Wat er den 23en Augustus 1628 te Portsmouth voorviel.
Felton nam van milady afscheid als een broeder, die, eenvoudig gaande
wandelen, zijn zuster groet en haar de hand kust. Hij was volkomen in
zijn gewone bedaarde stemming; alleen brandde er een ongewoon vuur in
zijn oogen, dat gelijk was aan den gloed der koorts. Zijn voorhoofd was
nog bleeker dan gewoonlijk; zijn tanden waren op elkander gedrukt en
zijn woorden hadden een korten en stootenden klank en gaven te kennen,
dat er in hem iets sombers omging. Zoolang hij in de boot was, die hem
aan land bracht, bleef hij met het gelaat naar milady gewend, die
overeind op het verdek stond en hem met haar blik volgde. Beiden waren
overtuigd niet meer vervolgd te zullen worden. Men trad de kamer van
milady nooit vóór negen uur binnen, en er waren drie uren toe noodig, om
van het kasteel naar _Londen_ te gaan.
Felton zette voet aan wal, beklom de kleine verhevenheid, die naar boven
tot aan den vuurtoren leidde, groette milady voor de laatste maal en
zette zijn weg naar de stad voort. Na ongeveer honderd schreden te
hebben afgelegd kon hij, daar de grond afhelde, niets meer van de sloep
bespeuren dan den mast. Hij liep haastig voort in de richting van
_Portsmouth_, van welke stad hij, op een halve mijl afstands ongeveer,
de torens en huizen uit den morgennevel zag te voorschijn komen.
Achter _Portsmouth_, in het verschiet, was de zee bedekt met schepen,
welker masten, gelijk een ontbladerd populierenbosch door den wind
bewogen, schommelden.
Felton liet in zijn snelle vaart alles voorbij zijn geest gaan, die
tienjarige reeks van geestdrijvende overdenkingen, en dat lange verblijf
onder de Puriteinen, welke hem zoovele ware of valsche beschuldigingen
tegen den gunsteling van Jacobus VI en Karel I hadden opgeleverd. Toen
hij de openlijke misdrijven van dien minister, schitterende Europeesche
misdrijven indien men zich dus kan uitdrukken, met de onbekende en
bijzondere misdaden vergeleek, waarmede milady hem had bezwaard, vond
Felton, dat de misdadigste der twee personen, die in Buckingham
vereenigd waren, diegene moest zijn, wiens handelingen niet publiek
waren. Dit kwam, doordat zijn zoo zonderlinge, nieuwe en vurige liefde
hem de schandelijke en denkbeeldige beschuldigingen van lady de Winter
vertoonde, zooals men stofjes, bij mieren vergeleken, onmerkbaar door
een vergrootglas als vreeselijke gedrochten ziet. De snelheid van zijn
loop verhitte nog meer zijn bloed. Het denkbeeld de vrouw achter te
laten, die hij beminde, of liever die hij als een heilige aanbad en aan
een verschrikkelijke wraak zag blootgesteld, de ondergane
gemoedsaandoeningen, zijn tegenwoordige vermoeidheid, alles verhief zijn
ziel nog meer boven elk menschelijk gevoel.
Hij trad _Portsmouth_ tegen acht uur des morgens binnen. Geheel de
bevolking was op de been. De trom werd in de straten en in de haven
geroerd. De troepen, die moesten worden ingescheept, togen zeewaarts.
Felton, bedekt met stof en zweet, naderde het admiraalshuis. Zijn
aangezicht, gewoonlijk bleek, was purperrood van warmte en toorn. De
schildwacht wilde hem afwijzen, maar Felton riep den kommandant van den
wachtpost, en uit zijn zak den brief halende, waarvan hij de brenger
was, zeide hij een bode van lord de Winter te zijn. Op den naam van lord
de Winter, dien men voor een der grootste vrienden van Zijne Genade
kende, gaf de kommandant bevel Felton door te laten, die trouwens ook de
uniform van zee-officier droeg.
