Een onderwerp voor een klassiek treurspel.
Na een oogenblik zwijgens, dat besteed werd om den jongen officier, die
naar haar luisterde, gade te slaan, vervolgde milady haar verhaal.
„Het was nu drie dagen geleden, sedert ik gegeten of gedronken had,”
zeide zij, „ik leed verschrikkelijke smarten; menigmaal kwamen als
wolken mijn voorhoofd samenpersen en mijn oog benevelen, het was de
waanzin. De avond daalde, ik was zoo zwak, dat ik bijna elk oogenblik
buiten kennis was, en telkens, wanneer ik bezwijmde, dankte ik God, want
ik meende te sterven. Gedurende een dier zwakten hoorde ik de deur
openen, de schrik bracht mij tot mij zelve. Mijn vervolger trad, door
een gemaskerden man gevolgd, binnen; ook hij had zijn gezicht met een
masker bedekt, maar ik herkende zijn gang, zijn stem, ik herkende de
ontzag-inboezemende houding, welke de hel dien man heeft geschonken tot
ongeluk der menschheid.
„‚Wel,’ vroeg hij mij, ‚hebt gij besloten den eed te doen, waarom ik u
verzocht?’--‚Gij weet, de Puriteinen hebben slechts één woord, het mijne
hebt gij gehoord, dat is: u op aarde voor de rechtbanken der menschen en
in den hemel voor Gods rechterstoel aan te klagen.’--‚Dus blijft gij
volharden?’--‚Ik zweer het u voor dien God, die mij hoort; ik zal de
geheele wereld tot getuige uwer misdaad nemen, en dat zoolang tot ik een
wreker zal gevonden hebben.’--‚Gij zijt een hoer,’ riep hij met
donderende stem, ‚en gij zult de straf er voor ondergaan!.... Voor het
oog der wereld, die gij inroept, onteerd, kunt gij de wereld overtuigen,
dat gij noch schuldig noch gek zijt.’--Toen zich tot den man wendende,
die hem vergezelde, zeide hij: ‚scherprechter, doe uw plicht.’”
„O, zeg mij zijn naam, zijn naam!” riep Felton opnieuw, „zeg mij zijn
naam?”
„Toen, ondanks mijn hulpgeschrei, ondanks mijn weerstand, want ik begon
te begrijpen, dat het voor mij iets ergers dan den dood betrof, greep
mij de beul, wierp mij op den grond, kwetste mij door zijn
gewelddadigheid en in mijn gesnik gesmoord, bijna bewusteloos en God
aanroepende, die mij niet hoorde, slaakte ik eensklaps een vreeselijken
kreet van smart en schaamte; een gloeiend ijzer, het ijzer des beuls,
was op mijn schouder gedrukt.”--Felton slaakte een gebrul.--„Zie,” zeide
milady, met de majesteit eener koningin zich oprichtende, „zie, Felton!
hoe men een nieuwe foltering uitvond voor een jonge, reine maagd, die
echter het offer werd der vuige lusten eens ellendelings. Leer het hart
der menschen kennen en word voortaan minder gemakkelijk het werktuig
hunner onrechtvaardige wraak.”
Milady opende met een plotselinge beweging haar kleed, verscheurde het
batist, dat haar schouders bedekte, en rood van geveinsde toorn en
schaamte, toonde zij den jongeling het onuitwischbaar merk, dat haar zoo
fraaien schouder bevlekte.--„Maar ik zie een lelie.”--„En ziedaar,
waarin juist de schandelijkheid is gelegen,” antwoordde milady. „Het
Engelsche brandmerk? Dan had men immers moeten bewijzen, welke rechtbank
er mij toe had veroordeeld en ik zou al de rechtbanken van het
koninkrijk hebben opgeroepen om zulks te doen; maar het brandmerk van
_Frankrijk_! O, dat onteerde mij wel degelijk.”
Dat was te veel voor Felton. Bleek, onbeweeglijk, verplet door die
vreeselijke openbaring, verblind door de bovenmenschelijke schoonheid
van die half-naakte vrouw, die zich voor hem met een schaamteloosheid,
die hij verheven vond, vertoonde, viel hij eindelijk op de knieën voor
haar neder, zooals de eerste Christenen voor die reine, heilige
martelaressen, welke de vervolgingen des keizers in den circus aan de
bloeddorstige wellust van het volk overleverden. Het brandmerk verdween,
alleen de schoonheid bleef voor hem over.--„Vergiffenis! vergiffenis!
vergiffenis!” riep Felton, „ach, vergiffenis!”--Milady las in zijn
oogen: Liefde! liefde!--„Waarvoor vergiffenis?” vroeg zij.--„Vergiffenis
voor mij bij uw vervolgers te hebben gevoegd.”
