HOOFDSTUK XIX.

Gesprek van broeder en zuster.

Terwijl lord de Winter bezig was de deur te sluiten, een vensterluik

dicht te maken en een stoel naast den leuningstoel van zijn schoonzuster

te schuiven, wierp milady droomend een blik in de mogelijkheid en

ontdekte het geheele weefsel, hetwelk zij zelfs niet eens had kunnen

vermoeden, zoolang zij niet wist in wiens macht zij was gevallen. Zij

kende haar schoonbroeder voor een echten edelman, een stouten jager, een

onversaagden speler, een bij de vrouwen zeer ondernemend man, doch ver

van listig. Hoe had hij derhalve haar komst kunnen voorzien, haar doen

aanhouden, en waarom hield hij haar gevangen?

Athos had haar wel eenigszins laten blijken, dat het gesprek van den

kardinaal ter kennis van anderen was gekomen, maar zij kon het zich niet

begrijpelijk maken, hoe deze zoo snel en zoo stoutmoedig haar had kunnen

tegenwerken. Zij vreesde eerder, dat haar vroegere ondernemingen in

_Engeland_ ontdekt mochten zijn. Buckingham kon geraden hebben, dat zij

het was geweest, die de twee diamanten had afgesneden, en zich voor dat

kleine verraad willen wreken. Maar Buckingham was niet in staat tot

eenig uiterste jegens een vrouw over te gaan, vooral indien deze vrouw

verondersteld werd uit jaloezie gehandeld te hebben.

Die meening scheen haar dan ook de waarschijnlijkste; zij dacht, dat men

zich over het verledene wilde wreken en niet voor de toekomst zorgen.

Intusschen, en in alle geval was zij verheugd in handen van haar

schoonbroeder te zijn gevallen, dien zij verzekerd was spoedig te zullen

ontkomen, ten minste eerder dan uit de handen van een slimmen en

wezenlijken vijand.

„Ja, praten wij eens, broeder!” zeide zij met zekere bevallige losheid,

besloten uit dat gesprek, hoe achterhoudend lord de Winter ook mocht

zijn, al de inlichtingen te trekken, welke ter regeling van haar

toekomstig gedrag zouden kunnen strekken.--„Gij zijt dan eindelijk er

toe overgegaan om terug te komen,” zeide lord de Winter, „ondanks het

besluit, dat gij mij zoo dikwijls te _Parijs_ hebt betuigd, nimmer meer

een voet in _Groot-Brittanje_ te zetten?”--Milady beantwoordde deze

vraag met een andere vraag.--„Maar zeg mij vooreerst eens, hoe gij mij

zoo streng hebt doen bewaken, om vooruit, niet alleen van mijn komst,

maar daarenboven van den dag, het uur en de haven waar ik zou

binnenloopen, verwittigd te kunnen zijn?”

Lord de Winter ging tot dezelfde taktiek van milady over, in de

vooronderstelling dat, indien zijn schoonzuster die bezigde, ze de

rechte moest wezen.--„Maar zeg mij zelve eens, waarde zuster, wat gij in

_Engeland_ komt doen?”--„Wel! ik kom u bezoeken,” hernam milady, zonder

te begrijpen, hoe ze door dat antwoord de vermoedens vergrootte, welke

de brief van d’Artagnan in den geest van haar schoonbroeder had doen

ontstaan, en door een leugen de goede gezindheid van haar hoorder

willende winnen.--„Ha! om mij te bezoeken!” herhaalde de Winter

listig.--„Wel zeker, om u te bezoeken. Is dat zoo verwonderlijk?”--„En

hebt gij geen ander oogmerk gehad om naar _Engeland_ over te komen, dan

om mij te bezoeken?”--„Neen.”--„Dus alleen voor mij hebt gij u de moeite

gegeven het kanaal over te steken!”--„Voor u alleen.”--„Duivelsch! dat

is almachtig teeder, zuster!”--„Wel, ik ben immers uw naaste

bloedverwante,” zeide milady zoo onschuldig en teeder mogelijk.--„En ook

mijn eenigste erfgename, niet waar?” zeide lord de Winter, op zijn beurt

de oogen op die van milady vestigende, „namelijk door uw zoon.”

