HOOFDSTUK XX.

Officier!

Onderwijl wachtte de kardinaal uit _Engeland_ tijding, maar hij hoorde

niets anders dan hetgeen onaangenaam en dreigend was; zoodat _la

Rochelle_ werd ingesloten; en hoe zeker de uitslag ook scheen te zijn,

ten gevolge der genomen voorzorgen en vooral uit hoofde van den dijk,

die geen enkel schip meer in de belegerde stad toeliet, kon de

belegering nog lang duren, hetgeen een zeer groote schande voor de

wapenen des konings en een groote onaangenaamheid voor den kardinaal

was, die wel niet meer Lodewijk XIII en Anna van Oostenrijk tegen

elkander behoefde op te zetten, want dat was reeds gedaan; maar nu den

heer Bassompierre met den hertog d’Angoulême, die elkaar vijandig gezind

waren, moest verzoenen.

De stad had, ondanks de ongelooflijke volharding van haar burgemeester,

een soort van oproer beproefd en zich willen overgeven. De burgemeester

had de muiters doen ophangen. Die strafoefening bekoelde de verhitte

hoofden, die toen het besluit namen van honger te sterven; een dood, die

altijd langzamer en minder zeker scheen dan die door verworging.

Van hun kant namen de belegeraars van tijd tot tijd boden der belegerden

gevangen, die dezen tot Buckingham zonden; of spionnen, die Buckingham

naar de belegerden zond. In beide gevallen was het vonnis spoedig

geveld. De kardinaal sprak slechts één woord: „Hangen!” En dan noodigde

men den koning om de hangpartij te komen zien. De koning kwam sukkelend

aan, nam de beste plaats in, ten einde de strafoefening in haar

geringste bijzonderheden te kunnen gadeslaan. Dat was ten minste voor

hem een kleine uitspanning en deed hem de langdurigheid van het beleg

geduldig aanzien. Toch belette zulks niet, dat hij zich schrikkelijk

verveelde en onophoudelijk er van sprak naar _Parijs_ terug te keeren,

zoodat, indien boden en spionnen hadden ontbroken, Zijne Eminentie,

ondanks zijn vindingrijkheid, zeer verlegen zou zijn geweest.

Intusschen vervloog de tijd en _la Rochelle_ gaf zich niet over. De

laatste spion, dien men gevat had, was in het bezit van een brief. Die

brief gaf den hertog van Buckingham wel bericht, dat de stad tot het

uiterste was gekomen; maar in plaats dat hierop zou zijn gevolgd:

„indien gij ons binnen veertien dagen geen hulp zendt, zullen wij ons

overgeven!” volgde er eenvoudig: „indien gij ons binnen veertien dagen

geen hulp zendt, zullen wij, bij aankomst van hulp, allen van honger

gestorven zijn!”

De belegerden in _la Rochelle_ stelden derhalve alleen hun hoop op

Buckingham; Buckingham was hun Messias.... Het was blijkbaar dat, zoodra

zij op zekere wijze zouden vernemen, dat er op Buckingham niet meer te

rekenen was, de hoop met hun moed zou verdwijnen. De kardinaal wachtte

daarom ook met groot ongeduld de tijding uit _Engeland_, die hem moest

berichten, dat Buckingham niet zou komen. Het plan, om de stad

stormenderhand in te nemen, dikwerf in des konings raad ter tafel

gebracht, was steeds ter zijde gelegd. Vooreerst scheen _la Rochelle_

onoverwinnelijk te zijn; vervolgens wist de kardinaal, wat hij er ook

van mocht gezegd hebben, zeer goed, dat de afschuwelijke bloedvergieting

bij zoodanige ontmoeting, waarin Franschen tegen Franschen moesten

strijden, een achteruitgaande beweging van zestig jaren aan de

staatkunde zou geven, terwijl de kardinaal op dat tijdstip, zooals men

thans zegt, een man van vooruitgang was. En waarlijk, een inneming

stormenderhand van _la Rochelle_ en het vermoorden van twee of drie

duizend Hugenooten, die zich het leven zouden hebben laten ontnemen,

geleek te veel in 1628 op het bloedbad van den _St. Bartholomeusnacht_

in 1572. Eindelijk leed dit uiterste middel, van hetwelk de koning als

goed katholiek volstrekt niet afkeerig was, steeds schipbreuk op dezen

grondslag der generaals van de belegeraars: _La Rochelle_ is niet anders

te overwinnen dan door hongersnood.