Felton snelde het paleis binnen. Op het oogenblik, dat hij het portaal
binnentrad, trad ook een man binnen, met stof bedekt en buiten adem, een
postpaard aan de deur latende, dat bij aankomst op beide knieën was
gevallen.--Felton en hij richtten zich gelijktijdig tot Patrick, den
vertrouwden kamerdienaar van den hertog. Felton noemde den baron de
Winter. De onbekende wilde niemand noemen, voorgevende zich alleen aan
den hertog in eigen persoon te mogen bekend maken. Beiden poogden, de
een voor den anderen, het eerst te worden toegelaten. Patrick, wien het
bekend was, dat lord de Winter zoowel in dienstzaken als door
vriendschapsbetrekkingen met den hertog in betrekking stond, gaf de
voorkeur aan dengene, die uit diens naam kwam. De andere was verplicht
te wachten: het was gemakkelijk te zien, hoezeer hij die vertraging
vervloekte. De kamerdienaar deed Felton een groote zaal doorgaan, waar
de afgezanten van _la Rochelle_, met den prins van Soubise aan het
hoofd, wachtende waren en geleidde hem in een kabinet, waar Buckingham,
uit het bad komende, zich aankleedde, een bezigheid, waaraan hij ook nu,
zooals steeds, een buitengewone zorg besteedde.
„De luitenant Felton!” zeide Patrick, „vanwege lord de
Winter.”--„Vanwege lord de Winter?” herhaalde Buckingham, „laat
binnenkomen.”--Felton trad binnen. Op dit oogenblik wierp Buckingham een
kostbaren ochtendrok, met goud geborduurd, op een kanapé, om dezen voor
een blauw fluweelen buis, met paarlen bezet, te verwisselen.--„Waarom is
de baron niet in persoon gekomen?” vroeg Buckingham. „Ik wachtte hem
heden morgen.”--„Hij heeft mij belast Uwe Genade te zeggen,” antwoordde
Felton, „dat het hem zeer leed doet die eer niet te kunnen hebben, maar
dat hij hierin verhinderd wordt door de waakzaamheid, welke hij
verplicht is in het kasteel in acht te nemen.”--„Ja, ja,” zeide
Buckingham, „ik weet het, hij heeft een gevangene.”--„Het is juist over
deze gevangene, dat ik Uwe Genade wilde onderhouden,” hernam
Felton.--„Welnu, wat is er, spreek!”--„Wat ik te zeggen heb, mylord, mag
alleen door u gehoord worden.”
„Laat ons alleen, Patrick!” zeide Buckingham, „maar luister naar de
schel, ik zal u aanstonds roepen.”--Patrick vertrok.
„Thans zijn wij alleen, mijnheer!” zeide Buckingham, „gij kunt dus vrij
spreken.”
„Mylord!” zeide Felton daarop, „de baron de Winter heeft u onlangs
geschreven en u daarbij verzocht een bevelschrift te teekenen, ter
overbrenging eener jonge vrouw, Charlotte Bakson genaamd.”--„Ja,
mijnheer! en ik heb hem geantwoord, mij dat bevelschrift te brengen of
te zenden, en dat ik het zou teekenen.”--„Hier is het, mylord!”--„Geef,”
zeide de hertog, en het papier uit de handen van Felton nemende, wierp
hij er een vluchtigen blik in. Toen, ziende dat het wel datgene was,
waarover men hem had geschreven, legde hij het op tafel, nam een pen en
maakte zich gereed het te teekenen.
„Vergeef mij, mylord!” zeide Felton, den hertog tegenhoudende, „maar
weet Uwe Genade wel, dat de naam van Charlotte Bakson niet de ware naam
dier vrouw is?”--„Ja, mijnheer! dat weet ik,” antwoordde de hertog, de
pen in den inktkoker doopende.--„Kent Uwe Genade dan haar waren naam?”
vroeg Felton kortaf.--„Ik ken hem.”--De hertog zette de pen op het
papier. Felton verbleekte.
„En zal Uwe Genade, hoewel dien naam kennende, toch teekenen?”--„Wel
zeker!” zeide Buckingham, „en liever twee malen dan eens.”--„Ik kan niet
gelooven,” ging Felton voort, met een stem die al meer en meer kort en
stootend werd, „dat Uwe Genade weet, dat het lady de Winter
betreft.”--„Ik weet het zeer goed, maar ben verwonderd dat gij het
weet.”--„En zal Uwe Genade dit bevelschrift zonder wroeging teekenen?”
