Officier!
Onderwijl wachtte de kardinaal uit _Engeland_ tijding, maar hij hoorde
niets anders dan hetgeen onaangenaam en dreigend was; zoodat _la
Rochelle_ werd ingesloten; en hoe zeker de uitslag ook scheen te zijn,
ten gevolge der genomen voorzorgen en vooral uit hoofde van den dijk,
die geen enkel schip meer in de belegerde stad toeliet, kon de
belegering nog lang duren, hetgeen een zeer groote schande voor de
wapenen des konings en een groote onaangenaamheid voor den kardinaal
was, die wel niet meer Lodewijk XIII en Anna van Oostenrijk tegen
elkander behoefde op te zetten, want dat was reeds gedaan; maar nu den
heer Bassompierre met den hertog d’Angoulême, die elkaar vijandig gezind
waren, moest verzoenen.
De stad had, ondanks de ongelooflijke volharding van haar burgemeester,
een soort van oproer beproefd en zich willen overgeven. De burgemeester
had de muiters doen ophangen. Die strafoefening bekoelde de verhitte
hoofden, die toen het besluit namen van honger te sterven; een dood, die
altijd langzamer en minder zeker scheen dan die door verworging.
Van hun kant namen de belegeraars van tijd tot tijd boden der belegerden
gevangen, die dezen tot Buckingham zonden; of spionnen, die Buckingham
naar de belegerden zond. In beide gevallen was het vonnis spoedig
geveld. De kardinaal sprak slechts één woord: „Hangen!” En dan noodigde
men den koning om de hangpartij te komen zien. De koning kwam sukkelend
aan, nam de beste plaats in, ten einde de strafoefening in haar
geringste bijzonderheden te kunnen gadeslaan. Dat was ten minste voor
hem een kleine uitspanning en deed hem de langdurigheid van het beleg
geduldig aanzien. Toch belette zulks niet, dat hij zich schrikkelijk
verveelde en onophoudelijk er van sprak naar _Parijs_ terug te keeren,
zoodat, indien boden en spionnen hadden ontbroken, Zijne Eminentie,
ondanks zijn vindingrijkheid, zeer verlegen zou zijn geweest.
Intusschen vervloog de tijd en _la Rochelle_ gaf zich niet over. De
laatste spion, dien men gevat had, was in het bezit van een brief. Die
brief gaf den hertog van Buckingham wel bericht, dat de stad tot het
uiterste was gekomen; maar in plaats dat hierop zou zijn gevolgd:
„indien gij ons binnen veertien dagen geen hulp zendt, zullen wij ons
overgeven!” volgde er eenvoudig: „indien gij ons binnen veertien dagen
geen hulp zendt, zullen wij, bij aankomst van hulp, allen van honger
gestorven zijn!”
De belegerden in _la Rochelle_ stelden derhalve alleen hun hoop op
Buckingham; Buckingham was hun Messias.... Het was blijkbaar dat, zoodra
zij op zekere wijze zouden vernemen, dat er op Buckingham niet meer te
rekenen was, de hoop met hun moed zou verdwijnen. De kardinaal wachtte
daarom ook met groot ongeduld de tijding uit _Engeland_, die hem moest
berichten, dat Buckingham niet zou komen. Het plan, om de stad
stormenderhand in te nemen, dikwerf in des konings raad ter tafel
gebracht, was steeds ter zijde gelegd. Vooreerst scheen _la Rochelle_
onoverwinnelijk te zijn; vervolgens wist de kardinaal, wat hij er ook
van mocht gezegd hebben, zeer goed, dat de afschuwelijke bloedvergieting
bij zoodanige ontmoeting, waarin Franschen tegen Franschen moesten
strijden, een achteruitgaande beweging van zestig jaren aan de
staatkunde zou geven, terwijl de kardinaal op dat tijdstip, zooals men
thans zegt, een man van vooruitgang was. En waarlijk, een inneming
stormenderhand van _la Rochelle_ en het vermoorden van twee of drie
duizend Hugenooten, die zich het leven zouden hebben laten ontnemen,
geleek te veel in 1628 op het bloedbad van den _St. Bartholomeusnacht_
in 1572. Eindelijk leed dit uiterste middel, van hetwelk de koning als
goed katholiek volstrekt niet afkeerig was, steeds schipbreuk op dezen
grondslag der generaals van de belegeraars: _La Rochelle_ is niet anders
te overwinnen dan door hongersnood.
