HOOFDSTUK XXII.

Tweede dag van gevangenschap.

Milady droomde, dat d’Artagnan eindelijk in haar macht was, en zij zijn

strafoefening bijwoonde; en het was het gezicht van zijn afschuwelijk

bloed, dat onder de bijl des beuls stroomde, hetwelk dezen bevalligen

glimlach op haar lippen teekende.--Zij sliep als een gevangene, wien een

eerste hoop vervult. Den volgenden dag was zij nog te bed, toen men haar

kamer binnentrad.... Felton bleef in de gang staan; hij had de vrouw

medegebracht, van welke hij den vorigen dag had gesproken, en die was

aangekomen. Die vrouw trad binnen, naderde het bed van milady en bood

haar heur diensten aan.

Milady was gewoonlijk bleek; haar gelaatskleur kon dus iemand lichtelijk

bedriegen, die haar voor het eerst zag.--„Ik heb de koorts,” zeide zij,

„ik heb geen oogenblik gedurende dezen langen nacht geslapen. Ik lijd

geweldig! zoudt gij menschlievender zijn, dan men het gisteren met mij

is geweest? Alles, wat ik verzoek, is trouwens niets anders, dan om te

bed te blijven.”--„Wilt gij, dat men een geneesheer doe komen?” vroeg de

vrouw.

Felton luisterde naar dat gesprek zonder één woord te spreken. Milady

begreep, dat, hoe meer zij door lieden werd omringd, hoe meer

gelegenheid er voor haar zou zijn, om eenigen hunner medelijden in te

boezemen, waardoor derhalve de waakzaamheid van lord de Winter zou

verdubbelen. Bovendien kon de geneesheer verklaren, dat de ziekte

geveinsd was; en milady, na het eerste spel verloren te hebben, wilde

het tweede niet verliezen.

„Waartoe een geneesheer te ontbieden?” zeide zij, „de heeren hebben

gisteren verklaard, dat mijn ziekte een komediespel was, het zou vandaag

hetzelfde wezen; want sedert gisteren heeft men den tijd gehad den

geneesheer te verwittigen.”--„Zeg dan, mevrouw!” zeide Felton

ongeduldig, „welke behandeling gij verlangt te ondergaan.”--„Weet ik

het, mijn God! Ik voel, dat ik lijd, ziedaar! Dat men mij geve wat men

wil, wat bekommer ik er mij om.”--„Ga lord de Winter roepen,” zeide

Felton, vermoeid door deze eeuwigdurende klachten.--„Ach! neen, neen!”

riep milady; „neen, mijnheer! roep hem niet, ik bezweer u; ik ben wèl,

ik heb niets noodig; roep hem niet!”--Zij legde een zoo natuurlijke

drift in dezen uitroep, dat Felton, medegesleept, eenige schreden de

kamer binnentrad.--„Hij is bewogen,” dacht milady.--„Intusschen,

mevrouw!” zeide Felton, „indien gij _wezenlijk_ lijdt, zal men een

geneesheer ontbieden, en mocht gij ons misleiden, des te erger voor u;

maar ten minste zullen wij ons niets te verwijten hebben.”

Milady antwoordde niet, maar haar schoon hoofd op haar hoofdkussen

drukkende, barstte zij in tranen en gesnik uit.--Felton beschouwde haar

een oogenblik met zijn gewone onbeweeglijkheid; toen, ziende dat de

crisis scheen te zullen voortduren, vertrok hij. De vrouw volgde hem.

Lord de Winter verscheen niet.

„Ik geloof, dat ik klaar begin te zien,” mompelde milady met een woeste

vreugd, terwijl zij zich met haar bedsprei bedekte, ten einde die

inwendige ontboezeming van genoegen voor allen, die haar mochten

bespieden, te verbergen.--Twee uren verliepen er.--„Nu is het tijd, dat

de ziekte ophoudt,” zeide zij, „laat ons opstaan en trachten reeds van

heden aan eenige voordeelen te behalen. Er blijven mij slechts tien

dagen over, en reeds heden avond zullen er twee vervlogen zijn.”

Des morgens in de kamer van milady komende, hadden de dienstboden haar

het ontbijt gebracht. Zij meende derhalve, dat men het spoedig zou komen

afnemen, en zij dan Felton zou zien. Milady bedroog zich niet. Felton

verscheen, en zonder er acht op te slaan, of milady al of niet van het

ontbijt iets genuttigd had, wenkte hij, dat men de tafel, die men

gewoonlijk gedekt binnenbracht, buiten de kamer zou brengen. Felton

keerde terug, hij hield een boek in de hand. Milady, schoon, bleek en

gelaten, in een armstoel bij den schoorsteen neergevlijd, geleek een

heilige maagd, die het martelaarschap verwacht.

