Een eerste dag van gevangenschap.
Keeren wij tot milady terug, die wij, door een blik op de kust van
_Frankrijk_ te werpen, voor een oogenblik uit het oog hebben verloren.
Wij zullen haar in denzelfden wanhopigen toestand wedervinden, waarin
wij haar hebben gelaten, en in een afgrond van sombere vertwijfeling
verzonken; een donkere hel, voor wier deur zij bijna de hoop heeft
verloren; want voor het eerst twijfelt, voor het eerst vreest zij.
In twee omstandigheden is haar de fortuin ontrouw geweest, in twee
omstandigheden heeft zij zich ontdekt, verraden gevonden, en in die
beide omstandigheden is zij bezweken tegenover den noodlottigen geest,
ongetwijfeld door den Heere gezonden om haar te bestrijden.
D’Artagnan heeft haar overwonnen, zij, die onoverwinnelijke macht des
boozen. Hij heeft haar in haar liefde misleid, in haar hoogmoed
vernederd, in haar eerzucht bedrogen; en ziedaar, nu treft hij haar in
haar fortuin, treft haar in haar vrijheid en bedreigt zelfs haar leven.
Wat meer is, hij heeft een gedeelte van haar masker opgelicht, dat
schild, waarmede zij zich bedekt, en dat haar zoo sterk maakt.
D’Artagnan heeft van Buckingham, dien zij haat, zooals zij alles haat,
wat zij eens heeft bemind, den storm afgewend, waarmede Richelieu hem in
de persoon der koningin bedreigde. D’Artagnan heeft zich voor de Wardes
doen doorgaan, voor wien zij de gloeiende liefdedrift eener tijgerin
gevoelde, een drift, even onstuimig als dergelijke vrouwen die kunnen
gevoelen. D’Artagnan kent dat vreeselijk geheim, hetwelk zij gezworen
heeft, dat niemand zou kennen zonder te sterven. Ten slotte, op het
oogenblik dat zij van Richelieu een volmacht ontvangt, met wier hulp zij
zich op haar vijand zal wreken, wordt haar die volmacht ontrukt, en het
is d’Artagnan, die haar gevangen houdt en haar naar de een of andere
walgelijke Botanybay of schandelijke Tyburn van den Indischen oceaan zal
zenden. Want dat alles komt ongetwijfeld van d’Artagnan; van wien anders
zou zooveel schande, op haar hoofd gestapeld, kunnen voortkomen, dan van
hem? Hij alleen heeft aan lord de Winter die afschuwelijke geheimen
kunnen overbrengen, welke hij door een noodlottigen samenloop van
omstandigheden het een na het ander ontdekt heeft. Hij kende haar
schoonbroeder; hij zal hem geschreven hebben. Hoeveel haat verzamelt zij
drop voor drop in haar boezem!
Daar zit zij onbeweeglijk en met gloeiende, strakke oogen in haar
eenzaam vertrek; hoe wèl paren zich de uitbarstingen van het gesmoord
gebrul, dat bijwijlen haar boezem ontglipt, aan het gedruisch der zich
verheffende baren, die brullend, donderend als een eeuwige, onmachtige
wanhoop tegen de rots uiteenspatten, op welke dit somber, trotsch
kasteel gebouwd is. Hoe heerlijk schijnen haar de plannen van wraak, die
zij, bij het licht der bliksemstralen, welke haar woedende gramschap
haar in den geest doet zien, tegen juffrouw Bonacieux, tegen Buckingham,
en vooral tegen d’Artagnan beraamt; maar die echter nog verborgen zijn
in de donkere toekomst.
Ja, maar om zich te wreken, moet men vrij zijn, en om vrij te zijn,
wanneer men gevangen is, moet men een muur doorbreken, traliën uitnemen,
den grond doorgraven, al welke ondernemingen door een geduldigen,
sterken man kunnen worden ten einde gebracht, maar voor welke de
koortsachtige drift eener vrouw moet zwichten. Daarenboven wordt, om dit
alles te doen, veel tijd vereischt.... maanden, jaren! en zij, zij heeft
slechts tien of twaalf dagen, zooals lord de Winter heeft gezegd, haar
broederlijke en vreeselijke cipier. En echter zou zij, een man zijnde,
dit alles beproeven, en misschien zou zij slagen; waarom heeft de Hemel
zich dan zoozeer vergist, door dien mannelijken geest in dat teedere,
zwakke lichaam te doen huizen? Ook waren de eerste oogenblikken harer
gevangenschap vreeselijk; en eenige stuiptrekkingen van razernij, welke
zij niet kon overwinnen, hebben der natuur de schuld harer vrouwelijke
zwakheid betaald. Maar van lieverlede heeft zij zich boven de
uitbarstingen van haar dwazen toorn verheven, de zenuwachtige
stuiptrekkingen haars lichaams zijn verdwenen, en nu ligt zij neer, als
een ineengekronkelde, vermoeide slang, die rust.