De kardinaal kon uit zijn gedachte de vrees niet verdrijven, welke zijn
vreeselijke zendelinge hem verwekte; want ook hij begreep de zonderlinge
eigenschappen dezer vrouw, die dan eens een slang, dan weder een leeuwin
was. Had zij hem verraden? Was zij dood? Hij kende haar te goed, om niet
in elk geval te weten dat, voor of tegen hem, vriendin of vijandin, zij
niet zonder groote beletselen werkeloos zou blijven; maar van waar
kwamen die beletsels? Daarvan kon hij zich geen denkbeeld vormen.
Overigens rekende hij, en met recht, op milady. Hij had in het verleden
van die vrouw dingen geraden, van welke alleen zijn roode mantel de
vreeselijkheid kon bedekken, en hij gevoelde dat, door de een of andere
oorzaak, die vrouw hem toebehoorde, daar zij in hem alleen voldoende
bescherming kon vinden tegen het gevaar, dat haar bedreigde. Hij besloot
dus den oorlog alleen te voeren en op geen andere hulp te wachten dan op
een gelukkige kans.
Hij ging voort den vermaarden dijk te voltooien, die _la Rochelle_ moest
doen uithongeren, terwijl hij intusschen het oog liet vallen op die
rampzalige stad, die zooveel diepe ellende en zooveel heldendeugd
besloot, en zich de woorden van Lodewijk XI, zijn staatkundigen
voorganger, zooals hij zelf de voorganger van Robespierre was,
herinnerende, herdacht hij die grondstelling van den peetvader van
Tristan: „Verdeelen, om te heerschen.” Hendrik IV, _Parijs_ belegerende,
liet brood en mondbehoeften over de muren werpen. De kardinaal liet
briefjes in de stad werpen, in welke hij de bewoners onder het oog
bracht, hoe onrechtvaardig, baatzuchtig en barbaarsch hun opperhoofden
waren. Die opperhoofden hadden koorn in overvloed en deelden het niet;
zij hadden tot grondstelling, want ook zij hadden grondstellingen, dat
het er niet op aan kwam, dat vrouwen, kinderen en grijsaards stierven,
indien slechts de mannen, die de muren moesten verdedigen, sterk en
gezond bleven. Tot hiertoe, hetzij uit machteloosheid om zich er tegen
te verzetten, was die grondstelling, zonder algemeen te zijn aangenomen,
van theorie in praktijk gebracht; maar die briefjes maakten er inbreuk
op. Die briefjes herinnerden den mannen, dat die kinderen, die vrouwen
en die grijsaards, welke men den dood wijdde, hun zonen, hun gaden, hun
ouders waren; dat het rechtvaardiger zou zijn, dat iedereen in de
algemeene ellende deelde, ten einde eenzelfde gesteldheid een eenparig
besluit zou doen nemen.
Maar op het oogenblik dat de kardinaal reeds zijn middel zag vrucht
dragen en zich geluk wenschte het in werking te hebben gesteld, wist een
ingezetene van _la Rochelle_, die van _Portsmouth_ kwam en God weet hoe,
ondanks de driedubbele waakzaamheid van Bassompierre, van Schomberg en
van den hertog van Angoulême, over wien wederom de kardinaal een
waakzaam oog hield, de koninklijke wachtposten had weten door te komen,
binnen de stad te geraken en verhaalde een prachtige vloot te hebben
gezien, die binnen acht dagen gereed was onder zeil te gaan. Daarenboven
berichtte Buckingham den burgemeester, dat eindelijk het groote
bondgenootschap tegen _Frankrijk_ zou worden tot stand gebracht, en dat
het koninkrijk gelijktijdig door Engelsche, keizerlijke en Spaansche
legers zou worden aangevallen. Die brief werd openlijk op alle pleinen
voorgelezen, en men plakte afschriften er van aan alle hoeken der
straten aan, en zelfs zij, die onderhandelingen hadden aangeknoopt,
braken ze af, besloten die zoo spoedig beloofde hulp af te wachten.