Felton naderde haar en zeide: „Lord de Winter, die roomsch is, zooals

gij, mevrouw! heeft gedacht, dat het gemis der gebruiken en ceremoniën

van uw godsdienst u smartelijk moet vallen; hij veroorlooft dan ook, dat

gij dagelijks de gebeden _uwer mis_ leest, en ziedaar een boek, dat ze

bevat.”

De wijze ziende, op welke Felton het boek op het tafeltje legde, aan

hetwelk milady zat, den toon hoorende, op welken hij die twee woorden:

_uwer mis_ uitsprak, en den verachtelijken glimlach opmerkende, waarmede

hij een en ander vergezelde, richtte milady het hoofd omhoog en

beschouwde den officier meer aandachtig.--Toen herkende zij aan dat

korte hoofdhaar, aan dat meer dan eenvoudig gewaad, aan dat als marmer

zoo gladde, maar harde en ondoordringbare voorhoofd, als hij zelf, een

dier afgetrokkene Puriteinen, die zij zoo dikwijls zoowel aan het hof

van Jacobus als aan dat van den koning van _Frankrijk_ had aangetroffen,

waar zij, ondanks de herinnering aan den _Bartholomeus-Nacht_, bijwijlen

een toevlucht kwamen zoeken.--Zij had op dat oogenblik een dier

plotselinge ingevingen, welke alleen menschen van genie ontvangen in die

gewichtige omstandigheden, welke over hun geluk of over hun leven moeten

beslissen. Die beide woorden: _uwer mis_, en een eenvoudige blik op

Felton geworpen hadden haar inderdaad het groote gewicht doen beseffen

van het antwoord, dat zij geven moest.

En met de snelheid van bevatting, die haar eigen was, vloeide van haar

lippen dit reeds geheel bereid antwoord: „Ik?” zeide zij op een toon van

verachting, niet minder diep dan die zij in de stem van den jongen

officier had opgemerkt, „ik, mijnheer! _mijn mis_? Lord de Winter, die

verdorven Katholiek, weet wel, dat ik tot zijn leer niet behoor; het is

een valstrik, dien hij mij legt.”--„En welken godsdienst belijdt gij

dan, mevrouw?” vroeg Felton met een verwondering, die hij ondanks zijn

zelfbeheersching niet geheel kon verbergen.--„Ik zal het zeggen!” riep

milady met een geveinsde geestvervoering, „den dag, op welken ik genoeg

voor mijn geloof zal geleden hebben.”

De blik van Felton openbaarde aan milady de geheele uitgestrektheid der

hulp, die zij zich door die weinige woorden had verschaft. Intusschen

bleef de jongeling stom en onbeweeglijk; alleen zijn blik had gesproken.

„Ik ben in de handen mijner vijanden,” vervolgde zij op dien dwependen

toon, welke den Puriteinen zoo eigen was. „Welnu, dat God mij redde, of

dat ik voor God verloren ga! Ziedaar het antwoord, dat ik u verzoek aan

lord de Winter over te brengen; en wat dat boek betreft,” voegde zij er

bij, het gebedenboek met den vinger aanwijzende, maar zonder het aan te

raken, alsof zij door die aanraking besmet zou zijn geworden, „gij kunt

het medenemen, of er u zelven van bedienen, want waarschijnlijk zijt gij

dubbel medeplichtige van lord de Winter, medeplichtige in zijn

vervolgingen, medeplichtige in zijn ketterij.”

Felton antwoordde niet, nam het boek met denzelfden afkeer, dien hij

reeds had doen blijken, en vertrok peinzende. Lord de Winter kwam tegen

vijf uur des namiddags. Milady had gedurende den geheelen dag den tijd

gehad zich een gedragslijn voor te schrijven. Zij ontving hem als een

vrouw, die volkomen van haar voordeel bewust is.