Milady reikte hem de hand.--„Zoo schoon! zoo jong!” riep Felton, haar
hand met kussen bedekkende. Milady liet op hem een dier blikken vallen,
welke van een slaaf een koning maken. Felton was Puritein, hij liet de
hand los om haar voeten te kussen. Hij beminde haar reeds niet alleen,
hij aanbad haar. Toen de overspanning geëindigd was, toen milady haar
koelbloedigheid scheen teruggekregen te hebben, die zij nooit verloren
had, zeide hij:
„O! thans heb ik nog slechts een vraag te doen: den naam van uw
wezenlijken beul? Want voor mij bestaat er slechts een, de andere was
het werktuig, meer niet.”--„En hoe, broeder!” riep milady, „moet ik u
dien nog noemen, hebt gij hem niet geraden?”--„Wat?” hernam Felton,
„hij.... altijd hij!.... Wat! is hij de ware schuldige?”--„De eenige
schuldige,” zeide milady, „hij, de verwoester van _Engeland_, de
vervolger der ware geloovigen, de belager der eer van zoovele vrouwen;
hij, die voor een gril van zijn bedorven hart zooveel bloed in
_Engeland_ zal doen storten; die heden de protestanten beschermt en ze
morgen zal verraden.”--„Buckingham! Het is dus Buckingham!” riep Felton
door drift vervoerd.
Milady verborg haar gelaat in haar handen, als kon zij de schaamte niet
verdragen, die deze naam in haar opwekte.--„Buckingham! de beul van het
engelachtige schepsel!” riep Felton. „En Gij hebt hem niet door uw
bliksems getroffen, mijn God! hem edel, geëerd, machtig, tot ons aller
verderf in het leven gelaten!”--„God verlaat hen, die Hem verlaten,”
zeide milady.--„Wil hij dan op zijn hoofd de straf halen, die voor de
verdoemden is weggelegd!” ging Felton met stijgende overspanning voort.
„Wil hij dan, dat menschelijke wraak de hemelsche rechtvaardigheid
voorkome?”--„De menschen vreezen en sparen hem.”--„O! ik,” zeide Felton,
„vrees hem niet en zal hem ook niet sparen....”
Milady voelde haar ziel door een helsche vreugde overstelpt.--„Maar hoe
komt lord de Winter, mijn weldoener, mijn vader, in dit alles gemengd?”
vroeg Felton.--„Luister, Felton!” hernam milady, „er gaan immers te
zamen èn lage èn verachtelijke, èn groote èn edelmoedige zielen; ik had
een verloofde, een man, die mij en dien ik beminde; een hart als het
uwe, Felton! een man als gij. Ik ging tot hem en verhaalde hem alles;
deze kende mij, en hij twijfelde niet een oogenblik. Hij was een
voornaam heer, een man van gelijken rang als Buckingham. Hij zeide
niets, gordde alleen zijn degen om, wikkelde zich in zijn mantel en
begaf zich naar Buckingham-Palace.”--„Ja, ja,” zeide Felton, „ik
begrijp; maar met dergelijke lieden moet men niet den degen, maar den
dolk gebruiken.”--„Buckingham was reeds den vorigen dag als ambassadeur
naar Spanje vertrokken, waar hij de hand der infante voor Koning Karel I
ging verzoeken, die toen slechts prins van Wallis was. Mijn verloofde
kwam terug.
„‚Luister,’ zeide hij tot mij, ‚die man is vertrokken, bijgevolg ontgaat
hij voor het oogenblik mijn wraak; maar laat ons vereenigd zijn, zooals
wij moeten wezen en vertrouw op lord de Winter, om zijn eer en die
zijner vrouw te verdedigen.’”
„Lord de Winter!” riep Felton.--„Ja,” zeide milady, „lord de Winter; en
thans moet ge alles begrijpen, niet waar? Buckingham bleef langer dan
een jaar afwezig; acht dagen vóór zijn aankomst stierf lord de Winter
plotseling, mij als eenige erfgename achterlatende.”--„Van wien kwam die
slag?”--„God, die alles weet, weet dit ongetwijfeld ook; ik, ik
beschuldig niemand.”--„O! wat afgrond! wat afgrond!” riep Felton.
„Lord de Winter was gestorven zonder iets aan zijn broeder gezegd te
hebben. Het vreeselijk geheim moest voor iedereen verborgen blijven,
totdat het als een donderslag boven het hoofd van den schuldige zou
uitbarsten. Uw beschermer had met leede oogen het huwelijk van zijn
broeder met een meisje zonder fortuin aangezien. Ik voelde, dat ik niet
de minste hulp had te wachten van iemand, die in zijn hoop op een
erfenis bedrogen was geworden. Ik begaf mij naar _Frankrijk_, besloten
er mijn leven door te brengen; maar mijn geheel vermogen is in
_Engeland_; de afgebroken gemeenschap, tengevolge van den oorlog,
ontroofde mij alles, en ik was genoodzaakt terug te komen, en op die
wijze kwam ik, nu zes dagen geleden, te _Portsmouth_ aan.”--„En?” zeide
Felton.--„En Buckingham vernam zeker mijn terugkomst; hij sprak er over
met lord de Winter, die reeds tegen mij was ingenomen, en zeide dezen,
dat zijn schoonzuster een onteerde, een gebrandmerkte vrouw was. De
edele en reine stem van mijn man kon zich niet meer doen hooren om mij
te verdedigen. Lord de Winter geloofde alles, wat men hem zeide, en dat
te eerder, daar hij er belang in had zulks te gelooven. Hij deed mij in
hechtenis nemen en mij herwaarts voeren, mij onder uw hoede stellende.
