Derde dag van gevangenschap.
Felton was gekomen; maar hij moest nog verder worden gebracht; hij
moest worden gehouden, of liever hij moest uit zich zelven blijven;
milady zag echter nog slechts in het duistere het middel, dat haar
dat voordeel moest bezorgen. En wat meer is, hij moest tot spreken
worden genoopt, ten einde ook tot hem te kunnen spreken; immers milady
wist zeer goed, dat haar grootste verleidingsmiddel in haar stem was
gelegen, die zoo behendig al de klanken wist aan te nemen van die
eener menschelijke tot die eener hemelsche stem. En echter, ondanks
al die verleidingsmiddelen, zou milady kunnen schipbreuk lijden;
want Felton was gewaarschuwd,--schipbreuk lijden door het geringste
toeval.
Van af dat oogenblik sloeg zij al zijn gangen, al zijn woorden, tot
zelfs den eenvoudigen blik zijner oogen gade, zijn gebaren, zijn
ademhaling, die men voor een zucht had kunnen houden; zij studeerde, als
een bekwaam tooneelspeler, wien men een nieuwe rol heeft gegeven, welke
hij niet gewoon is te vervullen. Tegenover lord de Winter was haar
gedrag gemakkelijker; ook had zij het den vorigen dag bepaald.
Sprakeloos en waardig in zijn tegenwoordigheid te blijven, hem van tijd
tot tijd door een in het oog vallenden afkeer, door een verachtelijk
woord te vertoornen, hem tot bedreigingen en gewelddadigheden aan te
sporen, die bij haar onderwerping zeer zouden afsteken, ziedaar haar
plan. Felton zou zien, misschien wel niets zeggen, maar toch zien.
Des morgens kwam Felton als naar gewoonte; milady liet hem stil al de
toebereidselen tot het ontbijt bijwonen, zonder tot hem een enkel woord
te richten. Ook toen hij gereed was zich te verwijderen, vervulde haar
een straal van hoop, want zij meende, dat hij het zou zijn, die zou
spreken, maar zijn lippen bewogen zich, zonder dat de minste klank uit
zijn mond kwam, en met geweld besloot hij in zijn hart de woorden, die
hij op het punt stond van zijn lippen te doen vloeien, en hij vertrok.
Tegen den middag kwam lord de Winter binnen. Het was een fraaie
zomerdag, en een straal dier bleeke zon van _Engeland_, welke verlicht,
maar niet verwarmt, drong door de traliën harer gevangenis. Milady zag
door het venster en hield zich, alsof zij niet hoorde, dat de deur werd
geopend.
„Ha! ha!” riep lord de Winter, „na eerst een komedie, vervolgens een
treurspel, begint gij nu droefgeestigheid te vertoonen!”--De gevangene
antwoordde niet.--„Ja, ja!” vervolgde de Winter, „ik begrijp, gij zoudt
wel aan den oever in vrijheid willen zijn; gij zoudt wel op een goed
schip de baren dier smaragdgroene zee willen doorklieven; gij zoudt mij
wel op het vaste land of op den oceaan een dier lieve kleine valstrikken
willen leggen, zooals gij ze zoo aardig weet samen te stellen. Geduld,
geduld! binnen vier dagen zult gij tot den oever worden toegelaten, dan
zal de zee zich voor u uitbreiden, meer uitbreiden dan gij verlangt;
want binnen vier dagen zal _Engeland_ van u bevrijd zijn.”
Milady vouwde de handen en sloeg haar schoone oogen
hemelwaarts.--„Heere! Heere!” sprak zij met een engelachtige zachtheid
in gebaren en toon, „vergeef dien man, zooals ik hem vergeef.”--„Ja,
bid, vervloekte!” riep de baron, „uw gebed is te edelmoediger, daar gij,
dit zweer ik u, in de macht zijt van iemand, die niet zal vergeven.”--En
hij verwijderde zich.
Op het oogenblik dat hij vertrok, doordrong haar diepe blik de half
openstaande deur, en zij zag Felton, die haastig ter zijde trad om niet
door haar gezien te worden. Toen wierp zij zich op de knieën en begon te
bidden: „Mijn God! Mijn God! Gij kent de heilige zaak, voor welke ik
lijd; schenk mij daarom de kracht te kunnen lijden.”--De deur werd
zachtjes geopend, de schoone bidster hield zich, alsof zij niets gehoord
had, en met een door tranen gesmoorde stem vervolgde zij: „Wrekend God!