De kardinaal kon uit zijn gedachte de vrees niet verdrijven, welke zijn

vreeselijke zendelinge hem verwekte; want ook hij begreep de zonderlinge

eigenschappen dezer vrouw, die dan eens een slang, dan weder een leeuwin

was. Had zij hem verraden? Was zij dood? Hij kende haar te goed, om niet

in elk geval te weten dat, voor of tegen hem, vriendin of vijandin, zij

niet zonder groote beletselen werkeloos zou blijven; maar van waar

kwamen die beletsels? Daarvan kon hij zich geen denkbeeld vormen.

Overigens rekende hij, en met recht, op milady. Hij had in het verleden

van die vrouw dingen geraden, van welke alleen zijn roode mantel de

vreeselijkheid kon bedekken, en hij gevoelde dat, door de een of andere

oorzaak, die vrouw hem toebehoorde, daar zij in hem alleen voldoende

bescherming kon vinden tegen het gevaar, dat haar bedreigde. Hij besloot

dus den oorlog alleen te voeren en op geen andere hulp te wachten dan op

een gelukkige kans.

Hij ging voort den vermaarden dijk te voltooien, die _la Rochelle_ moest

doen uithongeren, terwijl hij intusschen het oog liet vallen op die

rampzalige stad, die zooveel diepe ellende en zooveel heldendeugd

besloot, en zich de woorden van Lodewijk XI, zijn staatkundigen

voorganger, zooals hij zelf de voorganger van Robespierre was,

herinnerende, herdacht hij die grondstelling van den peetvader van

Tristan: „Verdeelen, om te heerschen.” Hendrik IV, _Parijs_ belegerende,

liet brood en mondbehoeften over de muren werpen. De kardinaal liet

briefjes in de stad werpen, in welke hij de bewoners onder het oog

bracht, hoe onrechtvaardig, baatzuchtig en barbaarsch hun opperhoofden

waren. Die opperhoofden hadden koorn in overvloed en deelden het niet;

zij hadden tot grondstelling, want ook zij hadden grondstellingen, dat

het er niet op aan kwam, dat vrouwen, kinderen en grijsaards stierven,

indien slechts de mannen, die de muren moesten verdedigen, sterk en

gezond bleven. Tot hiertoe, hetzij uit machteloosheid om zich er tegen

te verzetten, was die grondstelling, zonder algemeen te zijn aangenomen,

van theorie in praktijk gebracht; maar die briefjes maakten er inbreuk

op. Die briefjes herinnerden den mannen, dat die kinderen, die vrouwen

en die grijsaards, welke men den dood wijdde, hun zonen, hun gaden, hun

ouders waren; dat het rechtvaardiger zou zijn, dat iedereen in de

algemeene ellende deelde, ten einde eenzelfde gesteldheid een eenparig

besluit zou doen nemen.

Maar op het oogenblik dat de kardinaal reeds zijn middel zag vrucht

dragen en zich geluk wenschte het in werking te hebben gesteld, wist een

ingezetene van _la Rochelle_, die van _Portsmouth_ kwam en God weet hoe,

ondanks de driedubbele waakzaamheid van Bassompierre, van Schomberg en

van den hertog van Angoulême, over wien wederom de kardinaal een

waakzaam oog hield, de koninklijke wachtposten had weten door te komen,

binnen de stad te geraken en verhaalde een prachtige vloot te hebben

gezien, die binnen acht dagen gereed was onder zeil te gaan. Daarenboven

berichtte Buckingham den burgemeester, dat eindelijk het groote

bondgenootschap tegen _Frankrijk_ zou worden tot stand gebracht, en dat

het koninkrijk gelijktijdig door Engelsche, keizerlijke en Spaansche

legers zou worden aangevallen. Die brief werd openlijk op alle pleinen

voorgelezen, en men plakte afschriften er van aan alle hoeken der

straten aan, en zelfs zij, die onderhandelingen hadden aangeknoopt,

braken ze af, besloten die zoo spoedig beloofde hulp af te wachten.

