HOOFDSTUK XXVI.

Een onderwerp voor een klassiek treurspel.

Na een oogenblik zwijgens, dat besteed werd om den jongen officier, die

naar haar luisterde, gade te slaan, vervolgde milady haar verhaal.

„Het was nu drie dagen geleden, sedert ik gegeten of gedronken had,”

zeide zij, „ik leed verschrikkelijke smarten; menigmaal kwamen als

wolken mijn voorhoofd samenpersen en mijn oog benevelen, het was de

waanzin. De avond daalde, ik was zoo zwak, dat ik bijna elk oogenblik

buiten kennis was, en telkens, wanneer ik bezwijmde, dankte ik God, want

ik meende te sterven. Gedurende een dier zwakten hoorde ik de deur

openen, de schrik bracht mij tot mij zelve. Mijn vervolger trad, door

een gemaskerden man gevolgd, binnen; ook hij had zijn gezicht met een

masker bedekt, maar ik herkende zijn gang, zijn stem, ik herkende de

ontzag-inboezemende houding, welke de hel dien man heeft geschonken tot

ongeluk der menschheid.

„‚Wel,’ vroeg hij mij, ‚hebt gij besloten den eed te doen, waarom ik u

verzocht?’--‚Gij weet, de Puriteinen hebben slechts één woord, het mijne

hebt gij gehoord, dat is: u op aarde voor de rechtbanken der menschen en

in den hemel voor Gods rechterstoel aan te klagen.’--‚Dus blijft gij

volharden?’--‚Ik zweer het u voor dien God, die mij hoort; ik zal de

geheele wereld tot getuige uwer misdaad nemen, en dat zoolang tot ik een

wreker zal gevonden hebben.’--‚Gij zijt een hoer,’ riep hij met

donderende stem, ‚en gij zult de straf er voor ondergaan!.... Voor het

oog der wereld, die gij inroept, onteerd, kunt gij de wereld overtuigen,

dat gij noch schuldig noch gek zijt.’--Toen zich tot den man wendende,

die hem vergezelde, zeide hij: ‚scherprechter, doe uw plicht.’”

„O, zeg mij zijn naam, zijn naam!” riep Felton opnieuw, „zeg mij zijn

naam?”

„Toen, ondanks mijn hulpgeschrei, ondanks mijn weerstand, want ik begon

te begrijpen, dat het voor mij iets ergers dan den dood betrof, greep

mij de beul, wierp mij op den grond, kwetste mij door zijn

gewelddadigheid en in mijn gesnik gesmoord, bijna bewusteloos en God

aanroepende, die mij niet hoorde, slaakte ik eensklaps een vreeselijken

kreet van smart en schaamte; een gloeiend ijzer, het ijzer des beuls,

was op mijn schouder gedrukt.”--Felton slaakte een gebrul.--„Zie,” zeide

milady, met de majesteit eener koningin zich oprichtende, „zie, Felton!

hoe men een nieuwe foltering uitvond voor een jonge, reine maagd, die

echter het offer werd der vuige lusten eens ellendelings. Leer het hart

der menschen kennen en word voortaan minder gemakkelijk het werktuig

hunner onrechtvaardige wraak.”

Milady opende met een plotselinge beweging haar kleed, verscheurde het

batist, dat haar schouders bedekte, en rood van geveinsde toorn en

schaamte, toonde zij den jongeling het onuitwischbaar merk, dat haar zoo

fraaien schouder bevlekte.--„Maar ik zie een lelie.”--„En ziedaar,

waarin juist de schandelijkheid is gelegen,” antwoordde milady. „Het

Engelsche brandmerk? Dan had men immers moeten bewijzen, welke rechtbank

er mij toe had veroordeeld en ik zou al de rechtbanken van het

koninkrijk hebben opgeroepen om zulks te doen; maar het brandmerk van

_Frankrijk_! O, dat onteerde mij wel degelijk.”