Welke macht milady ook op haar zelve had, kon zij zich niet beletten te

beven, en daar bij het uitspreken der laatste woorden lord de Winter

zijn hand op den arm zijner zuster had gelegd, ontging die ontroering

hem niet. De slag trof ook goed en diep. Het eerste denkbeeld, dat zich

voor den geest van milady vertoonde, was, door Ketty verraden te zijn,

en dat deze aan den baron dien baatzuchtigen haat had medegedeeld, van

welken zij zoo onvoorzichtig de kenteekenen in tegenwoordigheid van haar

kamenier had laten ontglippen; daarbij herinnerde zij zich ook den

hevigen en onbedachten uitval tegen d’Artagnan, toen deze het leven van

haar schoonbroeder had gespaard.

„Ik begrijp niet, mylord!” zeide zij, om tijd te winnen en haar

bestrijder te doen spreken, „wat gij wilt zeggen? Er ligt in uw woorden

een geheime zin verborgen.”--„Ach, mijn God! neen,” zeide lord de Winter

met schijnbare goedheid; „gij hadt het verlangen mij een bezoek te

brengen, en gij begeeft u naar _Engeland_. Ik verneem die begeerte, of

liever, ik twijfel er aan, dat gij ze koestert, en om al de

onaangenaamheden van een nachtelijke aankomst in een haven te besparen,

zend ik een mijner officieren te uwer ontvangst; ik stel een rijtuig te

zijner beschikking en hij voert u in dit kasteel, van hetwelk ik

gouverneur ben, waar ik dagelijks kom, en waar ik, ten einde onze

wederzijdsche begeerte van elkander te zien te kunnen voldoen, een kamer

voor u heb doen gereed maken. Is hierin iets meer verwonderlijks gelegen

dan in hetgeen gij mij gezegd hebt?”--„Neen; maar ik vind het zoo

wonderbaar, dat gij van mijn komst zijt verwittigd geworden.”--„Dat is

nochtans zeer eenvoudig, waarde zuster! Hebt gij dan niet gezien, dat de

kapitein van uw klein vaartuig, na op de reede aangekomen te zijn en om

verlof te verkrijgen in de haven binnen te loopen, een kleine boot

afzond met zijn journaal en de lijst der schepelingen? Ik ben

bevelhebber der haven, men heeft mij die papieren gebracht en ik heb er

uw naam op gevonden. Mijn hart heeft mij gezegd, hetgeen mij uw mond

heeft bevestigd: namelijk, met welk oogmerk gij u aan de gevaren van een

zoo onstuimige zee en een ten minste in dezen tijd zeer vermoeiende reis

hebt blootgesteld; en ik heb mijn kotter u tegemoet gezonden. Gij weet

het overige.”

Milady begreep, dat lord de Winter loog en was er nog te meer door

beangst.--„Broeder!” hernam zij, „was het lord Buckingham niet, dien ik

heden avond bij mijn aankomst op het havenhoofd zag staan?”--„Hij zelf.

O! ik begrijp, dat zijn gezicht u heeft moeten treffen,” hernam lord de

Winter. „Gij komt uit een land, waar men over hem wel veel moet spreken,

en ik weet, dat zijn krijgstoerustingen tegen _Frankrijk_ uw vriend, den

kardinaal, zeer verontrusten.”--„Mijn vriend den kardinaal!” riep

milady, ziende dat, zoowel ten opzichte van dit punt als van het andere,

mylord de Winter zeer goed van alles was onderricht.--„Is hij dan niet

uw vriend?” vroeg de baron onverschillig. „O! vergeef mij, ik dacht het.

