden waren, in elk

hunner verschillende goede hoedanigheden had erkend; vervolgens omdat

knechts, die naar iets vragen, den landlieden minder argwaan inboezemen

dan de meesters, en meer genegenheid ontmoeten bij degenen, die ze

ondervragen. Eindelijk, milady kende de meesters, terwijl zij de knechts

niet kende, die integendeel zeer goed milady kenden. Alle vier moesten

den volgenden morgen te elf uur op een bepaalde plaats vereenigd zijn:

indien zij de schuilplaats van milady mochten hebben ontdekt, dan zouden

drie van hen haar bewaken en de vierde naar _Béthune_ terugkeeren, om

Athos bericht te brengen en den vrienden tot gids te verstrekken.

Na het nemen dier maatregelen vertrokken de knechts op hun beurt. Toen

stond Athos van zijn stoel op, gordde zijn degen om, wikkelde zich in

zijn mantel en verliet de herberg; het was tien uur; zooals men weet,

zijn op dat uur in de kleine steden de straten bijna zoo goed als

uitgestorven. Athos intusschen was het duidelijk aan te zien, dat hij

iemand zocht tot wien hij een vraag kon richten. Eindelijk ontmoette hij

iemand, die laat naar huis keerde, hij naderde dezen en sprak tot hem

eenige woorden; maar de man, tot wien hij zich gewend had, deinsde

ontsteld achteruit; echter beantwoordde hij de vraag van den musketier

door hem iets aan te wijzen. Athos bood dien man een halve pistool aan,

zoo deze hem wilde vergezellen, doch de man weigerde. Athos trad de

straat in, welke hem met den vinger was aangeduid; maar aan zeker plein

gekomen, bleef hij opnieuw, blijkbaar in verlegenheid, staan. Daar

intusschen niets hem beter kans gaf van iemand te ontmoeten dan dat

plein, bleef hij wachten. En waarlijk, na een kort oogenblik kwam hem

een nachtwacht voorbij. Athos deed hem dezelfde vraag, welke hij reeds

den eersten persoon had gedaan, dien hij ontmoet had. De nachtwacht liet

dezelfde ontsteltenis blijken, weigerde ook hem te vergezellen en wees

hem met de hand den weg, dien hij moest volgen. Athos ging in de

aangewezen richting voort en bereikte de voorstad, aan de

tegenovergestelde zijde gelegen van die, door welke hij en zijn vrienden

de stad waren binnengekomen. Daar gekomen scheen hij wederom verlegen en

onzeker en bleef voor de derde maal staan.

Gelukkig kwam een bedelaar daar langs, die Athos naderde om hem een

aalmoes te vragen. Athos bood hem een kroon, zoo hij hem wilde brengen

waar hij moest zijn. De bedelaar aarzelde een oogenblik; doch het

goudstuk ziende, dat in de duisternis blonk, ging hij er toe over en

trad Athos vooruit. Aan den hoek eener straat gekomen, toonde hij hem in

de verte een eenzaam, afgezonderd, treurig huis. Athos naderde het,

terwijl de bedelaar, die zijn loon had ontvangen, zoo hard hij loopen

kon zich er van verwijderde.

Athos ging het huis rond alvorens de deur te bespeuren, die door de

roode kleur, waarmede het huis was geverfd, bijna onzichtbaar was. Geen

enkele lichtstraal blonk door de reten der vensterluiken, niet een enkel

gerucht gaf blijk, dat het werd bewoond; donker en stil was het er als

in een graf. Drie malen klopte Athos, zonder dat men hem antwoordde. Op

den derden slag naderden eindelijk voetstappen; de deur werd een weinig

geopend en een man van een groote gestalte, met bleeke kleur, zwarten

baard en hoofdhaar, verscheen. Athos en hij wisselden eenige woorden in

stilte met elkander, waarop de man des huizes den musketier een teeken

gaf, dat hij kon binnenkomen. Athos maakte zonder verwijl van het verlof

gebruik, en de deur viel achter hem dicht.

De man, dien Athos van zoo verre was komen zoeken en met zooveel moeite

had gevonden, liet hem een werkplaats binnengaan, waar hij bezig was met

ijzerdraad de rammelende knoken van een geraamte samen te hechten.