Dat was te veel voor Felton. Bleek, onbeweeglijk, verplet door die

vreeselijke openbaring, verblind door de bovenmenschelijke schoonheid

van die half-naakte vrouw, die zich voor hem met een schaamteloosheid,

die hij verheven vond, vertoonde, viel hij eindelijk op de knieën voor

haar neder, zooals de eerste Christenen voor die reine, heilige

martelaressen, welke de vervolgingen des keizers in den circus aan de

bloeddorstige wellust van het volk overleverden. Het brandmerk verdween,

alleen de schoonheid bleef voor hem over.--„Vergiffenis! vergiffenis!

vergiffenis!” riep Felton, „ach, vergiffenis!”--Milady las in zijn

oogen: Liefde! liefde!--„Waarvoor vergiffenis?” vroeg zij.--„Vergiffenis

voor mij bij uw vervolgers te hebben gevoegd.”

Milady reikte hem de hand.--„Zoo schoon! zoo jong!” riep Felton, haar

hand met kussen bedekkende. Milady liet op hem een dier blikken vallen,

welke van een slaaf een koning maken. Felton was Puritein, hij liet de

hand los om haar voeten te kussen. Hij beminde haar reeds niet alleen,

hij aanbad haar. Toen de overspanning geëindigd was, toen milady haar

koelbloedigheid scheen teruggekregen te hebben, die zij nooit verloren

had, zeide hij:

„O! thans heb ik nog slechts een vraag te doen: den naam van uw

wezenlijken beul? Want voor mij bestaat er slechts een, de andere was

het werktuig, meer niet.”--„En hoe, broeder!” riep milady, „moet ik u

dien nog noemen, hebt gij hem niet geraden?”--„Wat?” hernam Felton,

„hij.... altijd hij!.... Wat! is hij de ware schuldige?”--„De eenige

schuldige,” zeide milady, „hij, de verwoester van _Engeland_, de

vervolger der ware geloovigen, de belager der eer van zoovele vrouwen;

hij, die voor een gril van zijn bedorven hart zooveel bloed in

_Engeland_ zal doen storten; die heden de protestanten beschermt en ze

morgen zal verraden.”--„Buckingham! Het is dus Buckingham!” riep Felton

door drift vervoerd.

Milady verborg haar gelaat in haar handen, als kon zij de schaamte niet

verdragen, die deze naam in haar opwekte.--„Buckingham! de beul van het

engelachtige schepsel!” riep Felton. „En Gij hebt hem niet door uw

bliksems getroffen, mijn God! hem edel, geëerd, machtig, tot ons aller

verderf in het leven gelaten!”--„God verlaat hen, die Hem verlaten,”

zeide milady.--„Wil hij dan op zijn hoofd de straf halen, die voor de

verdoemden is weggelegd!” ging Felton met stijgende overspanning voort.

„Wil hij dan, dat menschelijke wraak de hemelsche rechtvaardigheid

voorkome?”--„De menschen vreezen en sparen hem.”--„O! ik,” zeide Felton,

„vrees hem niet en zal hem ook niet sparen....”

Milady voelde haar ziel door een helsche vreugde overstelpt.--„Maar hoe

komt lord de Winter, mijn weldoener, mijn vader, in dit alles gemengd?”

vroeg Felton.--„Luister, Felton!” hernam milady, „er gaan immers te

zamen èn lage èn verachtelijke, èn groote èn edelmoedige zielen; ik had

een verloofde, een man, die mij en dien ik beminde; een hart als het

uwe, Felton! een man als gij. Ik ging tot hem en verhaalde hem alles;

deze kende mij, en hij twijfelde niet een oogenblik. Hij was een

voornaam heer, een man van gelijken rang als Buckingham. Hij zeide

niets, gordde alleen zijn degen om, wikkelde zich in zijn mantel en

begaf zich naar Buckingham-Palace.”--„Ja, ja,” zeide Felton, „ik

begrijp; maar met dergelijke lieden moet men niet den degen, maar den

dolk gebruiken.”--„Buckingham was reeds den vorigen dag als ambassadeur

naar Spanje vertrokken, waar hij de hand der infante voor Koning Karel I

ging verzoeken, die toen slechts prins van Wallis was. Mijn verloofde

kwam terug.

