HOOFDSTUK XXIII.

Derde dag van gevangenschap.

Felton was gekomen; maar hij moest nog verder worden gebracht; hij

moest worden gehouden, of liever hij moest uit zich zelven blijven;

milady zag echter nog slechts in het duistere het middel, dat haar

dat voordeel moest bezorgen. En wat meer is, hij moest tot spreken

worden genoopt, ten einde ook tot hem te kunnen spreken; immers milady

wist zeer goed, dat haar grootste verleidingsmiddel in haar stem was

gelegen, die zoo behendig al de klanken wist aan te nemen van die

eener menschelijke tot die eener hemelsche stem. En echter, ondanks

al die verleidingsmiddelen, zou milady kunnen schipbreuk lijden;

want Felton was gewaarschuwd,--schipbreuk lijden door het geringste

toeval.

Van af dat oogenblik sloeg zij al zijn gangen, al zijn woorden, tot

zelfs den eenvoudigen blik zijner oogen gade, zijn gebaren, zijn

ademhaling, die men voor een zucht had kunnen houden; zij studeerde, als

een bekwaam tooneelspeler, wien men een nieuwe rol heeft gegeven, welke

hij niet gewoon is te vervullen. Tegenover lord de Winter was haar

gedrag gemakkelijker; ook had zij het den vorigen dag bepaald.

Sprakeloos en waardig in zijn tegenwoordigheid te blijven, hem van tijd

tot tijd door een in het oog vallenden afkeer, door een verachtelijk

woord te vertoornen, hem tot bedreigingen en gewelddadigheden aan te

sporen, die bij haar onderwerping zeer zouden afsteken, ziedaar haar

plan. Felton zou zien, misschien wel niets zeggen, maar toch zien.

Des morgens kwam Felton als naar gewoonte; milady liet hem stil al de

toebereidselen tot het ontbijt bijwonen, zonder tot hem een enkel woord

te richten. Ook toen hij gereed was zich te verwijderen, vervulde haar

een straal van hoop, want zij meende, dat hij het zou zijn, die zou

spreken, maar zijn lippen bewogen zich, zonder dat de minste klank uit

zijn mond kwam, en met geweld besloot hij in zijn hart de woorden, die

hij op het punt stond van zijn lippen te doen vloeien, en hij vertrok.

Tegen den middag kwam lord de Winter binnen. Het was een fraaie

zomerdag, en een straal dier bleeke zon van _Engeland_, welke verlicht,

maar niet verwarmt, drong door de traliën harer gevangenis. Milady zag

door het venster en hield zich, alsof zij niet hoorde, dat de deur werd

geopend.

„Ha! ha!” riep lord de Winter, „na eerst een komedie, vervolgens een

treurspel, begint gij nu droefgeestigheid te vertoonen!”--De gevangene

antwoordde niet.--„Ja, ja!” vervolgde de Winter, „ik begrijp, gij zoudt

wel aan den oever in vrijheid willen zijn; gij zoudt wel op een goed

schip de baren dier smaragdgroene zee willen doorklieven; gij zoudt mij

wel op het vaste land of op den oceaan een dier lieve kleine valstrikken

willen leggen, zooals gij ze zoo aardig weet samen te stellen. Geduld,

geduld! binnen vier dagen zult gij tot den oever worden toegelaten, dan

zal de zee zich voor u uitbreiden, meer uitbreiden dan gij verlangt;

want binnen vier dagen zal _Engeland_ van u bevrijd zijn.”

Milady vouwde de handen en sloeg haar schoone oogen

hemelwaarts.--„Heere! Heere!” sprak zij met een engelachtige zachtheid

in gebaren en toon, „vergeef dien man, zooals ik hem vergeef.”--„Ja,

bid, vervloekte!” riep de baron, „uw gebed is te edelmoediger, daar gij,

dit zweer ik u, in de macht zijt van iemand, die niet zal vergeven.”--En

hij verwijderde zich.

Op het oogenblik dat hij vertrok, doordrong haar diepe blik de half

openstaande deur, en zij zag Felton, die haastig ter zijde trad om niet

door haar gezien te worden. Toen wierp zij zich op de knieën en begon te

bidden: „Mijn God! Mijn God! Gij kent de heilige zaak, voor welke ik

lijd; schenk mij daarom de kracht te kunnen lijden.”--De deur werd

zachtjes geopend, de schoone bidster hield zich, alsof zij niets gehoord

had, en met een door tranen gesmoorde stem vervolgde zij: „Wrekend God!

