Gesprek van broeder en zuster.
Terwijl lord de Winter bezig was de deur te sluiten, een vensterluik
dicht te maken en een stoel naast den leuningstoel van zijn schoonzuster
te schuiven, wierp milady droomend een blik in de mogelijkheid en
ontdekte het geheele weefsel, hetwelk zij zelfs niet eens had kunnen
vermoeden, zoolang zij niet wist in wiens macht zij was gevallen. Zij
kende haar schoonbroeder voor een echten edelman, een stouten jager, een
onversaagden speler, een bij de vrouwen zeer ondernemend man, doch ver
van listig. Hoe had hij derhalve haar komst kunnen voorzien, haar doen
aanhouden, en waarom hield hij haar gevangen?
Athos had haar wel eenigszins laten blijken, dat het gesprek van den
kardinaal ter kennis van anderen was gekomen, maar zij kon het zich niet
begrijpelijk maken, hoe deze zoo snel en zoo stoutmoedig haar had kunnen
tegenwerken. Zij vreesde eerder, dat haar vroegere ondernemingen in
_Engeland_ ontdekt mochten zijn. Buckingham kon geraden hebben, dat zij
het was geweest, die de twee diamanten had afgesneden, en zich voor dat
kleine verraad willen wreken. Maar Buckingham was niet in staat tot
eenig uiterste jegens een vrouw over te gaan, vooral indien deze vrouw
verondersteld werd uit jaloezie gehandeld te hebben.
Die meening scheen haar dan ook de waarschijnlijkste; zij dacht, dat men
zich over het verledene wilde wreken en niet voor de toekomst zorgen.
Intusschen, en in alle geval was zij verheugd in handen van haar
schoonbroeder te zijn gevallen, dien zij verzekerd was spoedig te zullen
ontkomen, ten minste eerder dan uit de handen van een slimmen en
wezenlijken vijand.
„Ja, praten wij eens, broeder!” zeide zij met zekere bevallige losheid,
besloten uit dat gesprek, hoe achterhoudend lord de Winter ook mocht
zijn, al de inlichtingen te trekken, welke ter regeling van haar
toekomstig gedrag zouden kunnen strekken.--„Gij zijt dan eindelijk er
toe overgegaan om terug te komen,” zeide lord de Winter, „ondanks het
besluit, dat gij mij zoo dikwijls te _Parijs_ hebt betuigd, nimmer meer
een voet in _Groot-Brittanje_ te zetten?”--Milady beantwoordde deze
vraag met een andere vraag.--„Maar zeg mij vooreerst eens, hoe gij mij
zoo streng hebt doen bewaken, om vooruit, niet alleen van mijn komst,
maar daarenboven van den dag, het uur en de haven waar ik zou
binnenloopen, verwittigd te kunnen zijn?”
Lord de Winter ging tot dezelfde taktiek van milady over, in de
vooronderstelling dat, indien zijn schoonzuster die bezigde, ze de
rechte moest wezen.--„Maar zeg mij zelve eens, waarde zuster, wat gij in
_Engeland_ komt doen?”--„Wel! ik kom u bezoeken,” hernam milady, zonder
te begrijpen, hoe ze door dat antwoord de vermoedens vergrootte, welke
de brief van d’Artagnan in den geest van haar schoonbroeder had doen
ontstaan, en door een leugen de goede gezindheid van haar hoorder
willende winnen.--„Ha! om mij te bezoeken!” herhaalde de Winter
listig.--„Wel zeker, om u te bezoeken. Is dat zoo verwonderlijk?”--„En
hebt gij geen ander oogmerk gehad om naar _Engeland_ over te komen, dan
om mij te bezoeken?”--„Neen.”--„Dus alleen voor mij hebt gij u de moeite
gegeven het kanaal over te steken!”--„Voor u alleen.”--„Duivelsch! dat
is almachtig teeder, zuster!”--„Wel, ik ben immers uw naaste
bloedverwante,” zeide milady zoo onschuldig en teeder mogelijk.--„En ook
mijn eenigste erfgename, niet waar?” zeide lord de Winter, op zijn beurt
de oogen op die van milady vestigende, „namelijk door uw zoon.”
