De vlucht.
Zooals lord de Winter had gedacht, was de verwonding van milady niet
gevaarlijk; zoodra zij zich alleen met de vrouw bevond, die de baron had
doen roepen, en die zich haastte haar te ontkleeden, opende zij de
oogen. Intusschen moest zij zwakte en smart veinzen. Dat was voor een
tooneelspeelster als milady niet zeer moeilijk. Ook werd de arme vrouw
volkomen door milady misleid, zoodat zij halsstarrig volhield gedurende
den nacht te willen waken. De tegenwoordigheid dier vrouw belette milady
echter niet te peinzen. Er was geen twijfel meer, Felton was overtuigd,
Felton behoorde haar. Al ware den jongeling ook een engel verschenen om
milady te beschuldigen, zou hij dien zeker, in de zielsgesteldheid
waarin hij zich bevond, voor een duivelsgezant hebben gehouden.
Milady glimlachte bij dat denkbeeld, want op Felton was voortaan alleen
haar hoop gevestigd, hij was het eenige middel tot haar bevrijding. Maar
lord de Winter kon beginnen hem te wantrouwen en Felton thans zelf
bewaken.
Tegen vier uur des morgens kwam de geneesheer, maar sinds milady zich
had gekwetst, was de wonde reeds gesloten. De geneesheer kon er dus noch
de richting noch de diepte van peilen; hij erkende alleen aan den pols
van milady, dat de wond niet belangrijk was. Des morgens zond milady,
onder het voorwendsel niet geslapen en rust noodig te hebben, de vrouw
weg, die bij haar had gewaakt. De hoop bleef nog over, dat Felton op het
uur van ontbijt zou komen, maar Felton kwam niet. Had haar vrees zich
verwezenlijkt? Zou Felton, door den baron gewantrouwd, haar in het
beslissend oogenblik ontbreken? Er bleef haar slechts één dag meer over.
Lord de Winter had haar inscheping op den drie en twintigsten
aangekondigd, en men was reeds op den ochtend van den twee en
twintigsten. Nogmaals bleef zij geduldig tot aan het uur van het
middagmaal wachten. Hoewel zij des morgens niet had gegeten, werd het
maal echter op het gewone uur binnengebracht; milady bespeurde toen met
schrik, dat de uniform der soldaten, die haar bewaakten, veranderd was.
Toen waagde zij te vragen, wat er van Felton was geworden. Men zeide,
dat Felton een uur geleden te paard was vertrokken. Zij vroeg, of de
baron nog altijd in het kasteel was; de soldaat antwoordde ja, en dat
hij bevel had hem te waarschuwen, indien de gevangene hem wenschte te
spreken. Milady antwoordde, dat zij voor het oogenblik zich te zwak
gevoelde, en haar eenige begeerte was alleen te blijven. De soldaat
vertrok na de tafel gedekt te hebben.
Felton was verwijderd geworden, de zeesoldaten waren door andere
vervangen, men wantrouwde Felton. Dat was de laatste slag, dien men aan
de gevangene toebracht. Alleen gebleven, stond zij op. Dat bed, waarop
zij uit voorzichtigheid bleef liggen, ten einde men haar zwaar gekwetst
mocht wanen, brandde haar als een gloeiende rooster. Zij wierp een blik
op de deur. De baron had op de getraliede opening er van een plank doen
spijkeren; hij vreesde zeker, dat door middel der opening het haar
wederom mocht gelukken, door een of ander duivelsch middel haar bewakers
te verleiden. Milady glimlachte van blijdschap, zij kon zich dus aan
haar gewaarwordingen overgeven zonder bespied te worden. Zij doorliep de
kamer met de drift eener dolzinnige, of van een opgesloten tijger in een
ijzeren kooi. Inderdaad, indien het mes in haar bezit was gebleven, zou
zij er nu niet aan gedacht hebben zich zelve het leven te benemen, maar
den baron te vermoorden. Te zes uur trad lord de Winter binnen, van het
hoofd tot de voeten gewapend. Die man, dien milady tot hiertoe slechts
als een beschaafd en beleefd edelman had beschouwd, was een
bewonderenswaardig cipier geworden. Hij scheen alles te voorzien, te
raden, te voorkomen. Een enkele blik op milady geworpen maakte hem
bekend met hetgeen in haar ziel omging.
