De man met den rooden mantel.
De wanhoop van Athos had plaats gemaakt voor een onderdrukte smart, die
nog meer zijn schitterende hoedanigheden deed uitkomen. Aan een enkele
gedachte overgegeven, die der belofte, welke hij had gedaan, en der
verantwoordelijkheid, welke hij op zich had genomen, begaf hij zich het
laatst naar zijn kamer, verzocht den herbergier hem een kaart der
provincie te bezorgen, boog er zich over, raadpleegde de daarop
getrokken lijnen en bemerkte, dat vier verschillende wegen van _Béthune_
tot _Armentières_ liepen, waarop hij de knechts liet roepen.
Planchet, Grimaud, Mousqueton en Bazijn vertoonden zich en ontvingen de
duidelijke, strenge en ernstige bevelen van Athos. Zij moesten den
volgenden morgen bij het krieken van den dag vertrekken en zich naar
_Armentières_ begeven, elk langs een bijzonderen weg. Planchet, de
schranderste van de vier, moest dien weg volgen, welken het rijtuig had
genomen, waarop de drie vrienden geschoten hadden, en dat, zooals men
zich zal herinneren, voorafgegaan werd door den lakei van Rochefort.
Athos zond de lakeien ter ontdekking uit, vooreerst omdat hij, sedert
die mannen in zijn dienst en in dienst zijner vrienden waren, in elk
hunner verschillende goede hoedanigheden had erkend; vervolgens omdat
knechts, die naar iets vragen, den landlieden minder argwaan inboezemen
dan de meesters, en meer genegenheid ontmoeten bij degenen, die ze
ondervragen. Eindelijk, milady kende de meesters, terwijl zij de knechts
niet kende, die integendeel zeer goed milady kenden. Alle vier moesten
den volgenden morgen te elf uur op een bepaalde plaats vereenigd zijn:
indien zij de schuilplaats van milady mochten hebben ontdekt, dan zouden
drie van hen haar bewaken en de vierde naar _Béthune_ terugkeeren, om
Athos bericht te brengen en den vrienden tot gids te verstrekken.
Na het nemen dier maatregelen vertrokken de knechts op hun beurt. Toen
stond Athos van zijn stoel op, gordde zijn degen om, wikkelde zich in
zijn mantel en verliet de herberg; het was tien uur; zooals men weet,
zijn op dat uur in de kleine steden de straten bijna zoo goed als
uitgestorven. Athos intusschen was het duidelijk aan te zien, dat hij
iemand zocht tot wien hij een vraag kon richten. Eindelijk ontmoette hij
iemand, die laat naar huis keerde, hij naderde dezen en sprak tot hem
eenige woorden; maar de man, tot wien hij zich gewend had, deinsde
ontsteld achteruit; echter beantwoordde hij de vraag van den musketier
door hem iets aan te wijzen. Athos bood dien man een halve pistool aan,
zoo deze hem wilde vergezellen, doch de man weigerde. Athos trad de
straat in, welke hem met den vinger was aangeduid; maar aan zeker plein
gekomen, bleef hij opnieuw, blijkbaar in verlegenheid, staan. Daar
intusschen niets hem beter kans gaf van iemand te ontmoeten dan dat
plein, bleef hij wachten. En waarlijk, na een kort oogenblik kwam hem
een nachtwacht voorbij. Athos deed hem dezelfde vraag, welke hij reeds
den eersten persoon had gedaan, dien hij ontmoet had. De nachtwacht liet
dezelfde ontsteltenis blijken, weigerde ook hem te vergezellen en wees
hem met de hand den weg, dien hij moest volgen. Athos ging in de
aangewezen richting voort en bereikte de voorstad, aan de
tegenovergestelde zijde gelegen van die, door welke hij en zijn vrienden
de stad waren binnengekomen. Daar gekomen scheen hij wederom verlegen en
onzeker en bleef voor de derde maal staan.
Gelukkig kwam een bedelaar daar langs, die Athos naderde om hem een
aalmoes te vragen. Athos bood hem een kroon, zoo hij hem wilde brengen
waar hij moest zijn. De bedelaar aarzelde een oogenblik; doch het
goudstuk ziende, dat in de duisternis blonk, ging hij er toe over en
trad Athos vooruit. Aan den hoek eener straat gekomen, toonde hij hem in
de verte een eenzaam, afgezonderd, treurig huis. Athos naderde het,
terwijl de bedelaar, die zijn loon had ontvangen, zoo hard hij loopen
kon zich er van verwijderde.
