HOOFDSTUK XXV.

Vijfde dag van gevangenschap.

Intusschen had milady een halve zegepraal behaald, en dit voordeel

verdubbelde haar krachten. Het was niet moeilijk mannen te overwinnen,

zooals zij zulks tot hiertoe had gedaan, die gemakkelijk te verleiden

waren, en wier loszinnige hofopvoeding hen spoedig in den strik deed

vallen; milady’s schoonheid verrukte de zinnen, terwijl zij daarbij

listig genoeg was al haar zielsgebreken te verbergen. Maar nu had zij te

worstelen tegen een woesten aard, die, in zich zelven gekeerd, door

verregaande strengheid ongevoelig was; godsdienstijver en boetedoening

hadden van Felton een voor gewone verleidingsmiddelen ongenaakbaren

dweper gemaakt. Hij koesterde in zijn verhitte hersenen zulke

uitgebreide plannen, zulke verwarde voornemens, dat er geen plaats meer

voor de liefde overbleef; voor dien hartstocht, dat gevoel door

werkeloosheid gevoed, door verdorring uitgebreid.... Milady had dus met

haar schijndeugd op de geaardheid van een tegen haar ingenomen man, en

door haar schoonheid op het hart en de zinnen van een oprecht rein man

inbreuk gemaakt. Eindelijk had zij de kracht leeren kennen van tot

hiertoe zelfs aan haar onbekende middelen, door haar proefneming op het

onwilligste schepsel, dat ooit natuur en godsdienst aan haar studie had

overgegeven. Nochtans had zij gedurende den avond meermalen aan het lot

en aan zich zelve gewanhoopt. Zij riep God niet aan, want, wij weten

het, zij vertrouwde op den geest des kwaads, op dien onbegrensden

heerscher, die zijn macht in de geringste bijzonderheden des levens doet

gelden, en voor wien één granaatkorrel, zooals in de Arabische fabel,

voldoende is om een verloren wereld weder te voorschijn te brengen.

Milady, goed op de ontvangst van Felton voorbereid, kon nu haar strikken

voor den volgenden dag spannen; zij wist, dat haar nog slechts twee

dagen overbleven, dat, eenmaal het bevel door Buckingham geteekend (en

Buckingham zou het teekenen, te meer daar het bevelschrift geen naam

behelsde, en hij dus de vrouw, die het betrof, niet zou herkennen), de

baron haar dadelijk zou doen inschepen, en zij wist ook zeer goed, dat

tot deportatie veroordeelde vrouwen minder vermogende wapens in haar

verleidingsmiddelen bezitten dan vermeende deugdzame vrouwen, wier

schoonheid door de zon der wereld verlicht wordt, van wie de stem der

mode den geest roemt en welke een straal van adeldom met zijn

betooverenden glans vervult. Een tot een schandelijke en ellendige straf

veroordeelde vrouw kan toch een schoone vrouw zijn; maar die straf belet

haar ooit weder machtig te worden.

Zooals alle inderdaad met geest begaafden, wist milady den middenweg te

houden, die voor haar natuur en haar hulpmiddelen het meest geschikt

was. De armoede was haar een walging, de vernedering verminderde haar

grootheid op een derde gedeelte. Milady was alleen een koningin te

midden van koninginnen; aan haar heerschzucht wilde zij het genot van

voldanen hoogmoed voegen. Minderen te gebieden was eerder een

vernedering dan een groot genot voor haar. Zeker zou zij uit haar

ballingschap terugkeeren, hieraan twijfelde zij geen oogenblik, maar hoe

lang zou die ballingschap wel duren? Voor een werkzamen en eerzuchtigen

geest, als die van milady, zijn dagen, die niet besteed worden, verloren

dagen. Hoe dan die dagen te noemen, welke men in vernedering doorbrengt!

Een, twee, drie jaren te verliezen! dat is een eeuwigheid. Na den dood,

of misschien na de ongenade van den kardinaal terug te komen, terug te

komen wanneer d’Artagnan en zijn vrienden gelukkig en zegevierend van de

koningin de belooning hadden verkregen, die zij zoo wèl verdienden voor

de door hen bewezene diensten, dit waren van die verterende gedachten,

die een vrouw als milady niet kon verduren. Trouwens de storm, die in

haar woedde, verdubbelde haar krachten, en zij zou de muren van haar

gevangenis hebben doen bersten, indien haar lichaam slechts voor één

oogenblik de uitgebreidheid harer zielsgewaarwordingen had kunnen

aannemen.