Deze onverwachte omstandigheid vervulde opnieuw Richelieu met
ongerustheid en dwong hem wederom zijn blik naar de overzijde der zee te
richten.
Onderwijl leidde het koninklijk leger, voordeel trekkende van de onrust
van zijn eenig en wezenlijk opperhoofd, een vroolijk leven;
levensbehoeften ontbraken niet in het legerkamp, zoo min als geld. Al de
korpsen wedijverden in moedbetoon en vroolijkheid; spionnen te vangen en
ze op te hangen, gewaagde ondernemingen op den dijk of in zee ten
uitvoer te brengen, dwaasheden te bedenken en die koelbloedig te
bedrijven, dat waren de uitspanningen, die voor het leger de dagen zoo
kort maakten, welke den belegerden zoo lang vielen, die door angst en
gebrek verteerd werden, maar ook voor den kardinaal, die hen zoo nauw
insloot. Het gebeurde wel eens, wanneer de kardinaal, altijd te paard
als de geringste ruiter van het leger, zijn peinzenden blik over die
naar zijn zin zoo langzaam voortgaande werken liet weiden, welke onder
zijn bevelen door de ingenieurs, die hij van alle gedeelten van
_Frankrijk_ liet komen, werden uitgevoerd, het gebeurde wel eens, zeggen
wij, dat hij een of anderen musketier der kompagnie van Tréville
ontmoette; doch wanneer hij dien dan naderde en op een bijzondere wijze
beschouwde, maar niet een onzer vier vrienden in hem herkende, bracht
hij zijn doordringenden blik en veelomvattenden geest op iets anders
over.
Op zekeren dag, verteerd door een doodelijk verdriet, zonder hoop op een
onderhandeling met de stad, zonder tijding uit _Engeland_, was de
kardinaal uitgegaan, zonder ander doel dan om uit te gaan, en alleen
vergezeld van Cahussac en de la Houdinière. Het strand volgende en de
veelomvattendheid zijner denkbeelden als aan de onmetelijkheid des
oceaans parende, bereikte hij, zijn paard langzaam latende voortstappen,
de kruin van een heuvel, van waar hij zeven mannen ontwaarde, die achter
een heg op het gras onder een groep boomen voor de brandende
zonnestralen beschut te midden van een hoop ledige flesschen lagen
neergevlijd. Vier dezer mannen waren onze musketiers, die zich gereed
hielden naar de voorlezing van een brief te luisteren, dien een hunner
had ontvangen. De brief was zoo belangrijk, dat men trom, kaarten en
dobbelsteenen had vergeten. De drie anderen waren bezig een ontzaggelijk
groote dikbuikige flesch met _Collioure_ wijn te ontkurken. Het waren de
lakeien dier heeren.
De kardinaal, zooals wij gezegd hebben, was in een kwade luim, en niets,
wanneer hij in die gesteldheid van geest was, maakte hem onvriendelijker
dan de vreugd van anderen te zien. Daarenboven had hij de zonderlingheid
te gelooven, dat juist de redenen zijner treurigheid het vermaak van
anderen opwekte. Een teeken aan Cahussac en la Houdinière gevende van te
blijven staan, steeg hij van zijn paard en naderde die ontijdige
lachers, in de hoop door het zand, dat zijn voetstappen verdoofde, en de
heg, die zijn nadering bedekte, eenige woorden te kunnen opvangen van
dat gesprek, hetwelk hem zoo belangrijk scheen. Slechts op tien stappen
van de heg herkende hij het Gaskonjische gebabbel van d’Artagnan, en
dewijl hij reeds wist, dat die mannen musketiers waren, twijfelde hij er
niet aan of de andere drie waren degenen, die men de onafscheidelijken
noemde, namelijk Athos, Porthos en Aramis.
