HOOFDSTUK XXIV.

Vierde dag van gevangenschap.

Den volgenden dag, toen Felton bij milady binnentrad, vond hij haar

overeind, op een leuningstoel staande, een koord in de hand houdende,

dat van eenige in reepen gescheurde katoenen zakdoeken was gevlochten en

aan elkander geknoopt. Op het gerucht, dat Felton, de deur openende,

maakte, sprong milady vlug van den stoel en trachtte het door haar

gedraaide koord achter zich te verbergen. De jongeling was nog bleeker

dan naar gewoonte en zijn oogen, door slapeloosheid rood geworden,

duidden aan, dat hij een koortsachtigen nacht had doorgebracht. Op zijn

voorhoofd lag echter meer dan ooit een ernstige gerustheid verspreid.

Hij naderde milady, die zich had neergezet, met langzame schreden en het

einde van het moordend vlechtwerk ziende, van hetwelk zij door

onachtzaamheid of liever met opzet een gedeelte liet uitkomen, vroeg hij

koel:

„Wat is dat, mevrouw?”--„Dat is niets,” zeide milady glimlachende, met

die smartelijke uitdrukking, welke zij zoo behendig wist aan te nemen.

„De verveling, zooals gij weet, is de doodsvijandin der gevangenen. Ik

verveelde mij en heb mij met het vlechten van dit koord

vermaakt.”--Felton sloeg de oogen op de plek van den muur in het

vertrek, voor welke hij milady op den leuningstoel had gezien, waarop

zij thans zat, en hij ontdekte boven zijn hoofd een vergulde kram, die

in den muur vast was en diende om er kleederen of wapens aan op te

hangen. Hij ontroerde, en de gevangene zag zulks; want hoezeer zij de

oogen neergeslagen hield, ontging haar niets.

„En waarom stondt gij op dien leuningstoel?” vroeg hij.--„Wat kan u dat

bekommeren?” antwoordde milady.--„Wel,” hernam Felton, „ik begeer het te

weten.”--„Ondervraag mij niet,” zeide de gevangene; „gij weet wel, dat

het ons als ware Christenen verboden is te liegen.”--„Welnu,” zeide

Felton, „ik zal u zeggen, wat gij deedt, of liever, wat gij wildet doen.

Gij wildet het noodlottig besluit volvoeren, dat gij in uw geest

koestert. Denk er aan, mevrouw! indien uw God u den leugen verbiedt,

verbiedt Hij nog veel strenger den zelfmoord.”--„Wanneer God een zijner

schepsels onrechtvaardig vervolgt, en deze zich tusschen den zelfmoord

en oneer geplaatst ziet, geloof mij, mijnheer!” antwoordde milady op een

toon van diepe overtuiging, „dan vergeeft God den zelfmoord; want de

zelfmoordenaar is dan een martelaar.”--„Gij zegt hiervan te veel of te

weinig; verklaar u, mevrouw! in ’s hemels naam, spreek!”--„Indien ik u

mijn rampen verhaalde, zoudt gij ze voor fabels houden; indien ik u mijn

voornemens openbaarde, zoudt gij ze mijn vervolger mededeelen. Neen,

mijnheer! daarenboven, wat geeft gij om het leven of den dood eener

ongelukkige veroordeelde? Gij zijt alleen voor mijn lichaam

verantwoordelijk, niet waar? het is genoeg dat gij een lijk, dat voor

het mijne wordt herkend, vertoont; men zal van u niet meer eischen, en

misschien ontvangt gij hiervoor een dubbele belooning.”--„Ik?” riep

Felton, „ik? Veronderstelt gij, dat ik ooit het bloedloon voor uw leven

zou aannemen! Gij weet niet wat gij zegt!”--„Laat mij begaan, Felton!

laat mij begaan,” zeide milady met meer vervoering, „elk soldaat is

eerzuchtig, niet waar? Gij zijt luitenant, welnu, gij zult mijn lijkbaar

als kapitein volgen.”--„Maar wat heb ik u toch misdaan?” vroeg Felton

bewogen; „dat gij mij met een dergelijke verantwoordelijkheid voor God

en de menschen bezwaart? Binnen weinige dagen zult gij ver van hier

zijn, mevrouw! Uw leven zal dra niet meer in mijn bewaring wezen; en,”

voegde hij er zuchtend bij, „dan kunt gij naar goedvinden

handelen.”--„Dus?” riep milady, alsof zij een heilige verontwaardiging

niet kon weerstaan, „gij, een vroom man! gij, dien men een rechtvaardige

noemt! gij vraagt één ding, namelijk: door mijn dood niet beschuldigd,

niet verontrust te worden?”--„Ik moet over uw leven waken, mevrouw! en

ik zal er over waken.”--„Maar begrijpt gij den last, dien gij volvoert?