Welke macht milady ook op haar zelve had, kon zij zich niet beletten te
beven, en daar bij het uitspreken der laatste woorden lord de Winter
zijn hand op den arm zijner zuster had gelegd, ontging die ontroering
hem niet. De slag trof ook goed en diep. Het eerste denkbeeld, dat zich
voor den geest van milady vertoonde, was, door Ketty verraden te zijn,
en dat deze aan den baron dien baatzuchtigen haat had medegedeeld, van
welken zij zoo onvoorzichtig de kenteekenen in tegenwoordigheid van haar
kamenier had laten ontglippen; daarbij herinnerde zij zich ook den
hevigen en onbedachten uitval tegen d’Artagnan, toen deze het leven van
haar schoonbroeder had gespaard.
„Ik begrijp niet, mylord!” zeide zij, om tijd te winnen en haar
bestrijder te doen spreken, „wat gij wilt zeggen? Er ligt in uw woorden
een geheime zin verborgen.”--„Ach, mijn God! neen,” zeide lord de Winter
met schijnbare goedheid; „gij hadt het verlangen mij een bezoek te
brengen, en gij begeeft u naar _Engeland_. Ik verneem die begeerte, of
liever, ik twijfel er aan, dat gij ze koestert, en om al de
onaangenaamheden van een nachtelijke aankomst in een haven te besparen,
zend ik een mijner officieren te uwer ontvangst; ik stel een rijtuig te
zijner beschikking en hij voert u in dit kasteel, van hetwelk ik
gouverneur ben, waar ik dagelijks kom, en waar ik, ten einde onze
wederzijdsche begeerte van elkander te zien te kunnen voldoen, een kamer
voor u heb doen gereed maken. Is hierin iets meer verwonderlijks gelegen
dan in hetgeen gij mij gezegd hebt?”--„Neen; maar ik vind het zoo
wonderbaar, dat gij van mijn komst zijt verwittigd geworden.”--„Dat is
nochtans zeer eenvoudig, waarde zuster! Hebt gij dan niet gezien, dat de
kapitein van uw klein vaartuig, na op de reede aangekomen te zijn en om
verlof te verkrijgen in de haven binnen te loopen, een kleine boot
afzond met zijn journaal en de lijst der schepelingen? Ik ben
bevelhebber der haven, men heeft mij die papieren gebracht en ik heb er
uw naam op gevonden. Mijn hart heeft mij gezegd, hetgeen mij uw mond
heeft bevestigd: namelijk, met welk oogmerk gij u aan de gevaren van een
zoo onstuimige zee en een ten minste in dezen tijd zeer vermoeiende reis
hebt blootgesteld; en ik heb mijn kotter u tegemoet gezonden. Gij weet
het overige.”
Milady begreep, dat lord de Winter loog en was er nog te meer door
beangst.--„Broeder!” hernam zij, „was het lord Buckingham niet, dien ik
heden avond bij mijn aankomst op het havenhoofd zag staan?”--„Hij zelf.
O! ik begrijp, dat zijn gezicht u heeft moeten treffen,” hernam lord de
Winter. „Gij komt uit een land, waar men over hem wel veel moet spreken,
en ik weet, dat zijn krijgstoerustingen tegen _Frankrijk_ uw vriend, den
kardinaal, zeer verontrusten.”--„Mijn vriend den kardinaal!” riep
milady, ziende dat, zoowel ten opzichte van dit punt als van het andere,
mylord de Winter zeer goed van alles was onderricht.--„Is hij dan niet
uw vriend?” vroeg de baron onverschillig. „O! vergeef mij, ik dacht het.