God van goedheid! zult Gij de afschuwelijke plannen van dien man
veroorloven!”
Toen eerst veinsde zij het gerucht der voetstappen van Felton te hooren,
en snel als de gedachte opstaande, bloosde zij, als ware zij beschaamd
knielende gezien te worden.--„Ik stoor niet gaarne hen, die bidden,
mevrouw!” zeide Felton ernstig; „geef dus geen acht op mij, ik bid
u.”--„Hoe weet gij, dat ik bad, mijnheer?” vroeg milady met een door
snikken gesmoorde stem: „gij bedriegt u, mijnheer! ik bad
niet.”--„Gelooft gij dan, mevrouw!” hernam Felton met zijn gewone
ernstige stem, hoewel op zachteren toon, „dat ik mij het recht zou
willen aanmatigen een schepsel te beletten zich voor zijn Schepper neer
te buigen.... Dat God zulks verhoede! Bovendien, het berouw past de
schuldige, welke misdaad zij ook hebbe bedreven; een misdadiger is mij,
voor de voeten van God neergeknield, heilig.”--„Schuldig, ik?” zeide
milady met een glimlach, die den engel des laatsten oordeelsdags
ontwapend zou hebben. „Schuldig, mijn God! Gij weet of ik het ben! Zeg
liever, mijnheer! dat ik veroordeeld ben! maar gij weet het, God, die de
martelaars liefheeft, veroorlooft soms, dat de onschuldigen veroordeeld
worden.”--„Al waart gij veroordeeld, al zijt gij onschuldig, al waart
gij een martelares,” antwoordde Felton, „hebt gij te meer reden om te
bidden, en ik zelf zal u met mijn gebeden ondersteunen.”--„O, gij zijt
een rechtvaardige!” riep milady, zich voor zijn voeten werpende; „zie,
de moed begeeft mij, want ik vrees, dat mij mijn krachten zullen
verlaten op het oogenblik, dat ik den worstelstrijd zal moeten aanvangen
en mijn geloof belijden; luister daarom naar de smeekingen eener
wanhopende vrouw. Men misleidt u, mijnheer! maar hiervan is geen sprake;
ik verzoek u slechts een gunst, en indien gij mij die toestaat, zal ik u
hier en hiernamaals zegenen.”--„Spreek tot den meester, mevrouw!” zeide
Felton, „ik ben gelukkig niet belast om te vergeven of te straffen, en
het is aan hooger dan mij, dat God die verantwoordelijkheid heeft
opgelegd.”--„Aan u, neen, aan u alleen. Luister, eer dan tot mijn
verderf mede te werken, liever dan tot mijn schande bij te
dragen.”--„Indien gij die schande, die verguizing hebt verdiend,
mevrouw! moet gij die ondergaan en ze Gode toewijden.”--„Wat zegt gij?
Gij begrijpt mij niet! Wanneer ik van schande spreek, meen niet dat ik
een of andere kastijding bedoel, de gevangenis of den dood! Gave het de
Hemel! Wat deren mij gevangenis of dood?”--„Nu begrijp ik u niet meer,
mevrouw!” zeide Felton.--„Of gij schijnt mij niet te willen begrijpen,
mijnheer!” antwoordde de gevangene met een twijfelenden
glimlach.--„Neen, mevrouw, op mijn krijgsmanseer, op mijn woord als
Christen.”--„Hoe! kent gij de plannen van lord de Winter jegens mij
niet?”--„Ik ken ze niet.”--„Onmogelijk! gij, zijn vertrouweling.”--„Ik
lieg nooit, mevrouw!”--„Och! hij veinst echter te weinig om die niet te
raden.”--„Ik wil niets raden, mevrouw! ik wacht tot men mij iets
toevertrouwt, en behalve hetgeen lord de Winter mij in uw
tegenwoordigheid heeft gezegd, weet ik niets.”--„Maar!” riep milady op
een onbeschrijfelijken toon van waarheid, „gij zijt dan niet zijn
medeplichtige? gij weet dan niet, dat hij mij een schande bereidt, welke
al de folteringen der wereld in afschuwelijkheid niet kunnen
evenaren?”--„Gij bedriegt u, mevrouw!” zeide Felton blozende, „lord de
Winter is tot zoodanige misdaad niet in staat.”