Reeds wreed, indien ik schuldig ware, wat naam zoudt gij, welken naam

zou de Heer hem geven, indien ik onschuldig was?”--„Ik ben krijgsman,

mevrouw! en ik volbreng de bevelen, die men mij gegeven

heeft.”--„Gelooft gij, dat op den laatsten oordeelsdag God de verblinde

beulen van de onrechtvaardige rechters zal scheiden? Gij wilt niet, dat

ik mijn lichaam doode, en gij stelt u tot den uitvoerder van hem, die

mijn ziel wil dooden.”--„Maar ik herhaal u,” hernam Felton geschokt,

„niet het minste gevaar bedreigt u, en ik blijf voor lord de Winter als

voor mij zelven verantwoordelijk.”--„Dwaas!” riep milady, „arme dwaas,

die voor een ander mensch durft verantwoordelijk blijven, wanneer de

wijsten, zij, die het meest naar Gods wil handelen, aarzelen voor zich

zelven verantwoordelijk te zijn, en die zich met den sterksten en den

gelukkigsten vereenigt, om de zwakste en de ongelukkigste te

verdrukken.”--„Onmogelijk, mevrouw!” mompelde Felton, die bij zich

zelven de gegrondheid dezer redeneering besefte; „als gevangene zult gij

door mij de vrijheid niet wederkrijgen, als levende zult gij door mij

het leven niet verliezen.”--„Ja!” riep milady, „ik zal datgene

verliezen, wat mij meer waard is dan het leven, ik zal de eer verliezen,

Felton! en ik zal u verantwoordelijk stellen voor God en de menschen,

wegens mijn schande en oneer.”

Nu vermocht Felton, hoe ongevoelig hij was of scheen te zijn, niet

langer aan den onzichtbaren invloed weerstand bieden, die zich van hem

had meester gemaakt. Die zoo schoone vrouw, heerlijk als een

schitterende verschijning, te beschouwen, haar beurtelings bedroefd en

treurig te zien, tevens den invloed harer smart en dien harer schoonheid

te ondergaan, dat was te veel voor een hoofd, ondermijnd door de

gloeiende droomerijen van een geestdrijvend geloof; dat was te veel voor

een hart, tegelijk verschroeid door de liefde des Hemels, die brandt, en

door den haat der menschen, die verslindt.--Milady bemerkte zijn

ontroering; zij voelde bij ingeving de vlam der tegenstrijdige

hartstochten, die met het bloed de aderen van den jongen geestdrijver

als vuur doorliepen, en, gelijk aan een bekwamen generaal, die, den

vijand gereed ziende te wijken, met een zegevierend gejuich op hem

aanvalt, stond zij op, schoon als een Heidensche priesteres, en in de

geestverrukking eener Christenmaagd, met uitgestrekten arm, ontblooten

hals, vliegende haren, met de eene hand haar kleed schaamachtig op haar

borst houdende, den blik verlicht door dat vuur, hetwelk reeds de zinnen

van den jongen Puritein zoo geweldig in beweging had gebracht, trad zij

op hem toe en riep uit met zekere hevigheid in haar zoo zachte stem, aan

welke zij bij zekere gelegenheden een zoo vreeselijken klank wist te

geven:

Ga aan Baäl zijn offer geven,

Werp het in des leeuwen muil.

Maar Gods wraak zal u doen beven;

Ik roep tot Hem uit ’s afgronds kuil.