God van goedheid! zult Gij de afschuwelijke plannen van dien man

veroorloven!”

Toen eerst veinsde zij het gerucht der voetstappen van Felton te hooren,

en snel als de gedachte opstaande, bloosde zij, als ware zij beschaamd

knielende gezien te worden.--„Ik stoor niet gaarne hen, die bidden,

mevrouw!” zeide Felton ernstig; „geef dus geen acht op mij, ik bid

u.”--„Hoe weet gij, dat ik bad, mijnheer?” vroeg milady met een door

snikken gesmoorde stem: „gij bedriegt u, mijnheer! ik bad

niet.”--„Gelooft gij dan, mevrouw!” hernam Felton met zijn gewone

ernstige stem, hoewel op zachteren toon, „dat ik mij het recht zou

willen aanmatigen een schepsel te beletten zich voor zijn Schepper neer

te buigen.... Dat God zulks verhoede! Bovendien, het berouw past de

schuldige, welke misdaad zij ook hebbe bedreven; een misdadiger is mij,

voor de voeten van God neergeknield, heilig.”--„Schuldig, ik?” zeide

milady met een glimlach, die den engel des laatsten oordeelsdags

ontwapend zou hebben. „Schuldig, mijn God! Gij weet of ik het ben! Zeg

liever, mijnheer! dat ik veroordeeld ben! maar gij weet het, God, die de

martelaars liefheeft, veroorlooft soms, dat de onschuldigen veroordeeld

worden.”--„Al waart gij veroordeeld, al zijt gij onschuldig, al waart

gij een martelares,” antwoordde Felton, „hebt gij te meer reden om te

bidden, en ik zelf zal u met mijn gebeden ondersteunen.”--„O, gij zijt

een rechtvaardige!” riep milady, zich voor zijn voeten werpende; „zie,

de moed begeeft mij, want ik vrees, dat mij mijn krachten zullen

verlaten op het oogenblik, dat ik den worstelstrijd zal moeten aanvangen

en mijn geloof belijden; luister daarom naar de smeekingen eener

wanhopende vrouw. Men misleidt u, mijnheer! maar hiervan is geen sprake;

ik verzoek u slechts een gunst, en indien gij mij die toestaat, zal ik u

hier en hiernamaals zegenen.”--„Spreek tot den meester, mevrouw!” zeide

Felton, „ik ben gelukkig niet belast om te vergeven of te straffen, en

het is aan hooger dan mij, dat God die verantwoordelijkheid heeft

opgelegd.”--„Aan u, neen, aan u alleen. Luister, eer dan tot mijn

verderf mede te werken, liever dan tot mijn schande bij te

dragen.”--„Indien gij die schande, die verguizing hebt verdiend,

mevrouw! moet gij die ondergaan en ze Gode toewijden.”--„Wat zegt gij?

Gij begrijpt mij niet! Wanneer ik van schande spreek, meen niet dat ik

een of andere kastijding bedoel, de gevangenis of den dood! Gave het de

Hemel! Wat deren mij gevangenis of dood?”--„Nu begrijp ik u niet meer,

mevrouw!” zeide Felton.--„Of gij schijnt mij niet te willen begrijpen,

mijnheer!” antwoordde de gevangene met een twijfelenden

glimlach.--„Neen, mevrouw, op mijn krijgsmanseer, op mijn woord als

Christen.”--„Hoe! kent gij de plannen van lord de Winter jegens mij

niet?”--„Ik ken ze niet.”--„Onmogelijk! gij, zijn vertrouweling.”--„Ik

lieg nooit, mevrouw!”--„Och! hij veinst echter te weinig om die niet te

raden.”--„Ik wil niets raden, mevrouw! ik wacht tot men mij iets

toevertrouwt, en behalve hetgeen lord de Winter mij in uw

tegenwoordigheid heeft gezegd, weet ik niets.”--„Maar!” riep milady op

een onbeschrijfelijken toon van waarheid, „gij zijt dan niet zijn

medeplichtige? gij weet dan niet, dat hij mij een schande bereidt, welke

al de folteringen der wereld in afschuwelijkheid niet kunnen

evenaren?”--„Gij bedriegt u, mevrouw!” zeide Felton blozende, „lord de

Winter is tot zoodanige misdaad niet in staat.”

