HOOFDSTUK XXVII.

De vlucht.

Zooals lord de Winter had gedacht, was de verwonding van milady niet

gevaarlijk; zoodra zij zich alleen met de vrouw bevond, die de baron had

doen roepen, en die zich haastte haar te ontkleeden, opende zij de

oogen. Intusschen moest zij zwakte en smart veinzen. Dat was voor een

tooneelspeelster als milady niet zeer moeilijk. Ook werd de arme vrouw

volkomen door milady misleid, zoodat zij halsstarrig volhield gedurende

den nacht te willen waken. De tegenwoordigheid dier vrouw belette milady

echter niet te peinzen. Er was geen twijfel meer, Felton was overtuigd,

Felton behoorde haar. Al ware den jongeling ook een engel verschenen om

milady te beschuldigen, zou hij dien zeker, in de zielsgesteldheid

waarin hij zich bevond, voor een duivelsgezant hebben gehouden.

Milady glimlachte bij dat denkbeeld, want op Felton was voortaan alleen

haar hoop gevestigd, hij was het eenige middel tot haar bevrijding. Maar

lord de Winter kon beginnen hem te wantrouwen en Felton thans zelf

bewaken.

Tegen vier uur des morgens kwam de geneesheer, maar sinds milady zich

had gekwetst, was de wonde reeds gesloten. De geneesheer kon er dus noch

de richting noch de diepte van peilen; hij erkende alleen aan den pols

van milady, dat de wond niet belangrijk was. Des morgens zond milady,

onder het voorwendsel niet geslapen en rust noodig te hebben, de vrouw

weg, die bij haar had gewaakt. De hoop bleef nog over, dat Felton op het

uur van ontbijt zou komen, maar Felton kwam niet. Had haar vrees zich

verwezenlijkt? Zou Felton, door den baron gewantrouwd, haar in het

beslissend oogenblik ontbreken? Er bleef haar slechts één dag meer over.

Lord de Winter had haar inscheping op den drie en twintigsten

aangekondigd, en men was reeds op den ochtend van den twee en

twintigsten. Nogmaals bleef zij geduldig tot aan het uur van het

middagmaal wachten. Hoewel zij des morgens niet had gegeten, werd het

maal echter op het gewone uur binnengebracht; milady bespeurde toen met

schrik, dat de uniform der soldaten, die haar bewaakten, veranderd was.

Toen waagde zij te vragen, wat er van Felton was geworden. Men zeide,

dat Felton een uur geleden te paard was vertrokken. Zij vroeg, of de

baron nog altijd in het kasteel was; de soldaat antwoordde ja, en dat

hij bevel had hem te waarschuwen, indien de gevangene hem wenschte te

spreken. Milady antwoordde, dat zij voor het oogenblik zich te zwak

gevoelde, en haar eenige begeerte was alleen te blijven. De soldaat

vertrok na de tafel gedekt te hebben.

Felton was verwijderd geworden, de zeesoldaten waren door andere

vervangen, men wantrouwde Felton. Dat was de laatste slag, dien men aan

de gevangene toebracht. Alleen gebleven, stond zij op. Dat bed, waarop

zij uit voorzichtigheid bleef liggen, ten einde men haar zwaar gekwetst

mocht wanen, brandde haar als een gloeiende rooster. Zij wierp een blik

op de deur. De baron had op de getraliede opening er van een plank doen

spijkeren; hij vreesde zeker, dat door middel der opening het haar

wederom mocht gelukken, door een of ander duivelsch middel haar bewakers

te verleiden. Milady glimlachte van blijdschap, zij kon zich dus aan

haar gewaarwordingen overgeven zonder bespied te worden. Zij doorliep de

kamer met de drift eener dolzinnige, of van een opgesloten tijger in een

ijzeren kooi. Inderdaad, indien het mes in haar bezit was gebleven, zou

zij er nu niet aan gedacht hebben zich zelve het leven te benemen, maar

den baron te vermoorden. Te zes uur trad lord de Winter binnen, van het

hoofd tot de voeten gewapend. Die man, dien milady tot hiertoe slechts

als een beschaafd en beleefd edelman had beschouwd, was een

bewonderenswaardig cipier geworden. Hij scheen alles te voorzien, te

raden, te voorkomen. Een enkele blik op milady geworpen maakte hem

bekend met hetgeen in haar ziel omging.

