Tweede dag van gevangenschap.
Milady droomde, dat d’Artagnan eindelijk in haar macht was, en zij zijn
strafoefening bijwoonde; en het was het gezicht van zijn afschuwelijk
bloed, dat onder de bijl des beuls stroomde, hetwelk dezen bevalligen
glimlach op haar lippen teekende.--Zij sliep als een gevangene, wien een
eerste hoop vervult. Den volgenden dag was zij nog te bed, toen men haar
kamer binnentrad.... Felton bleef in de gang staan; hij had de vrouw
medegebracht, van welke hij den vorigen dag had gesproken, en die was
aangekomen. Die vrouw trad binnen, naderde het bed van milady en bood
haar heur diensten aan.
Milady was gewoonlijk bleek; haar gelaatskleur kon dus iemand lichtelijk
bedriegen, die haar voor het eerst zag.--„Ik heb de koorts,” zeide zij,
„ik heb geen oogenblik gedurende dezen langen nacht geslapen. Ik lijd
geweldig! zoudt gij menschlievender zijn, dan men het gisteren met mij
is geweest? Alles, wat ik verzoek, is trouwens niets anders, dan om te
bed te blijven.”--„Wilt gij, dat men een geneesheer doe komen?” vroeg de
vrouw.
Felton luisterde naar dat gesprek zonder één woord te spreken. Milady
begreep, dat, hoe meer zij door lieden werd omringd, hoe meer
gelegenheid er voor haar zou zijn, om eenigen hunner medelijden in te
boezemen, waardoor derhalve de waakzaamheid van lord de Winter zou
verdubbelen. Bovendien kon de geneesheer verklaren, dat de ziekte
geveinsd was; en milady, na het eerste spel verloren te hebben, wilde
het tweede niet verliezen.
„Waartoe een geneesheer te ontbieden?” zeide zij, „de heeren hebben
gisteren verklaard, dat mijn ziekte een komediespel was, het zou vandaag
hetzelfde wezen; want sedert gisteren heeft men den tijd gehad den
geneesheer te verwittigen.”--„Zeg dan, mevrouw!” zeide Felton
ongeduldig, „welke behandeling gij verlangt te ondergaan.”--„Weet ik
het, mijn God! Ik voel, dat ik lijd, ziedaar! Dat men mij geve wat men
wil, wat bekommer ik er mij om.”--„Ga lord de Winter roepen,” zeide
Felton, vermoeid door deze eeuwigdurende klachten.--„Ach! neen, neen!”
riep milady; „neen, mijnheer! roep hem niet, ik bezweer u; ik ben wèl,
ik heb niets noodig; roep hem niet!”--Zij legde een zoo natuurlijke
drift in dezen uitroep, dat Felton, medegesleept, eenige schreden de
kamer binnentrad.--„Hij is bewogen,” dacht milady.--„Intusschen,
mevrouw!” zeide Felton, „indien gij _wezenlijk_ lijdt, zal men een
geneesheer ontbieden, en mocht gij ons misleiden, des te erger voor u;
maar ten minste zullen wij ons niets te verwijten hebben.”
Milady antwoordde niet, maar haar schoon hoofd op haar hoofdkussen
drukkende, barstte zij in tranen en gesnik uit.--Felton beschouwde haar
een oogenblik met zijn gewone onbeweeglijkheid; toen, ziende dat de
crisis scheen te zullen voortduren, vertrok hij. De vrouw volgde hem.
Lord de Winter verscheen niet.
„Ik geloof, dat ik klaar begin te zien,” mompelde milady met een woeste
vreugd, terwijl zij zich met haar bedsprei bedekte, ten einde die
inwendige ontboezeming van genoegen voor allen, die haar mochten
bespieden, te verbergen.--Twee uren verliepen er.--„Nu is het tijd, dat
de ziekte ophoudt,” zeide zij, „laat ons opstaan en trachten reeds van
heden aan eenige voordeelen te behalen. Er blijven mij slechts tien
dagen over, en reeds heden avond zullen er twee vervlogen zijn.”
Des morgens in de kamer van milady komende, hadden de dienstboden haar
het ontbijt gebracht. Zij meende derhalve, dat men het spoedig zou komen
afnemen, en zij dan Felton zou zien. Milady bedroog zich niet. Felton
verscheen, en zonder er acht op te slaan, of milady al of niet van het
ontbijt iets genuttigd had, wenkte hij, dat men de tafel, die men
gewoonlijk gedekt binnenbracht, buiten de kamer zou brengen. Felton
keerde terug, hij hield een boek in de hand. Milady, schoon, bleek en
gelaten, in een armstoel bij den schoorsteen neergevlijd, geleek een
heilige maagd, die het martelaarschap verwacht.
