In Frankrijk.
De grootste vrees van den koning van Engeland, Karel I, toen hij den
moord vernam, was, dat een zoo vreeselijke tijding de inwoners van _la
Rochelle_ zou ontmoedigen; hij trachtte, zegt Richelieu in zijn
gedenkschriften, die zoo lang mogelijk verborgen te houden, liet al de
havens van het koninkrijk sluiten, nauwkeurig zorg dragende dat geen
enkel schip uitzeilde, alvorens het leger, dat Buckingham had
gereedgemaakt, zou vertrokken zijn, terwijl hij nu, in plaats van
Buckingham, zelf dat vertrek wilde regelen. Hij dreef zelfs de
gestrengheid van dat bevel zoo ver, dat hij den ambassadeur van
_Denemarken_, die zijn afscheid had verzocht, in _Engeland_ terughield,
alsook den gewonen Hollandschen afgezant, die de Oost-Indische schepen,
welke Karel I aan de Vereenigde Provinciën had teruggegeven, in de haven
van _Vlissingen_ moest brengen.
Maar dewijl hij er niet eer aan had gedacht dit bevel af te kondigen dan
vijf uur na de gebeurtenis, namelijk te twee uur des namiddags, hadden
reeds twee schepen de haven verlaten; een, zooals wij weten, vervoerde
milady, die, reeds het gebeurde vermoedende, in dat vermoeden werd
bevestigd in het zien ophijschen der zwarte vlag op het admiraalschip.
Wat het tweede vaartuig betreft, wij zullen later zeggen, wien het
vervoerde en hoe het vertrok.
Onderwijl was er in het kamp voor _la Rochelle_ niets nieuws
voorgevallen. Alleen besloot de koning, die zich zooals gewoonlijk erg
verveelde, maar misschien nog iets meer in het kamp dan elders,
_incognito_ de feesten van den H. Lodewijk te _Saint Germain_ te gaan
bijwonen, en vroeg derhalve den kardinaal, hem een geleide van niet meer
dan twintig musketiers te verstrekken. De kardinaal, die zich soms
evenveel als de koning verveelde, verleende een verlof aan zijn
koninklijken luitenant, die beloofde tegen den vijftienden September
terug te zullen zijn.
De heer de Tréville, door Zijne Eminentie gewaarschuwd, maakte zijn
bagage in gereedheid, en hoewel de reden van het levendig verlangen en
de gebiedende noodzakelijkheid zijner vrienden om naar _Parijs_ terug te
keeren niet kennende, bestemde hij ze om aan het geleide deel te nemen.
De vier jongelieden wisten dat nieuws een kwartieruurs na den heer de
Tréville, want zij waren de eersten aan wie hij het mededeelde. Het was
toen, dat d’Artagnan de gunst waardeerde, welke de kardinaal hem had
geschonken door hem bij de musketiers over te plaatsen. Zonder deze
omstandigheid zou hij genoodzaakt zijn geweest in het kamp achter te
blijven, terwijl zijn vrienden vertrokken. Het spreekt vanzelf, dat het
ongeduld om naar _Parijs_ terug te keeren, voortsproot uit de gedachte
aan het gevaar, dat juffrouw Bonacieux liep, van in het klooster van
_Béthune_ milady, haar onverzoenlijke vijandin, aan te treffen. Ook,
zooals wij hebben gezegd, had Aramis onmiddellijk aan Marie Michon
geschreven, aan die koopvrouw in lijnwaad te _Tours_, die zulke voorname
kennissen had, ten einde van de koningin het verlof te verkrijgen,
juffrouw Bonacieux het klooster te doen verlaten, om zich naar
_Lotharingen_ of _België_ te begeven. Het antwoord was niet achterwege
gebleven, en acht of tien dagen later ontving Aramis dezen brief:
„Waarde Neef!
Hierbij gaat het verlof mijner zuster, om onze jonge dienstmaagd
uit het klooster van _Béthune_ te halen, dewijl gij denkt dat de
lucht aldaar ongezond voor haar is; mijn zuster zendt u die
vergunning met veel genoegen, want zij is dat meisje zeer genegen,
zich voorbehoudende haar in het vervolg nog van dienst te zijn. Ik
omhels u.
Marie Michon.”
Bij dien brief was een bevel van dezen inhoud gevoegd:
„De abdis van het klooster van _Béthune_ zal aan den persoon, die
haar dezen brief zal ter hand stellen, de novice overleveren, die
in het klooster op mijn aanbeveling en onder mijn bescherming is
opgenomen geworden.
In het _Louvre_, den 10den Augustus 1628.
Anna.”