Buckingham beschouwde den jongeling trots.--„Hoe! mijnheer, weet gij,
dat gij mij al vrij zonderlinge vragen doet, en ik dwaas ben er op te
antwoorden.”--„Antwoord er op, Uwe Excellentie!” zeide Felton, „de
omstandigheid is gewichtiger dan gij wellicht denkt.”
Buckingham, in de meening dat de jongeling vanwege lord de Winter kwam
en zonder twijfel uit diens naam sprak, hernam op meer zachten toon:
„Zonder de minste wroeging! En de baron weet zoo goed als ik, dat milady
een groote misdadige is, en het bijna een gratie is haar straf tot
verbanning te verminderen.”--De hertog zette de pen op het papier.--„Gij
zult dat bevelschrift niet teekenen,” zeide Felton, den hertog een
schrede naderende.--„Zal ik dat bevelschrift niet teekenen.... en waarom
niet?”--„Omdat gij in u zelven zult terugkeeren en milady recht laten
wedervaren.”--„Men zal haar recht doen, wanneer men haar naar _Tyburn_
zendt; milady is een schandelijk slecht vrouwspersoon.”--„Uwe
Excellentie! milady is een engel, gij weet dit wel en ik vraag u haar
vrijheid.”--„Wat is dat?” riep Buckingham. „Zijt gij zinneloos, een
zoodanige taal te voeren?”--„Mylord! vergeef mij, ik spreek zoo
vriendelijk als ik kan; ja, ik bedwing mij zelfs. Intusschen, mylord!
bedenk wat gij wilt doen, en wacht u de maat te doen overloopen.”--„Wat
zegt gij? God vergeve mij!” riep Buckingham, „ik geloof, dat hij mij
bedreigt!”--„Neen, mylord! ik smeek nog, en ik zeg u, dat één droppel
water voldoende is, om een vol vat te doen overloopen; een geringe
misslag is somwijlen voldoende, om de straf te doen neerkomen op een
hoofd, dat, in weerwil van zoovele misdaden, tot hiertoe is gespaard
gebleven.”--„Mijnheer Felton! gij zult u oogenblikkelijk verwijderen en
u in arrest begeven.”--„En gij, gij zult mij tot het einde aanhooren,
mylord! Gij hebt haar, maagd zijnde, verleid, beleedigd, onteerd;
herstel uw misdaden jegens haar, laat haar in vrijheid gaan, en ik zal
niets anders van u eischen.”--„Gij zult niet eischen!” zeide Buckingham,
Felton met verbazing aanziende en op elk der vier woorden drukkende, die
hij uitsprak.
„Mylord!” vervolgde Felton, meer en meer driftig wordende naarmate hij
met spreken voortging. „Mylord! wees op uw hoede; geheel _Engeland_ is
uw ongerechtigheden moede; mylord! gij hebt van de koninklijke macht
misbruik gemaakt, die gij bijna overweldigd hebt; mylord! gij zijt een
afschuw voor God en de menschen. God zal u later straffen, maar ik zal u
heden straffen.”--„O, dat is te erg!” riep Buckingham, eenige schreden
de deur naderende.
Felton trad hem in den weg.--„Ik smeek het u nederig!” hernam hij,
„teeken het bevel, om milady de Winter in vrijheid te laten. Bedenk, dat
het een vrouw is, die gij onteerd hebt.”--„Verwijder u, mijnheer!” zeide
Buckingham, „of ik roep en laat u door mijn bediende de deur
uitwerpen.”--„Gij zult niet roepen,” zeide Felton, zich tusschen de deur
en een met zilver ingelegd spiegeltje plaatsende, waarop een schel
stond; „geef acht, mylord! nu zijt gij in Gods hand.”--„In des duivels
klauw, wilt gij zeggen!” riep Buckingham, de stem verheffend, om volk
tot zich te trekken, zonder nochtans te roepen.--„Teeken, mylord! teeken
voor de vrijheid van lady de Winter,” zeide Felton, den hertog een
papier toeschuivende.--„Ik bukken voor geweld! Zijt gij gek? Hier,
Patrick!”--„Teeken, mylord!”--„Nooit! nooit!--Hier!” riep de hertog,
tevens zijn degen grijpende.
