Het Karmelieten nonnenklooster te Béthune.
Groote misdadigers bezitten, om zoo te zeggen, een zekere geschiktheid,
die hen alle hinderpalen doet te boven komen en hen aan alle gevaren
doet ontsnappen, zoolang, tot de Voorzienigheid, hun snoodheid moede,
paal en perk stelt aan hun goddeloos geluk.
Het was evenzoo met milady. Zij ontkwam de kruisers der beide natiën en
landde te _Boulogne_, zonder dat eenig ongeval haar had bejegend.
Te _Portsmouth_ aankomende, was milady een Engelsche, die de
vervolgingen in _Frankrijk_ uit _la Rochelle_ hadden gejaagd. Te
_Boulogne_ aan wal komende, na twee dagen op zee te zijn geweest, gaf
zij zich voor een Fransche uit, die de Engelschen in hun haat tegen
_Frankrijk_ te _Portsmouth_ verontrust hadden. Milady bezat bovendien
het beste paspoort in haar schoonheid en de gulheid met welke zij het
geld rondom zich strooide. Van de gewone maatregelen ontslagen door haar
bevalligen glimlach en beleefde manieren tegenover een ouden bevelhebber
der haven, die haar de handen kuste, bleef zij niet langer te _Boulogne_
dan den tijd, die noodig was om den volgenden brief op de post te doen:
„Aan Zijne Eminentie, den Kardinaal de Richelieu, in zijn legerkamp
voor _la Rochelle_.
Uwe Excellentie kan gerust zijn, Zijne Genade de hertog van
Buckingham zal niet naar Frankrijk vertrekken.
Milady de ***.
_Boulogne_, 25, des avonds.
P.S. Ingevolge de begeerte Uwer Eminentie, begeef ik mij naar het
Karmelieten Nonnenklooster te _Béthune_, waar ik uw bevelen zal
wachten.”
En inderdaad, milady ging dienzelfden avond op reis. De nacht overviel
haar; zij hield stil en ging in een herberg slapen; des morgens te vijf
uur vertrok zij weder, zoodat zij drie uren daarna _Béthune_ bereikte.
Zij liet zich het klooster der Karmelieten nonnen aanwijzen en ging er
onmiddellijk binnen. De abdis kwam haar tegemoet; milady toonde haar het
bevel van den kardinaal; de abdis liet haar een kamer geven en haar een
ontbijt voordienen.
Al het verledene was voor de oogen dier vrouw verdwenen, en den blik op
de toekomst gevestigd, zag zij nu niet anders dan de schitterende
fortuin, die de kardinaal haar toedacht; hij, dien zij zoo gelukkig had
gediend, zonder dat zijn naam in het minste in die bloedige zaak was
gemengd geworden. De steeds nieuwe hartstochten, die haar verteerden,
gaven aan haar leven de gelijkenis dier wolken, welke in het luchtruim
drijven, nu eens het azuur, dan het vuur, dan weder de duisternis des
orkaans weerkaatsen en geen ander spoor achterlaten dan verwoesting en
dood.
Na het ontbijt kwam de abdis haar een bezoek brengen. Er zijn weinig
uitspanningen in een klooster, en de goede dame was ongeduldig kennis
met haar nieuwe logeerjuffer te maken. Milady wilde de abdis behagen, en
zulks was voor die waarlijk met uitstekende geestvermogens begiftigde
vrouw in het geheel niet moeilijk. Zij beproefde beminnelijk te zijn,
zij was bekoorlijk en misleidde de abdis door haar zoo afwisselend
gesprek en de lieftalligheid, die in haar geheele persoon doorstraalde.
De abdis, een adellijke vrouw, hield vooral van die hofgeschiedenissen,
welke zoo moeilijk de grenzen eens koninkrijks bereiken, en nog
moeilijker de muren van een klooster doordringen, aan welks voet het
gedruisch der wereld verstomt. Milady daarentegen was zeer bekend met de
menigvuldige aristocratische intrigues, te midden van welke zij
gedurende vijf of zes jaren had geleefd; zij ving dan aan met de goede
abdis over de wereldsche bedrijven van het Fransche hof te onderhouden,
die gepaard gingen aan de buitensporige godsvrucht des konings. Zij
verhaalde haar de geheime liefdesavonturen der heeren en dames van het
hof, die de abdis zeer goed bij naam kende; raakte even den liefdehandel
van Buckingham met de koningin aan en sprak veel, ten einde een weinig
te hooren spreken.