Men begrijpt, dat deze bloedverwantschap van Aramis met een
linnenkoopvrouw, die de koningin haar zuster noemde, niet weinig den
lachlust der jongelieden opwekte; doch Aramis, na een paar malen tot in
het wit der oogen gebloosd te hebben door een lompe scherts van Porthos,
had zijn vrienden verzocht niet meer op dat onderwerp terug te komen,
verklarende dat, indien hierover nog een woord werd gesproken, hij niet
meer in die zaak zijn nicht als onderhandelaarster wilde gebruiken.
Bijgevolg werd niet verder gesproken over Marie Michon door de vier
musketiers, die nu bereids hadden wat zij begeerden, namelijk: de
volmacht, juffrouw Bonacieux het Karmelieten nonnenklooster te _Béthune_
te doen verlaten. Het is waar, dat het bevel hun weinig baatte, zoolang
zij in het kamp vóór _la Rochelle_ waren, dat is aan het andere einde
van Frankrijk. Ook was d’Artagnan gereed, een verlof aan den heer de
Tréville te verzoeken, door hem eenvoudig de noodzakelijkheid van zijn
vertrek toe te vertrouwen, toen de tijding hem, zoowel als aan zijn
vrienden werd medegedeeld, dat de koning naar _Parijs_ zou vertrekken
met een geleide van twintig musketiers, en zij onder dat geleide
begrepen waren. De blijdschap was groot. Men zond de knechts met de
bagage vooruit, en men vertrok den 16den des morgens. De kardinaal
geleidde Zijne Majesteit van _Surgères_ tot aan _Mauzes_, en daar namen
de koning en zijn minister van elkander met groote vriendschapsblijken
afscheid.
Intusschen bleef de koning, die uitspanning zocht, hoewel zoo snel
mogelijk zijn reis voortzettende, daar hij op den 23sten te _Parijs_
wenschte te zijn, zich bijwijlen ophouden, om op de jacht met de ekster
te gaan, een liefhebberij, waarin hem de Luynes, de eerste man van
mevrouw de Chevreuse, eertijds vermaak had doen scheppen. Van de twintig
musketiers waren er dan zestien, die zeer verheugd waren, wanneer dat
vermaak plaats vond, terwijl vier van hen het hartelijk vervloekten.
D’Artagnan vooral had bijna een onafgebroken gesuis in de ooren, hetgeen
Porthos aldus verklaarde: „Een zeer voorname dame heeft mij beduid, dat
zulks is, wanneer over u hier of daar gesproken wordt.” Het geleide ging
door _Parijs_ den drie en twintigsten des nachts; de koning bedankte den
heer de Tréville en veroorloofde hem zijn musketiers beurtelings een
vierdaagsch verlof te geven, onder voorwaarde, dat geen zijner
begunstigden op een of ander publieke plaats mochten verschijnen, op
straffe eener gevangenschap in de Bastille.
De vier eerste verlofpassen waren, zooals men licht kan begrijpen, onzen
vrienden toegestaan, en nog meer: Athos verkreeg van den heer de
Tréville zes in plaats van vier dagen, en voegde bij die zes dagen nog
twee nachten, want zij vertrokken den vier en twintigsten, te vijf uur
des avonds, terwijl de heer de Tréville de dagteekening van het verlof
stelde op den vijf en twintigsten, des morgens.
„Wel, mijn God!” riep d’Artagnan, die, zooals men weet, nooit aan zijn
zaak twijfelde, „het schijnt dat wij te veel omslag maken met iets zeer
eenvoudigs; binnen twee dagen, en een paar paarden doodrijdende, ben ik
met de hulp van mijn geld te _Béthune_, ik geef den brief der koningin
aan de abdis en breng den kostbaren schat, dien ik ga halen, niet naar
_Lotharingen_, niet naar _België_, maar naar _Parijs_, waar hij het best
zal verborgen zijn, vooral gedurende het verblijf van den kardinaal vóór
_la Rochelle_. Vervolgens, eenmaal van dien tocht teruggekeerd, zal het
ons, gedeeltelijk door de bescherming harer nicht, anderdeels ter
belooning voor hetgeen wij persoonlijk voor haar hebben gedaan, niet
moeilijk vallen van de koningin te verkrijgen, wat wij wenschen. Blijft
dus hier en vermoeit u niet vruchteloos. Ik en Planchet zijn voldoende
voor een zoo eenvoudige boodschap.”
