Vierde dag van gevangenschap.
Den volgenden dag, toen Felton bij milady binnentrad, vond hij haar
overeind, op een leuningstoel staande, een koord in de hand houdende,
dat van eenige in reepen gescheurde katoenen zakdoeken was gevlochten en
aan elkander geknoopt. Op het gerucht, dat Felton, de deur openende,
maakte, sprong milady vlug van den stoel en trachtte het door haar
gedraaide koord achter zich te verbergen. De jongeling was nog bleeker
dan naar gewoonte en zijn oogen, door slapeloosheid rood geworden,
duidden aan, dat hij een koortsachtigen nacht had doorgebracht. Op zijn
voorhoofd lag echter meer dan ooit een ernstige gerustheid verspreid.
Hij naderde milady, die zich had neergezet, met langzame schreden en het
einde van het moordend vlechtwerk ziende, van hetwelk zij door
onachtzaamheid of liever met opzet een gedeelte liet uitkomen, vroeg hij
koel:
„Wat is dat, mevrouw?”--„Dat is niets,” zeide milady glimlachende, met
die smartelijke uitdrukking, welke zij zoo behendig wist aan te nemen.
„De verveling, zooals gij weet, is de doodsvijandin der gevangenen. Ik
verveelde mij en heb mij met het vlechten van dit koord
vermaakt.”--Felton sloeg de oogen op de plek van den muur in het
vertrek, voor welke hij milady op den leuningstoel had gezien, waarop
zij thans zat, en hij ontdekte boven zijn hoofd een vergulde kram, die
in den muur vast was en diende om er kleederen of wapens aan op te
hangen. Hij ontroerde, en de gevangene zag zulks; want hoezeer zij de
oogen neergeslagen hield, ontging haar niets.
„En waarom stondt gij op dien leuningstoel?” vroeg hij.--„Wat kan u dat
bekommeren?” antwoordde milady.--„Wel,” hernam Felton, „ik begeer het te
weten.”--„Ondervraag mij niet,” zeide de gevangene; „gij weet wel, dat
het ons als ware Christenen verboden is te liegen.”--„Welnu,” zeide
Felton, „ik zal u zeggen, wat gij deedt, of liever, wat gij wildet doen.
Gij wildet het noodlottig besluit volvoeren, dat gij in uw geest
koestert. Denk er aan, mevrouw! indien uw God u den leugen verbiedt,
verbiedt Hij nog veel strenger den zelfmoord.”--„Wanneer God een zijner
schepsels onrechtvaardig vervolgt, en deze zich tusschen den zelfmoord
en oneer geplaatst ziet, geloof mij, mijnheer!” antwoordde milady op een
toon van diepe overtuiging, „dan vergeeft God den zelfmoord; want de
zelfmoordenaar is dan een martelaar.”--„Gij zegt hiervan te veel of te
weinig; verklaar u, mevrouw! in ’s hemels naam, spreek!”--„Indien ik u
mijn rampen verhaalde, zoudt gij ze voor fabels houden; indien ik u mijn
voornemens openbaarde, zoudt gij ze mijn vervolger mededeelen. Neen,
mijnheer! daarenboven, wat geeft gij om het leven of den dood eener
ongelukkige veroordeelde? Gij zijt alleen voor mijn lichaam
verantwoordelijk, niet waar? het is genoeg dat gij een lijk, dat voor
het mijne wordt herkend, vertoont; men zal van u niet meer eischen, en
misschien ontvangt gij hiervoor een dubbele belooning.”--„Ik?” riep
Felton, „ik? Veronderstelt gij, dat ik ooit het bloedloon voor uw leven
zou aannemen! Gij weet niet wat gij zegt!”--„Laat mij begaan, Felton!
laat mij begaan,” zeide milady met meer vervoering, „elk soldaat is
eerzuchtig, niet waar? Gij zijt luitenant, welnu, gij zult mijn lijkbaar
als kapitein volgen.”--„Maar wat heb ik u toch misdaan?” vroeg Felton
bewogen; „dat gij mij met een dergelijke verantwoordelijkheid voor God
en de menschen bezwaart? Binnen weinige dagen zult gij ver van hier
zijn, mevrouw! Uw leven zal dra niet meer in mijn bewaring wezen; en,”
voegde hij er zuchtend bij, „dan kunt gij naar goedvinden
handelen.”--„Dus?” riep milady, alsof zij een heilige verontwaardiging
niet kon weerstaan, „gij, een vroom man! gij, dien men een rechtvaardige
noemt! gij vraagt één ding, namelijk: door mijn dood niet beschuldigd,
niet verontrust te worden?”--„Ik moet over uw leven waken, mevrouw! en
ik zal er over waken.”--„Maar begrijpt gij den last, dien gij volvoert?
