Noodlottigheid.
Intusschen was milady dronken van toorn en brulde op het verdek van het
vaartuig als een leeuwin, die werd ingescheept. Zij was zelfs op het
punt geweest in zee te springen, om de kust te bereiken, want zij vond
het denkbeeld ondragelijk, dat zij, na door d’Artagnan beleedigd, door
Athos bedreigd te zijn geworden, nu _Frankrijk_ verliet, zonder zich op
hen gewroken te hebben. Weldra kreeg dat gevoelen zoodanig de overhand,
dat zij, alles wagende wat voor haar hieruit nadeeligs zou kunnen
voortspruiten, den kapitein verzocht haar aan wal te zetten; maar de
kapitein, verlangend uit zijn gevaarlijken toestand te geraken, daar hij
tusschen Fransche en Engelsche kapers zat, als de vleermuis onder de
ratten en vogels, maakte zooveel mogelijk spoed om _Engeland_ te
bereiken; hij weigerde dus halsstarrig aan datgene gehoor te geven, wat
hij een vrouwengril noemde, zijn passagier, die trouwens door den
kardinaal bijzonder was aanbevolen, belovende, haar in een der havens
van _Bretagne_, hetzij in die van _Lorient_ of van _Brest_, aan land te
zetten.
Maar ondertusschen bleef de wind ongunstig en de zee onstuimig; men
laveerde en maakte niet veel voortgang. Negen dagen na uit _Charente_ te
zijn vertrokken zag milady, bleek van verdriet en woede, eindelijk de
blauwachtige kust van _Finisterre_ dagen. Zij berekende dat, om dien
hoek van _Frankrijk_ te doorreizen en tot den kardinaal terug te keeren,
zij ten minste drie dagen noodig had; hierbij gevoegd één dag voor de
ontscheping, maakte vier dagen. Hierbij de vorige negen voegende, zoo
waren er dertien dagen verloren. Dertien dagen, in welke zoovele
gewichtige gebeurtenissen te _Londen_ hadden kunnen plaats hebben! Zij
begreep tevens, dat de kardinaal ongetwijfeld woedend over haar
terugkomst zoude zijn en bijgevolg meer genegen wezen de klachten, welke
men tegen haar zoude inbrengen, aan te hooren, dan haar beschuldigingen
tegen anderen. Zij zeilde derhalve _Brest_ en _Lorient_ voorbij, zonder
bij den kapitein aan te dringen, die van zijn kant zich wel wachtte haar
in het minste iets te herinneren.
Milady vervolgde dus haar weg, en denzelfden dag, dat Planchet zich te
_Portsmouth_ naar _Frankrijk_ inscheepte, liep de zendelinge Zijner
Eminentie zegevierend de haven binnen. De geheele stad was in een
buitengewone gisting; vier pas gebouwde groote schepen waren te water
gelaten. Aan het havenhoofd stond, met goud belegd en volgens gewoonte
schitterende van diamanten en edelsteenen, den hoed versierd met een
witte veder, die langs zijn schouder golfde, Buckingham, omringd door
een staf, bijna even schitterend als hij. Het was een dier zoo zeldzaam
fraaie dagen, op welke _Engeland_ zich herinnert dat een zon bestaat. De
bleeke, maar nochtans schitterende ster ging in het westen onder, tevens
de zee en den hemel in purper hullende en als met strepen vuurs
bedekkende, die op de torens en oude huizen der stad een laatsten gouden
straal wierpen en de glasruiten deden glinsteren als de weerschijn van
een brand.
Toen milady, die bij het naderen der kust de meer doordringende en
balsemgeurige zeelucht inademde, al die toebereidselen en
krachtsontwikkeling zag, welke zij moest vernielen, de macht van dat
leger, dat zij alleen moest bestrijden, zij alleen, met eenige zakken
goud, vergeleek zij zich bij Judith, die vreeselijke Joodsche vrouw,
toen deze, in het Assyrische legerkamp binnendringende, die
ontzaggelijke opeenhooping van strijdwagens, paarden, menschen en wapens
zag, welke zij door een beweging harer hand als een rookwolk moest doen
verdwijnen. Men kwam op de reede; maar, terwijl men zich gereed maakte
om het anker te doen vallen, naderde een kleine, sterk gewapende kotter
het handelsvaartuig, deed zich als kustbewaarder herkennen en liet een
sloep te water, die naar de opgangsladder roeide. De boot bevatte een
officier, een onderstuurman en acht roeiers. Alleen de officier klom aan
boord, waar hij met al de onderscheiding werd ontvangen, welke de
uniform inboezemt.