„Goed,” zeide hij, „maar gij zult mij vandaag nog niet vermoorden, gij

hebt geen wapens meer, en bovendien, ik ben op mijn hoede. Gij zijt

begonnen mijn armen Felton te bederven, hij ondergaat reeds uw helschen

invloed, maar ik wil hem redden, hij zal u niet meer zien. Alles is

geëindigd, zoek uw kleeren bijeen, morgen vertrekt gij. Ik had de

inscheping op den vier en twintigsten bepaald, maar ik heb geoordeeld,

dat hoe eer de zaak een einde neemt hoe zekerder. Morgen tegen den

middag zal ik in het bezit zijn van het bevel uwer ballingschap, door

Buckingham onderteekend. Indien gij slechts, aan wien het ook zij, een

woord durft zeggen alvorens op het schip te zijn, dan heeft mijn

sergeant het bevel u voor den kop te schieten. Indien gij, op het schip

zijnde, één enkel woord durft spreken, alvorens de kapitein u zulks

heeft veroorloofd, zal deze u over boord doen werpen, dat is reeds

besteld. Tot weerziens; ziedaar wat ik u heden te zeggen had. Morgen zie

ik u weder om u vaarwel te zeggen.”--En hierna vertrok de baron.

Milady had deze dreigende taal tot het einde aangehoord, met den

glimlach der verachting op de lippen, maar met de woede in het hart. Men

richtte het avondmaal aan. Milady voelde, dat zij krachten noodig had;

zij wist niet wat er gedurende den nacht nog kon gebeuren, die dreigend

naderde; want donkere wolken vlogen door het luchtruim en veraf zijnde

weerlichten kondigden een onweder aan. Het onweer barstte tegen tien uur

des avonds los; voor milady was het een troost, de natuur in de

beroering van haar hart te zien deelen. De donder rolde in de lucht

gelijk de gramschap in haar boezem; het was alsof de stormwind,

voorbijgaande, haar hoofdhaar deed opvliegen, zooals hij van de boomen

de takken deed buigen, terwijl hij ze van hun bladeren beroofde. Zij

brulde gelijk de storm, en haar stem verloor zich in de zware stem der

natuur, die, zooals zij, scheen te zuchten en te wanhopen. Van tijd tot

tijd beschouwde zij een ring, dien zij aan den vinger had. De steen van

dien ring bevatte een hevig en spoedig werkend vergift; dat was haar

laatste redmiddel.

Eensklaps hoorde zij op een der glasruiten kloppen, en bij het schijnsel

van een bliksemstraal zag zij het gelaat van een man voor de traliën

verschijnen. Zij snelde naar het venster en opende het.--„Felton!” riep

zij, „ik ben gered!”--„Ja,” zeide Felton, „maar stil! stil! ik moet

eerst de traliën doorvijlen; zorg slechts dat men u niet door de opening

van de deur ziet.”--„O, ziedaar het bewijs, dat de Heere voor ons is,

Felton!” hernam milady, „zij hebben die opening met een plank

dichtgespijkerd.”--„Goed, God heeft hen zinneloos gemaakt,” zeide

Felton.--„Maar wat moet ik doen?” vroeg milady.--„Niets, niets; doe

slechts het venster weder dicht. Ga slapen, of ten minste begeef u

geheel gekleed te bed; wanneer ik gereed ben, zal ik op de glazen

kloppen. Maar zult gij mij kunnen volgen?”--„O ja!”--„Uw

wonde?”--„Veroorzaakt mij pijn, maar belet mij niet om te gaan.”--„Houd

u dan op den eersten wenk gereed.”