Men oordeele of zijn begeerte om het gesprek te beluisteren door die
ontdekking heviger werd; zijn oogen namen een zonderlinge uitdrukking
aan, en sluipend als een tijgerkat naderde hij de heg; doch hij had nog
niets anders dan eenige niets beteekenende woorden zonder zin kunnen
hooren, toen een luid en kort geroep hem deed ontroeren en de aandacht
der musketiers wekte.
„Officier!” riep Grimaud.--„Gij spreekt, geloof ik, kerel!” zeide Athos,
zich op een elleboog ten halve oprichtende en Grimaud door zijn
vlammenden blik doende verstijven. Grimaud voegde er dan ook geen woord
meer bij en bepaalde er zich toe den wijsvinger in de richting der heg
uit te strekken, door dat gebaar den kardinaal en zijn geleide
aankondigende.
In één sprong waren de vier musketiers overeind en groetten eerbiedig.
De kardinaal scheen woedend te zijn.
„Het lijkt, dat men bij de heeren musketiers waakzaam is; komt de
Engelschman over land, of beschouwen de musketiers zich als
hoofd-officieren?”--„Uwe Eminentie!” antwoordde Athos, want hij alleen
had te midden der algemeene verwarring de kalmte en koelbloedigheid eens
edelmans behouden, die hem nooit verlieten: „Eminentie! wanneer de
musketiers geen dienst doen of zoo die geëindigd is, drinken en dobbelen
zij en zijn voor hun lakeien zeer groote heeren.”--„Lakeien,” bromde de
kardinaal, „lakeien, die het bevel hebben hun meesters te waarschuwen,
wanneer iemand voorbijkomt; dat zijn geen lakeien, dat zijn
schildwachten.”--„Uwe Eminentie ziet toch wel dat, indien wij deze
voorzorg niet hadden genomen, wij Uwe Eminentie zouden hebben laten
voorbijgaan, zonder u onzen eerbied te betuigen en te bedanken voor de
ons bewezen goedheid van ons te hebben vereenigd, D’Artagnan!” vervolgde
hij, „gij, die zooeven de gelegenheid wenschtet uw dankbaarheid aan
Zijne Eminentie te betuigen, ziehier nu die gelegenheid, maak er gebruik
van.”
Die woorden werden met die onveranderlijke koelbloedigheid uitgesproken,
die in oogenblikken van gevaar Athos zoozeer onderscheidde, en met die
bovenmatige beleefdheid, welke hem, bij zekere gelegenheden, meer
majesteit gaf dan menigen geboren koning. D’Artagnan trad nader en
stamelde eenige woorden van dankbetuiging, die spoedig onder den
somberen blik van den kardinaal verstomden.
„Het doet er niet toe, heeren!” ging de kardinaal voort, zonder den
minsten schijn zijn aanvankelijk voornemen te laten varen, ondanks de
wending, die Athos aan het gesprek had gegeven, „het doet er niet toe,
ik wil niet, dat eenvoudige soldaten, omdat zij het voordeel genieten in
een begunstigd korps te dienen, op die wijze den grooten heer vertoonen,
terwijl de krijgstucht voor hen dezelfde als voor anderen is.”
Athos liet den kardinaal volkomen uitspreken, en zich buigende ten
teeken van overtuiging, hernam hij op zijn beurt: „De krijgstucht, Uwe
Eminentie! hoop ik, dat in geen geval door ons is uit het oog verloren.
Wij doen op dit oogenblik geen dienst, en wij meenden buiten diensttijd
over onzen tijd naar willekeur te kunnen beschikken. Indien wij nogmaals
zoo gelukkig mochten zijn van Uwe Eminentie eenige bijzondere bevelen te
ontvangen, zijn wij gereed te gehoorzamen. Uwe Eminentie ziet,”
vervolgde Athos, de wenkbrauwen fronsende, want die ondervraging begon
hem te vervelen, „dat wij, om dadelijk bij het minste onraad gereed te
kunnen zijn, onze wapens hebben medegenomen.”--En hij wees den kardinaal
de vier musketten, die tegen elkander gezet bij de trom stonden, op
welke de dobbelsteenen en de kaarten lagen.--„Uwe Eminentie gelieve te
gelooven,” voegde d’Artagnan er bij, „dat wij u tegemoet zouden zijn
gekomen, indien wij hadden kunnen veronderstellen, dat Uwe Eminentie met
een zoo klein geleide ons naderde.”