De officier onderhield zich eenige oogenblikken met den kapitein, liet
hem eenige papieren lezen, welke hij bij zich had, en op bevel van den
koopvaardij-kapitein werd de geheele equipage van het vaartuig, zoowel
matrozen als passagiers, op het verdek geroepen.
Toen die soort van oproeping gedaan was, vroeg de officier met luide
stem, van waar de brik was gekomen en naar haar koers en haar oponthoud,
op welke vragen de kapitein zonder aarzeling of moeite antwoordde. Toen
nam de officier achtereenvolgens al de aanwezigen in oogenschouw, en
voor milady blijvende staan, beschouwde hij haar met de grootste
nauwkeurigheid, zonder haar één enkel woord toe te voegen. Vervolgens
keerde hij tot den kapitein terug, zeide dezen nog eenige woorden, en
alsof hij het ware geweest, wien het schip voortaan moest gehoorzamen,
gaf hij het bevel tot een beweging, die het scheepsvolk onmiddellijk ten
uitvoer bracht. Dadelijk ging het schip weer onder zeil, maar nu
vergezeld door den kleinen kotter, die er naast bleef, met de gapende
monden zijner vijf kanonnen dreigende, terwijl de boot het zog van het
schip volgde, als een kleine stip bij dien grooten klomp vergeleken.
Terwijl de officier milady zoo aandachtig beschouwde, had zij, zooals
men wel kan denken, hem van haar zijde niet minder door haar blik
verslonden. Maar hoe gewoon die vrouw met haar vlammende oogen ook was
in de harten van hen te lezen, van wie zij de geheimen wilde
doorgronden, vond zij nu een zoo onbeweeglijk gelaat, dat niet de minste
ontdekking op haar onderzoek volgde.
De officier, die voor haar was blijven staan en haar stilzwijgend met
zooveel nauwkeurigheid had gadegeslagen, kon vijf of zes en twintig jaar
oud zijn geweest, was blank van vel, met helder blauwe, een weinig diep
liggende oogen; zijn kleine en welgevormde mond bleef onbeweeglijk in
zijn gewone omtrekken; zijn sterk geteekende kin gaf die wilskracht te
kennen, welke bij den gewonen Engelschman gewoonlijk niet meer dan
hoofdigheid is; een min of meer achteroverhellend voorhoofd, als dat
eens dichters, eens geestdrijvers of krijgsmans, werd beschaduwd door
kort en zeer dun haar, dat, evenals de baard, welke het onderste van
zijn gelaat bedekte, van een schoone, donkere kastanjekleur was.
Toen men de haven binnenkwam, was de avond reeds gevallen. De mist
verdikte nog meer de duisternis en vormde rondom de vuren en lichten der
havenhoofden een kring als dien, welke de maan omringt, wanneer het
weder tot regenen dreigt over te gaan. De lucht was treurig, vochtig en
koud. De officier liet zich de goederen van milady aanwijzen en haar
bagage in de boot laden; na het eindigen dezer werkzaamheid verzocht hij
haar er zelve in te gaan, terwijl hij haar hiertoe de hand bood. Milady
beschouwde hem en aarzelde.
„Wie zijt gij, mijnheer?” vroeg zij, „die zoo goed zijt zich zoo
bijzonder met mij bezig te houden?”--„Gij kunt het aan mijn uniform
zien, mevrouw! Ik ben Engelsch zee-officier,” antwoordde de jonge
man.--„Maar is het dan gebruikelijk, dat Engelsche zee-officieren hun
diensten aan hun landgenooten aanbieden, wanneer deze in een der havens
van _Groot-Brittanje_ aanlanden, en zoover de beleefdheid uitstrekken
van hen aan land te geleiden?”--„Ja, milady! het is de gewoonte, niet
uit beleefdheid, maar uit voorzichtigheid, dat in oorlogstijd de
vreemdelingen naar een daartoe bestemde verblijfplaats worden gebracht,
om tot na den afloop van een volkomen onderzoek onder het toezicht van
het gouvernement te blijven.”