Milady sloot wederom het venster, blies haar lamp uit en begaf zich,

zooals Felton had aangeraden, te bed. Boven het gehuil van den storm

hoorde zij het krassen der vijl op de traliën, en bij het schijnsel van

elken bliksemstraal bespeurde zij de schaduw van Felton achter de

glasruiten. Een uur bracht zij door zonder adem te halen, hijgende, het

voorhoofd met zweet bedekt en het hart beklemd door een vreeselijken

angst, telkens wanneer zij in de gang eenige beweging hoorde. Er zijn

uren, die jaren schijnen te duren.

Na verloop van een uur klopte Felton opnieuw. Milady sprong uit haar bed

en ging het venster openen; twee uitgenomen traliën hadden een opening

gemaakt, die groot genoeg was om een mensch door te laten.--„Zijt gij

gereed?” vroeg Felton.--„Ja, moet ik iets medenemen?”--„Goud, indien gij

het hebt.”--„Gelukkig heeft men mij gelaten, wat ik had.”--„Des te

beter, want ik heb al het mijne besteed om een vaartuig te

huren.”--„Neem,” zeide milady, Felton een zak vol goud ter hand

stellende.--Felton nam den zak en wierp hem naar beneden aan den voet

van den muur.--„Wilt gij nu komen?” vroeg hij.--„Hier ben ik.”--Milady

klom op een leuningstoel en stak de helft haars lichaams uit het

venster. Zij zag den jongen officier, hangende aan een touwladder boven

den afgrond.

Voor het eerst deed een gewaarwording van angst haar herinneren, dat zij

een vrouw was. De diepte joeg haar schrik aan.--„Ik dacht het wel,”

zeide Felton.--„Het is niets, het is niets,” zeide milady, „ik zal met

gesloten oogen afstijgen.”--„Stelt gij in mij vertrouwen,” vroeg

Felton.--„Vraagt gij zulks?”--„Geef uw twee handen en vouw

ze.”--„Goed.”--Felton bond haar beide handen met een zakdoek, vervolgens

over den zakdoek met een koord aan elkander.--„Wat doet gij?” vroeg

milady verbaasd.--„Sla nu uw armen om mijn hals en vrees niets.”--„Maar

ik zal u het evenwicht doen verliezen en wij zullen beiden te pletter

vallen.”--„Wees gerust, ik ben zeeman.”

Er was geen oogenblik te verliezen. Milady sloeg haar beide armen om den

hals van Felton en liet zich het venster uitglijden. Felton begon

langzaam een voor een de treden van de ladder af te klimmen. Ondanks het

gewicht van beide lichamen, deed de stormwind hen in de lucht

schommelen.

Eensklaps hield Felton op.--„Wat is er?” vroeg milady.--„Stil,” zeide

Felton, „ik hoor voetstappen.”--„Wij zijn ontdekt.”--Er heerschte eenige

oogenblikken stilte. „Neen,” zeide Felton, „het is niets.”--„Maar wat

beteekent dan dat gerucht?”--„Dat der wachtronde, die den ringmuur

omgaat.”--„Waar is die weg?”--„Juist onder onze voeten.”--„Men zal ons

zien.”--„Neen, als het slechts niet weerlicht.”--„Men zal tegen de

ladder aanloopen. Daar zijn ze, o God!”--„Stil!”

Beiden bleven hangen, onbeweeglijk en stom, op twintig voeten boven den

grond, terwijl de soldaten lachende en pratende onder hen voortgingen.

Het was een vreeselijk oogenblik voor de vluchtelingen. De patrouille

verwijderde zich; men hoorde van lieverlede de voetstappen dof worden en

het gedruisch der stemmen verzwakken.--„Thans!” zeide Felton, „zijn wij

gered.”--Milady slaakte een zucht en viel in zwijm. Felton ging voort

met afklimmen.