Reeds wreed, indien ik schuldig ware, wat naam zoudt gij, welken naam
zou de Heer hem geven, indien ik onschuldig was?”--„Ik ben krijgsman,
mevrouw! en ik volbreng de bevelen, die men mij gegeven
heeft.”--„Gelooft gij, dat op den laatsten oordeelsdag God de verblinde
beulen van de onrechtvaardige rechters zal scheiden? Gij wilt niet, dat
ik mijn lichaam doode, en gij stelt u tot den uitvoerder van hem, die
mijn ziel wil dooden.”--„Maar ik herhaal u,” hernam Felton geschokt,
„niet het minste gevaar bedreigt u, en ik blijf voor lord de Winter als
voor mij zelven verantwoordelijk.”--„Dwaas!” riep milady, „arme dwaas,
die voor een ander mensch durft verantwoordelijk blijven, wanneer de
wijsten, zij, die het meest naar Gods wil handelen, aarzelen voor zich
zelven verantwoordelijk te zijn, en die zich met den sterksten en den
gelukkigsten vereenigt, om de zwakste en de ongelukkigste te
verdrukken.”--„Onmogelijk, mevrouw!” mompelde Felton, die bij zich
zelven de gegrondheid dezer redeneering besefte; „als gevangene zult gij
door mij de vrijheid niet wederkrijgen, als levende zult gij door mij
het leven niet verliezen.”--„Ja!” riep milady, „ik zal datgene
verliezen, wat mij meer waard is dan het leven, ik zal de eer verliezen,
Felton! en ik zal u verantwoordelijk stellen voor God en de menschen,
wegens mijn schande en oneer.”
Nu vermocht Felton, hoe ongevoelig hij was of scheen te zijn, niet
langer aan den onzichtbaren invloed weerstand bieden, die zich van hem
had meester gemaakt. Die zoo schoone vrouw, heerlijk als een
schitterende verschijning, te beschouwen, haar beurtelings bedroefd en
treurig te zien, tevens den invloed harer smart en dien harer schoonheid
te ondergaan, dat was te veel voor een hoofd, ondermijnd door de
gloeiende droomerijen van een geestdrijvend geloof; dat was te veel voor
een hart, tegelijk verschroeid door de liefde des Hemels, die brandt, en
door den haat der menschen, die verslindt.--Milady bemerkte zijn
ontroering; zij voelde bij ingeving de vlam der tegenstrijdige
hartstochten, die met het bloed de aderen van den jongen geestdrijver
als vuur doorliepen, en, gelijk aan een bekwamen generaal, die, den
vijand gereed ziende te wijken, met een zegevierend gejuich op hem
aanvalt, stond zij op, schoon als een Heidensche priesteres, en in de
geestverrukking eener Christenmaagd, met uitgestrekten arm, ontblooten
hals, vliegende haren, met de eene hand haar kleed schaamachtig op haar
borst houdende, den blik verlicht door dat vuur, hetwelk reeds de zinnen
van den jongen Puritein zoo geweldig in beweging had gebracht, trad zij
op hem toe en riep uit met zekere hevigheid in haar zoo zachte stem, aan
welke zij bij zekere gelegenheden een zoo vreeselijken klank wist te
geven:
Ga aan Baäl zijn offer geven,
Werp het in des leeuwen muil.
Maar Gods wraak zal u doen beven;
Ik roep tot Hem uit ’s afgronds kuil.