Gij weet het overige. Overmorgen zendt hij mij in ballingschap naar
verre landen; overmorgen plaatst hij mij onder de misdadigers. O! het
weefsel is fijn gesponnen, dat verzeker ik u; het plan is slim
doordacht, en mijn eer zal er door verloren gaan. Gij ziet wel, dat ik
sterven moet, Felton! Felton! geef mij het mes!”
En bij die woorden, alsof haar krachten geheel waren uitgeput,
liet milady zich machteloos en bezwijmende in de armen van den
jongen officier neervallen.--„Neen,” zeide hij, „neen, gij
zult leven, in eere en rein leven, gij zult leven om over uw vijanden
te zegevieren!”--Milady stiet hem zachtjes met haar hand terug en hem
met haar blik weder aantrekkende, zeide zij, haar gelaat en haar oogen
omsluierende: „O, liever dood, dan die schande! Felton! mijn broeder!
mijn vriend! ik bezweer u!”--„Neen!” riep Felton, „neen, gij zult leven
en gewroken worden!”--„Felton! alles, wat mij omringt, breng ik ongeluk
aan; Felton! verlaat mij, Felton! laat mij sterven!”--„Welnu! dan zullen
wij te zamen sterven!” riep hij.
Eenige slagen klonken op de deur.--„Luister,” zeide zij, „men heeft ons
gehoord, men komt, het is gedaan, wij zijn verloren!”--„Neen,” zeide
Felton, „het is alleen de schildwacht, die mij waarschuwt, dat een
patrouille nadert....”--„Ga dan naar de deur en doe zelf open.”
Felton gehoorzaamde; die vrouw vervulde reeds geheel zijn hart, geheel
zijn ziel. Hij zag voor zich een sergeant, die de wachtronde
aanvoerde.--„Wel, wat is er?” vroeg de jonge luitenant.--„Gij hebt mij
gezegd de deur te openen, indien ik om hulp hoorde roepen,” zeide de
schildwacht, „maar gij hadt alleen maar vergeten mij den sleutel te
laten. Ik hoorde u roepen, zonder te verstaan wat gij zeidet, ik wilde
de deur openen, maar zij was van binnen gesloten, toen heb ik den
sergeant geroepen.”--„En hier ben ik!” zeide deze. Felton, buiten zich
zelven, bijna krankzinnig, bleef sprakeloos.
Milady begreep, dat het aan haar verbleef, zich de gesteldheid van het
oogenblik ten nutte te maken, en ijlde naar de tafel, van welke zij het
mes nam, dat Felton er op gelegd had.--„En met welk recht wilt gij mij
beletten mij het leven te ontnemen?” vroeg zij.--„Groote God!” riep
Felton, het mes in haar hand ziende blinken.
In hetzelfde oogenblik weergalmde een spottend gelach in de gang. De
baron, door het gerucht opmerkzaam gemaakt, stond in zijn kamerrok, met
den degen onder den arm, voor de deur.--„Ha! ha!” riep hij, „nu zijn wij
aan het laatste bedrijf. Gij ziet het, Felton! het drama heeft al de
voorstellingen vertoond, welke ik u voorzegd heb, maar wees gerust, het
bloed zal niet vloeien.”
Milady begreep, dat zij verloren was, indien zij aan Felton niet een
onmiddellijk en vreeselijk bewijs van haar moed gaf.--„Gij bedriegt u,
mylord! het bloed zal vloeien, en moge dat bloed op het hoofd komen van
degenen, die het doen stroomen.”--Felton slaakte een kreet en wierp zich
op haar; het was te laat, milady had zich getroffen. Maar het mes had
gelukkig, wij moeten liever zeggen behendig, de stalen corsetbaleinen
geraakt, die in dat tijdstip als een harnas de borst der vrouwen
verdedigden. Het was schuin door haar kleed, dat het openreet, langs de
ribben afgegleden. Het kleed van milady was desniettemin in een
oogenblik met bloed bevlekt. Milady was achterover gevallen en scheen
bewusteloos. Felton ontrukte haar het mes.
„Zie, mylord!” zeide hij op somberen toon, „ziedaar een vrouw, die onder
mijn bewaking was en die zich het leven beneemt.”--„Wees gerust,
Felton!” zeide lord de Winter, „zij is niet dood, de duivels sterven zoo
spoedig niet! wees gerust en ga mij in mijn kamer wachten.”--„Maar,
mylord!....”--„Ga, ik beveel het u.”
Op het bevel van zijn overste verwijderde zich Felton, maar onder het
weggaan verborg hij het mes in zijn borst. Lord de Winter bepaalde zich
er toe de vrouw te roepen, die milady bediende, en toen deze was gekomen
en na haar de steeds in onmacht liggende gevangene te hebben aanbevolen,
liet hij hen alleen. Daar intusschen alles wel beschouwd, de wonde,
ondanks zijn meening, van een ernstigen aard kon zijn, zond hij
onmiddellijk een man te paard, om den naastbijwonenden geneesheer te
halen.