Beneden aan de ladder gekomen en toen geen rustpunt meer voor zijn

voeten vindende, omknelde hij met zijn handen de ladder, liet zich tot

aan de laatste sport afzakken en toen op den grond neervallen; hij

bukte, raapte den zak met goud op en nam hem tusschen de tanden. Toen

nam hij milady in zijn armen en verwijderde zich snel naar de zijde

tegenovergesteld aan die, welke de patrouille had genomen. Dra verliet

hij den ringmuur, klom langs de rotsen af, en aan den oever der zee

gekomen, floot hij. Een dergelijk sein beantwoordde hem, en vijf minuten

daarna verscheen een boot bemand met vier personen. De boot naderde zoo

na mogelijk het strand, maar het water was niet diep genoeg om den wal

te bereiken. Felton doorwaadde de zee tot aan zijn middel, aan niemand

zijn kostbaren last willende toevertrouwen. Gelukkig begon de storm te

bedaren, hoewel de zee nog geweldig te keer ging; de kleine boot

schommelde op de baren als een notedop.

„Naar de sloep en roeit met kracht!” beval Felton.

De vier mannen zetten zich aan de riemen, maar de zee ging te hoog om

met roeien veel te vorderen. Nochtans, men verwijderde zich van het

kasteel, en dit was het voornaamste. De nacht was stikdonker, en het was

onmogelijk het strand van uit de boot te bespeuren. Een zwarte stip

schommelde op de zee. Dat was het sloepschip. Terwijl de boot door

krachtige riemslagen het schip naderde, maakte Felton het koord en den

zakdoek los, die de handen van milady vasthielden. Vervolgens, toen hij

haar handen had losgemaakt, nam hij zeewater en besprenkelde haar

daarmede het aangezicht. Milady slaakte een zucht en opende de oogen.

„Waar ben ik?” vroeg zij.--„Gered,” antwoordde de jonge officier.--„Ach!

gered? gered?” riep zij.--„Ja, ziedaar de lucht, ziedaar de zee. De

lucht, die gij inademt, is de vrijheid.”--„O, ik dank u, Felton! ik dank

u!”--De jongeling drukte haar aan zijn hart.--„Maar wat deert mij toch

aan mijn handen?” vroeg milady. „Het is alsof ze in een schroef zijn

geplet.”--Inderdaad, milady’s armen oplichtende, zag hij dat haar handen

gewond waren.--„Helaas!” zeide Felton, die fraaie handen beschouwende en

smartelijk het hoofd schuddende.--„O, het is niets, het is niets!” riep

milady, „nu herinner ik mij.”--Milady zocht met haar blik rondom

zich.--„Daar ligt hij,” zeide Feiten, den zak met goud met zijn voet

rakende.

Men naderde de sloep. De matroos, die wacht hield, riep de manschap op

de boot toe, ’t welk beantwoord werd.--„Wat is dat voor een vaartuig?”