De kardinaal beet zich op zijn knevel en een weinig op de lippen.--„Weet
gij wel, waarnaar gijlieden lijkt, altijd bij elkander, gewapend, zooals
gij zijt, en door uw knechts bewaakt?” zeide de kardinaal, „gij gelijkt
vier samenzweerders.”--„O! wat dat betreft, Uwe Eminentie! dat is waar,”
zeide Athos, „en wij spannen samen, zooals Uwe Eminentie het op zekeren
dag heeft kunnen zien; maar het is tegen de bewoners van _la
Rochelle_.”--„O, heeren staatkundigen!” hernam de kardinaal op zijn
beurt de wenkbrauwen fronsende, „men zou misschien in uw hersenen het
geheim van vele dingen vinden, indien men er in lezen kon als in dien
brief, welken gij verborgt, toen gij mij zaagt naderen.”
Een blos overdekte het gelaat van Athos; hij trad Zijne Eminentie een
schrede nader.--„Men zou zeggen, dat gij ons waarlijk verdenkt, Uwe
Eminentie! en wij een werkelijk verhoor ondergaan. Als dat zoo is, dat
Uwe Eminentie dan zoo goed zij zich te verklaren, wij zullen dan ten
minste weten, waaraan wij ons te houden hebben.”--„En indien het al een
verhoor moge zijn,” hernam de kardinaal, „anderen dan gij hebben dit
ondergaan, mijnheer Athos! en hebben geantwoord.”--„Daarom zeide ik ook
tot Uwe Eminentie, dat gij ons slechts te ondervragen hadt en wij bereid
waren te antwoorden.”--„Wat is dat voor een brief, dien gij wildet
lezen, mijnheer Aramis! doch dien gij hebt verborgen?”--„Die brief is
van een vrouw, Uwe Eminentie!”--„Ja, ik begrijp, die soort van brieven
vereischen geheimhouding; maar men mag ze toch wel aan een biechtvader
vertoonen, en gij weet, ik heb de wijding ontvangen.”--„Uwe Eminentie!”
hernam Athos met een kalmte, die des te vreeselijker was, daar hij zijn
hoofd waagde met derwijze te antwoorden, „Uwe Eminentie! die brief is
van een vrouw, maar hij is niet geteekend Marion Delorme, noch mevrouw
de Combalet, noch mevrouw de Chaulnes.”[14]
[14] Minnaressen van den kardinaal.
De kardinaal werd bleek als een lijk. Een woeste bliksemstraal schoot
uit zijn oogen. Hij wendde zich als om een bevel aan Cahussac en la
Houdinière te geven; Athos zag die beweging, hij naderde een schrede de
musketten, op welke de drie vrienden het oog gevestigd hielden als
lieden, die niet zeer genegen zijn zich te laten aanranden. De kardinaal
was met de zijnen slechts drie personen sterk, terwijl de musketiers met
de lakeien er zeven telden; hij oordeelde de partij dus al te ongelijk,
vooral indien Athos en zijn vrienden samenzwoeren; en door een dier
plotselinge ommekeeren, welke hij steeds bij de hand had, loste hij al
zijn gramschap in een glimlach op.
„Kom, kom,” zeide hij, „gij zijt brave jongelieden, trotsch bij het
zonlicht, in de duisternis, en het kan geen kwaad zich zelven goed te
bewaken, wanneer men anderen zoo goed bewaakt. Mijne heeren! ik heb den
nacht niet vergeten, toen gij mij tot geleide strektet bij mijn gang
naar _den Rooden Duiventoren_. Indien er nu eenig gevaar bestond op den
weg, dien ik zal volgen, zou ik u verzoeken mij te vergezellen; maar
dewijl zulks het geval niet is, kunt gij blijven, waar gij zijt, uw
flesschen ledigen, uw partij en uw briefwisseling eindigen. Vaartwel,
mijne heeren!”
