HOOFDSTUK XXIX.

In Frankrijk.

De grootste vrees van den koning van Engeland, Karel I, toen hij den

moord vernam, was, dat een zoo vreeselijke tijding de inwoners van _la

Rochelle_ zou ontmoedigen; hij trachtte, zegt Richelieu in zijn

gedenkschriften, die zoo lang mogelijk verborgen te houden, liet al de

havens van het koninkrijk sluiten, nauwkeurig zorg dragende dat geen

enkel schip uitzeilde, alvorens het leger, dat Buckingham had

gereedgemaakt, zou vertrokken zijn, terwijl hij nu, in plaats van

Buckingham, zelf dat vertrek wilde regelen. Hij dreef zelfs de

gestrengheid van dat bevel zoo ver, dat hij den ambassadeur van

_Denemarken_, die zijn afscheid had verzocht, in _Engeland_ terughield,

alsook den gewonen Hollandschen afgezant, die de Oost-Indische schepen,

welke Karel I aan de Vereenigde Provinciën had teruggegeven, in de haven

van _Vlissingen_ moest brengen.

Maar dewijl hij er niet eer aan had gedacht dit bevel af te kondigen dan

vijf uur na de gebeurtenis, namelijk te twee uur des namiddags, hadden

reeds twee schepen de haven verlaten; een, zooals wij weten, vervoerde

milady, die, reeds het gebeurde vermoedende, in dat vermoeden werd

bevestigd in het zien ophijschen der zwarte vlag op het admiraalschip.

Wat het tweede vaartuig betreft, wij zullen later zeggen, wien het

vervoerde en hoe het vertrok.

Onderwijl was er in het kamp voor _la Rochelle_ niets nieuws

voorgevallen. Alleen besloot de koning, die zich zooals gewoonlijk erg

verveelde, maar misschien nog iets meer in het kamp dan elders,

_incognito_ de feesten van den H. Lodewijk te _Saint Germain_ te gaan

bijwonen, en vroeg derhalve den kardinaal, hem een geleide van niet meer

dan twintig musketiers te verstrekken. De kardinaal, die zich soms

evenveel als de koning verveelde, verleende een verlof aan zijn

koninklijken luitenant, die beloofde tegen den vijftienden September

terug te zullen zijn.

De heer de Tréville, door Zijne Eminentie gewaarschuwd, maakte zijn

bagage in gereedheid, en hoewel de reden van het levendig verlangen en

de gebiedende noodzakelijkheid zijner vrienden om naar _Parijs_ terug te

keeren niet kennende, bestemde hij ze om aan het geleide deel te nemen.

De vier jongelieden wisten dat nieuws een kwartieruurs na den heer de

Tréville, want zij waren de eersten aan wie hij het mededeelde. Het was

toen, dat d’Artagnan de gunst waardeerde, welke de kardinaal hem had

geschonken door hem bij de musketiers over te plaatsen. Zonder deze

omstandigheid zou hij genoodzaakt zijn geweest in het kamp achter te

blijven, terwijl zijn vrienden vertrokken. Het spreekt vanzelf, dat het

ongeduld om naar _Parijs_ terug te keeren, voortsproot uit de gedachte

aan het gevaar, dat juffrouw Bonacieux liep, van in het klooster van

_Béthune_ milady, haar onverzoenlijke vijandin, aan te treffen. Ook,

zooals wij hebben gezegd, had Aramis onmiddellijk aan Marie Michon

geschreven, aan die koopvrouw in lijnwaad te _Tours_, die zulke voorname

kennissen had, ten einde van de koningin het verlof te verkrijgen,

juffrouw Bonacieux het klooster te doen verlaten, om zich naar

_Lotharingen_ of _België_ te begeven. Het antwoord was niet achterwege

gebleven, en acht of tien dagen later ontving Aramis dezen brief:

„Waarde Neef!

Hierbij gaat het verlof mijner zuster, om onze jonge dienstmaagd

uit het klooster van _Béthune_ te halen, dewijl gij denkt dat de

lucht aldaar ongezond voor haar is; mijn zuster zendt u die

vergunning met veel genoegen, want zij is dat meisje zeer genegen,

zich voorbehoudende haar in het vervolg nog van dienst te zijn. Ik

omhels u.

Marie Michon.”

Bij dien brief was een bevel van dezen inhoud gevoegd:

„De abdis van het klooster van _Béthune_ zal aan den persoon, die

haar dezen brief zal ter hand stellen, de novice overleveren, die

in het klooster op mijn aanbeveling en onder mijn bescherming is

opgenomen geworden.

In het _Louvre_, den 10den Augustus 1628.

Anna.”