Deze onverwachte omstandigheid vervulde opnieuw Richelieu met

ongerustheid en dwong hem wederom zijn blik naar de overzijde der zee te

richten.

Onderwijl leidde het koninklijk leger, voordeel trekkende van de onrust

van zijn eenig en wezenlijk opperhoofd, een vroolijk leven;

levensbehoeften ontbraken niet in het legerkamp, zoo min als geld. Al de

korpsen wedijverden in moedbetoon en vroolijkheid; spionnen te vangen en

ze op te hangen, gewaagde ondernemingen op den dijk of in zee ten

uitvoer te brengen, dwaasheden te bedenken en die koelbloedig te

bedrijven, dat waren de uitspanningen, die voor het leger de dagen zoo

kort maakten, welke den belegerden zoo lang vielen, die door angst en

gebrek verteerd werden, maar ook voor den kardinaal, die hen zoo nauw

insloot. Het gebeurde wel eens, wanneer de kardinaal, altijd te paard

als de geringste ruiter van het leger, zijn peinzenden blik over die

naar zijn zin zoo langzaam voortgaande werken liet weiden, welke onder

zijn bevelen door de ingenieurs, die hij van alle gedeelten van

_Frankrijk_ liet komen, werden uitgevoerd, het gebeurde wel eens, zeggen

wij, dat hij een of anderen musketier der kompagnie van Tréville

ontmoette; doch wanneer hij dien dan naderde en op een bijzondere wijze

beschouwde, maar niet een onzer vier vrienden in hem herkende, bracht

hij zijn doordringenden blik en veelomvattenden geest op iets anders

over.

Op zekeren dag, verteerd door een doodelijk verdriet, zonder hoop op een

onderhandeling met de stad, zonder tijding uit _Engeland_, was de

kardinaal uitgegaan, zonder ander doel dan om uit te gaan, en alleen

vergezeld van Cahussac en de la Houdinière. Het strand volgende en de

veelomvattendheid zijner denkbeelden als aan de onmetelijkheid des

oceaans parende, bereikte hij, zijn paard langzaam latende voortstappen,

de kruin van een heuvel, van waar hij zeven mannen ontwaarde, die achter

een heg op het gras onder een groep boomen voor de brandende

zonnestralen beschut te midden van een hoop ledige flesschen lagen

neergevlijd. Vier dezer mannen waren onze musketiers, die zich gereed

hielden naar de voorlezing van een brief te luisteren, dien een hunner

had ontvangen. De brief was zoo belangrijk, dat men trom, kaarten en

dobbelsteenen had vergeten. De drie anderen waren bezig een ontzaggelijk

groote dikbuikige flesch met _Collioure_ wijn te ontkurken. Het waren de

lakeien dier heeren.

De kardinaal, zooals wij gezegd hebben, was in een kwade luim, en niets,

wanneer hij in die gesteldheid van geest was, maakte hem onvriendelijker

dan de vreugd van anderen te zien. Daarenboven had hij de zonderlingheid

te gelooven, dat juist de redenen zijner treurigheid het vermaak van

anderen opwekte. Een teeken aan Cahussac en la Houdinière gevende van te

blijven staan, steeg hij van zijn paard en naderde die ontijdige

lachers, in de hoop door het zand, dat zijn voetstappen verdoofde, en de

heg, die zijn nadering bedekte, eenige woorden te kunnen opvangen van

dat gesprek, hetwelk hem zoo belangrijk scheen. Slechts op tien stappen

van de heg herkende hij het Gaskonjische gebabbel van d’Artagnan, en

dewijl hij reeds wist, dat die mannen musketiers waren, twijfelde hij er

niet aan of de andere drie waren degenen, die men de onafscheidelijken

noemde, namelijk Athos, Porthos en Aramis.