En het paard bestijgende, dat Cahussac hem had gebracht, groette hij hen
met de hand en vertrok.
De vier jongelieden, overeind en onbeweeglijk staande gebleven, volgden
hem met hun blikken zonder een woord te spreken, totdat zij hem uit het
gezicht hadden verloren. Toen zagen zij elkander aan, allen waren
ontsteld; want ondanks het vriendelijk vaarwel van Zijne Eminentie,
begrepen zij, dat de kardinaal met de woede in zijn hart vertrokken was.
Alleen Athos grimlachte trots en verachtelijk. Toen de kardinaal buiten
het bereik der stem en uit het oog was, riep Porthos, die groote
begeerte had zijn kwade luim op iemand te doen neerkomen: „Die Grimaud
heeft al zeer laat geroepen.”
Grimaud wilde antwoorden om zich te verontschuldigen; Athos hief den
vinger op en Grimaud zweeg.--„Zoudt gij den brief hebben gegeven,
Aramis?” vroeg d’Artagnan.--„Ik,” zeide Aramis, „had reeds een besluit
genomen; indien hij den brief geëischt had, zou ik hem dien hebben
aangeboden met de eene hand, terwijl ik hem met de andere aan mijn degen
zou hebben geregen.”--„Ik vermoedde het wel,” zeide Athos, „en daarom
heb ik mij tusschen u en hem gesteld. Waarlijk, die man is wel
onvoorzichtig andere mannen dus toe te spreken. Men zou zeggen, dat hij
nooit anders dan met vrouwen en kinderen te doen heeft gehad.”--„Mijn
waarde Athos!” zeide d’Artagnan, „ik bewonder u; maar in alle geval
hadden wij ongelijk.”--„Hoe, ongelijk!” riep Athos. „Aan wien behoort
dan de lucht, welke wij inademen? aan wien de oceaan, welke zich voor
ons oog uitstrekt? aan wien de brief uwer minnares? behoort dit alles
den kardinaal? Op mijn eer, die man verbeeldt zich, dat de wereld hem
toebehoort. Gijlieden stondt daar stamelend, ontroerd, vernietigd; het
was alsof de _Bastille_ zich voor uw oogen verhief, en de reusachtige
Medusakop u in steenblokken had veranderd. Wel, is het samenzweren,
wanneer men verliefd is! Gij zijt verliefd op een vrouw, die de
kardinaal heeft doen opsluiten; gij wilt haar den kardinaal ontrukken;
dat is een partij, die gij met Zijne Eminentie speelt. Die brief is uw
spel. Waarom zoudt gij nu uw spel openleggen? Laat hij het raden! Wij
raden wel het zijne.”--„Het is waar, Athos! wat gij zegt is zeer
juist.”--„Welnu, laat er dan van het gebeurde geen sprake meer zijn, en
laat Aramis de lezing van den brief zijner nicht voortzetten, waar die
door de komst van den kardinaal werd afgebroken.”
Aramis haalde den brief uit zijn zak; de drie vrienden naderden hem en
de drie lakeien begaven zich in een groep rondom de _Damejeanne_.
„Gij hebt slechts een paar regels voorgelezen,” zeide d’Artagnan, „begin
dus den brief van voren aan.”--„Gaarne,” zeide Aramis.
„Waarde neef!