Wat haar vervolgens onder dat alles het meest prikkelde, was de

herinnering aan den kardinaal; wat moest hij denken, wat moest de

kardinaal van haar stilzwijgen zeggen? hij, die zoo wantrouwend, zoo

ongerust, zoo kwaaddenkend was? de kardinaal, niet alleen haar eenige

steun, haar eenigste toeverlaat en beschermer in het tegenwoordige, maar

bovendien het voornaamste werktuig harer toekomstige fortuin en wraak?

Zij kende hem; zij wist, dat bij haar terugkomst na een vruchtelooze

reis zij hem tevergeefs over haar gevangenschap zou onderhouden en met

die spottende kalmte van den door kracht en genie machtigen ongeloovige

zou antwoorden: „Gij hadt u niet moeten laten vangen.” Toen verzamelde

milady al haar geestkracht, bij zich zelve den naam van Felton

mompelende, hij, het eenigste licht dat tot haar in die hel binnendrong,

waarin zij was gevallen, en als een slang, die zich heen en weer

kronkelt om haar krachten te beproeven, zoo wikkelde zij reeds bij

voorbaat Felton in de duizenderlei bochten harer vindingrijke

verbeelding.

Intusschen vervloog de tijd; de klok kondigde in regelmatige volgorde

het eene uur na het andere aan, terwijl elke slag van den metalen klepel

als op het hart der gevangene geweldig neerviel. Te negen uur bracht

lord de Winter haar het gewoon bezoek, onderzocht de vensters en de

tralies, betastte den vloer en den wand, beschouwde den schoorsteen en

de deuren, zonder dat gedurende dat langdurig en nauwkeurig onderzoek

hij of milady één woord spraken. Ongetwijfeld begrepen beiden, dat hun

wederzijdsche gesteldheid te ernstig was geworden, om den tijd in

nuttelooze woorden en doelloozen toorn te verbeuzelen.

„Komaan,” zeide de baron, haar verlatende, „dezen nacht zult gij ten

minste nog niet ontsnappen.”

Te tien uur plaatste Felton een schildwacht voor de deur. Milady

herkende reeds zoo goed zijn stappen, als een minnares, die haar innig

geliefden minnaar herkent, en nochtans haatte en verachtte zij dien

zwakken geestdrijver.

Daar dit het uur der afspraak niet was, kwam Felton niet binnen. Twee

uren later, op het oogenblik dat de klok middernacht sloeg, werd de

schildwacht afgelost. Nu was het uur daar. Ook wachtte milady van af dat

oogenblik met ongeduld. De nieuwe schildwacht begon in de gang op en

neer te wandelen.

„Luister,” zeide de jongeling tot den schildwacht, „verwijder u onder

hoegenaamd geen voorwendsel van deze deur, want gij weet, dat den

vorigen nacht een soldaat door mylord gestraft is geworden wegens het

voor een oogenblik verlaten van zijn post, en echter was ik het, die

gedurende zijn korte afwezigheid in zijn plaats op wacht heb

gestaan.”--„Ja, dat weet ik,” zeide de soldaat.--„Ik beveel u dus de

grootste waakzaamheid. Ik,” voegde hij er bij, „ga voor de tweede maal

de kamer dier vrouw onderzoeken, die, zooals ik vrees, noodlottige

plannen tegen zich zelve beraamt, en welke mij gelast is geworden

nauwkeurig te bewaken.”

„Goed,” mompelde milady, „ziedaar de nauwgezette Puritein, die al begint

te liegen.”

Wat den soldaat betreft, deze glimlachte een weinig.--„Duivelsch,

luitenant!” zeide hij, „gij zijt zoo ongelukkig niet een dergelijken

last ontvangen te hebben.”--Felton bloosde. In elke andere omstandigheid

zou hij den soldaat hebben berispt, die zich zoodanige scherts

veroorloofde, maar zijn geweten sprak te luide dan dat zijn mond zou

hebben durven spreken.--„Indien ik roep,” zeide hij, „moet gij komen;

daarentegen wanneer men komt, moet gij mij roepen.”--„Ja, luitenant!”

antwoordde de soldaat.

Felton trad de kamer van milady binnen. Milady stond van haar stoel

op.--„Zijt gij daar?” zeide zij.--„Ik had u beloofd te komen, en ik ben

gekomen.”--„Gij hebt mij nog iets anders beloofd.”--„Wat dan? mijn God!”

zeide de jongeling, die ondanks zijn zelfbeheersching zijn knieën voelde

knikken en het zweet zijn voorhoofd bevochtigen.--„Gij hebt mij beloofd

een mes mede te brengen en het mij na ons gesprek te laten.”--„Spreek

hiervan niet, mevrouw!” zeide Felton. „Er bestaat geen zoo vreeselijke

toestand, dat een schepsel Gods zich het leven mag ontnemen. Ik heb

overwogen, dat ik mij nooit aan een dergelijke zonde mag schuldig

maken.”--„Ha! gij hebt overwogen,” zeide de gevangene met een

verachtelijken glimlach, zich wederom op haar leuningstoel neerzettende.