Men begrijpt, dat deze bloedverwantschap van Aramis met een

linnenkoopvrouw, die de koningin haar zuster noemde, niet weinig den

lachlust der jongelieden opwekte; doch Aramis, na een paar malen tot in

het wit der oogen gebloosd te hebben door een lompe scherts van Porthos,

had zijn vrienden verzocht niet meer op dat onderwerp terug te komen,

verklarende dat, indien hierover nog een woord werd gesproken, hij niet

meer in die zaak zijn nicht als onderhandelaarster wilde gebruiken.

Bijgevolg werd niet verder gesproken over Marie Michon door de vier

musketiers, die nu bereids hadden wat zij begeerden, namelijk: de

volmacht, juffrouw Bonacieux het Karmelieten nonnenklooster te _Béthune_

te doen verlaten. Het is waar, dat het bevel hun weinig baatte, zoolang

zij in het kamp vóór _la Rochelle_ waren, dat is aan het andere einde

van Frankrijk. Ook was d’Artagnan gereed, een verlof aan den heer de

Tréville te verzoeken, door hem eenvoudig de noodzakelijkheid van zijn

vertrek toe te vertrouwen, toen de tijding hem, zoowel als aan zijn

vrienden werd medegedeeld, dat de koning naar _Parijs_ zou vertrekken

met een geleide van twintig musketiers, en zij onder dat geleide

begrepen waren. De blijdschap was groot. Men zond de knechts met de

bagage vooruit, en men vertrok den 16den des morgens. De kardinaal

geleidde Zijne Majesteit van _Surgères_ tot aan _Mauzes_, en daar namen

de koning en zijn minister van elkander met groote vriendschapsblijken

afscheid.

Intusschen bleef de koning, die uitspanning zocht, hoewel zoo snel

mogelijk zijn reis voortzettende, daar hij op den 23sten te _Parijs_

wenschte te zijn, zich bijwijlen ophouden, om op de jacht met de ekster

te gaan, een liefhebberij, waarin hem de Luynes, de eerste man van

mevrouw de Chevreuse, eertijds vermaak had doen scheppen. Van de twintig

musketiers waren er dan zestien, die zeer verheugd waren, wanneer dat

vermaak plaats vond, terwijl vier van hen het hartelijk vervloekten.

D’Artagnan vooral had bijna een onafgebroken gesuis in de ooren, hetgeen

Porthos aldus verklaarde: „Een zeer voorname dame heeft mij beduid, dat

zulks is, wanneer over u hier of daar gesproken wordt.” Het geleide ging

door _Parijs_ den drie en twintigsten des nachts; de koning bedankte den

heer de Tréville en veroorloofde hem zijn musketiers beurtelings een

vierdaagsch verlof te geven, onder voorwaarde, dat geen zijner

begunstigden op een of ander publieke plaats mochten verschijnen, op

straffe eener gevangenschap in de Bastille.

De vier eerste verlofpassen waren, zooals men licht kan begrijpen, onzen

vrienden toegestaan, en nog meer: Athos verkreeg van den heer de

Tréville zes in plaats van vier dagen, en voegde bij die zes dagen nog

twee nachten, want zij vertrokken den vier en twintigsten, te vijf uur

des avonds, terwijl de heer de Tréville de dagteekening van het verlof

stelde op den vijf en twintigsten, des morgens.

„Wel, mijn God!” riep d’Artagnan, die, zooals men weet, nooit aan zijn

zaak twijfelde, „het schijnt dat wij te veel omslag maken met iets zeer

eenvoudigs; binnen twee dagen, en een paar paarden doodrijdende, ben ik

met de hulp van mijn geld te _Béthune_, ik geef den brief der koningin

aan de abdis en breng den kostbaren schat, dien ik ga halen, niet naar

_Lotharingen_, niet naar _België_, maar naar _Parijs_, waar hij het best

zal verborgen zijn, vooral gedurende het verblijf van den kardinaal vóór

_la Rochelle_. Vervolgens, eenmaal van dien tocht teruggekeerd, zal het

ons, gedeeltelijk door de bescherming harer nicht, anderdeels ter

belooning voor hetgeen wij persoonlijk voor haar hebben gedaan, niet

moeilijk vallen van de koningin te verkrijgen, wat wij wenschen. Blijft

dus hier en vermoeit u niet vruchteloos. Ik en Planchet zijn voldoende

voor een zoo eenvoudige boodschap.”