„Goed,” zeide milady bij zich zelve, „zonder te weten wat het is, noemt
hij het een misdaad!”
Vervolgens luid: „De vriend van den eerlooze is tot alles in
staat.”--„Wien noemt gij den eerlooze?” vroeg Felton.--„Bestaan er dan
in _Engeland_ twee personen, op wien die naam kan worden
toegepast?”--„Gij wilt van George Villiers spreken,” zeide Felton, wiens
oogen begonnen te vlammen.--„Wien de heidenen, de ongeloovigen en de
ketters hertog van Buckingham noemen,” hernam milady; „ik wist niet, dat
er in _Engeland_ een Engelschman gevonden werd, die een zoo lange
verklaring behoefde om te herkennen van wien ik wilde spreken.”--„De
hand des Heeren is over hem uitgestrekt; hij zal de verdiende kastijding
niet ontgaan.”--Felton uitte hier slechts omtrent den hertog het gevoel
van afschuw, dat al de Engelschen hem hadden gewijd, dien de katholieken
zelfs niet anders dan Satan noemden.--„Ach, mijn God!” riep milady,
„wanneer ik U smeek dien man de kastijding te zenden, welke hij
verdient, dan weet Gij, dat het niet mijn eigen wraak is, die ik beoog,
maar de verlossing van een geheel volk, die ik afbid.”--„Kent gij hem
dan?” vroeg Felton.
„Eindelijk doet hij mij een vraag,” zeide milady bij zich zelve, ten
toppunt van vreugd van zoo spoedig tot een gewenschten uitslag te zijn
gekomen.
„Ach, of ik hem ken, ach ja, tot mijn eeuwig ongeluk!”--En milady wrong
zich de handen als was zij door smart overweldigd.
Felton voelde misschien inwendig zijn krachten hem verlaten; hij naderde
eenige schreden de deur; de gevangene, die hem niet uit het oog verloor,
sprong hem na en hield hem staande.--„Mijnheer!” riep zij, „wees
barmhartig. Verhoor mijn gebed! Dat mes, hetwelk de noodlottige
voorzichtigheid van den baron mij heeft ontnomen, omdat hij weet, welk
gebruik ik er van wil maken. Ach! hoor mij aan tot het einde! Geef mij
dat mes slechts voor een oogenblik terug, wees zoo genadig, om Godswil.
Ik omhels uw knieën! Hoor, gij zult de deur sluiten; het is niet tegen
u, dat ik kwalijk gezind ben. God! u kwaad te willen, u, het eenige
goede, medelijdende, rechtvaardige schepsel, dat ik ontmoet heb: gij,
misschien mijn redder! Slechts één minuut dat mes, één enkele minuut, en
ik geef het u door de opening van de deur weer terug. Niet langer dan
een minuut, mijnheer Felton; en gij zult mijn eer hebben gered.”--„U
zelve het leven te ontnemen?”--„Nu heb ik u mijn geheim gezegd,
mijnheer!” zeide milady, als uitgeput op den vloer neerzinkende. „Hij
weet alles, mijn God! ik ben verloren!”--Felton bleef onbeweeglijk en
besluiteloos staan.--„Hij twijfelt nog; ik ben niet waar genoeg
geweest.”
Men hoorde voetstappen in de gang; milady herkende den stap van lord de
Winter. Ook Felton herkende hem en naderde een schrede de deur. Milady
sprong op.--„Ach! zeg geen woord, bid ik u,” sprak zij met onderdrukte
stem, „geen woord aan dien man, van al hetgeen ik u heb gezegd, of ik
ben verloren; en gij zijt het.... gij....”--Toen, daar de schreden
naderden, zweeg zij, vreezende dat men haar stem mocht hooren, met
ontzettend angstgebaar haar schoone hand op den mond van Felton
leggende. Felton stiet zachtjes milady van zich af, die op een rustbank
neerzeeg.