Maar de abdis bepaalde zich tot luisteren en tot glimlachen, zonder een
woord te spreken. Intusschen, daar milady zag, dat die soort van
gesprekken haar zeer vermaakten, ging zij voort, maar nu liet zij het
gesprek op den kardinaal neerkomen, doch niet wetende, of de abdis al of
niet kardinaalsgezind was, hield zij zich op den juisten middenweg,
terwijl de nog voorzichtiger abdis van haar zijde zich niets liet
ontvallen, en slechts een diepe buiging met het hoofd maakte, telkens
wanneer de vreemdelinge den naam van Zijne Eminentie uitsprak. Milady
begon te vreezen, dat zij zich in het klooster verschrikkelijk zou
vervelen. Zij besloot dus iets te wagen, om eindelijk te zien waaraan
zij zich te houden had; derhalve begon zij, aanvankelijk onder bedekte
termen, kwaad van den kardinaal te spreken, vervolgens trad zij meer in
bijzonderheden, den liefdehandel van den minister met mevrouw
d’Aiguillon, met Marion de Lorme en eenige loszinnige vrouwen
verhalende. De abdis luisterde meer aandachtig, werd van lieverlede
spraakzamer en glimlachte.
„Ha!” dacht milady, „zij begint in mijn gesprekken behagen te scheppen.
Indien zij voor den kardinaal is, dan is zij het althans niet met
geestdrift.”
Toen ging zij over tot de vervolgingen door den kardinaal jegens zijn
vijanden. De abdis kruiste zich, zonder verder eenige goed- of afkeuring
te doen blijken. Dit bevestigde milady in het denkbeeld, dat de
geestelijke dochter meer konings- dan kardinaalsgezind was.--Milady ging
voort, al meer en meer uitweidende.
„Ik ben in dergelijke zaken zeer onwetend,” zeide eindelijk de abdis....
„maar hoe ver ook van het hof verwijderd en geheel vreemd aan de
belangen der wereld, buiten welke wij ons bevinden, hebben wij echter
zeer treurige bewijzen voor oogen van de waarheid van datgene, wat gij
ons verhaalt, en een zich hier bevindende vrouw heeft veel van de
vervolging en de wraak van den kardinaal te lijden gehad.”--„Een vrouw
die zich hier bevindt?” zeide milady. „Ach, mijn God! die arme vrouw!
hoe beklaag ik haar.”--„En gij doet wel, want zij is waarlijk te
beklagen.... Gevangenis, bedreigingen, slechte behandelingen, alles
heeft zij ondergaan.... Maar wat er van zij,” hernam de abdis, „de
kardinaal heeft misschien gegronde redenen om aldus te handelen; en
hoewel zij er als een engel uitziet, kan men niet altijd de lieden naar
het uiterlijk beoordeelen.”
„Goed!” dacht milady, „wie weet, ik zal hier misschien iets ontdekken,
ik ben goed op weg.”--En zij trachtte aan haar gelaat een uitdrukking
van volkomen goedaardigheid te geven.