Men oordeele of zijn begeerte om het gesprek te beluisteren door die

ontdekking heviger werd; zijn oogen namen een zonderlinge uitdrukking

aan, en sluipend als een tijgerkat naderde hij de heg; doch hij had nog

niets anders dan eenige niets beteekenende woorden zonder zin kunnen

hooren, toen een luid en kort geroep hem deed ontroeren en de aandacht

der musketiers wekte.

„Officier!” riep Grimaud.--„Gij spreekt, geloof ik, kerel!” zeide Athos,

zich op een elleboog ten halve oprichtende en Grimaud door zijn

vlammenden blik doende verstijven. Grimaud voegde er dan ook geen woord

meer bij en bepaalde er zich toe den wijsvinger in de richting der heg

uit te strekken, door dat gebaar den kardinaal en zijn geleide

aankondigende.

In één sprong waren de vier musketiers overeind en groetten eerbiedig.

De kardinaal scheen woedend te zijn.

„Het lijkt, dat men bij de heeren musketiers waakzaam is; komt de

Engelschman over land, of beschouwen de musketiers zich als

hoofd-officieren?”--„Uwe Eminentie!” antwoordde Athos, want hij alleen

had te midden der algemeene verwarring de kalmte en koelbloedigheid eens

edelmans behouden, die hem nooit verlieten: „Eminentie! wanneer de

musketiers geen dienst doen of zoo die geëindigd is, drinken en dobbelen

zij en zijn voor hun lakeien zeer groote heeren.”--„Lakeien,” bromde de

kardinaal, „lakeien, die het bevel hebben hun meesters te waarschuwen,

wanneer iemand voorbijkomt; dat zijn geen lakeien, dat zijn

schildwachten.”--„Uwe Eminentie ziet toch wel dat, indien wij deze

voorzorg niet hadden genomen, wij Uwe Eminentie zouden hebben laten

voorbijgaan, zonder u onzen eerbied te betuigen en te bedanken voor de

ons bewezen goedheid van ons te hebben vereenigd, D’Artagnan!” vervolgde

hij, „gij, die zooeven de gelegenheid wenschtet uw dankbaarheid aan

Zijne Eminentie te betuigen, ziehier nu die gelegenheid, maak er gebruik

van.”

Die woorden werden met die onveranderlijke koelbloedigheid uitgesproken,

die in oogenblikken van gevaar Athos zoozeer onderscheidde, en met die

bovenmatige beleefdheid, welke hem, bij zekere gelegenheden, meer

majesteit gaf dan menigen geboren koning. D’Artagnan trad nader en

stamelde eenige woorden van dankbetuiging, die spoedig onder den

somberen blik van den kardinaal verstomden.

„Het doet er niet toe, heeren!” ging de kardinaal voort, zonder den

minsten schijn zijn aanvankelijk voornemen te laten varen, ondanks de

wending, die Athos aan het gesprek had gegeven, „het doet er niet toe,

ik wil niet, dat eenvoudige soldaten, omdat zij het voordeel genieten in

een begunstigd korps te dienen, op die wijze den grooten heer vertoonen,

terwijl de krijgstucht voor hen dezelfde als voor anderen is.”

Athos liet den kardinaal volkomen uitspreken, en zich buigende ten

teeken van overtuiging, hernam hij op zijn beurt: „De krijgstucht, Uwe

Eminentie! hoop ik, dat in geen geval door ons is uit het oog verloren.

Wij doen op dit oogenblik geen dienst, en wij meenden buiten diensttijd

over onzen tijd naar willekeur te kunnen beschikken. Indien wij nogmaals

zoo gelukkig mochten zijn van Uwe Eminentie eenige bijzondere bevelen te

ontvangen, zijn wij gereed te gehoorzamen. Uwe Eminentie ziet,”

vervolgde Athos, de wenkbrauwen fronsende, want die ondervraging begon

hem te vervelen, „dat wij, om dadelijk bij het minste onraad gereed te

kunnen zijn, onze wapens hebben medegenomen.”--En hij wees den kardinaal

de vier musketten, die tegen elkander gezet bij de trom stonden, op

welke de dobbelsteenen en de kaarten lagen.--„Uwe Eminentie gelieve te

gelooven,” voegde d’Artagnan er bij, „dat wij u tegemoet zouden zijn

gekomen, indien wij hadden kunnen veronderstellen, dat Uwe Eminentie met

een zoo klein geleide ons naderde.”