Geheel het rif was reeds in elkander gezet, alleen het hoofd stond nog

op een tafel. Het overige van het huisraad duidde aan, dat hij, bij wien

hij zich bevond, de natuurkunde beoefende; men zag er glazen flesschen

met slangen, welke alle naar volgorde in klassen gerangschikt waren;

gedroogde hagedissen blonken als smaragden in groote, zwart houten

ramen. Voorts hingen aan de zoldering, in de hoeken van het vertrek,

bossen met wilde, welriekende kruiden, die zeker een voor het meerendeel

der menschen onbekende hoedanigheid bezaten. Overigens geen huisgezin,

geen knechts; de man van de lange gestalte bewoonde alleen het huis.

Athos wierp een koelen, onverschilligen blik op al de voornoemde

voorwerpen, en op uitnoodiging van hem, dien hij bezocht, zette hij zich

voor dezen neder. Toen verklaarde hij hem de oorzaak van zijn bezoek, en

den dienst om welken hij hem verzocht; doch nauwelijks had hij zijn

verzoek gedaan, of de vreemdeling, die voor den musketier overeind was

blijven staan, deinsde vol ontzetting achteruit en weigerde. Daarop

haalde Athos uit zijn zak een klein papier te voorschijn, waarop eenige

regels stonden geschreven, en hetwelk met een zegel was voorzien, en

vertoonde het dengene, die te voorbarig die teekenen van afkeer had

gegeven. De lange man had nauwelijks de paar regels gelezen, de

handteekening gezien en het zegel herkend, of hij boog zich, ten teeken

dat hij niet de minste tegenwerping meer te maken had en hij gereed was

te gehoorzamen. Athos begeerde niets meer; hij stond op, verliet het

huis, ging denzelfden weg, dien hij gekomen was, trad de herberg binnen

en sloot zich in zijn kamer op.

Toen de dag aanbrak, trad d’Artagnan bij hem binnen en vroeg, wat er

gedaan moest worden.--„Wachten,” antwoordde Athos.

Eenige oogenblikken daarna liet de abdis van het klooster de musketiers

berichten, dat de begrafenis van milady’s slachtoffer op den middag zou

plaats hebben. Van de giftmengster had men niets meer vernomen. Alleen

bleek het, dat zij langs den tuin was ontvlucht, daar men op het zand

haar voetstappen had herkend, terwijl men de deur gesloten vond; de

sleutel was nergens te vinden.

Op het bepaalde uur begaven lord de Winter en de vier vrienden zich naar

het klooster; het klokgelui kondigde de treurige plechtigheid aan, de

kapel was reeds geopend, alleen het ijzeren hek van het klooster was

gesloten. In het midden van het koor was het lijk van het slachtoffer in

haar nonnengewaad ten toon gesteld. Aan beide zijden van het koor en

achter de hekken, die den toegang tot het klooster verleenden, waren al

de nonnen vereenigd, die dáár den heiligen dienst hoorden en haar

gezangen aan het gezang der priesters paarden, zonder de ongewijden te

zien of door hen gezien te worden. Voor de deur der kapel voelde

d’Artagnan zich opnieuw den moed ontzinken; hij wendde zich om Athos te

zoeken, doch Athos was verdwenen.

Zich geheel overgevende aan den last, op zich genomen om de wraak te

volvoeren, had Athos zich naar den tuin doen brengen, en daar op het

zand de zwakke indruksels volgende der vrouw, die overal waar zij haar

schreden zette een bloedig spoor achterliet, bereikte hij de deur, die

in het bosch uitkwam, liet ze openen en drong het hout in. Toen werd al

zijn twijfel opgeheven: de weg, langs welken het rijtuig was verdwenen,

liep om het woud. Athos volgde dien weg, de oogen op den grond gevestigd

houdende; eenige kleine bloedvlekken, die van een verwonding

voortkwamen, hetzij den man die het rijtuig als koetsier vergezelde of

een der paarden toegebracht, spikkelden den weg. Na ongeveer drie

kwartier te zijn voortgegaan, op vijftig schreden van _Festubert_,

bespeurde hij een grootere bloedvlek, en de grond was door paarden

ingetrapt. Tusschen het woud en deze plek herkende hij dezelfde kleine

voetindruksels als die van den tuin; het rijtuig had hier stilgehouden.