Felton stond daar, als ware hij versteend.--„Wie zijt gij? wie zijt
gij?” riep hij, de handen wringende, „zijt gij engel of booze geest;
heet gij Eloa of Astarté?”--„Hebt gij mij niet herkend? Ik ben noch
engel, noch booze geest, ik ben een dochter der aarde, ik ben van u een
zuster, niets anders.”--„Ja, ja!” zeide Felton, „ik twijfelde nog, maar
nu geloof ik.”--„Gij gelooft? en echter zijt gij de medeplichtige van
dat Belialskind, lord de Winter genoemd. Gij gelooft? en echter laat gij
mij in de handen mijner vijanden, van den vijand van _Engeland_, en van
den vijand van God. Gij gelooft? en nochtans levert gij mij over aan
hem, die de wereld met zijn ketterij en ongebondenheid vervult en
bezoedelt, aan dien eerloozen Sardanapalus, dien de verblinden hertog
van Buckingham, en de geloovigen den _Antichrist_ noemen.”--„Ik u aan
Buckingham leveren? Ik? Wat zegt gij toch?”--„Zij hebben oogen,” riep
milady, „en zullen niet zien; zij hebben ooren, en zullen niet
hooren.”--„Ja, ja,” zeide Felton, zijn handen over zijn met zweet bedekt
voorhoofd strijkende, als om den laatsten twijfel weg te vegen, „ja, ik
herken de stem, die mij in mijn droomen aanroept; ja, ik herken het
gelaat van den engel, die mij elken nacht verschijnt en mijn ziel, die
niet kan rusten, toeroept: ‚Stoot toe, red _Engeland_, red u zelven,
want gij zult sterven, zonder God ontwapend te hebben!’ Spreek, spreek!”
riep Felton, „thans kan ik u begrijpen.”
Een lichtstraal eener verschrikkelijke vreugd, maar snel als de
gedachte, schoot uit milady’s oogen. Hoe snel ook die moorddadige
vuurstraal verdween, had Felton hem echter gezien en hij schrikte, alsof
die straal den peilloozen afgrond van het hart dezer vrouw verlichtte.
Felton herinnerde zich eensklaps de waarschuwing van lord de Winter, de
verleidingsmiddelen van milady, haar eerste pogingen bij haar aankomst,
hij deinsde een schrede terug en liet zijn hoofd zinken, maar zonder op
te houden haar te beschouwen, alsof zijn oogen, door dat zonderlinge
schepsel aangetrokken, zich niet van haar afwenden konden.--Milady was
geen vrouw om zich omtrent de aarzeling te bedriegen. Onder die
schijnbare aandoening verliet haar tegenwoordigheid van geest haar geen
oogenblik.
Alvorens Felton haar had kunnen antwoorden en zij gedwongen was, dit zoo
moeilijk en op denzelfden verrukten toon vol te houden gesprek weer op
te nemen, liet zij haar handen langs haar zijden vallen, alsof de
zwakheid der vrouw op de verrukking der opgetogene de overhand
had.--„Maar neen,” zeide zij, „het past mij niet de _Judith_ te zijn,
die _Bethanië_ van dien _Holophernus_ zal bevrijden. Het zwaard des
Eeuwigen is te zwaar voor mijn handen. Laat mij dus de schande door den
dood ontgaan, laat mij als martelares mij redden. Ik vraag u niets
anders, dan mij te laten sterven. Ik bid, ik smeek er u om op mijn
knieën, laat mij sterven, en mijn laatste snik zal een zegening voor
mijn redder zijn.”
Op die zachte, smeekende stem, op dien schroomvalligen en neergeslagen
blik, trad Felton nader. Van lieverlede had de tooveres zich weder met
dat prachtige tooisel bekleed, hetwelk zij naar willekeur aflegde en
weer opnam, namelijk: de schoonheid, de zachtheid, de tranen, en vooral
de onweerstaanbare bekoring van die geheimzinnige, wellustige dweperij,
de verslindendste aller wellusten.--„Helaas!” zeide Felton, „mij blijft
niets anders over, dan u te beklagen, indien gij mij bewijst een
slachtoffer te zijn. Lord de Winter heeft echter gewichtige bezwaren
tegen u. Gij zijt een Christinne, in het geloof zijt gij mijn zuster, ik
voel mij tot u aangetrokken, ik, die nooit iemand anders dan mijn
weldoener heb bemind, ik, die in het leven slechts verraders en
goddeloozen heb ontmoet. Maar gij, mevrouw! gij, in werkelijkheid zoo
schoon, zoo zuiver in schijn, moet, dewijl lord de Winter u zoo streng
vervolgt, veel kwaad hebben bedreven.”--„Zij hebben oogen,” herhaalde
milady, „en zij zullen niet zien; zij hebben ooren, en zij zullen niet
hooren.”