„Ook ik heb overwogen.”--„Wat?”--„Dat ik niets te zeggen had tot een

man, die zijn woord niet houdt.”--„Ach, mijn God!” zuchtte Felton.--„Gij

kunt vertrekken,” zeide milady, „ik zal niets zeggen.”--„Ziedaar het

mes,” zeide Felton, het wapen te voorschijn brengende, dat hij volgens

zijn belofte had medegebracht, maar hetwelk hij aarzelde aan zijn

gevangene te geven.--„Laat zien,” zeide milady.--„Waartoe?”--„Op mijn

eer, ik geef het u onmiddellijk terug. Leg het op die tafel, en gij zult

tusschen het mes en mij blijven.”--Felton gaf het wapen aan milady, die

er nauwkeurig de scherpte van onderzocht en de punt op haar vinger

beproefde.--„Goed,” zeide zij, het mes den jongen officier

teruggevende.--„Het is van goed en zuiver staal.”--„Gij zijt een trouw

vriend, Felton!”

Felton nam het mes en legde het op tafel, zooals hij met zijn gevangene

was overeengekomen. Milady volgde hem met haar blik en maakte een

vergenoegd gebaar.

„Thans, luister nu....”--De aanbeveling was overbodig; de jonge officier

stond overeind voor haar, naar haar woorden wachtende als wilde hij ze

verslinden.--„Felton!” sprak milady met een treurige plechtigheid.

„Felton! indien uw zuster, de dochter van uw vader, tot u zeide: ‚Nog

jong en tot mijn ongeluk tamelijk schoon zijnde, lokte men mij in een

valstrik; ik bood tegenstand, men omringde mij met nog meer lagen en

gewelddadigheden, ik bleef weerstand bieden; men hoonde den godsdienst,

dien ik beleed, den God, dien ik aanbid, omdat ik ter mijner hulp dien

God en dat geloof aanriep, ik bleef weerstand bieden; toen overlaadde

men mij met beleedigingen, en dewijl men mij mijn ziel niet kon doen

verliezen, heeft men voor eeuwig mijn lichaam willen bevlekken.’”