Felton stond daar, als ware hij versteend.--„Wie zijt gij? wie zijt

gij?” riep hij, de handen wringende, „zijt gij engel of booze geest;

heet gij Eloa of Astarté?”--„Hebt gij mij niet herkend? Ik ben noch

engel, noch booze geest, ik ben een dochter der aarde, ik ben van u een

zuster, niets anders.”--„Ja, ja!” zeide Felton, „ik twijfelde nog, maar

nu geloof ik.”--„Gij gelooft? en echter zijt gij de medeplichtige van

dat Belialskind, lord de Winter genoemd. Gij gelooft? en echter laat gij

mij in de handen mijner vijanden, van den vijand van _Engeland_, en van

den vijand van God. Gij gelooft? en nochtans levert gij mij over aan

hem, die de wereld met zijn ketterij en ongebondenheid vervult en

bezoedelt, aan dien eerloozen Sardanapalus, dien de verblinden hertog

van Buckingham, en de geloovigen den _Antichrist_ noemen.”--„Ik u aan

Buckingham leveren? Ik? Wat zegt gij toch?”--„Zij hebben oogen,” riep

milady, „en zullen niet zien; zij hebben ooren, en zullen niet

hooren.”--„Ja, ja,” zeide Felton, zijn handen over zijn met zweet bedekt

voorhoofd strijkende, als om den laatsten twijfel weg te vegen, „ja, ik

herken de stem, die mij in mijn droomen aanroept; ja, ik herken het

gelaat van den engel, die mij elken nacht verschijnt en mijn ziel, die

niet kan rusten, toeroept: ‚Stoot toe, red _Engeland_, red u zelven,

want gij zult sterven, zonder God ontwapend te hebben!’ Spreek, spreek!”

riep Felton, „thans kan ik u begrijpen.”

Een lichtstraal eener verschrikkelijke vreugd, maar snel als de

gedachte, schoot uit milady’s oogen. Hoe snel ook die moorddadige

vuurstraal verdween, had Felton hem echter gezien en hij schrikte, alsof

die straal den peilloozen afgrond van het hart dezer vrouw verlichtte.

Felton herinnerde zich eensklaps de waarschuwing van lord de Winter, de

verleidingsmiddelen van milady, haar eerste pogingen bij haar aankomst,

hij deinsde een schrede terug en liet zijn hoofd zinken, maar zonder op

te houden haar te beschouwen, alsof zijn oogen, door dat zonderlinge

schepsel aangetrokken, zich niet van haar afwenden konden.--Milady was

geen vrouw om zich omtrent de aarzeling te bedriegen. Onder die

schijnbare aandoening verliet haar tegenwoordigheid van geest haar geen

oogenblik.

Alvorens Felton haar had kunnen antwoorden en zij gedwongen was, dit zoo

moeilijk en op denzelfden verrukten toon vol te houden gesprek weer op

te nemen, liet zij haar handen langs haar zijden vallen, alsof de

zwakheid der vrouw op de verrukking der opgetogene de overhand

had.--„Maar neen,” zeide zij, „het past mij niet de _Judith_ te zijn,

die _Bethanië_ van dien _Holophernus_ zal bevrijden. Het zwaard des

Eeuwigen is te zwaar voor mijn handen. Laat mij dus de schande door den

dood ontgaan, laat mij als martelares mij redden. Ik vraag u niets

anders, dan mij te laten sterven. Ik bid, ik smeek er u om op mijn

knieën, laat mij sterven, en mijn laatste snik zal een zegening voor

mijn redder zijn.”

Op die zachte, smeekende stem, op dien schroomvalligen en neergeslagen

blik, trad Felton nader. Van lieverlede had de tooveres zich weder met

dat prachtige tooisel bekleed, hetwelk zij naar willekeur aflegde en

weer opnam, namelijk: de schoonheid, de zachtheid, de tranen, en vooral

de onweerstaanbare bekoring van die geheimzinnige, wellustige dweperij,

de verslindendste aller wellusten.--„Helaas!” zeide Felton, „mij blijft

niets anders over, dan u te beklagen, indien gij mij bewijst een

slachtoffer te zijn. Lord de Winter heeft echter gewichtige bezwaren

tegen u. Gij zijt een Christinne, in het geloof zijt gij mijn zuster, ik

voel mij tot u aangetrokken, ik, die nooit iemand anders dan mijn

weldoener heb bemind, ik, die in het leven slechts verraders en

goddeloozen heb ontmoet. Maar gij, mevrouw! gij, in werkelijkheid zoo

schoon, zoo zuiver in schijn, moet, dewijl lord de Winter u zoo streng

vervolgt, veel kwaad hebben bedreven.”--„Zij hebben oogen,” herhaalde

milady, „en zij zullen niet zien; zij hebben ooren, en zij zullen niet

hooren.”