„Goed,” zeide hij, „maar gij zult mij vandaag nog niet vermoorden, gij
hebt geen wapens meer, en bovendien, ik ben op mijn hoede. Gij zijt
begonnen mijn armen Felton te bederven, hij ondergaat reeds uw helschen
invloed, maar ik wil hem redden, hij zal u niet meer zien. Alles is
geëindigd, zoek uw kleeren bijeen, morgen vertrekt gij. Ik had de
inscheping op den vier en twintigsten bepaald, maar ik heb geoordeeld,
dat hoe eer de zaak een einde neemt hoe zekerder. Morgen tegen den
middag zal ik in het bezit zijn van het bevel uwer ballingschap, door
Buckingham onderteekend. Indien gij slechts, aan wien het ook zij, een
woord durft zeggen alvorens op het schip te zijn, dan heeft mijn
sergeant het bevel u voor den kop te schieten. Indien gij, op het schip
zijnde, één enkel woord durft spreken, alvorens de kapitein u zulks
heeft veroorloofd, zal deze u over boord doen werpen, dat is reeds
besteld. Tot weerziens; ziedaar wat ik u heden te zeggen had. Morgen zie
ik u weder om u vaarwel te zeggen.”--En hierna vertrok de baron.
Milady had deze dreigende taal tot het einde aangehoord, met den
glimlach der verachting op de lippen, maar met de woede in het hart. Men
richtte het avondmaal aan. Milady voelde, dat zij krachten noodig had;
zij wist niet wat er gedurende den nacht nog kon gebeuren, die dreigend
naderde; want donkere wolken vlogen door het luchtruim en veraf zijnde
weerlichten kondigden een onweder aan. Het onweer barstte tegen tien uur
des avonds los; voor milady was het een troost, de natuur in de
beroering van haar hart te zien deelen. De donder rolde in de lucht
gelijk de gramschap in haar boezem; het was alsof de stormwind,
voorbijgaande, haar hoofdhaar deed opvliegen, zooals hij van de boomen
de takken deed buigen, terwijl hij ze van hun bladeren beroofde. Zij
brulde gelijk de storm, en haar stem verloor zich in de zware stem der
natuur, die, zooals zij, scheen te zuchten en te wanhopen. Van tijd tot
tijd beschouwde zij een ring, dien zij aan den vinger had. De steen van
dien ring bevatte een hevig en spoedig werkend vergift; dat was haar
laatste redmiddel.
Eensklaps hoorde zij op een der glasruiten kloppen, en bij het schijnsel
van een bliksemstraal zag zij het gelaat van een man voor de traliën
verschijnen. Zij snelde naar het venster en opende het.--„Felton!” riep
zij, „ik ben gered!”--„Ja,” zeide Felton, „maar stil! stil! ik moet
eerst de traliën doorvijlen; zorg slechts dat men u niet door de opening
van de deur ziet.”--„O, ziedaar het bewijs, dat de Heere voor ons is,
Felton!” hernam milady, „zij hebben die opening met een plank
dichtgespijkerd.”--„Goed, God heeft hen zinneloos gemaakt,” zeide
Felton.--„Maar wat moet ik doen?” vroeg milady.--„Niets, niets; doe
slechts het venster weder dicht. Ga slapen, of ten minste begeef u
geheel gekleed te bed; wanneer ik gereed ben, zal ik op de glazen
kloppen. Maar zult gij mij kunnen volgen?”--„O ja!”--„Uw
wonde?”--„Veroorzaakt mij pijn, maar belet mij niet om te gaan.”--„Houd
u dan op den eersten wenk gereed.”
Milady sloot wederom het venster, blies haar lamp uit en begaf zich,
zooals Felton had aangeraden, te bed. Boven het gehuil van den storm
hoorde zij het krassen der vijl op de traliën, en bij het schijnsel van
elken bliksemstraal bespeurde zij de schaduw van Felton achter de
glasruiten. Een uur bracht zij door zonder adem te halen, hijgende, het
voorhoofd met zweet bedekt en het hart beklemd door een vreeselijken
angst, telkens wanneer zij in de gang eenige beweging hoorde. Er zijn
uren, die jaren schijnen te duren.
Na verloop van een uur klopte Felton opnieuw. Milady sprong uit haar bed
en ging het venster openen; twee uitgenomen traliën hadden een opening
gemaakt, die groot genoeg was om een mensch door te laten.--„Zijt gij
gereed?” vroeg Felton.--„Ja, moet ik iets medenemen?”--„Goud, indien gij
het hebt.”--„Gelukkig heeft men mij gelaten, wat ik had.”--„Des te
beter, want ik heb al het mijne besteed om een vaartuig te
huren.”--„Neem,” zeide milady, Felton een zak vol goud ter hand
stellende.--Felton nam den zak en wierp hem naar beneden aan den voet
van den muur.--„Wilt gij nu komen?” vroeg hij.--„Hier ben ik.”--Milady
klom op een leuningstoel en stak de helft haars lichaams uit het
venster. Zij zag den jongen officier, hangende aan een touwladder boven
den afgrond.