Maar Felton liet hem den tijd niet dien te trekken; hij hield een blank
mes, het mes waarmede milady zich had gekwetst, onder zijn buis
verborgen, en in een sprong viel hij op den hertog aan.
Op dat oogenblik trad Patrick met den uitroep: „Mylord! een brief uit
_Frankrijk_!” de zaal binnen.--„Uit _Frankrijk_?” riep Buckingham, alles
vergetende door de gedachte aan haar, van wie de brief kwam.
Felton nam deze gelegenheid waar en stak hem het mes tot aan het hecht
in de zijde.--„Onzinnige, verraderlijke moordenaar!” riep Buckingham,
„gij hebt mij gedood!”--„Moord, moord!” brulde Patrick.
Felton sloeg de oogen rond, om te vluchten, en de deur onbewaakt ziende,
stormde hij de aangrenzende kamer binnen, waarin, zooals wij gezegd
hebben, de afgevaardigden van _la Rochelle_ wachtten; hij doorliep ze in
haar geheele lengte en bereikte de trap; maar op de eerste trede
ontmoette hij lord de Winter, die hem bleek, verward, woest, met bloed
aan de handen en aan het gelaat bevlekt ziende, bij de keel greep,
uitroepende: „Ik wist het! ik had het geraden! één minuut te laat. O,
ongelukkige, ongelukkige, die ik ben!”
Felton bood geen den minsten weerstand. Lord de Winter gaf hem over aan
de wacht, die hem in afwachting van nadere bevelen op een klein terras
bracht, vanwaar men het uitzicht op de zee had, terwijl lord de Winter
zich naar het kabinet van Buckingham spoedde.
Op den kreet van den hertog, toen deze Patrick had geroepen, snelde de
man, dien Felton aan de deur had ontmoet, het kabinet binnen. Hij vond
den hertog op een sofa liggende, zijn wonde met een krampachtige hand
drukkende.
„La Porte!” zeide de hertog met een bevende stem; „la Porte! komt gij
van harentwege!”--„Ja, Uwe Excellentie!” antwoordde de getrouwe dienaar
van Anna van Oostenrijk, „maar misschien te laat.”--„Stil, la Porte! men
zou u kunnen hooren. Patrick! laat niemand binnen. Ach! ik zal niet
weten, wat zij laat zeggen. Mijn God, ik sterf!”--En de hertog viel in
onmacht.
Intusschen waren lord de Winter, de afgezanten, de oversten der troepen,
de officieren van het huis van Buckingham, de kamer binnengedrongen;
overal weergalmden wanhoopskreten; het nieuws, dat het paleis met
weeklachten en zuchten vervulde, drong weldra naar buiten en verspreidde
zich in de stad. Een kanonschot kondigde aan, dat er iets nieuws en
onverwachts plaats had. Lord de Winter trok zich de haren uit het hoofd.
„Eén minuut te laat!” riep hij. „Ach, mijn God! mijn God! wat ramp!”--En
waarlijk, men was hem te zeven uur des morgens komen berichten, dat een
touwladder buiten een der vensters van het kasteel hing. Daarop was hij
onmiddellijk naar de kamer van milady gesneld, had die ledig, het
venster open en de traliën uitgevijld gevonden. Hij herinnerde zich toen
de mondelinge aanbeveling, welke d’Artagnan hem door zijn bode had
overgezonden; hij had voor den hertog gebeefd, en naar den stal
loopende, was hij, zonder zich den tijd te gunnen een paard te doen
zadelen, op het eerste het beste gesprongen en had zich spoorslags
verwijderd, waarna hij, op de binnenplaats aangekomen, onmiddellijk
afgestegen en de trap was opgesneld, waar hij op de eerste trede, zooals
wij gezegd hebben, Felton ontmoette.
De hertog was echter niet dood; hij kwam weder tot bewustzijn, opende de
oogen, en de hoop keerde in aller harten terug.--„Mijne heeren!” zeide
Buckingham, „laat mij alleen met Patrick en la Porte.... O, zijt gij
daar, de Winter! Gij hebt mij heden morgen een zonderlingen gek
gezonden; zie eens in welken staat hij mij heeft gebracht.”--„O,
mylord!” riep de baron, „mylord! nooit zal ik er mij over kunnen
troosten!”--„En gij zoudt ongelijk hebben, mijn goede de Winter!” hernam
Buckingham, hem de hand reikende. „Ik ken niet één enkel mensch, die
verdient betreurd te worden, gedurende het geheele leven van een anderen
mensch. Maar laat ons alleen, als ik u mag verzoeken.”