Felton naderde haar en zeide: „Lord de Winter, die roomsch is, zooals
gij, mevrouw! heeft gedacht, dat het gemis der gebruiken en ceremoniën
van uw godsdienst u smartelijk moet vallen; hij veroorlooft dan ook, dat
gij dagelijks de gebeden _uwer mis_ leest, en ziedaar een boek, dat ze
bevat.”
De wijze ziende, op welke Felton het boek op het tafeltje legde, aan
hetwelk milady zat, den toon hoorende, op welken hij die twee woorden:
_uwer mis_ uitsprak, en den verachtelijken glimlach opmerkende, waarmede
hij een en ander vergezelde, richtte milady het hoofd omhoog en
beschouwde den officier meer aandachtig.--Toen herkende zij aan dat
korte hoofdhaar, aan dat meer dan eenvoudig gewaad, aan dat als marmer
zoo gladde, maar harde en ondoordringbare voorhoofd, als hij zelf, een
dier afgetrokkene Puriteinen, die zij zoo dikwijls zoowel aan het hof
van Jacobus als aan dat van den koning van _Frankrijk_ had aangetroffen,
waar zij, ondanks de herinnering aan den _Bartholomeus-Nacht_, bijwijlen
een toevlucht kwamen zoeken.--Zij had op dat oogenblik een dier
plotselinge ingevingen, welke alleen menschen van genie ontvangen in die
gewichtige omstandigheden, welke over hun geluk of over hun leven moeten
beslissen. Die beide woorden: _uwer mis_, en een eenvoudige blik op
Felton geworpen hadden haar inderdaad het groote gewicht doen beseffen
van het antwoord, dat zij geven moest.
En met de snelheid van bevatting, die haar eigen was, vloeide van haar
lippen dit reeds geheel bereid antwoord: „Ik?” zeide zij op een toon van
verachting, niet minder diep dan die zij in de stem van den jongen
officier had opgemerkt, „ik, mijnheer! _mijn mis_? Lord de Winter, die
verdorven Katholiek, weet wel, dat ik tot zijn leer niet behoor; het is
een valstrik, dien hij mij legt.”--„En welken godsdienst belijdt gij
dan, mevrouw?” vroeg Felton met een verwondering, die hij ondanks zijn
zelfbeheersching niet geheel kon verbergen.--„Ik zal het zeggen!” riep
milady met een geveinsde geestvervoering, „den dag, op welken ik genoeg
voor mijn geloof zal geleden hebben.”
De blik van Felton openbaarde aan milady de geheele uitgestrektheid der
hulp, die zij zich door die weinige woorden had verschaft. Intusschen
bleef de jongeling stom en onbeweeglijk; alleen zijn blik had gesproken.
„Ik ben in de handen mijner vijanden,” vervolgde zij op dien dwependen
toon, welke den Puriteinen zoo eigen was. „Welnu, dat God mij redde, of
dat ik voor God verloren ga! Ziedaar het antwoord, dat ik u verzoek aan
lord de Winter over te brengen; en wat dat boek betreft,” voegde zij er
bij, het gebedenboek met den vinger aanwijzende, maar zonder het aan te
raken, alsof zij door die aanraking besmet zou zijn geworden, „gij kunt
het medenemen, of er u zelven van bedienen, want waarschijnlijk zijt gij
dubbel medeplichtige van lord de Winter, medeplichtige in zijn
vervolgingen, medeplichtige in zijn ketterij.”
Felton antwoordde niet, nam het boek met denzelfden afkeer, dien hij
reeds had doen blijken, en vertrok peinzende. Lord de Winter kwam tegen
vijf uur des namiddags. Milady had gedurende den geheelen dag den tijd
gehad zich een gedragslijn voor te schrijven. Zij ontving hem als een
vrouw, die volkomen van haar voordeel bewust is.