Maar wij zullen later op mylord terugkomen. Wijken wij niet van de
sentimenteele wending af, die het gesprek heeft aangenomen. Gij zijt
gekomen zegt gij, om mij een bezoek te brengen?”--„Ja.”--„Welnu, ik heb
u gezegd, dat uw verlangen zou vervuld worden en wij elkander dagelijks
zouden zien.”--„Moet ik dan eeuwig hier blijven?” vroeg milady
eenigszins angstig.--„Zoudt gij u slecht gehuisvest vinden, zuster?
Vraag wat gij begeert, en ik zal mij haasten het u te bezorgen.”--„Maar
ik heb noch mijn vrouwen noch mijn knecht.”--„Gij zult dat alles hebben,
mevrouw! zeg mij, op welken voet uw eerste man zijn huis had ingericht,
en ofschoon slechts uw schoonbroeder zijnde, zal ik het voor u hier op
denzelfden voet inrichten.”--„Mijn eerste man?” riep milady, lord de
Winter met verschrikte oogen aanziende.--„Ja, uw Fransche echtgenoot, ik
spreek niet van mijn broeder. Overigens, indien gij het hebt vergeten,
zal ik hem, daar hij nog in leven is, kunnen schrijven, en hij zal mij
het noodige te dien aanzien wel willen mededeelen.”
Een koud zweet parelde op het voorhoofd van milady.--„Gij schertst,”
zeide zij met een gesmoorde stem.--„Zie ik er naar uit?” vroeg de baron
opstaande en een stap achteruit doende.--„Of liever gij beleedigt mij,”
ging zij voort, met haar krampachtig vertrokken vuisten de beide
leuningen van den stoel omknellende en zich oprichtende.--„U beleedigen?
ik?”--„Mijnheer!” zeide milady, „gij zijt dronken of gek. Vertrek en
zend mij mijn vrouwen.”--„De vrouwen zijn zoo praatachtig, zuster! zou
ik u niet als kamenier kunnen bedienen? Op die wijze zouden al onze
geheimen in de familie blijven.”--„Onbeschaamde!” riep milady. En als
door een springveer bewogen, viel zij den baron aan, die haar
onbeweeglijk afwachtte, echter de hand aan het gevest zijns degens
slaande.--„Ha! ha!” zeide hij, „ik weet, dat gij gewoon zijt de lieden
te vermoorden; maar ik zal mij verdedigen, hoort gij, al was het tegen
u.”--„O! gij hebt gelijk,” hernam milady, „en gij schijnt mij laag
genoeg toe, om de hand aan een vrouw te slaan.”--„Als dat plaats vond,
zou ik hiervoor een verontschuldiging hebben. Mijn hand zou daarenboven
de eerste hand niet zijn, die op u is neergekomen, verbeeld ik mij.”--En
de baron wees langzaam en beschuldigend op den linkerschouder van
milady, dien hij met zijn vinger bijna raakte.
Milady slaakte een dof gebrul en deinsde achteruit in een der hoeken van
de kamer als een panter, die zich langs den grond sleept om een sprong
te doen.
„O! brul zoo lang gij wilt,” riep lord de Winter, „maar waag het niet te
bijten; want ik verklaar u, dat zou tot uw nadeel afloopen. Er zijn hier
geen procureurs, die te voren over de erfenissen beschikken; er is geen
dolende ridder, die met mij twist komt zoeken wegens de schoone dame,
die ik gevangen houd; maar ik heb rechters bij de hand, die over een
vrouw zullen beschikken, welke schaamteloos genoeg is geweest, hoewel
gehuwd, zich in de familie te dringen van lord de Winter, mijn oudsten
broeder, en deze rechters zullen u naar een beul zenden, die u beide
schouders gelijk zal maken.”