De kardinaal beet zich op zijn knevel en een weinig op de lippen.--„Weet

gij wel, waarnaar gijlieden lijkt, altijd bij elkander, gewapend, zooals

gij zijt, en door uw knechts bewaakt?” zeide de kardinaal, „gij gelijkt

vier samenzweerders.”--„O! wat dat betreft, Uwe Eminentie! dat is waar,”

zeide Athos, „en wij spannen samen, zooals Uwe Eminentie het op zekeren

dag heeft kunnen zien; maar het is tegen de bewoners van _la

Rochelle_.”--„O, heeren staatkundigen!” hernam de kardinaal op zijn

beurt de wenkbrauwen fronsende, „men zou misschien in uw hersenen het

geheim van vele dingen vinden, indien men er in lezen kon als in dien

brief, welken gij verborgt, toen gij mij zaagt naderen.”

Een blos overdekte het gelaat van Athos; hij trad Zijne Eminentie een

schrede nader.--„Men zou zeggen, dat gij ons waarlijk verdenkt, Uwe

Eminentie! en wij een werkelijk verhoor ondergaan. Als dat zoo is, dat

Uwe Eminentie dan zoo goed zij zich te verklaren, wij zullen dan ten

minste weten, waaraan wij ons te houden hebben.”--„En indien het al een

verhoor moge zijn,” hernam de kardinaal, „anderen dan gij hebben dit

ondergaan, mijnheer Athos! en hebben geantwoord.”--„Daarom zeide ik ook

tot Uwe Eminentie, dat gij ons slechts te ondervragen hadt en wij bereid

waren te antwoorden.”--„Wat is dat voor een brief, dien gij wildet

lezen, mijnheer Aramis! doch dien gij hebt verborgen?”--„Die brief is

van een vrouw, Uwe Eminentie!”--„Ja, ik begrijp, die soort van brieven

vereischen geheimhouding; maar men mag ze toch wel aan een biechtvader

vertoonen, en gij weet, ik heb de wijding ontvangen.”--„Uwe Eminentie!”

hernam Athos met een kalmte, die des te vreeselijker was, daar hij zijn

hoofd waagde met derwijze te antwoorden, „Uwe Eminentie! die brief is

van een vrouw, maar hij is niet geteekend Marion Delorme, noch mevrouw

de Combalet, noch mevrouw de Chaulnes.”[14]

[14] Minnaressen van den kardinaal.

De kardinaal werd bleek als een lijk. Een woeste bliksemstraal schoot

uit zijn oogen. Hij wendde zich als om een bevel aan Cahussac en la

Houdinière te geven; Athos zag die beweging, hij naderde een schrede de

musketten, op welke de drie vrienden het oog gevestigd hielden als

lieden, die niet zeer genegen zijn zich te laten aanranden. De kardinaal

was met de zijnen slechts drie personen sterk, terwijl de musketiers met

de lakeien er zeven telden; hij oordeelde de partij dus al te ongelijk,

vooral indien Athos en zijn vrienden samenzwoeren; en door een dier

plotselinge ommekeeren, welke hij steeds bij de hand had, loste hij al

zijn gramschap in een glimlach op.

„Kom, kom,” zeide hij, „gij zijt brave jongelieden, trotsch bij het

zonlicht, in de duisternis, en het kan geen kwaad zich zelven goed te

bewaken, wanneer men anderen zoo goed bewaakt. Mijne heeren! ik heb den

nacht niet vergeten, toen gij mij tot geleide strektet bij mijn gang

naar _den Rooden Duiventoren_. Indien er nu eenig gevaar bestond op den

weg, dien ik zal volgen, zou ik u verzoeken mij te vergezellen; maar

dewijl zulks het geval niet is, kunt gij blijven, waar gij zijt, uw

flesschen ledigen, uw partij en uw briefwisseling eindigen. Vaartwel,

mijne heeren!”