„Het schijnt,” zeide de baron, in een leuningstoel zich neerzettende,
vóór dien op welken milady zat, en gemakkelijk zijn beenen naar den
haard uitstrekkende, „het schijnt, dat wij een weinig ons geloof hebben
verzaakt.”--„Wat wilt gij zeggen, mijnheer?”--„Ik wil zeggen, dat,
sedert het laatst dat wij elkander gezien hebben, wij van godsdienst
zijn veranderd. Zoudt gij bij toeval een derden Protestantschen man
hebben gehuwd?”--„Verklaar u, mylord!” hernam de gevangene met
majesteit, „want ik verzeker u, dat ik uw woorden hoor, maar ze niet
begrijp.”--„Dan is het, omdat gij volstrekt geen godsdienst hebt; maar
dat heb ik nog liever,” hernam lord de Winter met een schamperen
lach.--„Zeker is het, dat dit meer met uw denkwijze strookt,” antwoordde
milady koel.--„Och! ik, ik beken u, dat het mij volkomen onverschillig
is.”--„O, gij zoudt die onverschilligheid in zake van godsdienst niet
belijden, indien uw schandelijke leefwijze en uw misdaden ze niet
bevestigden.”--„Welzoo, spreekt gij van schandelijke leefwijze, mevrouw
Messalina! spreekt gij van misdaden, lady Macbeth! òf ik heb kwalijk
verstaan, òf gij zijt, _Goddam_! vrij onbeschaamd.”--„Gij spreekt aldus,
omdat men ons beluistert, mijnheer!” antwoordde milady koel, „en gij uw
gevangenbewaarders en beulen tegen mij wilt ophitsen.”--„Mijn
gevangenbewaarders en beulen? wel, mevrouw! gij neemt nu een
dichterlijken toon aan, en de komedie van gisteren schijnt heden avond
tot een treurspel over te gaan. Maar binnen acht dagen zult gij weten,
waar gij te huis hoort, en mijn taak zal volbracht zijn.”--„Een
schandelijke, goddelooze taak,” hernam milady met de geestvervoering van
het offer, dat haar rechter tart.--„Ik geloof, op mijn eer, dat het
vrouwspersoon gek wordt.... Kom, kom, wees bedaard, mevrouw de kwezel,
of ik laat u in het cachot brengen. _Goddam_! het is mijn Spaansche
wijn, die u naar het hoofd stijgt, niet waar? maar wees gerust, die
dronkenschap is niet gevaarlijk en zal geen gevolgen hebben.”--En lord
de Winter verwijderde zich al vloekende, hetgeen in dien tijd een zeer
fatsoenlijke gewoonte was.
Felton stond inderdaad achter de deur en had geen enkel woord van het
tooneel verloren. Milady had juist geraden.--„Ja, o ja!” mompelde zij,
„de gevolgen naderen integendeel; maar gij zult ze niet weten, domkop!
dan wanneer het te laat zal zijn om ze te voorkomen.”
De stilte hernieuwde zich; twee uren verliepen; men bracht het avondmaal
en men vond milady een gebed biddende, dat zij van een ouden dienaar van
haar tweeden echtgenoot, een zeer streng Puritein, had geleerd. Zij
scheen in volkomen geestverrukking en gaf niet het minste blijk eenige
acht te slaan op hetgeen rondom haar voorviel. Felton wenkte, dat men
haar niet zou storen; en toen alles gereed was, vertrok hij in stilte
met de soldaten. Milady wist, dat zij kon bespied worden, zij ging dus
met haar gebeden tot aan het einde voort, en zij meende dat de soldaat,
die voor de deur op schildwacht stond, niet meer denzelfden tred hield,
maar scheen te luisteren. Voor het oogenblik verlangde zij niets meer,
zij stond op, zette zich aan tafel, at weinig en dronk slechts water.
Een uur daarna kwam men de tafel wegnemen; maar milady bemerkte, dat
Felton nu de soldaten niet vergezelde. Hij vreesde dus haar te dikwijls
te zien. Zij keerde het hoofd om, om haar glimlach te verbergen, want in
dien glimlach lag een zoo zegevierende uitdrukking, dat die alleen
voldoende zou zijn geweest haar te ontmaskeren. Zij liet nog een half
uur verloopen, en dewijl nu alles in het oude kasteel stil was geworden
en men niets anders hoorde dan het eeuwig gedruisch der baren, die
geweldige ademhaling des oceaans, begon zij met haar zuivere,
welluidende, trillende stem het eerste couplet van dezen toen bij de
Puriteinen zeer in gunst zijnden Psalm:
Om te beproeven onze krachten,
Verlaat Gij, Heere! ons geheel;
Maar voor ons streven, voor ons wachten,
Valt ons uit Uwe milde hand de palmtak ook ten deel.