„Ik geloof, dat ik er toe zal besluiten naar _Béthune_ te
vertrekken, waar mijn zuster onze kleine dienstmaagd in het
_Karmelieten_-klooster heeft doen gaan. Het arme kind heeft zich
onderworpen; zij weet, dat zij niet elders kan zijn, zonder dat het
heil harer ziel gevaar loopt. Intusschen, wanneer onze familiezaken
zich naar wensch schikken, geloof ik, dat zij het wagen zal te
zondigen, en zij tot hen zal terugkeeren, die zij beweent; te meer
daar zij weet, dat men steeds aan haar denkt. Onderwijl is zij niet
al te gelukkig; al wat zij begeert is een brief van haar
aanstaande. Ik weet wel, dat dergelijke zaken moeilijk door de
tralies kunnen; maar in alle geval, zooals ik u reeds heb bewezen,
waarde neef! ben ik tamelijk slim, en ik belast mij met uw
boodschap. Mijn zuster dankt u voor uw hartelijke en blijvende
herinnering; zij is eenigen tijd zeer ongerust geweest; maar thans
is zij eenigszins gerustgesteld, daar zij haar klerk naar ginds
heeft doen vertrekken, opdat er niets onverwachts plaats hebbe.
„Vaarwel, waarde neef! schrijf ons zoo dikwijls mogelijk, namelijk
telkens, wanneer gij meent zulks met zekerheid te kunnen doen.--Ik
omhels u.
Marie Michon.”
„Ach! hoeveel ben ik u niet verschuldigd, Aramis?” riep d’Artagnan.
„Lieve Constance! Eindelijk heb ik tijding van haar. Zij leeft, zij is
in zekerheid in een klooster; zij is te _Béthune_, Athos?”--„Wel, op de
grenzen van _Artois_ en _Vlaanderen_. Wanneer eenmaal het beleg zal zijn
geëindigd, kunnen wij derwaarts een reisje doen.”--„En het zal niet lang
meer duren,” zeide Porthos; „want men heeft dezen morgen nog een spion
gehangen, die verklaarde, dat de belegerden reeds aan het leder hunner
schoenen waren begonnen. In de veronderstelling nu, dat zij, na het
bovenleder te hebben gegeten, aan de zolen zullen beginnen, zie ik niet
al te goed, wat hen daarna zal overschieten, ten minste als zij elkander
niet eten.”--„Arme dwazen!” zeide Athos, een glas heerlijken _Bordeaux_
ledigende, die, hoewel destijds niet zoo beroemd zijnde als thans, het
echter niet minder verdiende. „Arme dwazen! alsof de katholieke
godsdienst niet de voordeeligste en de aangenaamste aller godsdiensten
ware. Om het even,” hernam hij, na zijn tong tegen zijn verhemelte te
hebben doen klappen, „zij zijn trouwe en dappere lieden.... Maar wat
duivel doet gij toch, Aramis?” vervolgde Athos, „bergt gij den brief
weder in uw zak?”--„Ja,” zeide d’Artagnan, „Athos heeft gelijk, men moet
hem verbranden. En daarenboven, wie weet of de kardinaal niet een geheim
bezit om in de asch te kunnen lezen.”--„Hij moet er een hebben,” zeide
Athos.--„Maar wat wilt gij met den brief doen?” vroeg Porthos.--„Kom
hier, Grimaud!” riep Athos.
Grimaud stond op en naderde.--„Om u te straffen zonder verlof gesproken
te hebben, mijn vriend, zult gij dat papier inslikken; en vervolgens, om
u voor den dienst te beloonen, dien gij ons bewezen hebt, kunt gij
daarna dit glas wijn ledigen. Ziedaar vooreerst den brief, kauw hem
goed.”--Grimaud glimlachte, de oogen op het glas houdende, dat Athos
boordevol had geschonken; hij kauwde het papier en slikte het
door.--„Bravo! mijnheer Grimaud!” zeide Athos, „en nu drink uit. Gij
behoeft mij niet te danken.”
Grimaud dronk een glas _Bordeaux_-wijn leeg; maar zijn naar den hemel
gerichte oogen spraken gedurende die liefelijke bezigheid een taal, die,
hoewel stom, niet minder welsprekend was.--„En nu,” zeide Athos,
„althans indien de kardinaal niet het verstandig denkbeeld mocht
koesteren, om Grimaud den buik te doen openen, geloof ik, dat wij ten
naasten bij gerust kunnen zijn.”
Onderwijl zette Zijne Eminentie zijn treurige wandeling voort, in zijn
baard mompelende: „Onvoorwaardelijk, die vier mannen moeten de mijne
zijn.”