En het paard bestijgende, dat Cahussac hem had gebracht, groette hij hen

met de hand en vertrok.

De vier jongelieden, overeind en onbeweeglijk staande gebleven, volgden

hem met hun blikken zonder een woord te spreken, totdat zij hem uit het

gezicht hadden verloren. Toen zagen zij elkander aan, allen waren

ontsteld; want ondanks het vriendelijk vaarwel van Zijne Eminentie,

begrepen zij, dat de kardinaal met de woede in zijn hart vertrokken was.

Alleen Athos grimlachte trots en verachtelijk. Toen de kardinaal buiten

het bereik der stem en uit het oog was, riep Porthos, die groote

begeerte had zijn kwade luim op iemand te doen neerkomen: „Die Grimaud

heeft al zeer laat geroepen.”

Grimaud wilde antwoorden om zich te verontschuldigen; Athos hief den

vinger op en Grimaud zweeg.--„Zoudt gij den brief hebben gegeven,

Aramis?” vroeg d’Artagnan.--„Ik,” zeide Aramis, „had reeds een besluit

genomen; indien hij den brief geëischt had, zou ik hem dien hebben

aangeboden met de eene hand, terwijl ik hem met de andere aan mijn degen

zou hebben geregen.”--„Ik vermoedde het wel,” zeide Athos, „en daarom

heb ik mij tusschen u en hem gesteld. Waarlijk, die man is wel

onvoorzichtig andere mannen dus toe te spreken. Men zou zeggen, dat hij

nooit anders dan met vrouwen en kinderen te doen heeft gehad.”--„Mijn

waarde Athos!” zeide d’Artagnan, „ik bewonder u; maar in alle geval

hadden wij ongelijk.”--„Hoe, ongelijk!” riep Athos. „Aan wien behoort

dan de lucht, welke wij inademen? aan wien de oceaan, welke zich voor

ons oog uitstrekt? aan wien de brief uwer minnares? behoort dit alles

den kardinaal? Op mijn eer, die man verbeeldt zich, dat de wereld hem

toebehoort. Gijlieden stondt daar stamelend, ontroerd, vernietigd; het

was alsof de _Bastille_ zich voor uw oogen verhief, en de reusachtige

Medusakop u in steenblokken had veranderd. Wel, is het samenzweren,

wanneer men verliefd is! Gij zijt verliefd op een vrouw, die de

kardinaal heeft doen opsluiten; gij wilt haar den kardinaal ontrukken;

dat is een partij, die gij met Zijne Eminentie speelt. Die brief is uw

spel. Waarom zoudt gij nu uw spel openleggen? Laat hij het raden! Wij

raden wel het zijne.”--„Het is waar, Athos! wat gij zegt is zeer

juist.”--„Welnu, laat er dan van het gebeurde geen sprake meer zijn, en

laat Aramis de lezing van den brief zijner nicht voortzetten, waar die

door de komst van den kardinaal werd afgebroken.”

Aramis haalde den brief uit zijn zak; de drie vrienden naderden hem en

de drie lakeien begaven zich in een groep rondom de _Damejeanne_.

„Gij hebt slechts een paar regels voorgelezen,” zeide d’Artagnan, „begin

dus den brief van voren aan.”--„Gaarne,” zeide Aramis.

„Waarde neef!