„Maar spreek, spreek dan!” riep de jonge officier.--„U mijn schande
openbaren!” riep milady, met den blos der schaamte op de wangen; „want
dikwijls strekt de misdaad van den een tot schande van den ander. U mijn
schande vertrouwen! aan u, aan een man, terwijl ik een vrouw ben! Ach!”
vervolgde zij, schaamachtig de hand voor haar schoone oogen brengende.
„Ach! nooit, nooit zal ik dit kunnen!”--„Aan mij, aan een broeder niet!”
riep Felton.--Milady beschouwde hem lang met een uitdrukking, die de
jonge officier voor een twijfeling aanzag en die nochtans niets anders
was dan opmerkzaamheid en vooral begeerte om te verblinden.--Felton, op
zijn beurt smeekende, vouwde de handen.--„Welnu,” zeide milady, „ik zal
mij aan mijn broeder vertrouwen, ik zal durven.”
Op dat oogenblik hoorde men de voetstappen van lord de Winter, maar nu
bepaalde de vreeselijke schoonbroeder van milady er zich niet toe,
zooals den vorigen dag, de deur voorbij te gaan, maar hij bleef staan,
wisselde een paar woorden met den schildwacht, de deur werd geopend en
hij verscheen. Terwijl die paar woorden werden gewisseld, was Felton
haastig achteruitgetreden, en toen lord de Winter binnentrad, stond hij
op eenige schreden van de gevangene. De baron trad langzaam voorwaarts
en bracht zijn vorschenden blik van de gevangene op den jongen
officier.--„Het is reeds lang, John!” zeide hij, „dat gij hier zijt,
heeft de vrouw u haar misdaden verhaald? zoo ja, dan begrijp ik de
langdurigheid van het onderhoud.”--Felton beefde en milady voelde, dat
zij verloren was, indien zij den ontstelden Puritein niet te hulp
kwam.--„Ha! gij vreest, dat uw gevangene u ontsnapt,” zeide zij. „Welnu,
vraag aan uw gevangenbewaarder, welke gratie ik zooeven van hem
verzocht.”--„Gij vraagdet hem een gratie?” zeide de baron
wantrouwend.--„Ja, mylord!” hernam de jongeling verlegen.--„En welke
gratie, spreek?” ging lord de Winter voort.--„Een mes, dat zij mij door
de traliën der deur zou teruggeven, na het één minuut gehad te hebben,”
antwoordde Felton.--„Is hier dan iemand verborgen, dien de lieve dame
den hals wil afsnijden?” hernam lord de Winter op spottenden, schamperen
toon.--„Ik ben er,” antwoordde milady.--„Ik heb u de keus tusschen
_Amerika_ en _Tyburn_ gelaten,” hernam lord de Winter; „kies _Tyburn_,
milady! het koord is, geloof mij, nog zekerder dan het mes.”--Felton
voelde een rilling tot door het merg van zijn gebeente loopen.
Waarschijnlijk bemerkte milady die gewaarwording.--„Gij hebt gelijk,”
zeide zij, „en ik had er reeds aan gedacht.”--Vervolgens voegde zij er
met een gesmoorde stem bij: „Ik zal er nog aan denken.”--Felton
verbleekte en trad een schrede nader, zich herinnerende dat, toen hij
was binnengekomen, milady een koord in de hand hield.
„Wees op uw hoede, John!” zeide lord de Winter; „John! mijn vriend! ik
heb mijn vertrouwen in u gesteld, wees op uw hoede, ik heb u
gewaarschuwd. Bovendien, houd moed, mijn zoon! binnen drie dagen zullen
wij van dit schepsel bevrijd zijn en waar ik haar zal zenden, zal zij
niemand meer leed doen.”--„Gij hoort het!” riep milady, derwijze
uitbarstende, dat de baron in de meening was, dat zij zich tot den hemel
richtte, terwijl Felton begreep, dat het tot hem was. Felton liet het
hoofd zinken en peinsde. De baron nam den officier bij den arm en keerde
over zijn schouder het hoofd om, ten einde milady, zoo lang hij niet
vertrokken was, in het oog te houden.