„Goed,” zeide milady bij zich zelve, „zonder te weten wat het is, noemt

hij het een misdaad!”

Vervolgens luid: „De vriend van den eerlooze is tot alles in

staat.”--„Wien noemt gij den eerlooze?” vroeg Felton.--„Bestaan er dan

in _Engeland_ twee personen, op wien die naam kan worden

toegepast?”--„Gij wilt van George Villiers spreken,” zeide Felton, wiens

oogen begonnen te vlammen.--„Wien de heidenen, de ongeloovigen en de

ketters hertog van Buckingham noemen,” hernam milady; „ik wist niet, dat

er in _Engeland_ een Engelschman gevonden werd, die een zoo lange

verklaring behoefde om te herkennen van wien ik wilde spreken.”--„De

hand des Heeren is over hem uitgestrekt; hij zal de verdiende kastijding

niet ontgaan.”--Felton uitte hier slechts omtrent den hertog het gevoel

van afschuw, dat al de Engelschen hem hadden gewijd, dien de katholieken

zelfs niet anders dan Satan noemden.--„Ach, mijn God!” riep milady,

„wanneer ik U smeek dien man de kastijding te zenden, welke hij

verdient, dan weet Gij, dat het niet mijn eigen wraak is, die ik beoog,

maar de verlossing van een geheel volk, die ik afbid.”--„Kent gij hem

dan?” vroeg Felton.

„Eindelijk doet hij mij een vraag,” zeide milady bij zich zelve, ten

toppunt van vreugd van zoo spoedig tot een gewenschten uitslag te zijn

gekomen.

„Ach, of ik hem ken, ach ja, tot mijn eeuwig ongeluk!”--En milady wrong

zich de handen als was zij door smart overweldigd.

Felton voelde misschien inwendig zijn krachten hem verlaten; hij naderde

eenige schreden de deur; de gevangene, die hem niet uit het oog verloor,

sprong hem na en hield hem staande.--„Mijnheer!” riep zij, „wees

barmhartig. Verhoor mijn gebed! Dat mes, hetwelk de noodlottige

voorzichtigheid van den baron mij heeft ontnomen, omdat hij weet, welk

gebruik ik er van wil maken. Ach! hoor mij aan tot het einde! Geef mij

dat mes slechts voor een oogenblik terug, wees zoo genadig, om Godswil.

Ik omhels uw knieën! Hoor, gij zult de deur sluiten; het is niet tegen

u, dat ik kwalijk gezind ben. God! u kwaad te willen, u, het eenige

goede, medelijdende, rechtvaardige schepsel, dat ik ontmoet heb: gij,

misschien mijn redder! Slechts één minuut dat mes, één enkele minuut, en

ik geef het u door de opening van de deur weer terug. Niet langer dan

een minuut, mijnheer Felton; en gij zult mijn eer hebben gered.”--„U

zelve het leven te ontnemen?”--„Nu heb ik u mijn geheim gezegd,

mijnheer!” zeide milady, als uitgeput op den vloer neerzinkende. „Hij

weet alles, mijn God! ik ben verloren!”--Felton bleef onbeweeglijk en

besluiteloos staan.--„Hij twijfelt nog; ik ben niet waar genoeg

geweest.”

Men hoorde voetstappen in de gang; milady herkende den stap van lord de

Winter. Ook Felton herkende hem en naderde een schrede de deur. Milady

sprong op.--„Ach! zeg geen woord, bid ik u,” sprak zij met onderdrukte

stem, „geen woord aan dien man, van al hetgeen ik u heb gezegd, of ik

ben verloren; en gij zijt het.... gij....”--Toen, daar de schreden

naderden, zweeg zij, vreezende dat men haar stem mocht hooren, met

ontzettend angstgebaar haar schoone hand op den mond van Felton

leggende. Felton stiet zachtjes milady van zich af, die op een rustbank

neerzeeg.