„Ik geloof, dat ik er toe zal besluiten naar _Béthune_ te

vertrekken, waar mijn zuster onze kleine dienstmaagd in het

_Karmelieten_-klooster heeft doen gaan. Het arme kind heeft zich

onderworpen; zij weet, dat zij niet elders kan zijn, zonder dat het

heil harer ziel gevaar loopt. Intusschen, wanneer onze familiezaken

zich naar wensch schikken, geloof ik, dat zij het wagen zal te

zondigen, en zij tot hen zal terugkeeren, die zij beweent; te meer

daar zij weet, dat men steeds aan haar denkt. Onderwijl is zij niet

al te gelukkig; al wat zij begeert is een brief van haar

aanstaande. Ik weet wel, dat dergelijke zaken moeilijk door de

tralies kunnen; maar in alle geval, zooals ik u reeds heb bewezen,

waarde neef! ben ik tamelijk slim, en ik belast mij met uw

boodschap. Mijn zuster dankt u voor uw hartelijke en blijvende

herinnering; zij is eenigen tijd zeer ongerust geweest; maar thans

is zij eenigszins gerustgesteld, daar zij haar klerk naar ginds

heeft doen vertrekken, opdat er niets onverwachts plaats hebbe.

„Vaarwel, waarde neef! schrijf ons zoo dikwijls mogelijk, namelijk

telkens, wanneer gij meent zulks met zekerheid te kunnen doen.--Ik

omhels u.

Marie Michon.”

„Ach! hoeveel ben ik u niet verschuldigd, Aramis?” riep d’Artagnan.

„Lieve Constance! Eindelijk heb ik tijding van haar. Zij leeft, zij is

in zekerheid in een klooster; zij is te _Béthune_, Athos?”--„Wel, op de

grenzen van _Artois_ en _Vlaanderen_. Wanneer eenmaal het beleg zal zijn

geëindigd, kunnen wij derwaarts een reisje doen.”--„En het zal niet lang

meer duren,” zeide Porthos; „want men heeft dezen morgen nog een spion

gehangen, die verklaarde, dat de belegerden reeds aan het leder hunner

schoenen waren begonnen. In de veronderstelling nu, dat zij, na het

bovenleder te hebben gegeten, aan de zolen zullen beginnen, zie ik niet

al te goed, wat hen daarna zal overschieten, ten minste als zij elkander

niet eten.”--„Arme dwazen!” zeide Athos, een glas heerlijken _Bordeaux_

ledigende, die, hoewel destijds niet zoo beroemd zijnde als thans, het

echter niet minder verdiende. „Arme dwazen! alsof de katholieke

godsdienst niet de voordeeligste en de aangenaamste aller godsdiensten

ware. Om het even,” hernam hij, na zijn tong tegen zijn verhemelte te

hebben doen klappen, „zij zijn trouwe en dappere lieden.... Maar wat

duivel doet gij toch, Aramis?” vervolgde Athos, „bergt gij den brief

weder in uw zak?”--„Ja,” zeide d’Artagnan, „Athos heeft gelijk, men moet

hem verbranden. En daarenboven, wie weet of de kardinaal niet een geheim

bezit om in de asch te kunnen lezen.”--„Hij moet er een hebben,” zeide

Athos.--„Maar wat wilt gij met den brief doen?” vroeg Porthos.--„Kom

hier, Grimaud!” riep Athos.

Grimaud stond op en naderde.--„Om u te straffen zonder verlof gesproken

te hebben, mijn vriend, zult gij dat papier inslikken; en vervolgens, om

u voor den dienst te beloonen, dien gij ons bewezen hebt, kunt gij

daarna dit glas wijn ledigen. Ziedaar vooreerst den brief, kauw hem

goed.”--Grimaud glimlachte, de oogen op het glas houdende, dat Athos

boordevol had geschonken; hij kauwde het papier en slikte het

door.--„Bravo! mijnheer Grimaud!” zeide Athos, „en nu drink uit. Gij

behoeft mij niet te danken.”

Grimaud dronk een glas _Bordeaux_-wijn leeg; maar zijn naar den hemel

gerichte oogen spraken gedurende die liefelijke bezigheid een taal, die,

hoewel stom, niet minder welsprekend was.--„En nu,” zeide Athos,

„althans indien de kardinaal niet het verstandig denkbeeld mocht

koesteren, om Grimaud den buik te doen openen, geloof ik, dat wij ten

naasten bij gerust kunnen zijn.”

Onderwijl zette Zijne Eminentie zijn treurige wandeling voort, in zijn

baard mompelende: „Onvoorwaardelijk, die vier mannen moeten de mijne

zijn.”

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 72 / 93 题