Hierop antwoordde Athos bedaard: „Ook wij hebben geld, want ik heb het
overschot van den diamant nog niet verdronken, en Porthos en Aramis
hebben het hunne nog niet geheel verteerd. Wij kunnen dus even goed vier
paarden als een doodrijden. Maar, wees er op bedacht, d’Artagnan!”
voegde hij er bij met een zoo sombere stem, dat haar klank den jongeling
een rilling door het lijf joeg: „wees indachtig, dat _Béthune_ een stad
is, waar de kardinaal de vrouw moet aantreffen, die overal, waar zij
haar voeten zet, onheil na zich sleept. Indien gij slechts met vier
mannen te doen hadt, dan, d’Artagnan! zou ik u laten gaan, doch nu gij
met die vrouw hebt te doen, moeten wij met ons vieren gaan, in de hoop
dat het Gode believe, dat wij met onze vier knechts talrijk genoeg
zijn.”--„Gij beangstigt mij, Athos!” riep d’Artagnan, „wat vreest gij
dan toch? mijn God!”--„Alles!” antwoordde Athos.--D’Artagnan raadpleegde
de gelaatstrekken zijner vrienden, welke, zooals die van d’Artagnan
zelven, den indruk eener hevige onrust vertoonden. Men vervolgde nu de
reis in snellen draf en zonder een woord te spreken.
Den vijf en twintigsten des avonds bereikte men _Arras_; terwijl
d’Artagnan voor de herberg _de gouden Egge_ afsteeg om een glas wijn te
drinken, kwam een ruiter van de binnenplaats, waar hij zijn paard had
verwisseld, en reed in vollen draf met zijn versch paard den weg naar
_Parijs_ op. Op hetzelfde oogenblik dat hij uit de koetspoort de straat
opreed, sloeg de wind den mantel open, waarin hij zich had gewikkeld,
hoewel men in de maand Augustus was, en nam zijn hoed weg, dien de
reiziger echter nog tijdig genoeg vasthield en weder op het hoofd
drukte. D’Artagnan, die zijn oogen op dien man had gevestigd, werd zeer
bleek en liet zijn glas vallen.
„Wat deert u, mijnheer?” vroeg Planchet. „Hier, heeren! mijn meester
bevindt zich niet wel.”
De drie vrienden snelden toe doch kwamen d’Artagnan tegen, terwijl hij
zich naar zijn paard spoedde. Zij hielden hem voor de deur
staande.--„Wel! waarheen loopt gij, in duivelsnaam?” vroeg Athos.--„Hij
is het!” riep d’Artagnan bleek van woede, terwijl het zweet op zijn
voorhoofd uitbrak, „hij is het, laat mij hem vervolgen.”--„Maar wie?
hij?” vroeg Athos.--„Hij, die man!”--„Welke man?”--„Die vervloekte
kerel, mijn kwade geest, dien ik steeds heb ontmoet, wanneer mij een of
ander ongeluk bedreigde; hij, dien ik zocht, toen ik onzen vriend Athos
uitdaagde; hij, dien ik denzelfden dag heb ontmoet, dat juffrouw
Bonacieux is ontvoerd geworden; ik heb hem gezien, hij is het, hij is de
man van _Meung_! Ik herkende hem, toen de wind zijn mantel
opensloeg.”--„Duivelsch!” zeide Athos peinzende.--„Te paard! heeren! te
paard! en vervolgen wij hem, wij zullen hem inhalen.”--„Mijn waarde!”
zeide Aramis, „bedenk dat hij den tegenovergestelden weg gaat, dien wij
gaan; dat hij een versch paard heeft en onze paarden vermoeid zijn; dat
wij bijgevolg onze paarden zullen doodrijden, zonder zelfs de kans te
hebben hem te bereiken. Laten wij dien man daar, redden wij de vrouw,
d’Artagnan!”--„Hei, mijnheer!” riep een stalknecht, den vreemdeling
naloopende, „hei, mijnheer! hier heb ik een papiertje, dat uit uw hoed
is gevallen. Hei! mijnheer! hei!”--„Mijn vriend!” zeide d’Artagnan,
„ziedaar een halve pistool; geef mij dat papiertje.”--„Met alle
pleizier, mijnheer!”--„Ziedaar.”
De stalknecht, verheugd over den goeden dag, dien hij maakte, keerde
naar de binnenplaats der herberg terug. D’Artagnan opende het
papier.--„Welnu?” vroegen zijn vrienden, naar hem luisterende.--„Slechts
één woord,” zeide d’Artagnan.--„Ja,” zeide Aramis, „en het woord is de
naam eener stad.”--„_Armentières_,” las Porthos. „_Armentières_? dat ken
ik niet.”--„En het schrift is van haar hand!” riep Athos.--„Welaan!
bewaren wij dat papiertje zorgvuldig,” zeide d’Artagnan. „Misschien is
mijn halve pistool niet voor niets uitgegeven. Te paard, mijn vrienden;
te paard!”--En de vrienden draafden spoorslags den weg naar _Béthune_
op.