Milady zweeg, een bittere glimlach zweefde op haar lippen.--„En wat

heeft men eigenlijk gedaan?” vroeg Felton.--„Op zekeren avond besloot

men dien weerstand, welken men niet kon overwinnen, krachteloos te

maken; op zekeren avond mengde men onder mijn drinkwater een krachtig

slaapmiddel; nauwelijks had ik mijn avondmaal genuttigd, of ik voelde

van lieverlede een ongewonen slaaplust mij overweldigen; hoewel geen

wantrouwen koesterende, vervulde mij echter een onbepaalde vrees, en ik

trachtte mij tegen den slaap te verzetten; ik stond op, ik wilde mij

naar het venster begeven, om hulp roepen, maar mijn beenen weigerden mij

hun dienst, het scheen mij of de zoldering neerkwam en mij onder haar

zwaarte verplette; ik strekte de armen uit, ik trachtte te spreken, maar

kon slechts eenige doffe klanken voortbrengen; een onweerstaanbare

verdooving maakte zich van mij meester, ik hield mij aan een

leuningstoel vast, voelende dat ik zou vallen, maar dra was deze steun

ontoereikend voor mijn zwakke armen, ik viel op de eene knie, vervolgens

op de tweede; ik wilde bidden, God hoorde of zag mij zeker niet, en ik

gleed op den grond, ten prooi aan een slaap, die den dood geleek. Van al

den tijd, dien deze slaap duurde, blijft mij niet de minste herinnering

over, het eenige, wat ik mij herinner is, dat ik ontwaakte in een

rondvormige kamer, met prachtig huisraad voorzien, waar het daglicht

slechts door een opening in de zoldering binnendrong. Overigens scheen

geen enkele deur toegang tot deze kamer te verleenen, en geleek zij op

een schitterende gevangenis. Het duurde lang, alvorens ik mij rekenschap

kon geven van de plaats, waar ik mij bevond, en van al de

bijzonderheden, die ik aanhaal; mijn geest scheen vruchteloos te

worstelen tegen den donkeren nevel van dien slaap, welken ik niet van

mij kon afschudden; ik had een flauw denkbeeld van een doorloopene

ruimte, van het gerol eens rijtuigs, maar dat alles vertoonde zich zoo

duister en verward voor mijn geest, dat die gebeurtenissen tot een ander

leven dan tot het mijne schenen te behooren, en echter met het mijne

waren vermengd door een fantastische tweevoudigheid. Gedurende een poos

scheen mij de toestand, waarin ik mij bevond, zoo vreemd, dat ik waande

te droomen. Van lieverlede echter vertoonde zich de werkelijkheid aan

mij en vervulde mij met schrik, ik was niet meer in het huis, dat ik

bewoonde; zooveel ik aan het zonnelicht kon bespeuren, had de dag reeds

tweederden van zijn loop afgelegd; het was de avond van den vorigen dag

geweest, dat ik in slaap was gevallen, mijn slaap had dus ongeveer vier

en twintig uren geduurd. Wat was er toch gedurende dien langen slaap

voorgevallen? Ik stond wankelende op. Al mijn bewegingen, die zwaar en

gevoelloos waren, duidden aan, dat de uitwerking van het slaapmiddel nog

niet geheel was verdwenen. Overigens was deze kamer ter huisvesting

eener vrouw ingericht, en de buitensporigste coquette had geen wensch

kunnen vormen, welken zij, door slechts haar blik door het vertrek te

laten gaan, niet zou hebben kunnen bevredigen. Het was zeker, dat ik de

eerste gevangene niet was, die zich in dien prachtigen kerker had

opgesloten gezien, maar gij begrijpt Felton! hoe prachtiger die was, hoe

meer ik mij verontrustte.... Ja, het was een gevangenis, want ik

trachtte vergeefs er uit te geraken, ik onderzocht al de muren om een

deur te ontdekken, maar overal gaven de muren een matten, doffen klank

van zich. Ik liep misschien twintig malen de kamer rond, den een of

anderen uitgang zoekende, maar ik vond er geen; ik viel eindelijk, door

vermoeidheid en angst verplet, op een leuningstoel neder. Intusschen was

de nacht snel gedaald en met de duisternis vermeerderde mijn vrees; ik

wist niet, of ik moest blijven waar ik zat, meenende door onbekende

gevaren omringd te zijn, waarin ik bij elken stap gevaar liep te

vallen.... Hoewel ik sedert den vorigen dag niets had genuttigd,

verhinderde mij de angst honger te voelen. Geen enkel gerucht, dat mij

in staat stelde den tijd te meten, kwam tot mij; ik veronderstelde

alleen dat het zeven of acht uur des avonds moest zijn, want wij waren

in de maand October, en het was volkomen duister.... Eensklaps deed het

gerucht eener deur, die op haar hengsels draaide, mij schrikken; een

vuurbol verscheen boven de glazen opening van den zolder en wierp een

helder licht in mijn kamer, terwijl ik, ontsteld, een man op weinige

schreden afstands voor mij zag staan.... Een tafel, voor twee personen

gedekt en beladen met een keurigen avonddisch, had zich als door een

tooverslag in het midden der kamer verheven. De man was hij, die mij

sedert een jaar vervolgde, die mijn schande had gezworen, en die mij bij

de eerste woorden, welke mijn mond ontglipten, deed verstaan, dat zijn

besluit mij niet de minste hoop liet aan de vrijheid te worden

teruggegeven.”

„De eerlooze,” mompelde Felton.

„O ja, de eerlooze!” riep milady, de belangstelling ziende, welke de

jonge officier, wiens ziel aan haar lippen scheen te hangen, in dit

zonderling verhaal stelde, „o ja, de eerlooze! hij meende, dat het

voldoende was mij in mijn slaap te hebben doen ontvoeren om zijn oogmerk

te bereiken, hij kwam in de hoop, dat ik mijn oneer zoude aannemen,

dewijl mijn schande voltooid was; hij kwam mij zijn fortuin voor het

bezit van mijn hart aanbieden. Al wat het hart eener vrouw van trotsche

verachting en hoonende woorden kan bevatten, stortte ik op dien man uit;

ongetwijfeld was hij aan dergelijke verwijtingen gewoon, want bedaard

glimlachende en met over de borst gekruiste armen hoorde hij mij aan;

vervolgens, toen hij meende dat ik geëindigd had, naderde hij om mijn

hand te vatten, maar ik ijlde naar de tafel, greep een mes en richtte

het op mijn borst.

„‚Wanneer gij een schrede nadert,’ zeide ik tot hem, ‚dan zult gij,

behalve mijn onteering, mijn dood u te verwijten hebben.’

„Ongetwijfeld lag er in mijn blik, in mijn stem, in geheel mijn wezen

die waarheid van gebaren, van houding en toon, welke de bedorvenste

harten tot overtuiging brengt, want hij bleef staan.