Maar wij zullen later op mylord terugkomen. Wijken wij niet van de

sentimenteele wending af, die het gesprek heeft aangenomen. Gij zijt

gekomen zegt gij, om mij een bezoek te brengen?”--„Ja.”--„Welnu, ik heb

u gezegd, dat uw verlangen zou vervuld worden en wij elkander dagelijks

zouden zien.”--„Moet ik dan eeuwig hier blijven?” vroeg milady

eenigszins angstig.--„Zoudt gij u slecht gehuisvest vinden, zuster?

Vraag wat gij begeert, en ik zal mij haasten het u te bezorgen.”--„Maar

ik heb noch mijn vrouwen noch mijn knecht.”--„Gij zult dat alles hebben,

mevrouw! zeg mij, op welken voet uw eerste man zijn huis had ingericht,

en ofschoon slechts uw schoonbroeder zijnde, zal ik het voor u hier op

denzelfden voet inrichten.”--„Mijn eerste man?” riep milady, lord de

Winter met verschrikte oogen aanziende.--„Ja, uw Fransche echtgenoot, ik

spreek niet van mijn broeder. Overigens, indien gij het hebt vergeten,

zal ik hem, daar hij nog in leven is, kunnen schrijven, en hij zal mij

het noodige te dien aanzien wel willen mededeelen.”

Een koud zweet parelde op het voorhoofd van milady.--„Gij schertst,”

zeide zij met een gesmoorde stem.--„Zie ik er naar uit?” vroeg de baron

opstaande en een stap achteruit doende.--„Of liever gij beleedigt mij,”

ging zij voort, met haar krampachtig vertrokken vuisten de beide

leuningen van den stoel omknellende en zich oprichtende.--„U beleedigen?

ik?”--„Mijnheer!” zeide milady, „gij zijt dronken of gek. Vertrek en

zend mij mijn vrouwen.”--„De vrouwen zijn zoo praatachtig, zuster! zou

ik u niet als kamenier kunnen bedienen? Op die wijze zouden al onze

geheimen in de familie blijven.”--„Onbeschaamde!” riep milady. En als

door een springveer bewogen, viel zij den baron aan, die haar

onbeweeglijk afwachtte, echter de hand aan het gevest zijns degens

slaande.--„Ha! ha!” zeide hij, „ik weet, dat gij gewoon zijt de lieden

te vermoorden; maar ik zal mij verdedigen, hoort gij, al was het tegen

u.”--„O! gij hebt gelijk,” hernam milady, „en gij schijnt mij laag

genoeg toe, om de hand aan een vrouw te slaan.”--„Als dat plaats vond,

zou ik hiervoor een verontschuldiging hebben. Mijn hand zou daarenboven

de eerste hand niet zijn, die op u is neergekomen, verbeeld ik mij.”--En

de baron wees langzaam en beschuldigend op den linkerschouder van

milady, dien hij met zijn vinger bijna raakte.

Milady slaakte een dof gebrul en deinsde achteruit in een der hoeken van

de kamer als een panter, die zich langs den grond sleept om een sprong

te doen.

„O! brul zoo lang gij wilt,” riep lord de Winter, „maar waag het niet te

bijten; want ik verklaar u, dat zou tot uw nadeel afloopen. Er zijn hier

geen procureurs, die te voren over de erfenissen beschikken; er is geen

dolende ridder, die met mij twist komt zoeken wegens de schoone dame,

die ik gevangen houd; maar ik heb rechters bij de hand, die over een

vrouw zullen beschikken, welke schaamteloos genoeg is geweest, hoewel

gehuwd, zich in de familie te dringen van lord de Winter, mijn oudsten

broeder, en deze rechters zullen u naar een beul zenden, die u beide

schouders gelijk zal maken.”