„‚Luister,’ zeide hij tot mij, ‚die man is vertrokken, bijgevolg ontgaat

hij voor het oogenblik mijn wraak; maar laat ons vereenigd zijn, zooals

wij moeten wezen en vertrouw op lord de Winter, om zijn eer en die

zijner vrouw te verdedigen.’”

„Lord de Winter!” riep Felton.--„Ja,” zeide milady, „lord de Winter; en

thans moet ge alles begrijpen, niet waar? Buckingham bleef langer dan

een jaar afwezig; acht dagen vóór zijn aankomst stierf lord de Winter

plotseling, mij als eenige erfgename achterlatende.”--„Van wien kwam die

slag?”--„God, die alles weet, weet dit ongetwijfeld ook; ik, ik

beschuldig niemand.”--„O! wat afgrond! wat afgrond!” riep Felton.

„Lord de Winter was gestorven zonder iets aan zijn broeder gezegd te

hebben. Het vreeselijk geheim moest voor iedereen verborgen blijven,

totdat het als een donderslag boven het hoofd van den schuldige zou

uitbarsten. Uw beschermer had met leede oogen het huwelijk van zijn

broeder met een meisje zonder fortuin aangezien. Ik voelde, dat ik niet

de minste hulp had te wachten van iemand, die in zijn hoop op een

erfenis bedrogen was geworden. Ik begaf mij naar _Frankrijk_, besloten

er mijn leven door te brengen; maar mijn geheel vermogen is in

_Engeland_; de afgebroken gemeenschap, tengevolge van den oorlog,

ontroofde mij alles, en ik was genoodzaakt terug te komen, en op die

wijze kwam ik, nu zes dagen geleden, te _Portsmouth_ aan.”--„En?” zeide

Felton.--„En Buckingham vernam zeker mijn terugkomst; hij sprak er over

met lord de Winter, die reeds tegen mij was ingenomen, en zeide dezen,

dat zijn schoonzuster een onteerde, een gebrandmerkte vrouw was. De

edele en reine stem van mijn man kon zich niet meer doen hooren om mij

te verdedigen. Lord de Winter geloofde alles, wat men hem zeide, en dat

te eerder, daar hij er belang in had zulks te gelooven. Hij deed mij in

hechtenis nemen en mij herwaarts voeren, mij onder uw hoede stellende.

Gij weet het overige. Overmorgen zendt hij mij in ballingschap naar

verre landen; overmorgen plaatst hij mij onder de misdadigers. O! het

weefsel is fijn gesponnen, dat verzeker ik u; het plan is slim

doordacht, en mijn eer zal er door verloren gaan. Gij ziet wel, dat ik

sterven moet, Felton! Felton! geef mij het mes!”

En bij die woorden, alsof haar krachten geheel waren uitgeput,

liet milady zich machteloos en bezwijmende in de armen van den

jongen officier neervallen.--„Neen,” zeide hij, „neen, gij

zult leven, in eere en rein leven, gij zult leven om over uw vijanden

te zegevieren!”--Milady stiet hem zachtjes met haar hand terug en hem

met haar blik weder aantrekkende, zeide zij, haar gelaat en haar oogen

omsluierende: „O, liever dood, dan die schande! Felton! mijn broeder!

mijn vriend! ik bezweer u!”--„Neen!” riep Felton, „neen, gij zult leven

en gewroken worden!”--„Felton! alles, wat mij omringt, breng ik ongeluk

aan; Felton! verlaat mij, Felton! laat mij sterven!”--„Welnu! dan zullen

wij te zamen sterven!” riep hij.