„‚Uw dood?’ zeide hij, ‚ach neen! gij zijt een al te lieve gevangene om

te kunnen veroorloven u op die wijze te verliezen. Vaarwel, mijn

allerschoonste! ik zal u opnieuw bezoeken, wanneer gij in een betere

stemming zult zijn.’

„Op die woorden liet hij een gefluit hooren, de vuurbol, die mijn kamer

verlichtte, steeg omhoog en verdween. Ik bevond mij weder in de

duisternis. Hetzelfde gerucht eener geopend en gesloten wordende deur

werd een oogenblik daarna gehoord; de vurige bol daalde opnieuw en ik

bevond mij alleen. Dat was een vreeselijk oogenblik; indien mij nog

eenige twijfel omtrent mijn ongeluk overbleef, was die twijfel nu in een

wanhopige zekerheid veranderd; ik was in de macht van een man, dien ik

niet alleen verfoeide, maar dien ik verachtte, van een man, die mij

reeds een noodlottig bewijs had gegeven van wat hij durfde ondernemen.”

„Maar wie was dan die man?” vroeg Felton.

Milady antwoordde niet op die vraag, maar ging met haar verhaal voort.

„Ik bracht den nacht op een stoel door, bij het minste gerucht

opspringende, want omstreeks middernacht ging de lamp uit en ik bevond

mij wederom in duisternis; de nacht ging echter zonder een nieuwe

verschijning van mijn vervolger voorbij; de dag brak aan, de tafel was

verdwenen, maar het mes hield ik nog in mijn hand. In dat mes was geheel

mijn hoop.... Ik was van vermoeidheid uitgeput; de slapeloosheid deed

mijn oogen gloeien; ik had geen oogenblik mij aan den slaap durven

overgeven. De dag stelde mij eenigszins gerust; ik wierp mij op mijn

bed, zonder mij van het mes te ontdoen, dat ik onder mijn hoofdkussen

verborg. Toen ik ontwaakte, stond er wederom een gedekte tafel. Nu

gevoelde ik, ondanks mijn angst, een hevigen honger; het was toen acht

en veertig uren geleden, dat ik niet het minste voedsel had genuttigd;

ik at een weinig brood en wat vruchten; maar mij het slaapmiddel

herinnerende, dat in het water was gemengd geweest, hetwelk ik had

gedronken, raakte ik dat niet aan wat op tafel stond, maar vulde mijn

glas aan een marmeren fontein, die boven mijn kaptafel in den muur was

gemetseld. Nochtans bleef ik, ondanks deze voorzorg, gedurende eenigen

tijd in een vreeselijke ongerustheid; doch ditmaal was mijn vrees

ongegrond; ik bracht den dag door zonder iets te gevoelen, dat

eenigszins geleek op wat ik vreesde. Ik had de voorzorg genomen de helft

van de karaf te ledigen, opdat men mijn wantrouwen niet zou bemerken. De

avond viel, maar hoe diep de duisternis ook was, begonnen mijn oogen

zich er aan te gewennen; ik zag te midden der duisternis de tafel in den

vloer wegzinken; een kwartier later verscheen zij weder met mijn

avondmaal; een oogenblik daarna werd mijn kamer weder door dezelfde lamp

verlicht. Ik had het besluit genomen niets anders te eten dan die

zelfstandigheden, waarin het onmogelijk was eenig slaapmiddel te mengen;

uit twee eieren en eenige vruchten bestond mijn maal; vervolgens putte

ik een glas water uit mijn beschermende fontein en ik dronk. Dadelijk

bij den eersten teug meende ik, dat het niet dienzelfden smaak als des

morgens had; een plotseling vermoeden kwam in mij op, ik hield op met

drinken, maar ik had reeds een half glas geledigd. Het overige goot ik

met afkeer uit en ik wachtte met het angstzweet op mijn voorhoofd....

Ongetwijfeld had de een of andere onzichtbare getuige mij het water uit

de fontein zien nemen en van mijn goed vertrouwen gebruik gemaakt, om

met te meer zekerheid mijn val te berokkenen, die, reeds zoo koel

besloten, met zooveel wreedheid werd achtervolgd. Een half uur was er

nauwelijks verloopen of dezelfde gewaarwordingen herhaalden zich; maar

dewijl ik nu niet meer dan een half glas water had gedronken, bood ik

den slaap langer weerstand, en in plaats van nu volkomen in slaap te

vallen, verviel ik in een soort van _somnambulisme_, dat mij het

bewustzijn deed behouden van hetgeen rondom mij voorviel, maar mij

echter de kracht ontnam te gaan. Ik sleepte mij naar mijn legerstede om

er mijn eenigste verdedigingsmiddel te zoeken, dat mij overbleef, mijn

reddingsmiddel, maar ik kon het hoofdeinde niet bereiken; ik viel op de

knieën, terwijl mijn handen een der kolommen, waarop mijn bed rustte,

omknelden.”