De oogen van milady schoten zulke vreeselijke bliksems, dat, hoewel man

en gewapend tegenover een ongewapende vrouw, lord de Winter het ijskoude

van den angst tot in zijn ziel voelde doordringen; hij ging desniettemin

en met klimmende woede voort: „Ja, ik begrijp, dat, na van mijn broeder

te hebben geërfd, het u gestreeld zou hebben, ook van mij te erven; maar

weet het vooruit, gij kunt mij het leven ontnemen of doen ontnemen, mijn

voorzorgen zijn genomen. Geen penning van hetgeen ik bezit zal in uw

handen noch in die van uw zoon komen. Zijt gij, die reeds een half

millioen bezit, niet rijk genoeg? en hadt gij niet kunnen blijven

stilstaan op uw noodlottigen weg, indien gij het kwaad niet bedreeft

alleen om het onuitsprekelijk en helsch genot, dat het te bedrijven u

schenkt. O! ik zeg u, indien het aandenken mijns broeders mij niet

heilig ware, zoudt gij in een staatsgevangenis uw leven gaan eindigen,

of te _Tyburn_ de nieuwsgierigheid der matrozen verzadigen. Ik zal

zwijgen: maar gij zult geduldig uw gevangenschap ondergaan. Binnen

veertien dagen of drie weken ga ik met een leger naar _la Rochelle_;

maar den dag vóór mijn vertrek zal een schip u komen afhalen; ik zal het

zien vertrekken en het zal u naar onze zuidelijke koloniën voeren. Wees

overigens gerust, ik zal u een reisgezel medegeven, die u bij de eerste

poging, welke gij mocht wagen, om in _Engeland_ of op het vaste land

terug te keeren, door de hersens zal schieten.”

Milady luisterde met een aandacht, welke haar vlammende oogen

vergrootte.--„Ja; maar voor het oogenblik,” ging lord de Winter voort,

„zult gij in dit kasteel blijven; de muren zijn dik, de deuren zijn

sterk, de tralies stevig, en bovendien is uw venster vlak boven de zee.

Mijn zeelieden zijn mij in dood en leven getrouw; zij zullen de wacht

rondom uw kamer betrekken en al de uitgangen bewaken, die tot op de

binnenplaats leiden; en mocht gij al op de binnenplaats zijn gekomen,

dan blijven u nog drie hekken door te gaan. Het bevel is duidelijk, één

voetstap, één gebaar, één woord, dat op een ontvluchting doelt, en men

schiet u neer. Indien men u doodt, dan hoop ik, zal het gerecht van

_Engeland_ mij verplichting schuldig zijn, het in zijn werk behulpzaam

te zijn geweest.... Zoo! uw gelaatstrekken hernemen hun kalmte, uw geest

duidt meer moed aan; tien dagen, veertien dagen, zegt gij? O! nog zoo

lang! ik ben vindingrijk, er zal in mij wel een denkbeeld opkomen: mijn

helsche geest zal wel een offer weten te vinden. Nog veertien dagen,

zegt gij? dan ben ik hieruit bevrijd! Beproef....”

Milady, die zich ontmaskerd zag, drukte haar nagels in haar vleesch, om

elke gewaarwording te onderdrukken, welke aan haar aangezicht een andere

uitdrukking dan die van angst had kunnen geven.

Lord de Winter vervolgde: „Wat den officier betreft, die hier alleen in

mijn afwezigheid het bevel voert, dezen hebt gij gezien, gij kent hem

reeds; hij weet, zooals gij hebt gezien, een bevel uit te voeren; want

gij zijt van _Portsmouth_ niet hier gekomen zonder pogingen te hebben

aangewend hem te doen spreken. Welnu! wat denkt gij er van? Zou een

marmeren beeld onbeweeglijker, stommer hebben kunnen zijn? Gij hebt

reeds op vele mannen het vermogen uwer verleidingsmiddelen beproefd, en

helaas, het is u steeds gelukt; maar beproef dezen, _Goddam_! en als gij

slaagt, dan verklaar ik u voor satan in persoon.”--Hij begaf zich naar

de deur en opende die haastig.--„Dat men den heer Felton roepe,” zeide

hij. „Wacht nog een weinig, en ik zal u hem aanbevelen.”