„Maar spreek, spreek dan!” riep de jonge officier.--„U mijn schande

openbaren!” riep milady, met den blos der schaamte op de wangen; „want

dikwijls strekt de misdaad van den een tot schande van den ander. U mijn

schande vertrouwen! aan u, aan een man, terwijl ik een vrouw ben! Ach!”

vervolgde zij, schaamachtig de hand voor haar schoone oogen brengende.

„Ach! nooit, nooit zal ik dit kunnen!”--„Aan mij, aan een broeder niet!”

riep Felton.--Milady beschouwde hem lang met een uitdrukking, die de

jonge officier voor een twijfeling aanzag en die nochtans niets anders

was dan opmerkzaamheid en vooral begeerte om te verblinden.--Felton, op

zijn beurt smeekende, vouwde de handen.--„Welnu,” zeide milady, „ik zal

mij aan mijn broeder vertrouwen, ik zal durven.”

Op dat oogenblik hoorde men de voetstappen van lord de Winter, maar nu

bepaalde de vreeselijke schoonbroeder van milady er zich niet toe,

zooals den vorigen dag, de deur voorbij te gaan, maar hij bleef staan,

wisselde een paar woorden met den schildwacht, de deur werd geopend en

hij verscheen. Terwijl die paar woorden werden gewisseld, was Felton

haastig achteruitgetreden, en toen lord de Winter binnentrad, stond hij

op eenige schreden van de gevangene. De baron trad langzaam voorwaarts

en bracht zijn vorschenden blik van de gevangene op den jongen

officier.--„Het is reeds lang, John!” zeide hij, „dat gij hier zijt,

heeft de vrouw u haar misdaden verhaald? zoo ja, dan begrijp ik de

langdurigheid van het onderhoud.”--Felton beefde en milady voelde, dat

zij verloren was, indien zij den ontstelden Puritein niet te hulp

kwam.--„Ha! gij vreest, dat uw gevangene u ontsnapt,” zeide zij. „Welnu,

vraag aan uw gevangenbewaarder, welke gratie ik zooeven van hem

verzocht.”--„Gij vraagdet hem een gratie?” zeide de baron

wantrouwend.--„Ja, mylord!” hernam de jongeling verlegen.--„En welke

gratie, spreek?” ging lord de Winter voort.--„Een mes, dat zij mij door

de traliën der deur zou teruggeven, na het één minuut gehad te hebben,”

antwoordde Felton.--„Is hier dan iemand verborgen, dien de lieve dame

den hals wil afsnijden?” hernam lord de Winter op spottenden, schamperen

toon.--„Ik ben er,” antwoordde milady.--„Ik heb u de keus tusschen

_Amerika_ en _Tyburn_ gelaten,” hernam lord de Winter; „kies _Tyburn_,

milady! het koord is, geloof mij, nog zekerder dan het mes.”--Felton

voelde een rilling tot door het merg van zijn gebeente loopen.

Waarschijnlijk bemerkte milady die gewaarwording.--„Gij hebt gelijk,”

zeide zij, „en ik had er reeds aan gedacht.”--Vervolgens voegde zij er

met een gesmoorde stem bij: „Ik zal er nog aan denken.”--Felton

verbleekte en trad een schrede nader, zich herinnerende dat, toen hij

was binnengekomen, milady een koord in de hand hield.

„Wees op uw hoede, John!” zeide lord de Winter; „John! mijn vriend! ik

heb mijn vertrouwen in u gesteld, wees op uw hoede, ik heb u

gewaarschuwd. Bovendien, houd moed, mijn zoon! binnen drie dagen zullen

wij van dit schepsel bevrijd zijn en waar ik haar zal zenden, zal zij

niemand meer leed doen.”--„Gij hoort het!” riep milady, derwijze

uitbarstende, dat de baron in de meening was, dat zij zich tot den hemel

richtte, terwijl Felton begreep, dat het tot hem was. Felton liet het

hoofd zinken en peinsde. De baron nam den officier bij den arm en keerde

over zijn schouder het hoofd om, ten einde milady, zoo lang hij niet

vertrokken was, in het oog te houden.