„Helaas!” zeide milady, „ik weet het, men zegt, dat men door het
uiterlijk kan bedrogen worden; maar waaraan moet men anders gelooven,
zoo niet aan het schoonste gewrocht des Hemels! Wat mij betreft, ik zal
waarschijnlijk mijn geheele leven door worden bedrogen, maar dat zal mij
niet beletten, mijn vertrouwen te schenken aan den persoon, wiens gelaat
mij vriendschap inboezemt.”--„Zoudt ge dan veronderstellen, dat die
jonge vrouw onschuldig is?”--„De kardinaal straft niet alleen de
misdaden,” zeide milady; „er zijn zekere deugden, die hij strenger
vervolgt dan sommige misdrijven.”--„Veroorloof mij, mevrouw! u mijn
verwondering te betuigen,” zeide de abdis.--„En waarover?” vroeg milady
onnoozel.--„Wel, over hetgeen gij zegt.”--„Wat vindt gij hierin dan
verwonderlijks?” vroeg milady glimlachende.--„Gij zijt de vriendin des
kardinaals, dewijl hij u herwaarts zendt, en echter....”--„En echter
spreek ik kwaad van hem?” hernam milady, de gedachte der abdis
voleindigende.--„Ten minste spreekt gij geen goed van hem.”--„Het is,
omdat ik zijn vriendin niet ben,” zeide zij zuchtende, „maar zijn
slachtoffer.”--„Intusschen, die brief, waarin hij u mij
aanbeveelt....?”--„Is een bevel, mij in zeker opzicht opgesloten te
houden, maar uit welke gevangenis hij mij door een zijner vertrouwden
zal doen halen.”--„Maar waarom zijt gij niet gevlucht?”--„Waarheen zou
ik gaan? Gelooft gij, dat er een plek op de wereld is, waar de kardinaal
mij niet zou kunnen bereiken, indien hij zich de moeite wil geven den
arm uit te strekken? Indien ik een man ware, wellicht zou het nog
mogelijk zijn; maar voor een vrouw? Wat wilt gij, dat een vrouw zal
doen? Heeft die jonge vrouw, welke zich hier bevindt, getracht te
vluchten?”--„Neen, dat is waar; maar met haar is het een ander geval; ik
geloof, dat zij in _Frankrijk_ door een of anderen liefdehandel wordt
teruggehouden.”--„Dan,” zeide milady met een zucht, „als zij bemint, is
zij ten minste niet geheel ongelukkig.”--„Dus,” zeide de abdis, milady
met belangstelling beschouwende, „is het wederom een vervolgde, die ik
voor mij zie.”--„Helaas ja,” antwoordde milady.
De abdis beschouwde milady gedurende een oogenblik met ongerustheid,
alsof een nieuwe gedachte in haar ziel oprees.--„Gij zijt immers niet
vijandig gezind tegen ons heilig geloof?” vroeg zij stamelend.--„Ik?”
riep milady, „ik protestant? O, neen! ik zweer bij God, die mij hoort,
dat ik integendeel een vurige Katholieke ben.”--„Wees dan gerust, het
huis, waarin gij u bevindt, zal u niet tot een zeer strenge gevangenis
strekken en wij zullen alles doen wat mogelijk is, om u uw gevangenschap
aangenaam te maken. Wat meer is, gij zult hier die jonge vrouw
ontmoeten, welke zeker door een of andere hofintrigue vervolgd wordt;
zij is beminnelijk, lieftallig en zal u zeker bevallen.”--„Hoe noemt gij
haar?”--„Zij is mij door iemand van zeer hoogen rang aanbevolen geworden
onder den naam van Ketty. Ik heb geen poging aangewend, om haar anderen
naam te leeren kennen.”--„Ketty?” riep milady; „wat! zijt ge er zeker
van?”--„Dat zij zich zoo laat noemen, ja, mevrouw! Zoudt gij haar
kennen?”
Milady glimlachte bij het denkbeeld, dat in haar opkwam, dat die jonge
vrouw haar gewezen kamenier kon zijn. Er mengde zich bij die herinnering
aan dat meisje een herinnering van toorn, en de wraakzucht had de
gelaatstrekken van die vrouw met de honderd maskers voor een oogenblik
misvormd, maar dadelijk daarop namen ze weer de uitdrukking van kalmte
en goedaardigheid aan.
„En wanneer kan ik die jonge vrouw zien, voor welke ik nu reeds zooveel
vriendschap gevoel?” vroeg milady.--„Heden avond,” zeide de abdis,
„zelfs nog wel in den loop van den dag. Maar, zooals gij mij hebt
gezegd, zijt gij reeds sedert vier dagen op reis, en aangezien gij heden
ochtend reeds te vijf uur opgestaan zijt, hebt gij rust noodig, ga
slapen en rust wel. Tegen het uur van het middagmaal zullen wij u
wekken.”