Die woorden werden met de grootste beleefdheid en de volmaaktste
bedaardheid uitgesproken. Echter hadden zij het vermogen niet milady te
overtuigen.
„Maar ik ben geen vreemdelinge, mijnheer!” zeide zij in het zuiverste
Engelsch, dat ooit van _Portsmouth_ tot _Manchester_ gesproken is
geworden; „ik heet lady de Winter, en die maatregel....”--„Die maatregel
is algemeen, milady! en gij zoudt vruchteloos trachten er u aan te
onttrekken.”--„Ik zal u dan volgen, mijnheer!”--En de hand des officiers
aannemende, begon zij de ladder af te klimmen, beneden welke de boot
haar wachtte.
De officier volgde haar; een groote mantel was aan den achtersteven
uitgespreid, de officier deed haar er op plaats nemen en zette zich
naast haar.--„Roeit voort!” beval hij den matrozen.
De acht roeispanen vielen in zee, slechts één slag voortbrengende, en de
boot scheen over de oppervlakte des waters te vliegen. Binnen vijf
minuten was men aan wal. De officier sprong op de kade en bood zijn hand
aan milady. Een rijtuig wachtte.
„Is dat rijtuig voor ons?” vroeg milady.--„Ja, mevrouw!” antwoordde de
officier.--„Is dan de herberg zoo ver van hier?”--„Aan de andere zijde
der stad.”--„Welaan!” zeide milady, en zij stapte moedig in het rijtuig.
De officier zorgde, dat de bagage behoorlijk achterop werd vastgemaakt,
en dit verricht zijnde, zette hij zich naast milady en sloot het
portier. Onmiddellijk daarop, zonder dat het bevel hiertoe werd gegeven,
of zonder hem zijn bestemming aan te duiden, vertrok de koetsier in
vollen draf en reed de straten der stad in.
Een zoo zonderlinge ontvangst moest milady veel stof tot nadenken geven,
en ziende dat de jonge officier volstrekt niet genegen scheen in gesprek
met haar te treden, dook zij diep in den hoek van het rijtuig en liet
achtereenvolgens al de vooronderstellingen voorbijgaan, die zich voor
haar geest vertoonden. Na verloop van een kwartier was zij intusschen
over de lengte van den weg verwonderd, en zij boog zich uit het portier
om te zien, waarheen men haar voerde. Maar geen huizen bespeurde men
meer; en alleen boomen verhieven zich in de duisternis als groote,
zwarte, elkander na-ijlende spookgedaanten. Milady ontroerde.
„Maar wij zijn niet meer in de stad, mijnheer!”--De jonge officier
zweeg.--„Ik zal niet verder gaan, indien gij mij niet zegt, waarheen ik
word gevoerd, dat verzeker ik u, mijnheer!”--Op die bedreiging kwam niet
het minste antwoord.--„O, dat is te erg!” riep milady. „Help, help!”
Geen stem beantwoordde de hare; het rijtuig bleef snel voortrollen. De
officier geleek een beeld. Milady beschouwde den officier met een dier
vreeselijke uitdrukkingen, haar aangezicht zoo eigen, en die zoo zelden
haar uitwerking misten. De toorn deed haar oogen in de duisternis
schitteren. De jongeling bleef onbeweeglijk. Milady wilde het portier
openen en uit het rijtuig springen.--„Wees voorzichtig, mevrouw!” zeide
de jongeling koel, „gij zoudt uw leven in groot gevaar brengen.”