De baron vertrok, in gesnik uitbarstende.--In het kabinet bleven niemand
anders dan de gekwetste hertog, la Porte en Patrick. Men zocht een
geneesheer, dien men niet kon vinden.
„Gij zult in het leven blijven, mylord! gij zult in het leven blijven,”
herhaalde, voor de sofa geknield, de bode van Anna van Oostenrijk.--„Wat
schrijft zij mij!” vroeg Buckingham met flauwe stem, van bloed druipende
en om van haar te spreken, die hij beminde, vreeselijke smarten
onderdrukkende.... „wat schrijft zij mij? Lees mij haar brief
voor.”--„Ach, mylord!” riep la Porte.--„En ziet gij dan niet, la Porte,
dat ik geen tijd te verliezen heb?”--La Porte verbrak het zegel en
stelde het perkament onder het oog van den hertog; maar Buckingham
trachtte vruchteloos het schrift te lezen.--„Lees dan, lees dan!” zeide
hij, „ik kan niet meer zien. Lees! want dra zal ik niet meer hooren, en
ik zal sterven zonder te weten, wat zij mij heeft geschreven.”
La Porte weigerde niet langer maar las:
„Mylord!
Bij hetgeen ik sedert ik u ken door u en voor u lijd, bezweer ik u,
indien gij mijn rust liefhebt, de groote krijgstoerustingen, die
gij tegen _Frankrijk_ voorbereidt, af te breken en een oorlog te
doen ophouden, van welken men luide zegt, dat de openlijke reden de
godsdienst is, terwijl men fluisterend zegt, dat uw liefde voor mij
de verborgene drijfveer is. Deze oorlog kan niet alleen voor
_Frankrijk_ en _Engeland_ groote gebeurtenissen ten gevolge hebben,
maar tevens op uw hoofd, mylord, rampen halen, over welke ik mij
niet zou kunnen troosten. Wees op uw hoede, want uw leven wordt
bedreigd, uw leven, dat voor mij van zooveel waarde is, van het
oogenblik dat ik niet verplicht ben in u een vijand te zien.
Uwe genegene,
Anna.”
Buckingham verzamelde al zijn overblijvende levenskrachten om dien brief
te kunnen verstaan. Vervolgens, toen hij geëindigd was, en alsof hij er
bitter door teleurgesteld was, vroeg hij: „Hebt gij mij dan niets anders
te zeggen, la Porte?”--„O, ja, Uwe Excellentie! de koningin heeft mij
belast u te zeggen op uw hoede te zijn, want men had haar verwittigd,
dat men u wilde vermoorden. Zij heeft mij nog belast u te zeggen, dat
zij u steeds beminde.”--„O!” riep Buckingham, „God zij geloofd! mijn
dood zal dan voor haar niet die eens vreemdelings zijn.”
La Porte barstte in tranen uit.--„Patrick!” zeide de hertog, „breng mij
het kistje, waarin de diamanten haken waren.”
Patrick bracht het gevraagde voorwerp, dat la Porte herkende als aan de
koningin te hebben toebehoord.--„Nu de wit satijnen brieventasch, waarop
in parelen haar naam is geborduurd.”--Patrick gehoorzaamde
opnieuw.--„Ziedaar, la Porte!” zeide Buckingham, „de twee
gedachtenissen, die ik van haar bezit: dat zilveren kistje en de twee
brieven. Gij zult ze aan de koningin teruggeven, en tot een laatste
herinnering (hij zocht naar eenig kostbaar voorwerp in zijn nabijheid)
zult gij er bijvoegen.... (hij bleef zoeken, maar zijn door den dood
verduisterde oogen ontmoetten niets anders dan het mes, uit Felton’s
handen ontglipt, en nog rookende van het purperen bloed, dat het
bedekte) en gij zult er dat mes bijvoegen,” zeide de hertog, de hand van
la Porte drukkende.