Hoewel milady zeer goed zonder slaap had kunnen blijven, opgewekt als
zij was door al het prikkelende, dat een nieuw avontuur aan haar naar
intrigues begeerig hart veroorzaakte, gaf zij niettemin gehoor aan den
raad der abdis. Sedert twaalf of veertien dagen had zij zoovele
verschillende gewaarwordingen ondervonden, dat, al mocht haar lichaam
nog de vermoeienis weerstand bieden, haar ziel nochtans rust noodig had.
Zij nam afscheid van de abdis en begaf zich ter ruste, zachtjes in slaap
gewiegd door haar wraakzuchtige denkbeelden, waarop zij natuurlijk was
teruggebracht door den naam van Ketty. Zij herinnerde zich die bijna
onbegrensde belofte des kardinaals, indien zij in haar onderneming mocht
slagen. Zij was geslaagd, derhalve kon zij zich op d’Artagnan wreken.
Een enkele omstandigheid joeg milady schrik aan: het was de herinnering
aan haar man, den graaf de la Fère, dien zij gemeend had dood, of
althans uitlandig te zijn, en in welken zij Athos, den besten vriend van
d’Artagnan, wedervond. Maar zij bedacht ook dat, indien hij de vriend
van d’Artagnan was, hij dezen in al zijn handelingen had moeten
behulpzaam zijn geweest, waardoor het hem gelukt was de plannen Zijner
Eminentie te doen schipbreuk lijden, derhalve was hij, als vriend van
d’Artagnan, de vijand van den kardinaal, en des te beter zou het haar
gelukken hem in het net harer wraakzucht te verwarren, in hetwelk zij
den jongen musketier trachtte te versmoren. De zoete hoop vervulde
milady met de aangenaamste droombeelden; door deze gestreeld, viel zij
weldra in slaap.
Zij werd gewekt door een zachte stem, die van het voeteinde harer
legerstede voortkwam. Zij opende de oogen en ontwaarde de abdis,
vergezeld van een jonge vrouw met blond haar en teedere gelaatskleur,
die op haar een blik vol goedaardige nieuwsgierigheid wierp. Het
aangezicht dezer jonge vrouw was haar volkomen onbekend. Beiden
beschouwden elkander met nauwkeurige aandacht, onder het maken der
gewone complimenten. Beiden waren schoon, maar schoon van een geheel
verschillenden aard. Intusschen glimlachte milady, erkennende dat zij de
jonge vrouw verreweg overtrof in voorname houding en edele manieren. Het
is waar, dat het gewaad der jonge kloosterzuster niet zeer in haar
voordeel was, om een dergelijken wedstrijd aan te gaan. De abdis stelde
de een aan de andere voor, vervolgens, toen die plichtplegingen waren
afgeloopen, en de abdis zich ter vervulling harer ambtsplichten in de
kerk moest begeven, liet zij beide jonge vrouwen alleen. De novice,
milady nog te bed ziende, wilde de abdis volgen, maar milady hield haar
tegen.
„Hoe, mejuffrouw!” zeide zij tot haar, „nauwelijks heb ik u gezien, en
gij wilt mij weder van uw gezelschap berooven, waarop ik trouwens, dat
beken ik, reeds eenigszins had gerekend, gedurende den tijd dien ik hier
moet blijven?”--„Neen, mevrouw!” antwoordde de novice, „ik vreesde
alleen een slecht oogenblik te hebben gekozen. Gij sliept, gij zijt
vermoeid.”--„Welnu!” zeide milady, „wat kunnen zij, die slapen,
begeeren? een aangenaam ontwaken. Zoodanig ontwaken hebt gij mij
geschonken, laat mij het ten volle genieten.”