„Het schijnt,” zeide de baron, in een leuningstoel zich neerzettende,

vóór dien op welken milady zat, en gemakkelijk zijn beenen naar den

haard uitstrekkende, „het schijnt, dat wij een weinig ons geloof hebben

verzaakt.”--„Wat wilt gij zeggen, mijnheer?”--„Ik wil zeggen, dat,

sedert het laatst dat wij elkander gezien hebben, wij van godsdienst

zijn veranderd. Zoudt gij bij toeval een derden Protestantschen man

hebben gehuwd?”--„Verklaar u, mylord!” hernam de gevangene met

majesteit, „want ik verzeker u, dat ik uw woorden hoor, maar ze niet

begrijp.”--„Dan is het, omdat gij volstrekt geen godsdienst hebt; maar

dat heb ik nog liever,” hernam lord de Winter met een schamperen

lach.--„Zeker is het, dat dit meer met uw denkwijze strookt,” antwoordde

milady koel.--„Och! ik, ik beken u, dat het mij volkomen onverschillig

is.”--„O, gij zoudt die onverschilligheid in zake van godsdienst niet

belijden, indien uw schandelijke leefwijze en uw misdaden ze niet

bevestigden.”--„Welzoo, spreekt gij van schandelijke leefwijze, mevrouw

Messalina! spreekt gij van misdaden, lady Macbeth! òf ik heb kwalijk

verstaan, òf gij zijt, _Goddam_! vrij onbeschaamd.”--„Gij spreekt aldus,

omdat men ons beluistert, mijnheer!” antwoordde milady koel, „en gij uw

gevangenbewaarders en beulen tegen mij wilt ophitsen.”--„Mijn

gevangenbewaarders en beulen? wel, mevrouw! gij neemt nu een

dichterlijken toon aan, en de komedie van gisteren schijnt heden avond

tot een treurspel over te gaan. Maar binnen acht dagen zult gij weten,

waar gij te huis hoort, en mijn taak zal volbracht zijn.”--„Een

schandelijke, goddelooze taak,” hernam milady met de geestvervoering van

het offer, dat haar rechter tart.--„Ik geloof, op mijn eer, dat het

vrouwspersoon gek wordt.... Kom, kom, wees bedaard, mevrouw de kwezel,

of ik laat u in het cachot brengen. _Goddam_! het is mijn Spaansche

wijn, die u naar het hoofd stijgt, niet waar? maar wees gerust, die

dronkenschap is niet gevaarlijk en zal geen gevolgen hebben.”--En lord

de Winter verwijderde zich al vloekende, hetgeen in dien tijd een zeer

fatsoenlijke gewoonte was.

Felton stond inderdaad achter de deur en had geen enkel woord van het

tooneel verloren. Milady had juist geraden.--„Ja, o ja!” mompelde zij,

„de gevolgen naderen integendeel; maar gij zult ze niet weten, domkop!

dan wanneer het te laat zal zijn om ze te voorkomen.”

De stilte hernieuwde zich; twee uren verliepen; men bracht het avondmaal

en men vond milady een gebed biddende, dat zij van een ouden dienaar van

haar tweeden echtgenoot, een zeer streng Puritein, had geleerd. Zij

scheen in volkomen geestverrukking en gaf niet het minste blijk eenige

acht te slaan op hetgeen rondom haar voorviel. Felton wenkte, dat men

haar niet zou storen; en toen alles gereed was, vertrok hij in stilte

met de soldaten. Milady wist, dat zij kon bespied worden, zij ging dus

met haar gebeden tot aan het einde voort, en zij meende dat de soldaat,

die voor de deur op schildwacht stond, niet meer denzelfden tred hield,

maar scheen te luisteren. Voor het oogenblik verlangde zij niets meer,

zij stond op, zette zich aan tafel, at weinig en dronk slechts water.

Een uur daarna kwam men de tafel wegnemen; maar milady bemerkte, dat

Felton nu de soldaten niet vergezelde. Hij vreesde dus haar te dikwijls

te zien. Zij keerde het hoofd om, om haar glimlach te verbergen, want in

dien glimlach lag een zoo zegevierende uitdrukking, dat die alleen

voldoende zou zijn geweest haar te ontmaskeren. Zij liet nog een half

uur verloopen, en dewijl nu alles in het oude kasteel stil was geworden

en men niets anders hoorde dan het eeuwig gedruisch der baren, die

geweldige ademhaling des oceaans, begon zij met haar zuivere,

welluidende, trillende stem het eerste couplet van dezen toen bij de

Puriteinen zeer in gunst zijnden Psalm:

Om te beproeven onze krachten,

Verlaat Gij, Heere! ons geheel;

Maar voor ons streven, voor ons wachten,

Valt ons uit Uwe milde hand de palmtak ook ten deel.