Hij was nog in staat de brieventasch in het kistje neer te leggen en er
het mes te laten invallen, terwijl hij la Porte een teeken gaf, dat hij
niet meer kon spreken; daarop viel hij in een laatste stuiptrekking, die
hij de kracht niet meer had te overwinnen, van de sofa op den grond.
Patrick slaakte een luiden kreet.--Buckingham wilde nog eenmaal
glimlachen, maar de dood brak zijn laatste gedachte af, die als een
laatste afscheid op zijn lippen en zijn voorhoofd bleef ingedrukt.
Op dat oogenblik naderde, geheel ontsteld, de geneesheer, die zich reeds
op het admiraalschip bevond, alwaar men verplicht was geweest hem te
roepen. Hij naderde den hertog, vatte zijn hand, hield die een oogenblik
in de zijne en liet ze weer zinken.--„Alles is tevergeefs!” zeide hij,
„hij is dood!”--„Dood! dood!” gilde Patrick.
Op dien kreet liepen allen de zaal binnen, en overal heerschte
verslagenheid en verwarring. Zoodra lord de Winter Buckingham dood zag,
spoedde hij zich tot Felton, die zoolang door de soldaten op het terras
van het paleis was bewaakt geworden.
„Ellendeling!” zeide hij tot den jongeling, die sinds den dood van
Buckingham die kalmte en koelbloedigheid had teruggevonden, welke hem
niet meer zou verlaten. „Ellendeling! wat hebt gij gedaan?”--„Ik heb mij
gewroken,” zeide hij.--„Gij?” zeide de baron, „zeg liever, dat gij het
werktuig dier vervloekte vrouw zijt geweest. Maar ik zweer het u, die
misdaad zal haar laatste zijn.”--„Ik weet niet wat gij bedoelt,” hernam
Felton koel, „en evenmin waarover gij wilt spreken, mylord! ik heb den
hertog van Buckingham het leven benomen, omdat hij tot tweemaal, zelfs
aan u heeft geweigerd mij tot kapitein te bevorderen; ik heb hem om zijn
onrechtvaardigheid gestraft, anders niet.”
Ontsteld beschouwde lord de Winter de lieden, die Felton bonden, niet
wetende wat van een dergelijke ongevoeligheid te moeten denken. Iets
echter deed het voorhoofd van Felton met een donkere wolk betrekken: bij
elken voetstap, dien hij hoorde, meende de onnoozele Puritein den
voetstap en de stem van milady te herkennen, die zich in zijn armen kwam
werpen om zich zelve te beschuldigen en met hem te sterven. Eensklaps
ontroerde hij: zijn oog vestigde zich op een stip in zee, die men van
het terras, waarop hij stond, geheel kon overzien; met dien adelaarsblik
des zeemans had hij dáár, waar een ander slechts een op de baren
dobberende zeemeeuw zou gemeend hebben te zien, het zeil der sloep
herkend, die naar de kust van _Frankrijk_ stevende. Hij verbleekte,
bracht de hand aan zijn brekend hart en doorzag het geheele verraad.
„Een laatste gunst,” zeide hij tot den baron.--„Welke?” vroeg
deze.--„Hoe laat is het?”--De baron haalde zijn horloge te
voorschijn.--„Tien minuten voor negen uur,” zeide hij.
Milady had haar vertrek anderhalf uur bespoedigd; zoodra zij het
kanonschot, dat de noodlottige gebeurtenis aankondigde, hoorde, had zij
het bevel gegeven om het anker te lichten. Het vaartuig zeilde onder een
blauwen hemel, op een grooten afstand der kust.
„God heeft het gewild,” zeide Felton, met de onderwerping eens
geestdrijvers, echter zonder zijn oog van dat scheepje af te wenden, aan
welks boord hij zeker meende de witte schim te onderscheiden van haar,
voor wie zijn leven zou worden opgeofferd.
De Winter volgde zijn blik, bespiedde zijn lijden en raadde
alles.--„Wees _vooreerst alleen_ gestraft, ellendeling!” zeide de lord
tot Felton, die zich, de oogen naar zee gekeerd, liet voortsleepen,
„maar ik zweer u bij de gedachtenis mijns broeders, dien ik zoo liefhad,
dat uw medeplichtige niet gered is.”
Felton liet het hoofd zinken zonder een enkel woord te spreken.--En lord
de Winter, haastig voortgaande, begaf zich naar de haven.