Lord de Winter ging de deur voorbij zonder zich op te houden, en men

hoorde, dat hij zich verwijderde. Felton, bleek als de dood, bleef

eenige oogenblikken met luisterende ooren staan; en toen het gerucht

geheel had opgehouden, haalde hij adem als iemand, die uit een droom

ontwaakt, en hij snelde het vertrek uit.--„Ha!” zeide milady op haar

beurt, naar de voetstappen van Felton luisterende, die zich in de

tegenovergestelde richting van lord de Winter verwijderden; „eindelijk

behoort gij mij dan?” Maar eensklaps verdonkerde haar gelaat. „Indien

hij het den baron mededeelt, ben ik verloren,” zeide zij; „want de

baron, die wel weet, dat ik mij niet om het leven zal brengen, zal mij

in zijn tegenwoordigheid een mes in de hand geven, en dan zal hij zien,

dat die hevige wanhoop slechts bedrog was.” Zij ging voor den spiegel

staan en beschouwde zich zelve; nooit was zij zoo schoon geweest. „O

neen,” zeide zij glimlachende, „hij zal hem niets zeggen.”

Des avonds begeleidde lord de Winter het avondmaal.--„Mijnheer!” vroeg

milady, „is uw tegenwoordigheid een onvermijdelijk vereischte van mijn

gevangenschap, of zoudt gij mij die meerdere foltering, welke mij uw

bezoeken veroorzaken, kunnen sparen?”--„Wat zegt gij toch, waarde

zuster!” riep de Winter; „hebt gij mij dan niet door uw fraaien mond,

die heden zoo wreed voor mij is, teederlijk betuigd, dat gij alleen ter

wille van mij naar _Engeland_ waart gekomen, om mij op uw gemak te zien,

een genot, zooals gij mij zeidet, van hetwelk gij zoo gevoelig het gemis

ondervondt, dat gij er alles: zeeziekten, stormen en gevangenschap voor

hebt gewaagd? Welnu, hier ben ik; wees nu tevreden. Daarenboven, ditmaal

heeft mijn bezoek een reden.”

Milady beefde; zij dacht, dat Felton gesproken had. Nooit in haar leven

had die vrouw, welke zoo vele hevige en tegenstrijdige aandoeningen had

ondervonden, haar hart zoo gevoelig voelen kloppen. Zij zat; lord de

Winter nam een leuningstoel en trok dien bij haar; hij zette zich naast

haar neder en haalde vervolgens uit zijn zak een papier, dat hij

langzaam openvouwde.--„Ziedaar,” zeide hij, „ik wilde u dit soort van

paspoort toonen, hetwelk ik zelf heb opgesteld, en dat u voortaan tot

een volgnommer zal strekken in het leven, dat ik zoo goed ben u te

laten.”--Daarop zijn oogen van milady op het papier richtende las hij:

„Bevel ter overbrenging naar....”

„De naam is opengelaten,” zeide lord de Winter, zijn voorlezing

afbrekende; „indien gij de een of andere plaats verkiest, kunt gij het

mij zeggen, en als het slechts op een duizendtal mijlen van _Londen_ is,

zal uw verzoek worden ingewilligd. Ik ga dus voort:

„Bevel ter overbrenging naar.... van de vrouw genoemd Charlotte Bakson,

door het Fransche gerecht gebrandmerkt, na haar straf te hebben

ondergaan, vrijgelaten. Zij zal in gemelde plaats mogen blijven, zonder

zich ooit verder dan drie mijlen daarvan te mogen verwijderen. In geval

zij mocht trachten te ontvluchten, zal de doodstraf aan haar worden

voltrokken. Zij zal dagelijks vijf schellingen voor inwoning en voedsel

ontvangen.”

„Dat bevel betreft mij niet,” antwoordde milady koel, „dewijl het een

anderen naam dan den mijnen behelst.”--„Een naam? hebt gij dan een

naam?”--„Ik heb dien van uw broeder.”--„Gij bedriegt u, mijn broeder is

slechts uw tweede man, en de eerste leeft nog. Zeg mij zijn naam, en ik

zal hem in de plaats stellen van den naam Charlotte Bakson. Niet? Wilt

gij niet? Gij blijft zwijgen! Nu, het is goed, men zal u onder den naam

van Charlotte Bakson wegzenden.”