De oogen van milady schoten zulke vreeselijke bliksems, dat, hoewel man
en gewapend tegenover een ongewapende vrouw, lord de Winter het ijskoude
van den angst tot in zijn ziel voelde doordringen; hij ging desniettemin
en met klimmende woede voort: „Ja, ik begrijp, dat, na van mijn broeder
te hebben geërfd, het u gestreeld zou hebben, ook van mij te erven; maar
weet het vooruit, gij kunt mij het leven ontnemen of doen ontnemen, mijn
voorzorgen zijn genomen. Geen penning van hetgeen ik bezit zal in uw
handen noch in die van uw zoon komen. Zijt gij, die reeds een half
millioen bezit, niet rijk genoeg? en hadt gij niet kunnen blijven
stilstaan op uw noodlottigen weg, indien gij het kwaad niet bedreeft
alleen om het onuitsprekelijk en helsch genot, dat het te bedrijven u
schenkt. O! ik zeg u, indien het aandenken mijns broeders mij niet
heilig ware, zoudt gij in een staatsgevangenis uw leven gaan eindigen,
of te _Tyburn_ de nieuwsgierigheid der matrozen verzadigen. Ik zal
zwijgen: maar gij zult geduldig uw gevangenschap ondergaan. Binnen
veertien dagen of drie weken ga ik met een leger naar _la Rochelle_;
maar den dag vóór mijn vertrek zal een schip u komen afhalen; ik zal het
zien vertrekken en het zal u naar onze zuidelijke koloniën voeren. Wees
overigens gerust, ik zal u een reisgezel medegeven, die u bij de eerste
poging, welke gij mocht wagen, om in _Engeland_ of op het vaste land
terug te keeren, door de hersens zal schieten.”
Milady luisterde met een aandacht, welke haar vlammende oogen
vergrootte.--„Ja; maar voor het oogenblik,” ging lord de Winter voort,
„zult gij in dit kasteel blijven; de muren zijn dik, de deuren zijn
sterk, de tralies stevig, en bovendien is uw venster vlak boven de zee.
Mijn zeelieden zijn mij in dood en leven getrouw; zij zullen de wacht
rondom uw kamer betrekken en al de uitgangen bewaken, die tot op de
binnenplaats leiden; en mocht gij al op de binnenplaats zijn gekomen,
dan blijven u nog drie hekken door te gaan. Het bevel is duidelijk, één
voetstap, één gebaar, één woord, dat op een ontvluchting doelt, en men
schiet u neer. Indien men u doodt, dan hoop ik, zal het gerecht van
_Engeland_ mij verplichting schuldig zijn, het in zijn werk behulpzaam
te zijn geweest.... Zoo! uw gelaatstrekken hernemen hun kalmte, uw geest
duidt meer moed aan; tien dagen, veertien dagen, zegt gij? O! nog zoo
lang! ik ben vindingrijk, er zal in mij wel een denkbeeld opkomen: mijn
helsche geest zal wel een offer weten te vinden. Nog veertien dagen,
zegt gij? dan ben ik hieruit bevrijd! Beproef....”
Milady, die zich ontmaskerd zag, drukte haar nagels in haar vleesch, om
elke gewaarwording te onderdrukken, welke aan haar aangezicht een andere
uitdrukking dan die van angst had kunnen geven.
Lord de Winter vervolgde: „Wat den officier betreft, die hier alleen in
mijn afwezigheid het bevel voert, dezen hebt gij gezien, gij kent hem
reeds; hij weet, zooals gij hebt gezien, een bevel uit te voeren; want
gij zijt van _Portsmouth_ niet hier gekomen zonder pogingen te hebben
aangewend hem te doen spreken. Welnu! wat denkt gij er van? Zou een
marmeren beeld onbeweeglijker, stommer hebben kunnen zijn? Gij hebt
reeds op vele mannen het vermogen uwer verleidingsmiddelen beproefd, en
helaas, het is u steeds gelukt; maar beproef dezen, _Goddam_! en als gij
slaagt, dan verklaar ik u voor satan in persoon.”--Hij begaf zich naar
de deur en opende die haastig.--„Dat men den heer Felton roepe,” zeide
hij. „Wacht nog een weinig, en ik zal u hem aanbevelen.”