„O! o!” zeide de gevangene, toen de deur gesloten was, „ik ben zoo ver
nog niet gekomen als ik dacht.... De Winter heeft zijn gewone dwaasheid
in een ongehoorde voorzichtigheid veranderd; zie eens wat de wraakzucht
al niet teweegbrengt, en hoe die zucht den mensch misvormt. Maar Felton
aarzelt. O, hij is geen stoutmoedige, zooals die vervloekte d’Artagnan.”
Intusschen wachtte milady met ongeduld, want zij twijfelde er niet aan,
dat de dag niet zou verloopen, zonder dat zij Felton weerzag. Eindelijk,
een uur na het tooneel, dat wij hebben verhaald, hoorde zij zachtjes
voor haar deur spreken en spoedig hierop zag zij de deur openen en
herkende Felton. De jongeling trad haastig de kamer binnen, de deur
achter zich openlatende en milady een teeken gevende van te zwijgen;
zijn gezicht was geheel ontsteld.--„Wat wilt gij?” vroeg
zij.--„Luister,” antwoordde Felton zoo zacht mogelijk, „ik heb den
schildwacht doen vertrekken, om hier te kunnen blijven, zonder dat men
wete dat ik gekomen ben, om met u te spreken, zonder dat men kan hooren
wat ik u zeg. De baron heeft mij een vreeselijke geschiedenis
verhaald.”--Milady nam glimlachend het masker eens slachtoffers aan en
schudde het hoofd.--„Of gij zijt een helsche geest,” hernam Felton, „òf
de baron, mijn weldoener, mijn vader, is een monster. Ik ken u sedert
vier dagen, ik bemin hem sedert tien jaar; ik mag dus tusschen u beiden
aarzelen, schrik niet van hetgeen ik u zeg, ik moet overtuiging hebben;
hedennacht, na twaalf uur, zal ik bij u komen en gij zult mij die
overtuiging geven.”
„Neen, Felton! neen, mijn broeder!” zeide zij, „het offer is te groot en
ik voel, dat het u te zwaar valt. Neen, ik ben verloren, stort u niet
met mij in het verderf! Mijn dood zal welsprekender zijn dan mijn leven,
en de stomheid van het lijk zal u beter overtuigen dan de woorden eener
gevangene.”--„Zwijg, mevrouw! spreek niet alzoo tot mij, ik ben gekomen,
opdat gij mij op uw eer zoudt beloven en bij alles wat u heilig is
bezweren, uw leven niet te kort te doen.”--„Ik wil niet beloven,” zeide
milady, „want niemand heeft meer eerbied voor een eed dan ik, en indien
ik beloofde, zou ik die belofte moeten houden.”--„Welnu!” zeide Felton,
„verbind u dan slechts tot zoo lang dat gij mij zult hebben weergezien.
En dan, wanneer gij in uw besluit mocht volharden, zult gij vrij zijn,
en ik zal u zelf het wapen geven, dat gij mij hebt gevraagd.”--„Het zij
zoo,” zeide milady, „voor u zal ik wachten.”--„Zweer het.”--„Ik zweer
het bij onzen God! Zijt gij tevreden?”--„Ja,” zeide Felton, „tot van
nacht.”--En hij snelde de kamer uit en wachtte buiten met de halve piek
van den soldaat in de hand, alsof hij op wacht stond. Toen de soldaat
was teruggekomen, gaf Felton hem zijn wapen terug.
Toen zag milady door de getraliede opening der deur, welke zij was
genaderd, den jongeling in een hevige gemoedsbeweging de gang doorijlen,
als van vreugde buiten zich zelven. Wat haar betreft, zij keerde naar
haar plaats terug, met den glimlach eener woeste verachting op de
lippen, en dien vreeselijken naam Gods vloekende, op welken zij had
gezworen zonder dien ooit te hebben leeren kennen, herhaalde zij: „Mijn
God! dwaze geestdrijver.... mijn God? dat ben ik, ik en hij, die mij in
mijn wraak zal helpen!”