„O! o!” zeide de gevangene, toen de deur gesloten was, „ik ben zoo ver

nog niet gekomen als ik dacht.... De Winter heeft zijn gewone dwaasheid

in een ongehoorde voorzichtigheid veranderd; zie eens wat de wraakzucht

al niet teweegbrengt, en hoe die zucht den mensch misvormt. Maar Felton

aarzelt. O, hij is geen stoutmoedige, zooals die vervloekte d’Artagnan.”

Intusschen wachtte milady met ongeduld, want zij twijfelde er niet aan,

dat de dag niet zou verloopen, zonder dat zij Felton weerzag. Eindelijk,

een uur na het tooneel, dat wij hebben verhaald, hoorde zij zachtjes

voor haar deur spreken en spoedig hierop zag zij de deur openen en

herkende Felton. De jongeling trad haastig de kamer binnen, de deur

achter zich openlatende en milady een teeken gevende van te zwijgen;

zijn gezicht was geheel ontsteld.--„Wat wilt gij?” vroeg

zij.--„Luister,” antwoordde Felton zoo zacht mogelijk, „ik heb den

schildwacht doen vertrekken, om hier te kunnen blijven, zonder dat men

wete dat ik gekomen ben, om met u te spreken, zonder dat men kan hooren

wat ik u zeg. De baron heeft mij een vreeselijke geschiedenis

verhaald.”--Milady nam glimlachend het masker eens slachtoffers aan en

schudde het hoofd.--„Of gij zijt een helsche geest,” hernam Felton, „òf

de baron, mijn weldoener, mijn vader, is een monster. Ik ken u sedert

vier dagen, ik bemin hem sedert tien jaar; ik mag dus tusschen u beiden

aarzelen, schrik niet van hetgeen ik u zeg, ik moet overtuiging hebben;

hedennacht, na twaalf uur, zal ik bij u komen en gij zult mij die

overtuiging geven.”

„Neen, Felton! neen, mijn broeder!” zeide zij, „het offer is te groot en

ik voel, dat het u te zwaar valt. Neen, ik ben verloren, stort u niet

met mij in het verderf! Mijn dood zal welsprekender zijn dan mijn leven,

en de stomheid van het lijk zal u beter overtuigen dan de woorden eener

gevangene.”--„Zwijg, mevrouw! spreek niet alzoo tot mij, ik ben gekomen,

opdat gij mij op uw eer zoudt beloven en bij alles wat u heilig is

bezweren, uw leven niet te kort te doen.”--„Ik wil niet beloven,” zeide

milady, „want niemand heeft meer eerbied voor een eed dan ik, en indien

ik beloofde, zou ik die belofte moeten houden.”--„Welnu!” zeide Felton,

„verbind u dan slechts tot zoo lang dat gij mij zult hebben weergezien.

En dan, wanneer gij in uw besluit mocht volharden, zult gij vrij zijn,

en ik zal u zelf het wapen geven, dat gij mij hebt gevraagd.”--„Het zij

zoo,” zeide milady, „voor u zal ik wachten.”--„Zweer het.”--„Ik zweer

het bij onzen God! Zijt gij tevreden?”--„Ja,” zeide Felton, „tot van

nacht.”--En hij snelde de kamer uit en wachtte buiten met de halve piek

van den soldaat in de hand, alsof hij op wacht stond. Toen de soldaat

was teruggekomen, gaf Felton hem zijn wapen terug.

Toen zag milady door de getraliede opening der deur, welke zij was

genaderd, den jongeling in een hevige gemoedsbeweging de gang doorijlen,

als van vreugde buiten zich zelven. Wat haar betreft, zij keerde naar

haar plaats terug, met den glimlach eener woeste verachting op de

lippen, en dien vreeselijken naam Gods vloekende, op welken zij had

gezworen zonder dien ooit te hebben leeren kennen, herhaalde zij: „Mijn

God! dwaze geestdrijver.... mijn God? dat ben ik, ik en hij, die mij in

mijn wraak zal helpen!”

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 76 / 93 题