Athos ging het huis rond alvorens de deur te bespeuren, die door de
roode kleur, waarmede het huis was geverfd, bijna onzichtbaar was. Geen
enkele lichtstraal blonk door de reten der vensterluiken, niet een enkel
gerucht gaf blijk, dat het werd bewoond; donker en stil was het er als
in een graf. Drie malen klopte Athos, zonder dat men hem antwoordde. Op
den derden slag naderden eindelijk voetstappen; de deur werd een weinig
geopend en een man van een groote gestalte, met bleeke kleur, zwarten
baard en hoofdhaar, verscheen. Athos en hij wisselden eenige woorden in
stilte met elkander, waarop de man des huizes den musketier een teeken
gaf, dat hij kon binnenkomen. Athos maakte zonder verwijl van het verlof
gebruik, en de deur viel achter hem dicht.
De man, dien Athos van zoo verre was komen zoeken en met zooveel moeite
had gevonden, liet hem een werkplaats binnengaan, waar hij bezig was met
ijzerdraad de rammelende knoken van een geraamte samen te hechten.
Geheel het rif was reeds in elkander gezet, alleen het hoofd stond nog
op een tafel. Het overige van het huisraad duidde aan, dat hij, bij wien
hij zich bevond, de natuurkunde beoefende; men zag er glazen flesschen
met slangen, welke alle naar volgorde in klassen gerangschikt waren;
gedroogde hagedissen blonken als smaragden in groote, zwart houten
ramen. Voorts hingen aan de zoldering, in de hoeken van het vertrek,
bossen met wilde, welriekende kruiden, die zeker een voor het meerendeel
der menschen onbekende hoedanigheid bezaten. Overigens geen huisgezin,
geen knechts; de man van de lange gestalte bewoonde alleen het huis.
Athos wierp een koelen, onverschilligen blik op al de voornoemde
voorwerpen, en op uitnoodiging van hem, dien hij bezocht, zette hij zich
voor dezen neder. Toen verklaarde hij hem de oorzaak van zijn bezoek, en
den dienst om welken hij hem verzocht; doch nauwelijks had hij zijn
verzoek gedaan, of de vreemdeling, die voor den musketier overeind was
blijven staan, deinsde vol ontzetting achteruit en weigerde. Daarop
haalde Athos uit zijn zak een klein papier te voorschijn, waarop eenige
regels stonden geschreven, en hetwelk met een zegel was voorzien, en
vertoonde het dengene, die te voorbarig die teekenen van afkeer had
gegeven. De lange man had nauwelijks de paar regels gelezen, de
handteekening gezien en het zegel herkend, of hij boog zich, ten teeken
dat hij niet de minste tegenwerping meer te maken had en hij gereed was
te gehoorzamen. Athos begeerde niets meer; hij stond op, verliet het
huis, ging denzelfden weg, dien hij gekomen was, trad de herberg binnen
en sloot zich in zijn kamer op.
Toen de dag aanbrak, trad d’Artagnan bij hem binnen en vroeg, wat er
gedaan moest worden.--„Wachten,” antwoordde Athos.
Eenige oogenblikken daarna liet de abdis van het klooster de musketiers
berichten, dat de begrafenis van milady’s slachtoffer op den middag zou
plaats hebben. Van de giftmengster had men niets meer vernomen. Alleen
bleek het, dat zij langs den tuin was ontvlucht, daar men op het zand
haar voetstappen had herkend, terwijl men de deur gesloten vond; de
sleutel was nergens te vinden.
Op het bepaalde uur begaven lord de Winter en de vier vrienden zich naar
het klooster; het klokgelui kondigde de treurige plechtigheid aan, de
kapel was reeds geopend, alleen het ijzeren hek van het klooster was
gesloten. In het midden van het koor was het lijk van het slachtoffer in
haar nonnengewaad ten toon gesteld. Aan beide zijden van het koor en
achter de hekken, die den toegang tot het klooster verleenden, waren al
de nonnen vereenigd, die dáár den heiligen dienst hoorden en haar
gezangen aan het gezang der priesters paarden, zonder de ongewijden te
zien of door hen gezien te worden. Voor de deur der kapel voelde
d’Artagnan zich opnieuw den moed ontzinken; hij wendde zich om Athos te
zoeken, doch Athos was verdwenen.
