Twee verschillende soorten van duivels.
„Ha!” riepen gelijktijdig Rochefort en milady, „zijt gij het?”--„Ja, ik
ben het.”--„En gij komt van....?” vroeg milady.--„Van _la Rochelle_; en
gij?”--„Uit _Engeland_.”--„Buckingham....?”--„Gedood of gevaarlijk
gewond; daar ik niets van hem kon verkrijgen, was ik gereed te
vertrekken, toen een geestdrijver hem vermoordde.”--„Ha!” lachte
Rochefort, „ziedaar een gelukkig toeval, dat Zijne Eminentie niet weinig
genoegen zal doen. Hebt gij hem hiervan reeds kennis gegeven?”--„Ik heb
hem uit _Boulogne_ geschreven. Maar hoe komt gij hier?”--„Zijne
Eminentie, die ongerust was, heeft mij ter uwer opsporing doen
vertrekken.”--„Ik ben eerst sedert gisteren aangekomen.”--„En wat hebt
gij sedert gisteren gedaan?”--„Ik heb geen tijd verloren.”--„O! daaraan
twijfel ik volstrekt niet.”
„Weet gij, wie ik hier heb ontmoet?”--„Neen!”--„Raad eens.”--„Hoe wilt
gij, dat ik rade?”--„De jonge vrouw, welke de koningin uit de
gevangenis heeft doen bevrijden.”--„De minnares van den jongen
d’Artagnan?”--„Ja, juffrouw Bonacieux, wier verblijf den kardinaal
onbekend was.”--„Welnu,” zeide Rochefort, „ziedaar wederom een toeval,
dat met het andere kan samengaan. De kardinaal is een gelukkig
man!”--„Begrijp eens mijn verwondering,” vervolgde milady, „toen ik
eensklaps die vrouw voor mijn oogen zag.”--„Kent zij u?”--„Neen.”--„Dan
beschouwt zij u als een vreemdelinge?”--Milady glimlachte.--„Ik ben haar
beste vriendin.”--„Op mijn eer,” zeide Rochefort, „ik ken niemand dan
u, mijn lieve gravin! om dergelijke mirakelen te doen.”--„En het is
zeer gelukkig geweest, graaf!” zeide milady, „want weet gij wel, wat
er gaande is? Men zal haar morgen of overmorgen op een bevel der
koningin komen afhalen.”--„Waarlijk! en wie?”--„D’Artagnan en zijn
vrienden.”--„Inderdaad, zij zullen eindigen met zich naar de Bastille te
doen zenden.”--„Waarom is het al niet gedaan?”
„Wat wilt gij? de kardinaal heeft een zwakheid voor die lieden, welke ik
niet begrijp.”--„Waarlijk? welnu, zeg hem dit, Rochefort! zeg hem, dat
ons gesprek in de herberg _den Rooden Duiventoren_ door die vier mannen
is beluisterd geworden; zeg hem, dat na zijn vertrek een hunner boven is
gekomen en mij met geweld de volmacht heeft ontrukt, die hij mij gegeven
had; zeg hem, dat zij lord de Winter van mijn overkomst in _Engeland_
bericht hadden gezonden; dat zij ditmaal er weer bijna in geslaagd waren
mijn zending te doen mislukken, zooals zij met die van de diamanten
haken hebben gedaan; zeg hem, dat van die vier mannen slechts twee te
vreezen zijn; zeg hem, dat de derde, Aramis, de minnaar van mevrouw de
Chevreuse is; men moet dezen in het leven behouden, men kent zijn
geheim, hij kan nuttig worden; wat den vierden betreft, Porthos, dat is
een dwaas, een gek, een onnoozele; dat men er zich niet eens mede bezig
houde.”--„Maar die vier mannen moeten op dit oogenblik bij het beleg van
_la Rochelle_ zijn.”--„Ik geloofde het ook; maar een brief, dien
juffrouw Bonacieux van mevrouw de Chevreuse heeft ontvangen, en welken
zij de onvoorzichtigheid heeft gehad mij te laten lezen, doet mij
gelooven, dat die vier mannen integendeel op weg zijn om haar te
ontvoeren.”--„Duivelsch! wat te doen?”
„Wat heeft u de kardinaal, mij betreffende, gezegd?”--„Uw geschrevene of
mondelinge berichten over te nemen en met postpaarden terug te komen.
Wanneer hij zal weten, wat gij gedaan hebt, zal hij overwegen wat gij
verder moet doen.”--„Moet ik dan hier blijven?”--„Hier of in de
omstreken; in het legerkamp zoudt gij kunnen herkend worden, en uw
tegenwoordigheid, zooals gij wel begrijpt, zou Zijne Eminentie kunnen
benadeelen, vooral na hetgeen is gebeurd. Zeg mij slechts vooruit, waar
gij tijding van den kardinaal wilt wachten, ten einde u te kunnen
wedervinden.”--„Luister, waarschijnlijk zal ik niet hier kunnen
blijven.”--„Waarom?”--„Vergeet gij dan, dat mijn vijanden elk oogenblik
kunnen komen?”--„Dat is waar; maar dan zal die jonge vrouw den kardinaal
ontsnappen.”--„Ach!” zeide milady met een glimlach, die haar alleen
eigen was, „gij vergeet, dat ik haar beste vriendin ben.”--„O! het is
waar ook; wat kan ik dan den kardinaal omtrent die jonge vrouw
zeggen?”--„Dat hij gerust zij.”--„Is dat alles? Zal hij dan weten, wat
het beteekent?”--„Hij zal het raden.”