„Och! ik was dwaas mij zoo te vervoeren,” zegt zij, in den spiegel
ziende, die aan haar oogen haar gloeienden blik terugkaatst, door welken
zij zich zelve schijnt te ondervragen. „Geen geweld! geweld is een
bewijs van zwakheid; en daarenboven, door dat middel is mij nooit iets
gelukt. Misschien zou ik, indien ik mijn krachten jegens vrouwen
aanwendde, kans hebben, ze nog zwakker dan ik te vinden, en ze bijgevolg
kunnen overwinnen; maar het zijn mannen, waarmede ik worstel, en ik ben
slechts een vrouw voor hen. Worstelen wij dus als een vrouw; mijn kracht
is in mijn zwakheid.”
Toen, als om zich zelve te overtuigen, welke veranderingen zij aan haar
zoo uitdrukkingsvol en edel gelaat kon geven, deed zij het
achtereenvolgens allerlei uitdrukkingen aannemen, vanaf die des toorns,
welke al haar trekken misvormde, tot aan die van den vriendelijksten,
verleidelijksten glimlach. Eindelijk nam, onder haar behendige vingers,
haar hoofdhaar al die krullingen aan, welke zij meende aan haar
bekoorlijk gelaat meer schoonheid te zullen bijzetten, en lispte zij ten
laatste over haar zelve tevreden: „Komaan! alles is nog niet verloren,
ik ben steeds schoon.”
Het was ongeveer acht uur des avonds; milady bespeurde een bed; zij
meende, dat rust gedurende weinige uren niet alleen haar hoofd en haar
denkbeelden zoude verfrisschen, maar nog bovendien haar gelaatskleur.
Onderwijl kwam in haar, alvorens te gaan slapen, een beter denkbeeld op.
Zij had van een avondmaal hooren spreken. Reeds was zij één uur in dat
vertrek, en men zou niet lang meer wachten haar eten te brengen. De
gevangene wilde geen tijd verloren laten gaan, en zij besloot nog
dienzelfden avond eenige pogingen aan te wenden, om het karakter te
bestudeeren van hen, die haar moesten bewaken en dienen.
Een licht blonk onder haar deur; dat licht duidde de terugkomst harer
bewakers aan. Milady, die overeind stond, wierp zich haastig in haar
leuningstoel, haar hoofd achterover latende hangen, van hetwelk haar
fraai hoofdhaar los en verward neergolfde; haar borst was half bloot
onder de verkreukte kanten; de eene hand hield zij op haar hart, de
andere hing langs haar zijde neder.--Men schoof de grendels weg, de deur
kraste op haar hengsels, voetstappen weergalmden in de kamer en
naderden.
„Zet die tafel daar,” zeide een stem, welke de gevangene voor die van
Felton herkende.--Het bevel werd volbracht.--„Gij moet kaarsen
binnenbrengen en de schildwacht doen aflossen,” ging Felton voort; en
dat dubbel bevel, dat de jonge luitenant denzelfden persoon gaf, bewees
aan milady, dat haar dienaars dezelfde als haar bewakers waren, namelijk
soldaten.
De bevelen van Felton werden overigens met een zwijgende snelheid
uitgevoerd, welke een goed denkbeeld gaf van den staat, waarin hij de
krijgstucht hield. Eindelijk wendde Felton, die milady nog niet had
aangezien, zich tot haar.
„Ha! ha!” zeide hij, „zij slaapt. Goed, als zij ontwaakt, kan zij
soupeeren.”--En hij deed eenige schreden om zich te verwijderen.--„Maar,
luitenant!” zeide een minder ongevoelig soldaat dan zijn overste, en die
milady was genaderd, „die vrouw slaapt niet.”--„Wat! slaapt zij niet?”
riep Felton, „wat doet zij dan?”--„Zij ligt in onmacht; haar aangezicht
is zeer bleek, en hoe ik ook luister, ik hoor haar ademhaling
niet.”--„Gij hebt gelijk,” zeide Felton, na milady te hebben beschouwd
van de plaats, waar hij stond, zonder één schrede haar te naderen. „Ga
lord de Winter waarschuwen, dat zijn gevangene in zwijm ligt; want ik
weet niet, wat ik doen moet; in dat geval is niet voorzien.”