En haar bij de hand nemende, trok zij haar op een leuningstoel, die
nabij het bed stond.--De novice ging zitten.--„Mijn God!” zeide deze,
„wat ben ik ongelukkig! Ziedaar zes maanden, dat ik hier ben, zonder
eenigen den minsten schijn van uitspanning; gij komt, uw
tegenwoordigheid zou voor mij een bekoorlijk gezelschap zijn geweest, en
ziedaar, naar alle waarschijnlijkheid sta ik thans op het punt het
klooster te verlaten.”--„Hoe?” vroeg milady, „gaat gij het dan zoo
spoedig verlaten?”--„Ten minste hoop ik het,” zeide de novice met een
uitdrukking van blijdschap, die zij in het minst niet trachtte te
verbergen.--„Ik meen gehoord te hebben, dat gij vanwege den kardinaal te
lijden hebt gehad?” ging milady voort, „dat is een reden van vriendschap
te meer tusschen ons beiden.”--„Hetgeen onze goede abdis mij heeft
gezegd, is dan waar, dat ook gij een slachtoffer van den kardinaal
waart?”--„Stil!” zeide milady, „spreken wij zelfs hier niet derwijze
over hem. Al mijn ongelukken zijn ontstaan, doordien ik bijna hetzelfde,
wat gij daar zegt, aan een vrouw zeide, die ik mijn vriendin waande,
doch die mij verraden heeft. En ook gij zijt immers het slachtoffer van
verraad?”
„Neen,” zeide de jonge vrouw, „maar tengevolge mijner gehechtheid aan
een vrouw, die ik liefhad, voor wie ik mijn leven zou hebben gegeven, en
het nog zou geven.”--„En die u aan uw lot heeft overgelaten, is het niet
zoo?”--„Ik ben onrechtvaardig genoeg geweest zulks te gelooven, maar
sedert twee of drie dagen heb ik het bewijs van het tegendeel verkregen,
en ik dank er God voor. Het zou mij hard zijn gevallen te weten, dat zij
mij vergeten had. Maar,” ging de nieuwelinge voort, „het schijnt alsof
gij vrij zijt, en indien gij wildet vluchten, zulks slechts van u zou
afhangen.”--„Waar wilt gij dat ik mij begeve, zonder vrienden, zonder
geld, in een streek van _Frankrijk_, die ik niet ken, waar....”--„O!”
riep de jonge kloosterzuster, „wat vrienden betreft, deze zult gij
overal vinden, gij schijnt zoo goed te zijn en zoo schoon!”--„Dat belet
niet,” hernam milady, haar glimlach verzachtende, als om er een
engelachtige uitdrukking aan te geven, „dat ik alleen ben en vervolgd
word.”
„Luister,” zeide de jonge vrouw, „men moet op den Hemel al zijn
vertrouwen stellen; ziet gij, er komt altijd een oogenblik, dat het
goede, wat men heeft gedaan, uw zaak voor God bepleit, en ziedaar,
misschien is het voor u een geluk, hoe nietig en onvermogend ik ook ben,
dat gij mij hebt ontmoet, want indien ik hier uit geraak, welnu, dan
zullen die vermogende vrienden, die ik heb, na zich voor mij in de
waagschaal te hebben gesteld, zulks ook voor u doen.”--„Ach, toen ik
zeide, dat ik alleen was,” zeide milady, hopende de jonge vrouw tot
spreken over te halen, en als tot zich zelve sprekende, „was zulks niet
omdat ik geen vermogende vrienden had, maar die vrienden beven voor den
kardinaal. Zelfs de koningin durft mij niet tegen dien verschrikkelijken
minister beschermen, en ik heb het bewijs, dat Hare Majesteit, ondanks
haar goedhartigheid, meer dan eens verplicht is geweest aan de gramschap
Zijner Eminentie diegenen over te laten, welke haar gediend
hadden.”--„Geloof mij, mevrouw! de koningin kan den schijn hebben haar
vrienden aan hun lot over te laten, maar gij moet dien schijn niet
gelooven; hoe meer zij worden vervolgd, des te meer denkt de koningin