Lord de Winter ging de deur voorbij zonder zich op te houden, en men
hoorde, dat hij zich verwijderde. Felton, bleek als de dood, bleef
eenige oogenblikken met luisterende ooren staan; en toen het gerucht
geheel had opgehouden, haalde hij adem als iemand, die uit een droom
ontwaakt, en hij snelde het vertrek uit.--„Ha!” zeide milady op haar
beurt, naar de voetstappen van Felton luisterende, die zich in de
tegenovergestelde richting van lord de Winter verwijderden; „eindelijk
behoort gij mij dan?” Maar eensklaps verdonkerde haar gelaat. „Indien
hij het den baron mededeelt, ben ik verloren,” zeide zij; „want de
baron, die wel weet, dat ik mij niet om het leven zal brengen, zal mij
in zijn tegenwoordigheid een mes in de hand geven, en dan zal hij zien,
dat die hevige wanhoop slechts bedrog was.” Zij ging voor den spiegel
staan en beschouwde zich zelve; nooit was zij zoo schoon geweest. „O
neen,” zeide zij glimlachende, „hij zal hem niets zeggen.”
Des avonds begeleidde lord de Winter het avondmaal.--„Mijnheer!” vroeg
milady, „is uw tegenwoordigheid een onvermijdelijk vereischte van mijn
gevangenschap, of zoudt gij mij die meerdere foltering, welke mij uw
bezoeken veroorzaken, kunnen sparen?”--„Wat zegt gij toch, waarde
zuster!” riep de Winter; „hebt gij mij dan niet door uw fraaien mond,
die heden zoo wreed voor mij is, teederlijk betuigd, dat gij alleen ter
wille van mij naar _Engeland_ waart gekomen, om mij op uw gemak te zien,
een genot, zooals gij mij zeidet, van hetwelk gij zoo gevoelig het gemis
ondervondt, dat gij er alles: zeeziekten, stormen en gevangenschap voor
hebt gewaagd? Welnu, hier ben ik; wees nu tevreden. Daarenboven, ditmaal
heeft mijn bezoek een reden.”
Milady beefde; zij dacht, dat Felton gesproken had. Nooit in haar leven
had die vrouw, welke zoo vele hevige en tegenstrijdige aandoeningen had
ondervonden, haar hart zoo gevoelig voelen kloppen. Zij zat; lord de
Winter nam een leuningstoel en trok dien bij haar; hij zette zich naast
haar neder en haalde vervolgens uit zijn zak een papier, dat hij
langzaam openvouwde.--„Ziedaar,” zeide hij, „ik wilde u dit soort van
paspoort toonen, hetwelk ik zelf heb opgesteld, en dat u voortaan tot
een volgnommer zal strekken in het leven, dat ik zoo goed ben u te
laten.”--Daarop zijn oogen van milady op het papier richtende las hij:
„Bevel ter overbrenging naar....”
„De naam is opengelaten,” zeide lord de Winter, zijn voorlezing
afbrekende; „indien gij de een of andere plaats verkiest, kunt gij het
mij zeggen, en als het slechts op een duizendtal mijlen van _Londen_ is,
zal uw verzoek worden ingewilligd. Ik ga dus voort:
„Bevel ter overbrenging naar.... van de vrouw genoemd Charlotte Bakson,
door het Fransche gerecht gebrandmerkt, na haar straf te hebben
ondergaan, vrijgelaten. Zij zal in gemelde plaats mogen blijven, zonder
zich ooit verder dan drie mijlen daarvan te mogen verwijderen. In geval
zij mocht trachten te ontvluchten, zal de doodstraf aan haar worden
voltrokken. Zij zal dagelijks vijf schellingen voor inwoning en voedsel
ontvangen.”
„Dat bevel betreft mij niet,” antwoordde milady koel, „dewijl het een
anderen naam dan den mijnen behelst.”--„Een naam? hebt gij dan een
naam?”--„Ik heb dien van uw broeder.”--„Gij bedriegt u, mijn broeder is
slechts uw tweede man, en de eerste leeft nog. Zeg mij zijn naam, en ik
zal hem in de plaats stellen van den naam Charlotte Bakson. Niet? Wilt
gij niet? Gij blijft zwijgen! Nu, het is goed, men zal u onder den naam
van Charlotte Bakson wegzenden.”