Eenige slagen klonken op de deur.--„Luister,” zeide zij, „men heeft ons

gehoord, men komt, het is gedaan, wij zijn verloren!”--„Neen,” zeide

Felton, „het is alleen de schildwacht, die mij waarschuwt, dat een

patrouille nadert....”--„Ga dan naar de deur en doe zelf open.”

Felton gehoorzaamde; die vrouw vervulde reeds geheel zijn hart, geheel

zijn ziel. Hij zag voor zich een sergeant, die de wachtronde

aanvoerde.--„Wel, wat is er?” vroeg de jonge luitenant.--„Gij hebt mij

gezegd de deur te openen, indien ik om hulp hoorde roepen,” zeide de

schildwacht, „maar gij hadt alleen maar vergeten mij den sleutel te

laten. Ik hoorde u roepen, zonder te verstaan wat gij zeidet, ik wilde

de deur openen, maar zij was van binnen gesloten, toen heb ik den

sergeant geroepen.”--„En hier ben ik!” zeide deze. Felton, buiten zich

zelven, bijna krankzinnig, bleef sprakeloos.

Milady begreep, dat het aan haar verbleef, zich de gesteldheid van het

oogenblik ten nutte te maken, en ijlde naar de tafel, van welke zij het

mes nam, dat Felton er op gelegd had.--„En met welk recht wilt gij mij

beletten mij het leven te ontnemen?” vroeg zij.--„Groote God!” riep

Felton, het mes in haar hand ziende blinken.

In hetzelfde oogenblik weergalmde een spottend gelach in de gang. De

baron, door het gerucht opmerkzaam gemaakt, stond in zijn kamerrok, met

den degen onder den arm, voor de deur.--„Ha! ha!” riep hij, „nu zijn wij

aan het laatste bedrijf. Gij ziet het, Felton! het drama heeft al de

voorstellingen vertoond, welke ik u voorzegd heb, maar wees gerust, het

bloed zal niet vloeien.”

Milady begreep, dat zij verloren was, indien zij aan Felton niet een

onmiddellijk en vreeselijk bewijs van haar moed gaf.--„Gij bedriegt u,

mylord! het bloed zal vloeien, en moge dat bloed op het hoofd komen van

degenen, die het doen stroomen.”--Felton slaakte een kreet en wierp zich

op haar; het was te laat, milady had zich getroffen. Maar het mes had

gelukkig, wij moeten liever zeggen behendig, de stalen corsetbaleinen

geraakt, die in dat tijdstip als een harnas de borst der vrouwen

verdedigden. Het was schuin door haar kleed, dat het openreet, langs de

ribben afgegleden. Het kleed van milady was desniettemin in een

oogenblik met bloed bevlekt. Milady was achterover gevallen en scheen

bewusteloos. Felton ontrukte haar het mes.

„Zie, mylord!” zeide hij op somberen toon, „ziedaar een vrouw, die onder

mijn bewaking was en die zich het leven beneemt.”--„Wees gerust,

Felton!” zeide lord de Winter, „zij is niet dood, de duivels sterven zoo

spoedig niet! wees gerust en ga mij in mijn kamer wachten.”--„Maar,

mylord!....”--„Ga, ik beveel het u.”

Op het bevel van zijn overste verwijderde zich Felton, maar onder het

weggaan verborg hij het mes in zijn borst. Lord de Winter bepaalde zich

er toe de vrouw te roepen, die milady bediende, en toen deze was gekomen

en na haar de steeds in onmacht liggende gevangene te hebben aanbevolen,

liet hij hen alleen. Daar intusschen alles wel beschouwd, de wonde,

ondanks zijn meening, van een ernstigen aard kon zijn, zond hij

onmiddellijk een man te paard, om den naastbijwonenden geneesheer te

halen.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 78 / 93 题