Voor het eerst deed een gewaarwording van angst haar herinneren, dat zij
een vrouw was. De diepte joeg haar schrik aan.--„Ik dacht het wel,”
zeide Felton.--„Het is niets, het is niets,” zeide milady, „ik zal met
gesloten oogen afstijgen.”--„Stelt gij in mij vertrouwen,” vroeg
Felton.--„Vraagt gij zulks?”--„Geef uw twee handen en vouw
ze.”--„Goed.”--Felton bond haar beide handen met een zakdoek, vervolgens
over den zakdoek met een koord aan elkander.--„Wat doet gij?” vroeg
milady verbaasd.--„Sla nu uw armen om mijn hals en vrees niets.”--„Maar
ik zal u het evenwicht doen verliezen en wij zullen beiden te pletter
vallen.”--„Wees gerust, ik ben zeeman.”
Er was geen oogenblik te verliezen. Milady sloeg haar beide armen om den
hals van Felton en liet zich het venster uitglijden. Felton begon
langzaam een voor een de treden van de ladder af te klimmen. Ondanks het
gewicht van beide lichamen, deed de stormwind hen in de lucht
schommelen.
Eensklaps hield Felton op.--„Wat is er?” vroeg milady.--„Stil,” zeide
Felton, „ik hoor voetstappen.”--„Wij zijn ontdekt.”--Er heerschte eenige
oogenblikken stilte. „Neen,” zeide Felton, „het is niets.”--„Maar wat
beteekent dan dat gerucht?”--„Dat der wachtronde, die den ringmuur
omgaat.”--„Waar is die weg?”--„Juist onder onze voeten.”--„Men zal ons
zien.”--„Neen, als het slechts niet weerlicht.”--„Men zal tegen de
ladder aanloopen. Daar zijn ze, o God!”--„Stil!”
Beiden bleven hangen, onbeweeglijk en stom, op twintig voeten boven den
grond, terwijl de soldaten lachende en pratende onder hen voortgingen.
Het was een vreeselijk oogenblik voor de vluchtelingen. De patrouille
verwijderde zich; men hoorde van lieverlede de voetstappen dof worden en
het gedruisch der stemmen verzwakken.--„Thans!” zeide Felton, „zijn wij
gered.”--Milady slaakte een zucht en viel in zwijm. Felton ging voort
met afklimmen.
Beneden aan de ladder gekomen en toen geen rustpunt meer voor zijn
voeten vindende, omknelde hij met zijn handen de ladder, liet zich tot
aan de laatste sport afzakken en toen op den grond neervallen; hij
bukte, raapte den zak met goud op en nam hem tusschen de tanden. Toen
nam hij milady in zijn armen en verwijderde zich snel naar de zijde
tegenovergesteld aan die, welke de patrouille had genomen. Dra verliet
hij den ringmuur, klom langs de rotsen af, en aan den oever der zee
gekomen, floot hij. Een dergelijk sein beantwoordde hem, en vijf minuten
daarna verscheen een boot bemand met vier personen. De boot naderde zoo
na mogelijk het strand, maar het water was niet diep genoeg om den wal
te bereiken. Felton doorwaadde de zee tot aan zijn middel, aan niemand
zijn kostbaren last willende toevertrouwen. Gelukkig begon de storm te
bedaren, hoewel de zee nog geweldig te keer ging; de kleine boot
schommelde op de baren als een notedop.
„Naar de sloep en roeit met kracht!” beval Felton.
De vier mannen zetten zich aan de riemen, maar de zee ging te hoog om
met roeien veel te vorderen. Nochtans, men verwijderde zich van het
kasteel, en dit was het voornaamste. De nacht was stikdonker, en het was
onmogelijk het strand van uit de boot te bespeuren. Een zwarte stip
schommelde op de zee. Dat was het sloepschip. Terwijl de boot door
krachtige riemslagen het schip naderde, maakte Felton het koord en den
zakdoek los, die de handen van milady vasthielden. Vervolgens, toen hij
haar handen had losgemaakt, nam hij zeewater en besprenkelde haar
daarmede het aangezicht. Milady slaakte een zucht en opende de oogen.
„Waar ben ik?” vroeg zij.--„Gered,” antwoordde de jonge officier.--„Ach!
gered? gered?” riep zij.--„Ja, ziedaar de lucht, ziedaar de zee. De
lucht, die gij inademt, is de vrijheid.”--„O, ik dank u, Felton! ik dank
u!”--De jongeling drukte haar aan zijn hart.--„Maar wat deert mij toch
aan mijn handen?” vroeg milady. „Het is alsof ze in een schroef zijn
geplet.”--Inderdaad, milady’s armen oplichtende, zag hij dat haar handen
gewond waren.--„Helaas!” zeide Felton, die fraaie handen beschouwende en
smartelijk het hoofd schuddende.--„O, het is niets, het is niets!” riep
milady, „nu herinner ik mij.”--Milady zocht met haar blik rondom
zich.--„Daar ligt hij,” zeide Feiten, den zak met goud met zijn voet
rakende.