aan hen, en dikwijls op het oogenblik, dat zij meenen dat er het minst
aan hen wordt gedacht, ontvangen zij het bewijs van de innigste
belangstelling.”--„Helaas!” zeide milady, „ik geloof het gaarne, de
koningin is zoo goed!”--„O! kent gij haar dan, die schoone, edele
vorstin, dat gij derwijze van haar spreekt?” riep de jonge vrouw met
geestdrift.--„Dat is te zeggen,” hernam milady, rechtstreeks in haar
verschansingen aangevallen, „ik heb de eer niet haar persoonlijk te
kennen, maar ik ken een aantal harer vertrouwde vrienden. Ik ken den
heer Putange, ik heb in _Engeland_ den heer Dujart gekend, ik ken den
heer de Tréville.”--„Den heer de Tréville?” riep de jonge vrouw, „kent
gij den heer de Tréville?”--„Ja, zeker, zelfs zeer goed. Den kapitein
van ’s konings musketiers.”--„O! maar straks zult gij zien,” riep de
jonge vrouw, „dat wij volkomen kennissen zijn, bijna vriendinnen. Indien
gij den heer de Tréville kent, moet gij dikwerf bij hem zijn
geweest.”--„Dikwijls,” antwoordde milady, die, eenmaal dien weg hebbende
ingeslagen, en ziende dat het liegen haar gelukte, hiermede tot aan het
einde wilde volhouden.--„In zijn huis hebt gij eenige zijner musketiers
moeten ontmoeten.”--„Allen, die hij gewoonlijk ontvangt,” antwoordde
milady, voor wie dat gesprek inderdaad belangrijk begon te
worden.--„Noem mij eenigen dergenen, die gij kent, en gij zult zien, dat
zij tot mijn vrienden behooren.”--„Maar,” zeide milady verlegen, „ik ken
den heer de Louvigny, den heer de Courtivon, den heer de Férussac.”
De jonge vrouw liet haar voleinden, en ziende dat zij ophield, zeide
zij: „Kent gij niet zekeren edelman, Athos genaamd?”
Milady werd even bleek als de bedlakens, die haar dekten, en hoeveel
zelfbeheersching zij ook bezat, kon zij echter een uitroep niet
bedwingen, terwijl zij de hand greep van haar, die haar toesprak, en
welke zij met haar blik verslond.--„Hoe! wat deert u? Ach, mijn God!”
vroeg de jonge vrouw, „heb ik dan iets gezegd, dat u beleedigd
heeft?”--„Neen, maar die naam heeft mij getroffen, dewijl ook ik dien
edelman heb gekend, en het mij vreemd schijnt iemand te vinden, die hem
zoo goed kent.”--„O ja, zeer goed, niet alleen hem, maar ook zijn
vrienden, de heeren Porthos en Aramis.”--„Waarlijk! ook hen ken ik!”
riep milady, die een koude voelde, welke haar hart deed
ineenkrimpen.--„Welnu! indien gij hen kent, moet gij weten, dat het
dappere en moedige mannen zijn. Waarom richt gij u niet tot hen, wanneer
gij hulp behoeft?”--„Dat is, omdat ik niet juist aan hen door
vriendschap ben verbonden,” stamelde milady, „ik ken hen door een hunner
vrienden, den heer d’Artagnan, over hen te hebben hooren
spreken.”--„Kent gij den heer d’Artagnan?” riep de jonge vrouw, op haar
beurt de handen van milady vattende en haar met haar oogen verslindende,
en vervolgens de zonderlinge uitdrukking van milady bemerkende, zeide
zij: „Vergeef mij, mevrouw! maar in welke hoedanigheid kent gij
hem?”--„Wel,” hernam milady verlegen, „wel, in de hoedanigheid van
vriend.”--„Gij bedriegt mij, mevrouw!” hernam de jonge vrouw; „gij zijt
zijn minnares geweest!”--„Neen, gij zijt het geweest, mejuffrouw!” zeide
milady op haar beurt.--„Ik!” riep de jonge vrouw.--„Ja, gij! nu ken ik
u, gij zijt juffrouw Bonacieux!” De jonge vrouw trad vol verbazing en
verschrikt achteruit.--„O, ontken niet,” hernam, milady.--„Welnu! ja,
mevrouw! ik bemin hem,” zeide de jonge vrouw. „Zijn wij
medeminnaressen?”