Er ontstond tusschen de beide personages een zonderlinge stilte, terwijl
men het gerucht van langzame en regelmatige voetstappen hoorde, die
naderden. Weldra zag men in de schaduw van de gang een menschelijke
gedaante verschijnen, en de jonge luitenant, met wien wij reeds hebben
kennis gemaakt, bleef op den drempel staan, de bevelen van den baron
afwachtende.
„Kom binnen, mijn beste John!” zeide lord de Winter. „Kom binnen, maar
sluit de deur.”--De jonge officier trad binnen.--„Beschouw nu eens die
vrouw! zij is jong, zij is schoon, zij bezit al de verleidingsmiddelen
der wereld; welnu, zij is een gedrocht, dat, slechts vijf en twintig
jaar zijnde, zich aan zoovele misdaden heeft schuldig gemaakt, dat gij
een jaar zoudt noodig hebben, om in de archieven onzer gerechtshoven er
een even groot getal te vinden. Haar stem strekt haar tot voorspraak,
haar schoonheid is voor haar offer een lokaas; zij zal u trachten te
verleiden, misschien zelfs zal zij beproeven u om het leven te
brengen.... Ik heb u uit de ellende getrokken, Felton! Ik heb u tot
officier doen benoemen; ik heb u eenmaal het leven gered, gij weet bij
welke gelegenheid; ik ben niet alleen voor u een beschermer, maar tevens
een vriend; niet alleen een weldoener, maar een vader. Die vrouw is in
_Engeland_ gekomen, om tegen mijn leven een aanslag te smeden; ik heb
die slang in mijn handen, en nu laat ik u roepen en zeg u: Vriend
Felton! mijn zoon! waak over mij en vooral waak over u zelven ten
aanzien dezer vrouw. Zweer op uw zaligheid, haar te bewaren voor de
kastijding, welke zij verdiend heeft. John Felton! ik stel vertrouwen in
uw woord; John Felton! ik geloof aan uw trouw.”--„Mylord!” zeide de
jonge officier, op zijn rein aangezicht al den haat vertoonende, die in
zijn hart aanwezig was, „mylord, ik zweer, dat uw wensch zal vervuld
worden.”
Milady doorstond dien aanblik als een onderworpen offer; het was niet
mogelijk een meer nederige en zachtere uitdrukking te zien dan die,
welke toen op haar fraai gezicht lag verspreid. Zelfs lord de Winter
herkende nauwelijks meer de tijgerin, tegen welke hij een oogenblik te
voren gereed was zich te verdedigen.
„Zij mag nooit deze kamer verlaten, hoort gij, John!” ging de baron
voort; „zij mag met niemand briefwisseling houden; zij zal alleen tot u
mogen spreken, althans indien gij haar de eer wilt doen tot haar te
spreken.”--„Het is genoeg, mylord! ik heb gezworen.”--„En nu, mevrouw!”
zeide de baron, „tracht nu met God vrede te maken, want door de menschen
zijt gij veroordeeld.”
Milady boog het hoofd, als verplette haar dit oordeel. Lord de Winter
vertrok, Felton, die hem volgde en de deur sloot, een wenk gevende.
Een oogenblik later hoorde men in de gang de zware voetstappen van een
zeesoldaat, die op schildwacht stond, met een enterbijl in zijn gordel
en een musket in de hand.
Milady bleef gedurende eenige minuten dezelfde houding bewaren, want zij
bedacht, dat men haar soms door het sleutelgat zou kunnen gadeslaan;
vervolgens hief zij langzaam het hoofd op, terwijl haar aangezicht
intusschen een vreeselijke uitdrukking van bedreiging en tarting had
aangenomen; zij legde haar oor luisterend tegen de deur, zag door het
venster, en opnieuw begroef zij zich als het ware in een grooten
leuningstoel. Zij peinsde.