Milady bleef het stilzwijgen bewaren; doch het was nu niet meer uit

eigen wil, maar door angst. Zij dacht, dat het bevel gereed stond

volbracht te worden; zij dacht, dat lord de Winter haar vertrek had

bespoedigd, en zij veroordeeld was dienzelfden avond scheep te gaan. Zij

was gedurende een oogenblik als vernietigd; maar eensklaps bemerkte zij,

dat het bevel volstrekt geen onderteekening droeg. De vreugde, die haar

deze ontdekking veroorzaakte, was zoo groot, dat zij die niet kon

verbergen.--„Ja, ja,” zeide lord de Winter, die zag wat er in haar

omging; „ja, gij vindt geen handteekening en gij denkt: ‚O, alles is nog

niet verloren! dat stuk is nog niet geteekend. Men laat het mij zien om

mij angst aan te jagen.’--Gij bedriegt u; morgen zal dat bevel den

hertog van Buckingham worden gezonden; overmorgen zal het, door zijn

hand onderteekend en met een zegel bekrachtigd, terug zijn, en vier en

twintig uren daarna, dat verzeker ik u, zal een begin met de uitvoering

er van gemaakt worden. Vaarwel, mevrouw! dat is al wat ik u had te

zeggen.”--„En ik zal u antwoorden, mijnheer! dat dit misbruik van gezag,

die verbanning onder een valschen naam, een schanddaad is.”--„Wilt gij

liever onder uw waren naam gehangen worden, milady? Gij weet, de

Engelsche wetten zijn onverbiddelijk ten aanzien van een dubbel

huwelijk; verklaar u openhartig; hoewel mijn naam, of liever de naam van

mijn broeder in dit alles is gemengd, zal ik de schande van een openbaar

rechtsgeding wagen, ten einde in eens de zekerheid te hebben van u

ontslagen te zijn.”

Milady antwoordde niet, maar werd bleek als een lijk.--„O, ik zie, dat

gij het reizen verkiest. Kostelijk, mevrouw, en er is een spreekwoord,

dat zegt: het reizen vormt de jeugd. Mijn God! gij hebt niet geheel en

al ongelijk; het leven is zoet. Ook daarom zorg ik, dat gij het mij niet

ontneemt. Nu blijft er nog over de geldzaak der vijf schellings te

regelen; ik toon mij wel wat zuinig, niet waar? Maar het is om ook weer

te voorkomen, dat gij uw bewakers verleidt. Gij kunt echter beproeven,

indien uw poging op Felton u niet afkeerig heeft gemaakt.”

„Felton heeft niets gezegd,” zeide milady bij zich zelve; „alles is dus

nog niet verloren.”

„En nu, mevrouw! tot weerziens! Morgen kom ik u het vertrek van mijn

bode berichten.”--Lord de Winter stond op, groette spottend milady en

vertrok.

Milady schepte adem; haar bleven nog vier dagen over; vier dagen waren

voor haar voldoende om Felton geheel te verleiden. Een vreeselijke

gedachte kwam toen in haar op, namelijk: dat lord de Winter misschien

Felton zou zenden om het bevel door Buckingham te doen teekenen, en op

die wijze zou Felton haar ontgaan; want wilde de gevangene in haar

oogmerk slagen, dan moest zij de betoovering eener onafgebroken

verleiding aanwenden. Intusschen, zooals wij zeiden, stelde één ding

haar gerust; Felton had niet gesproken. Zij wilde niet ontroerd schijnen

voor de bedreiging van lord de Winter; zij zette zich dus aan tafel en

at. Vervolgens knielde zij zooals den vorigen dag neder en zeide luide

haar gebeden op. Ook zooals den vorigen dag bleef de schildwacht

stilstaan om naar haar te luisteren. Weldra werden er lichtere

voetstappen dan die van den soldaat gehoord, welke van achter uit de

gang kwamen en voor de deur stilhielden.

„Dat is hij,” zeide zij, en zij begon hetzelfde godsdienstige gezang van

den vorigen dag, hetwelk Felton zoo bovenmate in verrukking had

gebracht. Maar hoewel haar zachte, volle, trillende stem nog

welluidender en hartroerender klonk, bleef de deur echter gesloten.

Milady meende wel, terwijl zij vluchtig haar blik op de kleine opening

der deur wierp, door het nauwe traliewerk de twee glinsterende oogen des

jongelings te zien; maar of het werkelijk zoo was of slechts

verbeelding, ditmaal had hij de kracht niet de deur te openen.

Slechts weinige oogenblikken nadat zij haar gezang had geëindigd, meende

milady een diepen zucht te hooren; vervolgens verwijderden zich de

voetstappen, die zij had hooren naderen, langzaam en als met leedwezen.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 75 / 93 题