Hier was milady uit het bosch gekomen en in het rijtuig geklommen.

Voldaan over deze ontdekking, die al zijn vermoedens bevestigde, keerde

Athos naar de herberg terug en vond daar Planchet, die hem met ongeduld

wachtte.

Alles had zich toegedragen, zooals Athos had voorzien. Planchet had,

denzelfden weg afleggende als Athos, de bloedvlekken bespeurd en ook de

plaats opgemerkt, waar de paarden hadden stilgestaan; doch hij was

verder gegaan dan Athos, zoodat hij in de herberg van _Festubert_,

terwijl hij daar iets dronk, hoorde, zonder noodig te hebben gehad

eenige vragen te doen, dat den vorigen dag te half negen des avonds een

gewond man, die een in een chais reizende dame vergezelde, genoodzaakt

was geweest, wijl hij niet verder kon gaan, zich daar op te houden. Het

ongeval was op rekening der dieven gesteld, die de chais in het bosch

zouden hebben aangerand. De man was in het dorp gebleven, de vrouw had

van paarden verwisseld en haar reis vervolgd. Planchet deed onderzoek

naar den postiljon, die de chais had gereden, en vond hem. Hij had de

dame tot aan _Fromelles_ gebracht, en van _Fromelles_ was zij naar

_Armentières_ vertrokken. Dáár was slechts een herberg, tevens het

posthuis. Planchet begaf zich derwaarts als een buiten dienst zijnde

lakei, die een plaats zoekt. Hij had nauwelijks tien minuten met de

lieden der herberg gesproken, of hij wist reeds, dat een vrouw alleen

des avonds te elf uur was aangekomen, een kamer had genomen, den

herbergier had doen komen en dezen gezegd had, dat zij eenigen tijd in

de omstreken wilde blijven. Planchet had niet noodig iets meer te weten.

Hij begaf zich naar de afgesproken plaats, vond de lakeien nauwkeurig op

hun post, nam ze mede, plaatste hen als schildwachten voor al de

uitgangen van het hotel en keerde toen naar Athos terug, die juist met

het aanhooren der berichten van Planchet eindigde, toen zijn vrienden

binnenkwamen. De aangezichten van allen waren betrokken, zelfs het

zachte gelaat van Aramis.

„Wat moet er gedaan worden?” vroeg d’Artagnan.--„Wachten,” antwoordde

Athos.

Iedereen keerde naar zijn kamer terug. Tegen acht uur des avonds gaf

Athos bevel de paarden te zadelen en lord de Winter en zijn vrienden te

waarschuwen, dat zij zich tot den tocht moesten gereed maken. In een

oogenblik waren alle vijf gereed. Elk voor zich onderzocht zijn wapens

en bracht ze in orde. Athos kwam het laatst en vond d’Artagnan reeds te

paard, ongeduldig het oogenblik des vertreks verbeidende.--„Geduld,”

zeide Athos, „er ontbreekt ons nog iemand.”

De vier ruiters zagen verwonderd rondom zich, want zij trachtten

vruchteloos te raden, wie degene was, die nog verwacht werd. Nu bracht

Planchet het paard van Athos voor. De musketier sprong luchtig in den

zadel.--„Wacht nu, ik kom terug,” zeide hij, en hij verwijderde zich in

galop.

Een kwartier later kwam hij, vergezeld van een gemaskerden, in een

rooden mantel gehulden man terug. Lord de Winter en de drie musketiers

wisselden met elkander vragende blikken; maar geen hunner kon den

anderen eenige verklaring geven, want aan allen was het onbekend, wie

die man was. Intusschen twijfelden zij er niet aan, dat het dus moest

wezen, dewijl het op bevel van Athos was geschied. Te negen uur ving de

kleine ruiterbende den tocht aan, door Planchet voorgegaan en den weg

inslaande, welken het rijtuig had gevolgd. Het was een treurige

vertooning, die zes mannen te zien, in diepe stilte voortschrijdende,

elk in zijn eigen gedachten verzonken, zwijgend als de wanhoop,

vreeselijk als de kastijding.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 85 / 93 题