Felton werd akelig bleek en een stuipachtige rilling doorliep zijn

gansche lichaam.

„En het verschrikkelijkste,” vervolgde milady met ontroerde stem, alsof

zij nog den angst ondervond van dat ontzettend oogenblik, „was, dat ik

het gevaar kende, dat mij bedreigde; dat mijn ziel, indien ik mij dus

kan uitdrukken, in mijn slapend lichaam waakte, dat ik hoorde, dat ik

zag; wel is waar was zulks als in den droom, maar juist daarom te

verschrikkelijker. Ik zag de lamp oprijzen en mij van lieverlede in de

duisternis laten. Vervolgens hoorde ik dat mij welbekende gerucht der

deur, hoewel die deur slechts twee malen was geopend geworden. Ik voelde

inwendig, dat men mij naderde; men zegt, dat de rampzalige verdwaalde in

de wouden van _Amerika_ op die wijze de slang voelt naderen.... Ik wilde

een poging doen, ik trachtte te schreeuwen; zelfs door een

ongeloofelijke krachtsinspanning richtte ik mij omhoog, maar het was om

onmiddellijk weder neer te vallen.”

„Maar zeg mij toch, wie uw vervolger was!” riep de jonge officier.

Milady zag met een enkelen blik al de smart, die zij Felton

veroorzaakte, door op elke bijzonderheid van haar verhaal te drukken;

zij wilde hem geen de minste foltering sparen. Hoe dieper zij hem in het

hart zou treffen, zooveel te zekerder zou hij haar wreken. Zij ging dus

opnieuw voort, alsof zij zijn uitroep niet gehoord had, of dat zij

meende dat het oogenblik niet was gekomen om er op te antwoorden: „Ik

hoorde hem, toen hij mij zag, uitroepen: ‚Die ellendige Puriteinen! ik

wist wel, dat zij hun beulen tergden, maar ik meende, dat zij minder

sterk jegens hun verleiders waren.’”

Felton luisterde zonder iets anders te doen hooren dan een soort van

gebrul, alleen stroomde het zweet van zijn marmeren voorhoofd, en zijn

onder zijn gewaad verborgen hand reet zijn boezem open.

„Tot mij zelve komende,” hernam milady, „was mijn eerste beweging onder

dat hoofdkussen het mes te zoeken, dat ik niet had kunnen bereiken:

indien het niet ter verdediging had gediend, kon het echter nog tot

uitwissching der misdaad dienen. Maar, Felton! dit mes opnemende, kwam

een vreeselijk denkbeeld in mij op. Ik heb gezworen u alles te zeggen en

ik zal het doen; ik heb u de waarheid beloofd, ik zal u die zeggen, al

moest die tot mijn verderf strekken.”

„Het denkbeeld verrees in u!” riep Felton, „u op dien man te wreken,

niet waar?”

„Welnu, ja!” zei milady, „dat denkbeeld paste een Christenvrouw niet,

dat weet ik; ongetwijfeld blies de eeuwige vijand onzer ziel mij dit in.

Kortom, wat zal ik u zeggen, Felton!” zeide milady, op den toon eener

vrouw, die zich van een misdaad beschuldigt,--„dat denkbeeld kwam in mij

op en verliet mij niet meer. Het is misschien voor deze moorddadige

gedachte, dat ik thans de straf onderga.”

„Ga voort, ga voort!” zeide Felton, „ik verlang met ongeduld u tot de

wraak te zien komen.”

„O, ik nam mij voor die zoo spoedig mogelijk te vervullen, ik twijfelde

niet, of hij zou den volgenden nacht terugkomen; gedurende den dag had

ik niets te vreezen. Ook toen het uur van het ontbijt gekomen was,

aarzelde ik niet te eten en te drinken, daar het mijn voornemen was den

schijn aan te nemen, alsof ik mijn avondmaal nuttigde, zonder echter

iets te gebruiken; ik wilde alzoo door het voedsel des ochtends het

vasten van den avond vergoeden. Ik verborg een glas water, dat ik van

mijn ontbijt had gespaard, daar de dorst mij het meest had doen lijden,

toen ik acht en veertig uren zonder eten of drinken was gebleven. De dag

ging voorbij zonder eenigen anderen invloed op mij te hebben

teweeggebracht dan mij in mijn voornemen te versterken; intusschen droeg

ik zorg, dat mijn gelaat niet de minste gedachte mijner ziel verried,

want ik twijfelde er niet aan, dat men mij bespiedde; meermalen zelfs

voelde ik een glimlach op mijn lippen zweven. Felton, ik durf u niet

zeggen, wat denkbeeld mij deed glimlachen; want gij zoudt mij

verfoeien.”