In den blik van milady blonk een zoo woest vuur, dat in elke andere
omstandigheid juffrouw Bonacieux van ontzetting zou gevlucht zijn, maar
nu was zij geheel vervuld van jaloezie.--„Komaan! spreek, mevrouw!”
hernam juffrouw Bonacieux met een geestkracht, waarvoor men haar
onbekwaam zou hebben geacht, „zijt gij zijn minnares geweest?”--„O,
neen!” riep milady op een toon, die geen twijfel omtrent de waarheid
liet blijven, „nooit! nooit!”--„Ik geloof u,” zeide juffrouw Bonacieux,
„maar waartoe dan dien uitroep?”--„Hoe! begrijpt gij niet!” zeide
milady, die reeds van haar verwarring was hersteld en haar volkomen
tegenwoordigheid van geest terug had gekregen.--„Hoe wilt gij dat ik
begrijpe; ik weet niets.”--„Begrijpt gij dan niet, dat de heer
d’Artagnan, mijn vriend zijnde, mij tot zijn vertrouwelinge heeft
gekozen?”--„Inderdaad?”--„Begrijpt gij dan niet, dat mij alles bekend
is? uw ontvoering uit het huis van _Saint Germain_, zijn wanhoop, die
zijner vrienden, hun nazoekingen vanaf dat oogenblik. En hoe wilt gij,
dat ik mij niet verwonder, wanneer ik mij, zonder het te weten, in
gezelschap bevind van haar, over wie wij zoo dikwijls hebben gesproken;
van u, die hij met al de kracht zijner ziel bemint, van u, die hij mij
heeft doen beminnen alvorens u gezien te hebben. Ach, eindelijk vind,
eindelijk zie ik u dan?”--En milady breidde haar armen voor juffrouw
Bonacieux uit, die, overtuigd van hetgeen zij haar had gezegd, niets
anders meer in die vrouw, welke zij een oogenblik te voren meende een
medeminnares te zijn, dan een oprechte en trouwe vriendin zag.--„Ach,
vergeef mij! vergeef mij!” riep zij, in haar armen vallende; „ik bemin
hem zoo innig!”
Beide vrouwen bleven een oogenblik in elkanders armen. Trouwens, indien
de krachten van milady haar haat hadden geëvenaard, dan zou juffrouw
Bonacieux niet dan levenloos uit die omhelzing zijn gekomen. Doch haar
niet kunnende verstikken, glimlachte zij haar toe.
„O! lieve, zoete kleine!” zeide milady, „wat ben ik blijde u te zien,
laat mij u beschouwen.” En deze woorden zeggende, verslond zij haar
werkelijk met haar blik. „Ja, gij zijt het wel. O! naar hetgeen hij mij
heeft gezegd, herken ik u nu, ik herken u volkomen.”--De arme jonge
vrouw kon onmogelijk weten, wat er wreedaardigs achter dat reine
voorhoofd verscholen was, achter die opene oogen, waarin zij niets
anders dan belangstellend medelijden las.--„Dan weet gij, wat ik heb
geleden,” zeide juffrouw Bonacieux, „daar hij u heeft gezegd, wat ik
leed. Maar voor hem te lijden is een zaligheid.”
Milady herhaalde werktuigelijk: „Ja, dat is een zaligheid.”--Zij dacht
aan iets anders.
„Maar nu,” zeide juffrouw Bonacieux, „is mijn lijden haast ten einde:
morgen, misschien heden avond zal ik hem wederzien, en dan zal het
verledene niet bestaan.”--„Heden avond? morgen?” riep milady, door die
woorden uit haar gepeins gewekt.... „Wat wilt gij zeggen? wacht gij
tijding van hem?”--„Ik wacht hem in persoon.”--„Hem zelven! D’Artagnan
hier?”--„Hem zelven!”--„Maar dat is niet mogelijk! hij is bij het beleg
van _la Rochelle_ met den kardinaal en zal eerst na de inneming der stad
naar _Parijs_ terugkeeren.”--„Gij gelooft dat, maar is er iets
ondoenlijks voor mijn d’Artagnan, dien edelen, trouwen edelman! Welnu,
lees dan!” zeide de ongelukkige vrouw, in de opgewondenheid van haar
hoogmoed en blijdschap milady een brief vertoonende.