„Zeg mij nu, wat ik doen moet.”--„Onmiddellijk vertrekken; ik geloof
dat het nieuws, dat gij medeneemt, wel der moeite waard is om
spoed te maken.”--„Mijn chais is, te _Lilliers_ binnenkomende,
gebroken.”--„Kostelijk!”--„Wat kostelijk?”--„Ja, ik heb uw chais
noodig.”--„En hoe zal ik dan vertrekken?”--„Te paard.”--„Gij spreekt er
zeer luchthartig over; honderd tachtig mijlen!”--„Wat beteekent
dat?”--„Men zal ze afleggen. Daarna?”--„Van _Lilliers_ terugkeerende,
moet gij mij de chais zenden, met bevel aan uw knecht zich te mijner
beschikking te stellen.”--„Goed.”--„Gij hebt zeker een of ander
bevelschrift van den kardinaal bij u?”--„Ik heb mijn volmacht.”--„Gij
zult ze aan de abdis vertoonen en haar zeggen, dat men mij heden of
morgen zal komen halen, en ik den persoon te volgen heb, die zich in uw
naam zal vertoonen.”--„Zeer goed.”
„Vergeet niet, met de abdis over mij sprekende, dit op strengen
toon te doen.”--„Waartoe?”--„Ik moet een offer van den kardinaal
schijnen. En die arme kleine juffrouw Bonacieux moet ik immers wel
vertrouwen inboezemen?”--„Dat is waar; wilt gij mij nu wel verslag
doen van hetgeen gebeurd is?”--„Wel, ik heb u zulks immers verhaald;
gij hebt een goed geheugen, herhaal de zaken, zooals ik ze u heb
medegedeeld, een papier gaat verloren.”--„Gij hebt gelijk; zeg mij
ten minste, waar ik u kan wedervinden, ten einde de omstreken niet
vruchteloos te doorzoeken?”--„Wacht, ik zal het u zeggen.”--„Wilt gij
een landkaart?”--„O! ik ken dit land volkomen.”--„Gij? wanneer zijt gij
er dan nog geweest?”--„Ik ben er opgevoed. Gij ziet, dat het tot iets
nuttig is ergens te zijn opgevoed.”--„Gij zult mij dan wachten?”--„Laat
mij een oogenblik overwegen.... Wel, te _Armentières_.”--„Waar is dat,
_Armentières_?”--„Een kleine stad aan de _Lys_. Ik behoef slechts de
rivier over te steken, en ik ben in een vreemd land.”--„Goed, maar het
is bepaald, dat gij de rivier niet zult overgaan dan in geval van
nood.”--„Dat is overeengekomen.”--„Hoe zal ik dan weten, waar gij
zijt?”--„Hebt gij uw lakei niet noodig?”--„Neen.”--„Is hij een
vertrouwd persoon?”--„Beproefd.”--„Laat hem mij, niemand kent hem:
ik laat hem in de plaats, die ik verlaat, en hij brengt u, waar ik
ben.”--„En gij zegt, dat gij mij te _Armentières_ zult wachten?”--„Te
_Armentières_.”--„Schrijf mij dien naam op een stukje papier, ten einde
hem niet te vergeten. De naam eener stad kan ons volstrekt niet
benadeelen, niet waar?”--„Wie weet? maar om het even,” zeide milady;
en zij schreef den naam op een half vel papier: „ik stel mij
bloot.”--„Goed,” zeide Rochefort, het papier van milady aannemende, dat
hij vouwde en in de kap van zijn hoed borg. „Bovendien, wees gerust, ik
zal doen gelijk de kinderen, en ingeval ik dit papier mocht verliezen,
zal ik den naam langs den geheelen weg herhalen. Is dat nu alles?”--„Ik
geloof van ja.”--„Laten wij eens zien: Buckingham dood of zwaar
gekwetst, uw gesprek met den kardinaal door de vier musketiers
beluisterd, lord de Winter gewaarschuwd voor uw aankomst te
_Portsmouth_, d’Artagnan en Athos in de Bastille, Aramis de minnaar van
mevrouw de Chevreuse, Porthos een gek, juffrouw Bonacieux wedergevonden,
en de chais zoo spoedig mogelijk te zenden, mijn lakei te uwer
beschikking stellen, van u een slachtoffer des kardinaals maken, opdat
de abdis geen kwaad vermoeden koestere; _Armentières_ aan de _Lys_, is
het niet zoo?”--„Waarlijk, mijn waarde graaf! gij hebt een
bewonderenswaardig geheugen. A propos! voeg er dit nog bij.”--„Wat?”
„Ik heb een fraai bosch gezien, dat den tuin van het klooster moet
begrenzen. Verzoek dat het mij vergund worde in dat bosch te wandelen;
wie weet, misschien ben ik wel genoodzaakt een achterdeur uit te
gaan.”--„Gij denkt aan alles.”--„En gij, gij vergeet nog
iets.”--„Wat?”--„Te vragen of ik geld noodig heb.”--„Dat is ook waar.
Hoeveel wilt gij?”--„Al wat gij aan goud bezit.”--„Ik heb ongeveer
vijfhonderd pistolen.”--„Ik heb ook zooveel. Met duizend pistolen
bestrijdt men alles. Leeg uw zakken.”--„Ziedaar.”--„Goed, vertrekt gij
nu?”--„Binnen een uur, den tijd om iets te eten, gedurende welken ik een
postpaard zal doen komen.”--„Voortreffelijk! Vaarwel, graaf!”--„Vaarwel,
gravin!”--„Beveel mij aan bij den kardinaal.”--„Recommandeer mij aan
Satan.”
Milady en Rochefort wisselden een glimlach en scheidden. Een uur later
vertrok Rochefort te paard in vollen draf; vijf uren later ging hij
_Arras_ door.
Onze lezers weten reeds, hoe hij door d’Artagnan was herkend geworden,
en hoe die herkenning de beangstigde musketiers hun reis deed
bespoedigen.