De soldaat vertrok, om de bevelen zijns officiers te volbrengen. Felton
ging op een stoel zitten, die bij toeval bij de deur stond, en wachtte
zonder één woord te spreken en onbeweeglijk. Milady bezat die groote,
door de vrouwen zoo ijverig bestudeerde kunst, van alles te zien met
behulp van een spiegel, een weerschijn of een schaduw. Zij beschouwde
Felton, die haar den rug toekeerde en bleef hem ongeveer tien minuten
beschouwen, gedurende welke de onbeweeglijke bewaker zich niet één
enkele maal omkeerde.--Zij bedacht toen, dat lord de Winter zou komen,
die door zijn tegenwoordigheid meer kracht aan zijn cipier zou geven.
Haar eerste proefneming was mislukt; maar zij troostte er zich over als
een vrouw, die nog meer hulpmiddelen heeft. Bijgevolg richtte zij het
hoofd op en slaakte een flauwen zucht. Op dien zucht zag Felton
eindelijk om.
„Ha! zijt gij eindelijk ontwaakt, mevrouw!” zeide hij, „ik behoef dus
hier niet meer te zijn. Als gij het een of ander mocht noodig hebben,
kunt gij roepen.”--„Ach, mijn God! mijn God! wat heb ik geleden!” lispte
milady, met die welluidende stem, welke, gelijk aan die der Sirenen, al
diegenen bekoorde, welke zij wilde in het verderf storten.--En zij nam,
zich in haar leuningstoel oprichtende, een houding aan nog bekoorlijker
en ongedwongener dan die zij liggende had.
Felton stond op.--„Gij zult alzoo drie malen daags bediend worden,
mevrouw!” zeide hij: „des morgens te negen uur, des namiddags te een
uur, en des avonds te acht uur. Indien u zulks niet bevalt, kunt gij
andere uren bepalen, dan die ik u voorstel, en omtrent dat punt zal men
zich aan uw begeerte onderwerpen.”--„Maar zal men mij dan altijd geheel
alleen in deze groote, treurige kamer laten?” vroeg milady.--„Een vrouw
uit de omstreken is ontboden geworden, om voortaan in het kasteel te
zijn, en telkens, wanneer gij haar tegenwoordigheid mocht verlangen, zal
zij bij u komen.”--„Ik dank u, mijnheer!” antwoordde de gevangene
nederig.--Felton maakte een lichte buiging en begaf zich naar de deur.
Op het oogenblik, dat hij den drempel zou overgaan, verscheen lord de
Winter in de gang, gevolgd door den soldaat, die hem van de bezwijming
van milady bericht had gebracht; hij hield in zijn hand een fleschje met
vlugzout.
„Wel, wel! wat gebeurt er toch?” riep hij op spottenden toon, zijn
gevangene overeind ziende en Felton gereed om te vertrekken. „Is die
doode al weer verrezen? _Goddam_, Felton! mijn zoon! hebt gij dan niet
opgemerkt, dat men u voor een schooljongen aanziet, en men het eerste
bedrijf van een komediestuk speelt, waarvan wij zonder twijfel het
pleizier zullen hebben al de verwikkelingen te kunnen volgen?”--„Ik
twijfelde er aan, mylord!” antwoordde Felton; „maar dewijl de gevangene
in alle geval een vrouw is, wilde ik jegens haar al de onderscheiding in
acht nemen, welke ieder welopgevoed man aan een vrouw is verschuldigd,
al is het dan niet voor haar, dan toch voor zich zelven.”
Milady liep een rilling door het gansche lichaam. Die woorden van Felton
vloeiden als ijs door al haar aderen.
„Alzoo,” hernam de Winter lachende, „hebben dat fraaie hoofdhaar, zoo
sierlijk ten toon gespreid, dat blanke vel en die smachtende blik uw
steenen hart nog niet vermurwd?”--„Neen, mylord!” antwoordde de
ongevoelige jongeling; „en geloof mij wel, er behoort meer toe dan
gebaren en de koketterie eener vrouw, om mij te verleiden.”--„In dat
geval, mijn brave luitenant! zullen wij milady iets anders laten zoeken
en aan tafel gaan. Maar wees gerust, zij heeft een zeer vruchtbare
verbeelding, en het tweede bedrijf van het tooneelspel zal spoedig het
eerste volgen.”--En bij deze woorden stak de Winter zijn arm in dien van
Felton en trok hem lachende voort.