Er ontstond tusschen de beide personages een zonderlinge stilte, terwijl

men het gerucht van langzame en regelmatige voetstappen hoorde, die

naderden. Weldra zag men in de schaduw van de gang een menschelijke

gedaante verschijnen, en de jonge luitenant, met wien wij reeds hebben

kennis gemaakt, bleef op den drempel staan, de bevelen van den baron

afwachtende.

„Kom binnen, mijn beste John!” zeide lord de Winter. „Kom binnen, maar

sluit de deur.”--De jonge officier trad binnen.--„Beschouw nu eens die

vrouw! zij is jong, zij is schoon, zij bezit al de verleidingsmiddelen

der wereld; welnu, zij is een gedrocht, dat, slechts vijf en twintig

jaar zijnde, zich aan zoovele misdaden heeft schuldig gemaakt, dat gij

een jaar zoudt noodig hebben, om in de archieven onzer gerechtshoven er

een even groot getal te vinden. Haar stem strekt haar tot voorspraak,

haar schoonheid is voor haar offer een lokaas; zij zal u trachten te

verleiden, misschien zelfs zal zij beproeven u om het leven te

brengen.... Ik heb u uit de ellende getrokken, Felton! Ik heb u tot

officier doen benoemen; ik heb u eenmaal het leven gered, gij weet bij

welke gelegenheid; ik ben niet alleen voor u een beschermer, maar tevens

een vriend; niet alleen een weldoener, maar een vader. Die vrouw is in

_Engeland_ gekomen, om tegen mijn leven een aanslag te smeden; ik heb

die slang in mijn handen, en nu laat ik u roepen en zeg u: Vriend

Felton! mijn zoon! waak over mij en vooral waak over u zelven ten

aanzien dezer vrouw. Zweer op uw zaligheid, haar te bewaren voor de

kastijding, welke zij verdiend heeft. John Felton! ik stel vertrouwen in

uw woord; John Felton! ik geloof aan uw trouw.”--„Mylord!” zeide de

jonge officier, op zijn rein aangezicht al den haat vertoonende, die in

zijn hart aanwezig was, „mylord, ik zweer, dat uw wensch zal vervuld

worden.”

Milady doorstond dien aanblik als een onderworpen offer; het was niet

mogelijk een meer nederige en zachtere uitdrukking te zien dan die,

welke toen op haar fraai gezicht lag verspreid. Zelfs lord de Winter

herkende nauwelijks meer de tijgerin, tegen welke hij een oogenblik te

voren gereed was zich te verdedigen.

„Zij mag nooit deze kamer verlaten, hoort gij, John!” ging de baron

voort; „zij mag met niemand briefwisseling houden; zij zal alleen tot u

mogen spreken, althans indien gij haar de eer wilt doen tot haar te

spreken.”--„Het is genoeg, mylord! ik heb gezworen.”--„En nu, mevrouw!”

zeide de baron, „tracht nu met God vrede te maken, want door de menschen

zijt gij veroordeeld.”

Milady boog het hoofd, als verplette haar dit oordeel. Lord de Winter

vertrok, Felton, die hem volgde en de deur sloot, een wenk gevende.

Een oogenblik later hoorde men in de gang de zware voetstappen van een

zeesoldaat, die op schildwacht stond, met een enterbijl in zijn gordel

en een musket in de hand.

Milady bleef gedurende eenige minuten dezelfde houding bewaren, want zij

bedacht, dat men haar soms door het sleutelgat zou kunnen gadeslaan;

vervolgens hief zij langzaam het hoofd op, terwijl haar aangezicht

intusschen een vreeselijke uitdrukking van bedreiging en tarting had

aangenomen; zij legde haar oor luisterend tegen de deur, zag door het

venster, en opnieuw begroef zij zich als het ware in een grooten

leuningstoel. Zij peinsde.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 71 / 93 题