Milady bleef het stilzwijgen bewaren; doch het was nu niet meer uit
eigen wil, maar door angst. Zij dacht, dat het bevel gereed stond
volbracht te worden; zij dacht, dat lord de Winter haar vertrek had
bespoedigd, en zij veroordeeld was dienzelfden avond scheep te gaan. Zij
was gedurende een oogenblik als vernietigd; maar eensklaps bemerkte zij,
dat het bevel volstrekt geen onderteekening droeg. De vreugde, die haar
deze ontdekking veroorzaakte, was zoo groot, dat zij die niet kon
verbergen.--„Ja, ja,” zeide lord de Winter, die zag wat er in haar
omging; „ja, gij vindt geen handteekening en gij denkt: ‚O, alles is nog
niet verloren! dat stuk is nog niet geteekend. Men laat het mij zien om
mij angst aan te jagen.’--Gij bedriegt u; morgen zal dat bevel den
hertog van Buckingham worden gezonden; overmorgen zal het, door zijn
hand onderteekend en met een zegel bekrachtigd, terug zijn, en vier en
twintig uren daarna, dat verzeker ik u, zal een begin met de uitvoering
er van gemaakt worden. Vaarwel, mevrouw! dat is al wat ik u had te
zeggen.”--„En ik zal u antwoorden, mijnheer! dat dit misbruik van gezag,
die verbanning onder een valschen naam, een schanddaad is.”--„Wilt gij
liever onder uw waren naam gehangen worden, milady? Gij weet, de
Engelsche wetten zijn onverbiddelijk ten aanzien van een dubbel
huwelijk; verklaar u openhartig; hoewel mijn naam, of liever de naam van
mijn broeder in dit alles is gemengd, zal ik de schande van een openbaar
rechtsgeding wagen, ten einde in eens de zekerheid te hebben van u
ontslagen te zijn.”
Milady antwoordde niet, maar werd bleek als een lijk.--„O, ik zie, dat
gij het reizen verkiest. Kostelijk, mevrouw, en er is een spreekwoord,
dat zegt: het reizen vormt de jeugd. Mijn God! gij hebt niet geheel en
al ongelijk; het leven is zoet. Ook daarom zorg ik, dat gij het mij niet
ontneemt. Nu blijft er nog over de geldzaak der vijf schellings te
regelen; ik toon mij wel wat zuinig, niet waar? Maar het is om ook weer
te voorkomen, dat gij uw bewakers verleidt. Gij kunt echter beproeven,
indien uw poging op Felton u niet afkeerig heeft gemaakt.”
„Felton heeft niets gezegd,” zeide milady bij zich zelve; „alles is dus
nog niet verloren.”
„En nu, mevrouw! tot weerziens! Morgen kom ik u het vertrek van mijn
bode berichten.”--Lord de Winter stond op, groette spottend milady en
vertrok.
Milady schepte adem; haar bleven nog vier dagen over; vier dagen waren
voor haar voldoende om Felton geheel te verleiden. Een vreeselijke
gedachte kwam toen in haar op, namelijk: dat lord de Winter misschien
Felton zou zenden om het bevel door Buckingham te doen teekenen, en op
die wijze zou Felton haar ontgaan; want wilde de gevangene in haar
oogmerk slagen, dan moest zij de betoovering eener onafgebroken
verleiding aanwenden. Intusschen, zooals wij zeiden, stelde één ding
haar gerust; Felton had niet gesproken. Zij wilde niet ontroerd schijnen
voor de bedreiging van lord de Winter; zij zette zich dus aan tafel en
at. Vervolgens knielde zij zooals den vorigen dag neder en zeide luide
haar gebeden op. Ook zooals den vorigen dag bleef de schildwacht
stilstaan om naar haar te luisteren. Weldra werden er lichtere
voetstappen dan die van den soldaat gehoord, welke van achter uit de
gang kwamen en voor de deur stilhielden.
„Dat is hij,” zeide zij, en zij begon hetzelfde godsdienstige gezang van
den vorigen dag, hetwelk Felton zoo bovenmate in verrukking had
gebracht. Maar hoewel haar zachte, volle, trillende stem nog
welluidender en hartroerender klonk, bleef de deur echter gesloten.
Milady meende wel, terwijl zij vluchtig haar blik op de kleine opening
der deur wierp, door het nauwe traliewerk de twee glinsterende oogen des
jongelings te zien; maar of het werkelijk zoo was of slechts
verbeelding, ditmaal had hij de kracht niet de deur te openen.
Slechts weinige oogenblikken nadat zij haar gezang had geëindigd, meende
milady een diepen zucht te hooren; vervolgens verwijderden zich de
voetstappen, die zij had hooren naderen, langzaam en als met leedwezen.