„O! ik zal wel vinden, wat ik noodig heb,” mompelde milady binnensmonds;
„wees gerust, arme, mislukte monnik! arme, bekeerde soldaat! die uw
uniform uit een monnikspij hebt gesneden.”--„_A propos_, milady!” hernam
de Winter, op den drempel der deur blijvende staan, „die teleurstelling
moet u den eetlust niet ontnemen. Proef eens van dat hoen en dien visch,
welke ik, op mijn eer, niet heb doen vergiftigen. Ik ben vrij wel over
mijn kok tevreden, en daar hij van mij niet moet erven, stel ik in hem
volkomen vertrouwen. Doe zooals ik. Vaarwel, lieve zuster! tot aan uw
aanstaande bezwijming.”
Dat was alles, wat milady kon verdragen. Haar handen sloten zich
krampachtig om de leuning van haar stoel; dof knarsetandende volgde zij
met haar oogen de beweging der deur, welke zich achter de Winter en
Felton sloot, en toen zij alleen was, overviel haar een nieuwe, nog
geweldiger wanhoop. Zij liet haar oogen op de tafel vallen, zag een mes
glinsteren, sprong toe en greep het; maar haar teleurstelling was wreed,
het lemmet was rond en van buigzaam zilver.
Een schaterend gelach klonk achter de niet geheel geslotene deur, die
weder geopend werd.--„Ha! ha!” riep lord de Winter, „ha! ha! ha! ziet
gij wel, mijn beste Felton! ziet gij wel, wat ik u heb voorzegd? Dat mes
was voor u bestemd, mijn zoon! zij zou u vermoord hebben, hoort gij; een
harer grillen is, zich op deze of gene wijze van de lieden te bevrijden,
welke haar hinderen. Indien ik naar u geluisterd had, ware het mes
puntig en van staal geweest en met Felton zou het dan gedaan zijn
geweest; zij zou u gekeeld hebben, en na u ons allen. Zie maar eens,
John! hoe ferm zij het mes houdt.”
Inderdaad, milady hield nog het onschadelijke wapen in haar krampachtige
hand geklemd: maar die laatste woorden, die verregaande beleediging
opende haar hand en ontspande haar krachten, ja zelfs haar wil. Het mes
viel op den grond.
„Gij hebt gelijk, mylord!” zeide Felton op een toon van diepe walging,
die in het diepste van het hart van milady weerklonk, „gij hebt gelijk,
en ik was het, die ongelijk had.”--En beiden vertrokken opnieuw. Maar nu
luisterde milady beter dan de eerste maal, en zij hoorde hun voetstappen
zich verwijderen en eindelijk aan het einde van de gang geheel
verdwijnen.
„Ik ben verloren!” mompelde zij; „nu ben ik in de macht van lieden, op
welke ik niet meer vat heb dan op bronzen of steenen beelden; zij kennen
mij van buiten en zijn geharnast tegen al mijn wapens.... Het is
nochtans niet mogelijk,” hernam zij na een kort oogenblik, „dat alles
eindige, zooals zij besloten hebben.”
En waarlijk, zooals die laatste overweging, de werktuiglijke terugkeer
tot de hoop, het aanduidde, bleven de vrees en het gevoel van zwakheid
niet lang in die onpeilbare ziel bovendrijven. Milady zette zich aan
tafel, at van verschillende gerechten, dronk een weinig Spaanschen wijn
en voelde al haar stoutmoedigheid herleven.
Alvorens zich te bed te begeven, had zij reeds overwogen, ontleed, zich
naar alle zijden omgekeerd en de woorden, gang, gebaren en teekens, ja
zelfs het stilzwijgen harer bewakers in al hun deelen beschouwd; en uit
deze diepe, doordachte en geleerde beschouwing had zij het besluit
getrokken, dat Felton, alles bij elkander genomen, de minst onkwetsbare
van beiden was.--Een woord vooral kwam telkens in de herinnering van
milady weder op: „Indien ik naar u geluisterd had,” had lord de Winter
tegen Felton gezegd.--Derhalve had Felton in haar voordeel gesproken,
omdat lord de Winter naar Felton niet had willen luisteren.
„Hoe zwak of sterk ook,” herhaalde milady, „heeft die man echter een
vonk van medelijden in zijn ziel. Van deze vonk zal ik een brand doen
uitbreken, die hem zal verslinden. Wat den anderen betreft, deze kent,
vreest mij, en weet, wat hij van mij te wachten heeft, indien ik ooit
aan zijn handen ontsnap; het is dus nutteloos iets op hem te beproeven.
Maar Felton, dat is iets anders, hij schijnt een onnoozel, rein en
deugdzaam jongeling te zijn. Op dezen is het middel te beproeven, hem in
het verderf te storten.”--En milady legde zich te bed en sliep met een
glimlach op de lippen.
Iemand, die haar in dien slaap zou hebben gezien, had een jonge maagd
meenen te zien, die aan den rozenkrans dacht, waarmede zij op het
aanstaande feest haar hoofd zou bekronen.