Die verzen waren zeker niet voortreffelijk, er ontbrak veel aan, maar,
zooals bekend is, de Puriteinen hechtten niet veel waarde aan poëzie. Al
zingende bleef milady echter luisteren; de soldaat, die op schildwacht
voor haar deur stond, was als het ware in steen veranderd stil blijven
staan. Milady kon dus oordeelen over den indruk, dien zij had
teweeggebracht. Daarop vervolgde zij haar gezang met een vurig en
onuitsprekelijk gevoel; het scheen alsof de klank harer stem in de verte
onder de gewelven weergalmde en alsof een toovermiddel de harten harer
bewakers ging verzachten. Intusschen scheen die schildwacht,
ongetwijfeld een oprecht Katholiek, de tooverij te verachten, want door
de traliën in de deur, welke hij opende, zeide hij: „Zwijg, mevrouw! uw
lied is treurig als een _De profundis_, en indien men boven het genoegen
van hier in garnizoen te zijn nog iets dergelijks moet hooren, zal het
er niet langer uit te houden zijn.”--„Zwijg!” riep toen een bevelende
stem, die milady voor die van Felton herkende; „waarmede bemoeit gij u,
kerel? Heeft men u bevolen die vrouw het zingen te beletten? Neen, men
heeft u bevolen haar te bewaken en op haar te schieten, indien zij mocht
trachten te ontvluchten. Bewaak haar; indien zij vlucht, dood haar dan,
maar verander niets aan het bevel.”
Een onbeschrijfelijke glans van vreugd verspreidde zich op het gelaat
van milady; maar die glans verdween even spoedig als een weerlicht, en
zonder te laten blijken die woordenwisseling gehoord te hebben, van
welke zij echter geen woord had verloren, hernam zij, aan haar stem al
de volheid, al de bekoring en verleiding gevende, die de duivel er had
ingelegd:
Voor al de ramp door mij geleden,
Voor mijne ballingschap vol smart,
Heb ik mijn’ jonkheid, mijn’ gebeden,
En God, die richten zal den vijand, dien ik tart.
Haar stem, van een onbeschrijfelijke welluidendheid en vol verheven
vuur, gaf aan de ruwe en onbeschaafde poëzie dezer psalmen een
betoovering en uitdrukking, welke de buitensporigste Puriteinen zelden
in de gezangen hunner broeders vonden, die zij verplicht waren met al de
hulpmiddelen hunner verbeelding schoonheid bij te zetten. Felton meende
den engel te hooren zingen, die de drie Hebreërs in den gloeienden oven
troostte.--Milady vervolgde:
De vrijheidszon zal eenmaal schijnen,
En God ons helpen uit den nood,
Doet Hij dan onze hoop verdwijnen,
Dan blijft ons echter nog èn martlaarschap èn dood.
Dit couplet, waarin die vreeselijke bezweerster geheel haar ziel scheen
te leggen, voltooide de verwarring, waaraan het hart des jongen
officiers ten prooi was; hij opende driftig de deur en milady zag hem
verschijnen, wel bleek als naar gewoonte, maar met gloeiende en bijna
waanzinnige oogen.--„Waarom zingt gij op die wijze?” zeide hij met een
ontroerde stem.--„Vergeef mij, mijnheer!” zeide milady met zachtheid,
„ik vergat, dat mijn zangen in dit huis niet in den smaak zijn. Ik heb u
waarschijnlijk in uw geloof beleedigd, maar dit was, ik verzeker u,
zonder opzet. Vergeef mij dus een misslag, die misschien groot is, maar
door mij zeker niet opzettelijk is bedreven.”
Milady was zoo schoon, de godsdienstige geestverrukking, waarin zij was
gedompeld, gaf aan haar gelaat zooveel uitdrukking, dat Felton,
begoocheld, nu den engel meende te zien, dien hij eenige oogenblikken
alleen meende te hooren.--„Ja, ja,” antwoordde hij, „ja, gij ontroert,
gij verontrust de lieden, die het kasteel bewonen.”--En de arme dwaas
bespeurde zelf niet het onsamenhangende zijner woorden, terwijl milady
haar tijgerkatoog in het diepste van zijn hart wierp.--„Ik zal zwijgen,”
zeide milady, de oogen neerslaande, met al de zachtheid, die zij aan
haar stem kon geven, met al de onderwerping, die zij haar houding kon
doen aannemen.--„Neen, neen, mevrouw!” zeide Felton, „maar zing wat
zachter, vooral des nachts.”
En bij die woorden snelde Felton, die voelde, dat hij tegenover de
gevangene niet langer gestreng kon wezen, het vertrek uit.--„Gij hebt
wel gedaan, luitenant!” zeide de soldaat, „die gezangen beroeren de
ziel; maar men gewent er toch eindelijk aan: de stem is zoo schoon.”