vroeg milady.--„Dat wat ik voor u heb gehuurd,” antwoordde Felton.--„En

waarheen moet het mij brengen?”--„Waar gij wilt, mits men mij te

_Portsmouth_ aan wal zet.”--„Wat gaat gij te _Portsmouth_ doen?” vroeg

milady.--„De bevelen van lord de Winter volvoeren,” zeide Felton met een

somberen glimlach.--„Welke bevelen?” vroeg milady.--„Gij begrijpt mij

dan niet?” zeide Felton.--„Neen, verklaar u, bid ik u.”--„Daar hij mij

wantrouwde, heeft hij zelf u willen bewaken, en mij in zijn plaats naar

Buckingham gezonden, om hun het bevel van uw verbanning te doen

teekenen.”--„Maar, indien hij u wantrouwde, waarom heeft hij u dat bevel

toevertrouwd?”--„Men wist immers niet, dat ik met den inhoud van hetgeen

ik bracht bekend was, daar hij mij niets had gezegd en ik alleen door u

met dat geheim bekend ben geworden.”--„Het is waar. En gij gaat naar

_Portsmouth_?”--„Ik heb geen tijd te verliezen; morgen is het de drie en

twintigste, en morgen vertrekt Buckingham met de vloot.”--„Naar _la

Rochelle_? Hij mag niet vertrekken!” riep milady, haar gewone

tegenwoordigheid van geest vergetende.--„Wees gerust,” antwoordde

Felton, „hij zal niet vertrekken.”

Milady beefde van vreugd; zij had in het diepste der ziel van den

jongeling gelezen: de dood van Buckingham stond er met groote letters in

geschreven.--„Felton! gij zijt groot als Judas Macchabeüs! Indien gij

sterft, sterf ik met u! Ziedaar alles wat ik u kan zeggen.”--„Stil!”

zeide Felton, „wij zijn aangekomen.”

En inderdaad, men had de sloep bereikt. Felton klom het eerst de ladder

op en gaf milady de hand, terwijl de matrozen haar ondersteunden, want

de zee was nog zeer onstuimig. Een oogenblik daarna stond zij op het

verdek.

„Kapitein!” zeide Felton, „ziedaar de persoon, van wie ik u heb

gesproken, en die gij behouden en wel naar _Frankrijk_ moet

overbrengen.”--„Tegen betaling van duizend pistolen,” zeide de

kapitein.--„Ik heb er u vijfhonderd gegeven.”--„En ziedaar de overige

vijfhonderd,” zeide milady, de hand op den zak met goud

leggende.--„Neen,” zeide de kapitein, „ik heb slechts één woord, en ik

heb het den jongeling gegeven; de overige vijfhonderd pistolen behoeven

mij niet eer dan bij mijn aankomst te _Boulogne_ betaald te

worden.”--„En zullen wij er aankomen?”--„Behouden en wel,” zeide de

kapitein, „zoo waar als ik Jack Buttler heet.”--„Welnu,” zeide milady,

„als gij woord houdt, zullen het geen vijfhonderd maar duizend pistolen

wezen, die ik u zal geven.”--„Hoera! dan voor u, schoone dame!” riep de

kapitein, „en moge God mij veel zulke klanten als uwe edelheid

zenden.”--„Intusschen,” zeide Felton, „breng ons in de kleine haven van

_Chichester_ vóór _Portsmouth_. Gij weet, dat wij zijn overeengekomen

daar aan te doen.”

De kapitein antwoordde door de noodige werkzaamheden hiervoor te

bevelen, en tegen zeven uur des morgens wierp het kleine vaartuig het

anker in de bewuste baai. Gedurende dien overtocht had Felton alles aan

milady verhaald, hoe hij, in plaats van naar _Londen_ te gaan, het

kleine vaartuig had gehuurd, hoe hij was teruggekomen, op welke wijze

hij den muur had beklommen door in de voegen der steenen, en naar gelang

hij opklom, krammen te bevestigen om er zijn voeten op neer te zetten,

en hoe hij eindelijk de ladder aan de traliën had vastgemaakt; milady

wist het overige. Van haar kant trachtte zij Felton moed in te boezemen

en in zijn voornemen te versterken, maar bij de eerste woorden, die zij

sprak, zag zij wel, dat de jeugdige geestdrijver meer noodig had

tegengehouden dan aangespoord te worden. Men kwam overeen, dat milady

tot tien uur op Felton zou wachten; indien hij te tien uur niet mocht

terug zijn, zou zij onder zeil gaan. Dan, in de veronderstelling dat hij

vrij zoude zijn, zou hij haar in _Frankrijk_ wedervinden in het

Karmelieten-klooster van _Béthune_.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 79 / 93 题