Zich geheel overgevende aan den last, op zich genomen om de wraak te
volvoeren, had Athos zich naar den tuin doen brengen, en daar op het
zand de zwakke indruksels volgende der vrouw, die overal waar zij haar
schreden zette een bloedig spoor achterliet, bereikte hij de deur, die
in het bosch uitkwam, liet ze openen en drong het hout in. Toen werd al
zijn twijfel opgeheven: de weg, langs welken het rijtuig was verdwenen,
liep om het woud. Athos volgde dien weg, de oogen op den grond gevestigd
houdende; eenige kleine bloedvlekken, die van een verwonding
voortkwamen, hetzij den man die het rijtuig als koetsier vergezelde of
een der paarden toegebracht, spikkelden den weg. Na ongeveer drie
kwartier te zijn voortgegaan, op vijftig schreden van _Festubert_,
bespeurde hij een grootere bloedvlek, en de grond was door paarden
ingetrapt. Tusschen het woud en deze plek herkende hij dezelfde kleine
voetindruksels als die van den tuin; het rijtuig had hier stilgehouden.
Hier was milady uit het bosch gekomen en in het rijtuig geklommen.
Voldaan over deze ontdekking, die al zijn vermoedens bevestigde, keerde
Athos naar de herberg terug en vond daar Planchet, die hem met ongeduld
wachtte.
Alles had zich toegedragen, zooals Athos had voorzien. Planchet had,
denzelfden weg afleggende als Athos, de bloedvlekken bespeurd en ook de
plaats opgemerkt, waar de paarden hadden stilgestaan; doch hij was
verder gegaan dan Athos, zoodat hij in de herberg van _Festubert_,
terwijl hij daar iets dronk, hoorde, zonder noodig te hebben gehad
eenige vragen te doen, dat den vorigen dag te half negen des avonds een
gewond man, die een in een chais reizende dame vergezelde, genoodzaakt
was geweest, wijl hij niet verder kon gaan, zich daar op te houden. Het
ongeval was op rekening der dieven gesteld, die de chais in het bosch
zouden hebben aangerand. De man was in het dorp gebleven, de vrouw had
van paarden verwisseld en haar reis vervolgd. Planchet deed onderzoek
naar den postiljon, die de chais had gereden, en vond hem. Hij had de
dame tot aan _Fromelles_ gebracht, en van _Fromelles_ was zij naar
_Armentières_ vertrokken. Dáár was slechts een herberg, tevens het
posthuis. Planchet begaf zich derwaarts als een buiten dienst zijnde
lakei, die een plaats zoekt. Hij had nauwelijks tien minuten met de
lieden der herberg gesproken, of hij wist reeds, dat een vrouw alleen
des avonds te elf uur was aangekomen, een kamer had genomen, den
herbergier had doen komen en dezen gezegd had, dat zij eenigen tijd in
de omstreken wilde blijven. Planchet had niet noodig iets meer te weten.
Hij begaf zich naar de afgesproken plaats, vond de lakeien nauwkeurig op
hun post, nam ze mede, plaatste hen als schildwachten voor al de
uitgangen van het hotel en keerde toen naar Athos terug, die juist met
het aanhooren der berichten van Planchet eindigde, toen zijn vrienden
binnenkwamen. De aangezichten van allen waren betrokken, zelfs het
zachte gelaat van Aramis.
„Wat moet er gedaan worden?” vroeg d’Artagnan.--„Wachten,” antwoordde
Athos.
Iedereen keerde naar zijn kamer terug. Tegen acht uur des avonds gaf
Athos bevel de paarden te zadelen en lord de Winter en zijn vrienden te
waarschuwen, dat zij zich tot den tocht moesten gereed maken. In een
oogenblik waren alle vijf gereed. Elk voor zich onderzocht zijn wapens
en bracht ze in orde. Athos kwam het laatst en vond d’Artagnan reeds te
paard, ongeduldig het oogenblik des vertreks verbeidende.--„Geduld,”
zeide Athos, „er ontbreekt ons nog iemand.”
De vier ruiters zagen verwonderd rondom zich, want zij trachtten
vruchteloos te raden, wie degene was, die nog verwacht werd. Nu bracht
Planchet het paard van Athos voor. De musketier sprong luchtig in den
zadel.--„Wacht nu, ik kom terug,” zeide hij, en hij verwijderde zich in
galop.
Een kwartier later kwam hij, vergezeld van een gemaskerden, in een
rooden mantel gehulden man terug. Lord de Winter en de drie musketiers
wisselden met elkander vragende blikken; maar geen hunner kon den
anderen eenige verklaring geven, want aan allen was het onbekend, wie
die man was. Intusschen twijfelden zij er niet aan, dat het dus moest
wezen, dewijl het op bevel van Athos was geschied. Te negen uur ving de
kleine ruiterbende den tocht aan, door Planchet voorgegaan en den weg
inslaande, welken het rijtuig had gevolgd. Het was een treurige
vertooning, die zes mannen te zien, in diepe stilte voortschrijdende,
elk in zijn eigen gedachten verzonken, zwijgend als de wanhoop,
vreeselijk als de kastijding.