„Ga voort, ga voort!” herhaalde Felton, „gij ziet wel, hoe ik luister en

hoe verlangend ik naar het einde ben.”

„Het werd avond,” vervolgde milady, „een herhaling van den vorigen; als

naar gewoonte verscheen in de duisternis mijn avondmaal; vervolgens werd

de lamp ontstoken en ik zette mij aan tafel. Ik at niets anders dan

eenige vruchten en hield mij, alsof ik uit de karaf water schonk, maar

ik dronk slechts dat, wat ik in mijn glas had bewaard; de verwisseling

werd trouwens zoo behendig volbracht, dat mijn spionnen, indien ik er

had, niets hadden kunnen bespeuren. Na het avondmaal gaf ik dezelfde

blijken van verdooving als den vorigen dag; maar nu, alsof ik van

vermoeidheid bezweek, of mij met het gevaar gemeenzaam maakte, hield ik

mij, alsof ik in slaap viel. Ik had nu ook mijn mes wedergevonden, en

veinzende te slapen, omknelde mijn hand krampachtig het hecht. Twee uren

verliepen zonder dat er iets nieuws voorviel. Toen, o, mijn God! wie zou

mij zulks den vorigen dag hebben gezegd, begon ik te vreezen, dat hij

niet komen zou. Eindelijk zag ik de lamp opstijgen en boven in de

zoldering verdwijnen; mijn kamer werd wederom in duisternis gehuld, maar

ik deed een poging om ze met mijn blik te doordringen. Tien minuten

ongeveer verliepen er, ik hoorde geen ander geluid dan dat van het

kloppen van mijn hart. Ik smeekte den Hemel om zijn komst. Eindelijk

hoorde ik het mij zoo goed bekende gerucht der deur, die geopend en weer

gesloten werd; ik hoorde, ondanks de zwaarte van het tapijt,

voetstappen, die den vloer deden kraken; ik zag, in weerwil der

duisternis, een schim mij naderen.”

„Haast u, haast u!” viel Felton haar in de rede, „ziet gij niet, dat elk

uwer woorden als gloeiend lood mij brandt!”

„Toen,” vervolgde milady, „toen verzamelde ik al mijn krachten, ik

herinnerde mij, dat het uur der wraak of liever der rechtvaardigheid had

geslagen, en beschouwde mij als een tweede Judith; ik hield het mes

omkneld, en toen ik hem in mijn nabijheid zag, toen, met een laatsten

kreet van smart en wanhoop, stiet ik hem het mes in de borst.... De

ellendeling had alles voorzien; zijn borst was met een pantser bedekt,

het mes gleed er op af.

„‚Ha! ha!’ riep hij, mij bij den arm grijpende en mij het wapen

ontrukkende, dat mij zoo slecht had gediend, ‚gij wilt mij het leven

benemen, mijn schoone Puriteine! dat is meer dan haat, dat is

ondankbaarheid. Och kom, wees bedaard, mijn fraai kind! ik dacht u al

getemd te hebben. Ik ben niet van die dwingelanden, welke de vrouwen met

geweld houden. Gij bemint mij niet? Ik geloofde het echter met mijn

gewonen eigenwaan: thans weet ik, waaraan mij te houden. Morgen zult gij

vrij zijn.’--Ik had slechts één begeerte, die, dat hij mij het leven zou

benemen.--‚Wees op uw hoede,’ zeide ik hem, ‚want mijn vrijheid is uw

oneer.’--‚Verklaar u, mijn schoone Sybille!’ antwoordde hij.--‚Ja,

eenmaal vrij, zal ik alles verhalen; ik zal het geweld doen kennen,

hetwelk gij jegens mij hebt gepleegd; ik zal mijn opsluiting verhalen,

zal dit schandpaleis aan de wereld bekend maken! Hoe hoog ook geplaatst,

zult gij beven. Boven u is er een koning, boven den koning is

God!’--Hoezeer meester over zich zelven, liet mijn vervolger nochtans

een beweging van toorn ontglippen. Ik kon de uitdrukking van zijn gelaat

niet zien, maar ik had zijn arm voelen beven, op welken mijn hand

rustte.--‚Dan zult gij van hier niet gaan,’ zeide hij.--‚Goed, goed,’

riep ik, ‚dan zal de plaats mijner foltering ook die van mijn graf zijn.