„Het schrift van mevrouw de Chevreuse,” zeide milady bij zich zelve. „O!
ik was wel zeker, dat zij van die zijde verstandhouding hielden.”--En
zij las gretig deze weinige regels:
„Mijn lief kind!
Houd u gereed; _onze vriend_ zal u dra zien en u niet anders zien
dan om u uit de gevangenis te ontrukken, waar uw zekerheid
vereischte, dat gij verborgen bleeft; bereid u dus om te vertrekken
en wanhoop nooit in ons.--Onze moedige Gaskonjer heeft zich, zooals
altijd, dapper en getrouw gedragen; zeg hem, dat men hem ergens
zeer dankbaar is voor zijn waarschuwing.”
„Ja, ja,” zeide milady, „ja, de brief is bepaald, en kent gij ook de
waarschuwing?”--„Neen; ik geloof alleen, dat het een nieuw verraad van
den kardinaal jegens de koningin betreft, waarvoor hij haar zal hebben
gewaarschuwd.”--„Ja, dat zal het zijn,” zeide milady, den brief aan
juffrouw Bonacieux teruggevende, terwijl zij peinzend het hoofd op de
borst liet zinken.
Op dat oogenblik hoorde men den hoefslag van een paard.... „O!” riep
juffrouw Bonacieux, naar het venster ijlende, „zou hij het zijn?”
Milady was in haar bed gebleven, als van verbazing versteend; er
gebeurde haar eensklaps zooveel, dat zij voor het eerst radeloos
was.--„Hij, hij!” mompelde zij, „zou hij het zijn?”--En zij bleef met
strakke oogen in haar bed liggen.
„Helaas! neen!” zeide juffrouw Bonacieux, „het is een man, dien ik niet
ken. Hij schijnt hierheen te komen; ja, hij vermindert al den gang zijns
paards; hij blijft voor de deur stilstaan en schelt.”--Milady sprong uit
haar bed.--„Zijt gij wel zeker, dat hij het niet is?” vroeg zij.--„O!
heel zeker.”--„Misschien hebt ge niet goed gezien.”--„O! de pluim van
zijn hoed, de slip van zijn mantel zijn voldoende, wanneer ik die zie,
om hem er aan te herkennen.”--Milady bleef voortgaan met zich te
kleeden.--„Het doet er niet toe; die man komt hier, zegt gij?”--„Ja, hij
is reeds binnen.”--„Het is òf voor u, òf voor mij.”--„O, mijn God! wat
zijt gij ontroerd!”--„Ja, ik ben zoo goed vertrouwend niet als gij en
vrees alles van den kardinaal.”--„Stil!” zeide juffrouw Bonacieux, „men
komt.”
Inderdaad, de deur werd geopend en de abdis trad binnen.--„Zijt gij van
_Boulogne_ gekomen?” vroeg zij aan milady.--„Ja,” antwoordde deze, haar
koelbloedigheid trachtende te herstellen; „wie vraagt naar mij?”--„Een
man, die zijn naam niet wil zeggen, maar die vanwege den kardinaal
komt.”--„En die mij wil spreken?” vroeg milady.--„Die een dame wil
spreken, welke van _Boulogne_ is gekomen.”--„Laat hem dan als het u
belieft binnengaan, mevrouw.”--„Ach, mijn God, mijn God!” riep juffrouw
Bonacieux, „zou het een andere slechte tijding betreffen?”--„Ik vrees er
voor.”--„Ik laat u alleen met dien vreemdeling; maar dadelijk, na zijn
vertrek, zoo gij zulks veroorlooft, kom ik terug.”--„Wat anders! ik bid
er u om.”
De abdis en juffrouw Bonacieux verwijderden zich. Milady bleef alleen,
de oogen op de deur gevestigd houdende. Een oogenblik later hoorde men
het gerucht van sporen, die op de trap weergalmden; vervolgens naderden
de voetstappen, de deur werd geopend en een man verscheen. Milady
slaakte een vreugdekreet. Die man was de graaf de Rochefort, de
vertrouweling Zijner Eminentie.