Men naderde de sloep. De matroos, die wacht hield, riep de manschap op
de boot toe, ’t welk beantwoord werd.--„Wat is dat voor een vaartuig?”
vroeg milady.--„Dat wat ik voor u heb gehuurd,” antwoordde Felton.--„En
waarheen moet het mij brengen?”--„Waar gij wilt, mits men mij te
_Portsmouth_ aan wal zet.”--„Wat gaat gij te _Portsmouth_ doen?” vroeg
milady.--„De bevelen van lord de Winter volvoeren,” zeide Felton met een
somberen glimlach.--„Welke bevelen?” vroeg milady.--„Gij begrijpt mij
dan niet?” zeide Felton.--„Neen, verklaar u, bid ik u.”--„Daar hij mij
wantrouwde, heeft hij zelf u willen bewaken, en mij in zijn plaats naar
Buckingham gezonden, om hun het bevel van uw verbanning te doen
teekenen.”--„Maar, indien hij u wantrouwde, waarom heeft hij u dat bevel
toevertrouwd?”--„Men wist immers niet, dat ik met den inhoud van hetgeen
ik bracht bekend was, daar hij mij niets had gezegd en ik alleen door u
met dat geheim bekend ben geworden.”--„Het is waar. En gij gaat naar
_Portsmouth_?”--„Ik heb geen tijd te verliezen; morgen is het de drie en
twintigste, en morgen vertrekt Buckingham met de vloot.”--„Naar _la
Rochelle_? Hij mag niet vertrekken!” riep milady, haar gewone
tegenwoordigheid van geest vergetende.--„Wees gerust,” antwoordde
Felton, „hij zal niet vertrekken.”
Milady beefde van vreugd; zij had in het diepste der ziel van den
jongeling gelezen: de dood van Buckingham stond er met groote letters in
geschreven.--„Felton! gij zijt groot als Judas Macchabeüs! Indien gij
sterft, sterf ik met u! Ziedaar alles wat ik u kan zeggen.”--„Stil!”
zeide Felton, „wij zijn aangekomen.”
En inderdaad, men had de sloep bereikt. Felton klom het eerst de ladder
op en gaf milady de hand, terwijl de matrozen haar ondersteunden, want
de zee was nog zeer onstuimig. Een oogenblik daarna stond zij op het
verdek.
„Kapitein!” zeide Felton, „ziedaar de persoon, van wie ik u heb
gesproken, en die gij behouden en wel naar _Frankrijk_ moet
overbrengen.”--„Tegen betaling van duizend pistolen,” zeide de
kapitein.--„Ik heb er u vijfhonderd gegeven.”--„En ziedaar de overige
vijfhonderd,” zeide milady, de hand op den zak met goud
leggende.--„Neen,” zeide de kapitein, „ik heb slechts één woord, en ik
heb het den jongeling gegeven; de overige vijfhonderd pistolen behoeven
mij niet eer dan bij mijn aankomst te _Boulogne_ betaald te
worden.”--„En zullen wij er aankomen?”--„Behouden en wel,” zeide de
kapitein, „zoo waar als ik Jack Buttler heet.”--„Welnu,” zeide milady,
„als gij woord houdt, zullen het geen vijfhonderd maar duizend pistolen
wezen, die ik u zal geven.”--„Hoera! dan voor u, schoone dame!” riep de
kapitein, „en moge God mij veel zulke klanten als uwe edelheid
zenden.”--„Intusschen,” zeide Felton, „breng ons in de kleine haven van
_Chichester_ vóór _Portsmouth_. Gij weet, dat wij zijn overeengekomen
daar aan te doen.”
De kapitein antwoordde door de noodige werkzaamheden hiervoor te
bevelen, en tegen zeven uur des morgens wierp het kleine vaartuig het
anker in de bewuste baai. Gedurende dien overtocht had Felton alles aan
milady verhaald, hoe hij, in plaats van naar _Londen_ te gaan, het
kleine vaartuig had gehuurd, hoe hij was teruggekomen, op welke wijze
hij den muur had beklommen door in de voegen der steenen, en naar gelang
hij opklom, krammen te bevestigen om er zijn voeten op neer te zetten,
en hoe hij eindelijk de ladder aan de traliën had vastgemaakt; milady
wist het overige. Van haar kant trachtte zij Felton moed in te boezemen
en in zijn voornemen te versterken, maar bij de eerste woorden, die zij
sprak, zag zij wel, dat de jeugdige geestdrijver meer noodig had
tegengehouden dan aangespoord te worden. Men kwam overeen, dat milady
tot tien uur op Felton zou wachten; indien hij te tien uur niet mocht
terug zijn, zou zij onder zeil gaan. Dan, in de veronderstelling dat hij
vrij zoude zijn, zou hij haar in _Frankrijk_ wedervinden in het
Karmelieten-klooster van _Béthune_.