Die verzen waren zeker niet voortreffelijk, er ontbrak veel aan, maar,

zooals bekend is, de Puriteinen hechtten niet veel waarde aan poëzie. Al

zingende bleef milady echter luisteren; de soldaat, die op schildwacht

voor haar deur stond, was als het ware in steen veranderd stil blijven

staan. Milady kon dus oordeelen over den indruk, dien zij had

teweeggebracht. Daarop vervolgde zij haar gezang met een vurig en

onuitsprekelijk gevoel; het scheen alsof de klank harer stem in de verte

onder de gewelven weergalmde en alsof een toovermiddel de harten harer

bewakers ging verzachten. Intusschen scheen die schildwacht,

ongetwijfeld een oprecht Katholiek, de tooverij te verachten, want door

de traliën in de deur, welke hij opende, zeide hij: „Zwijg, mevrouw! uw

lied is treurig als een _De profundis_, en indien men boven het genoegen

van hier in garnizoen te zijn nog iets dergelijks moet hooren, zal het

er niet langer uit te houden zijn.”--„Zwijg!” riep toen een bevelende

stem, die milady voor die van Felton herkende; „waarmede bemoeit gij u,

kerel? Heeft men u bevolen die vrouw het zingen te beletten? Neen, men

heeft u bevolen haar te bewaken en op haar te schieten, indien zij mocht

trachten te ontvluchten. Bewaak haar; indien zij vlucht, dood haar dan,

maar verander niets aan het bevel.”

Een onbeschrijfelijke glans van vreugd verspreidde zich op het gelaat

van milady; maar die glans verdween even spoedig als een weerlicht, en

zonder te laten blijken die woordenwisseling gehoord te hebben, van

welke zij echter geen woord had verloren, hernam zij, aan haar stem al

de volheid, al de bekoring en verleiding gevende, die de duivel er had

ingelegd:

Voor al de ramp door mij geleden,

Voor mijne ballingschap vol smart,

Heb ik mijn’ jonkheid, mijn’ gebeden,

En God, die richten zal den vijand, dien ik tart.

Haar stem, van een onbeschrijfelijke welluidendheid en vol verheven

vuur, gaf aan de ruwe en onbeschaafde poëzie dezer psalmen een

betoovering en uitdrukking, welke de buitensporigste Puriteinen zelden

in de gezangen hunner broeders vonden, die zij verplicht waren met al de

hulpmiddelen hunner verbeelding schoonheid bij te zetten. Felton meende

den engel te hooren zingen, die de drie Hebreërs in den gloeienden oven

troostte.--Milady vervolgde:

De vrijheidszon zal eenmaal schijnen,

En God ons helpen uit den nood,

Doet Hij dan onze hoop verdwijnen,

Dan blijft ons echter nog èn martlaarschap èn dood.

Dit couplet, waarin die vreeselijke bezweerster geheel haar ziel scheen

te leggen, voltooide de verwarring, waaraan het hart des jongen

officiers ten prooi was; hij opende driftig de deur en milady zag hem

verschijnen, wel bleek als naar gewoonte, maar met gloeiende en bijna

waanzinnige oogen.--„Waarom zingt gij op die wijze?” zeide hij met een

ontroerde stem.--„Vergeef mij, mijnheer!” zeide milady met zachtheid,

„ik vergat, dat mijn zangen in dit huis niet in den smaak zijn. Ik heb u

waarschijnlijk in uw geloof beleedigd, maar dit was, ik verzeker u,

zonder opzet. Vergeef mij dus een misslag, die misschien groot is, maar

door mij zeker niet opzettelijk is bedreven.”

Milady was zoo schoon, de godsdienstige geestverrukking, waarin zij was

gedompeld, gaf aan haar gelaat zooveel uitdrukking, dat Felton,

begoocheld, nu den engel meende te zien, dien hij eenige oogenblikken

alleen meende te hooren.--„Ja, ja,” antwoordde hij, „ja, gij ontroert,

gij verontrust de lieden, die het kasteel bewonen.”--En de arme dwaas

bespeurde zelf niet het onsamenhangende zijner woorden, terwijl milady

haar tijgerkatoog in het diepste van zijn hart wierp.--„Ik zal zwijgen,”

zeide milady, de oogen neerslaande, met al de zachtheid, die zij aan

haar stem kon geven, met al de onderwerping, die zij haar houding kon

doen aannemen.--„Neen, neen, mevrouw!” zeide Felton, „maar zing wat

zachter, vooral des nachts.”

En bij die woorden snelde Felton, die voelde, dat hij tegenover de

gevangene niet langer gestreng kon wezen, het vertrek uit.--„Gij hebt

wel gedaan, luitenant!” zeide de soldaat, „die gezangen beroeren de

ziel; maar men gewent er toch eindelijk aan: de stem is zoo schoon.”

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 74 / 93 题