Goed, ik zal hier sterven, en gij zult zien of een beschuldigende schim

niet erger is dan een levende, die bedreigt.’--‚Men zal u geen enkel

wapen laten,’ zeide hij.--‚Eén bestaat er, dat de wanhoop in het bereik

van elk schepsel stelt, dat den moed heeft er zich van te bedienen, dat

is de hongerdood.’--‚Luister,’ zeide de ellendeling, ‚is de vrede niet

beter dan een dergelijke oorlog? Ik zal u oogenblikkelijk de vrijheid

wedergeven; ik zal u als de deugdzaamste, als de Lucretia van geheel

Engeland bekend maken.’--‚En ik zal zeggen, dat gij er de Sextus van

zijt; ik zal u voor de menschen beschuldigen, zooals ik u reeds voor God

heb gedaan, en indien ik, zooals Lucretia, mijn beschuldiging met mijn

bloed moet bezegelen, zal ik het doen.’--‚Zoo, zoo,’ zeide mijn vijand

op spottenden toon, ‚dat is iets anders.... Waarlijk, bij slot van

rekening, gij zijt hier voortreffelijk, niets zal u ontbreken, en indien

gij van honger sterft, zal het uw eigen schuld zijn.’

„Bij deze woorden verwijderde hij zich. Ik hoorde hem de deur openen en

weder sluiten, en ik bleef als verplet staan, niet zoo zeer, ik beken

het, door smart, dan wel door schaamte mij niet gewroken te hebben. Hij

hield woord. De geheele dag en de volgende nacht gingen voorbij, zonder

dat ik hem wederzag; maar ook ik hield woord; ik at noch dronk, ik had,

zooals ik had gezegd, besloten mij te laten doodhongeren. Ik bracht den

dag en den nacht in het gebed door; want ik hoopte, dat God mij mijn

zelfmoord zou vergeven. Den tweeden nacht werd de deur geopend. Ik lag

op den grond, de krachten begonnen mij te verlaten. Op het gerucht

richtte ik mij met de eene hand ten halve op.

„‚Welnu,’ zeide een stem, die al te vreeselijk in mijn ooren klonk om

haar niet te herkennen; ‚welnu! zijt gij wat zoeter geworden en wilt gij

uw vrijheid met een enkele belofte van stilzwijgendheid betalen?

Luister, ik ben een goed heer,’ voegde hij er bij, ‚en hoewel ik van

Puriteinen niet houd, laat ik hen recht wedervaren, zoowel als aan de

vrouwen, wanneer zij mooi zijn. Komaan, zweer mij eventjes op het

kruisbeeld, meer verlang ik niet.’--‚Op het kruisbeeld!’ riep ik

opstaande, want bij het hooren van die afschuwelijke stem had ik al mijn

krachten wedergevonden, ‚op het kruisbeeld zweer ik, dat geen beloften,

geen bedreigingen, geen folteringen mij ooit zullen doen zwijgen; op het

kruisbeeld zweer ik u overal als moordenaar, als een eeredief, als een

lafaard te zullen uitkrijten; op het kruisbeeld zweer ik, indien ik er

ooit in slaag hieruit te geraken, de geheele wereld tot wraak over u op

te roepen.’--‚Wees op uw hoede,’ zeide de stem op een toon van

bedreiging, dien ik nog niet gehoord had; ‚er blijft mij een laatste

middel over, dat ik slechts in de uiterste noodzakelijkheid zal

aanwenden, om u den mond te sluiten, of u ten minste te beletten, dat

men aan de minste uwer woorden geloof sla.’--Ik verzamelde al mijn

krachten, om hem met een schamperen lach te antwoorden. Hij zag, dat het

thans tusschen ons een strijd op leven en dood was.--‚Luister,’ zeide

hij, ‚ik geef u nog het overige van den dag en den dag van morgen ter

overweging. Beloof te zullen zwijgen; rijkdom, achting, zelfs eer zullen

u omringen; dreig nogmaals te zullen spreken, en ik geef u der schande

over.’--‚Gij?’ riep ik, ‚gij?’--‚Ja, een eeuwige, onuitwischbare

schande.’--‚Gij?’ herhaalde ik.--Ach, ik zeg het u, Felton! ik hield hem

voor waanzinnig.--‚Ja ik,’ hernam hij.--‚O, verlaat mij,’ zeide ik hem.

‚Vertrek, indien gij niet wilt, dat ik mij voor uw oogen de hersens

tegen den muur verplettere.’--‚Het is wel,’ hernam hij, ‚gij wilt het.

Tot morgenavond.’--‚Tot morgen avond,’ antwoordde ik, mij latende

neervallen en woedend het tapijt met mijn tanden verscheurende.”

Felton stond tegen een meubelstuk aangeleund en milady zag met helsche

vreugde, dat misschien voor het eind van het verhaal de jonge officier

reeds zijn krachten zou voelen bezwijken.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 77 / 93 题