Hierop antwoordde Athos bedaard: „Ook wij hebben geld, want ik heb het

overschot van den diamant nog niet verdronken, en Porthos en Aramis

hebben het hunne nog niet geheel verteerd. Wij kunnen dus even goed vier

paarden als een doodrijden. Maar, wees er op bedacht, d’Artagnan!”

voegde hij er bij met een zoo sombere stem, dat haar klank den jongeling

een rilling door het lijf joeg: „wees indachtig, dat _Béthune_ een stad

is, waar de kardinaal de vrouw moet aantreffen, die overal, waar zij

haar voeten zet, onheil na zich sleept. Indien gij slechts met vier

mannen te doen hadt, dan, d’Artagnan! zou ik u laten gaan, doch nu gij

met die vrouw hebt te doen, moeten wij met ons vieren gaan, in de hoop

dat het Gode believe, dat wij met onze vier knechts talrijk genoeg

zijn.”--„Gij beangstigt mij, Athos!” riep d’Artagnan, „wat vreest gij

dan toch? mijn God!”--„Alles!” antwoordde Athos.--D’Artagnan raadpleegde

de gelaatstrekken zijner vrienden, welke, zooals die van d’Artagnan

zelven, den indruk eener hevige onrust vertoonden. Men vervolgde nu de

reis in snellen draf en zonder een woord te spreken.

Den vijf en twintigsten des avonds bereikte men _Arras_; terwijl

d’Artagnan voor de herberg _de gouden Egge_ afsteeg om een glas wijn te

drinken, kwam een ruiter van de binnenplaats, waar hij zijn paard had

verwisseld, en reed in vollen draf met zijn versch paard den weg naar

_Parijs_ op. Op hetzelfde oogenblik dat hij uit de koetspoort de straat

opreed, sloeg de wind den mantel open, waarin hij zich had gewikkeld,

hoewel men in de maand Augustus was, en nam zijn hoed weg, dien de

reiziger echter nog tijdig genoeg vasthield en weder op het hoofd

drukte. D’Artagnan, die zijn oogen op dien man had gevestigd, werd zeer

bleek en liet zijn glas vallen.

„Wat deert u, mijnheer?” vroeg Planchet. „Hier, heeren! mijn meester

bevindt zich niet wel.”

De drie vrienden snelden toe doch kwamen d’Artagnan tegen, terwijl hij

zich naar zijn paard spoedde. Zij hielden hem voor de deur

staande.--„Wel! waarheen loopt gij, in duivelsnaam?” vroeg Athos.--„Hij

is het!” riep d’Artagnan bleek van woede, terwijl het zweet op zijn

voorhoofd uitbrak, „hij is het, laat mij hem vervolgen.”--„Maar wie?

hij?” vroeg Athos.--„Hij, die man!”--„Welke man?”--„Die vervloekte

kerel, mijn kwade geest, dien ik steeds heb ontmoet, wanneer mij een of

ander ongeluk bedreigde; hij, dien ik zocht, toen ik onzen vriend Athos

uitdaagde; hij, dien ik denzelfden dag heb ontmoet, dat juffrouw

Bonacieux is ontvoerd geworden; ik heb hem gezien, hij is het, hij is de

man van _Meung_! Ik herkende hem, toen de wind zijn mantel

opensloeg.”--„Duivelsch!” zeide Athos peinzende.--„Te paard! heeren! te

paard! en vervolgen wij hem, wij zullen hem inhalen.”--„Mijn waarde!”

zeide Aramis, „bedenk dat hij den tegenovergestelden weg gaat, dien wij

gaan; dat hij een versch paard heeft en onze paarden vermoeid zijn; dat

wij bijgevolg onze paarden zullen doodrijden, zonder zelfs de kans te

hebben hem te bereiken. Laten wij dien man daar, redden wij de vrouw,

d’Artagnan!”--„Hei, mijnheer!” riep een stalknecht, den vreemdeling

naloopende, „hei, mijnheer! hier heb ik een papiertje, dat uit uw hoed

is gevallen. Hei! mijnheer! hei!”--„Mijn vriend!” zeide d’Artagnan,

„ziedaar een halve pistool; geef mij dat papiertje.”--„Met alle

pleizier, mijnheer!”--„Ziedaar.”

De stalknecht, verheugd over den goeden dag, dien hij maakte, keerde

naar de binnenplaats der herberg terug. D’Artagnan opende het

papier.--„Welnu?” vroegen zijn vrienden, naar hem luisterende.--„Slechts

één woord,” zeide d’Artagnan.--„Ja,” zeide Aramis, „en het woord is de

naam eener stad.”--„_Armentières_,” las Porthos. „_Armentières_? dat ken

ik niet.”--„En het schrift is van haar hand!” riep Athos.--„Welaan!

bewaren wij dat papiertje zorgvuldig,” zeide d’Artagnan. „Misschien is

mijn halve pistool niet voor niets uitgegeven. Te paard, mijn vrienden;

te paard!”--En de vrienden draafden spoorslags den weg naar _Béthune_

op.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 81 / 93 题