Milady zette zich neder, schuimbekkende van woede. De officier wendde
zich tot haar, beschouwde haar op zijn beurt en scheen verwonderd dat
vroeger zoo schoon gezicht, nu bijna afschuwelijk geworden en door
razernij misvormd, te zien. Het doortrapte schepsel begreep, dat zij
zich in het verderf stortte door op die wijze in haar ziel te doen
lezen, zij verzachtte daarom haar gelaatstrekken en op zuchtenden toon
sprak zij: „In ’s hemels naam, mijnheer! zeg mij toch, of ik aan u, het
gouvernement of aan een vijand de gewelddadigheid moet toeschrijven,
welke men mij aandoet?”--„Men pleegt geen de minste gewelddadigheid
jegens u, mevrouw! en hetgeen u wedervaart is het gevolg van een zeer
eenvoudigen maatregel, welken wij verplicht zijn jegens allen, die in
_Engeland_ aankomen, in acht te nemen.”--„Dan kent gij mij niet,
mijnheer!”--„Het is de eerste maal, dat ik de eer heb u te zien.”--„En
hebt gij, op uw eer, niet de minste reden van haat jegens
mij?”--„Volstrekt niet, dat zweer ik u.”
Er lag zooveel oprechtheid, kalmte, zelfs zachtheid in de stem van den
jongeling, dat milady zich gerust stelde. Eindelijk, na ongeveer een uur
te zijn voortgereden, hield het rijtuig voor een ijzeren hek stil, dat
een hollen weg sloot, die den toegang verleende tot een eenzaam, groot
kasteel van strenge bouworde. Dewijl de wielen toen het fijne zand
doorwoelden, hoorde milady een hevig gedruisch, ’t geen zij voor dat der
zee herkende, wier golven zich voor een steile kust komen breken. Het
rijtuig reed onder twee gewelven door en bleef eindelijk op een
vierkante, donkere binnenplaats staan. Bijna onmiddellijk hierop werd
het portier geopend, de jongeling sprong vlug op den grond en bood
milady de hand, die, er op steunende, op haar beurt tamelijk bedaard uit
het rijtuig stapte.
„Het is in alle geval zeker,” zeide milady, rondom zich ziende en haar
oogen met den bevalligsten glimlach ter wereld op den jongen officier
terugbrengende, „dat ik gevangen ben; maar ik zal het niet voor langen
tijd zijn, hiervan ben ik zeker,” voegde zij er bij. „Mijn geweten en uw
beleefdheid, mijnheer! zijn er mij borg voor.”
Hoe vleiend die toespraak ook was, antwoordde de officier echter niet,
maar uit zijn gordel een kleine zilveren fluit nemende, gelijk die
waarvan zich de onderstuurlieden op de oorlogsschepen bedienen, floot
hij tot drie malen op verschillende tonen: dadelijk hierop verschenen
eenige mannen, die de dampende paarden afspanden en het rijtuig in een
koetshuis brachten. De officier verzocht milady met zijn gewone bedaarde
beleefdheid in huis te gaan. Deze, steeds even vriendelijk glimlachende,
gaf hem haar arm en ging met hem door een lage, ronde poort in een
slechts aan het einde verlicht gewelf, dat tot een zware, van steenen
opgetrokken wenteltrap leidde; toen bleef men voor een deur stilstaan,
welke de jongeling met een sleutel, dien hij bij zich had, opende en,
zwaar op haar hengsels draaiende, toegang verleende tot de kamer voor
milady bestemd; met een enkelen blik had de gevangene de kamer in haar
geringste bijzonderheden in oogenschouw genomen. Het was een kamer van
welke het huisraad te zindelijk voor een gevangenis, maar tevens te
eenvoudig voor een vrijen bewoner was. Intusschen pleitten de traliën
voor de vensters en de buitenste grendels der deur ten voordeele eener
gevangenis.
Voor een oogenblik verliet de geestkracht dat in alles verharde
schepsel. Zij viel op een leuningstoel neer, sloeg de armen kruiselings
over haar borst, boog het hoofd en verwachtte elk oogenblik een rechter
te zien verschijnen om haar te ondervragen. Maar niemand trad binnen dan
twee of drie zeesoldaten, die de koffers en kisten brachten, ze in een
hoek zetten en zonder één woord te spreken vertrokken. De officier
woonde al deze bijzonderheden bij met dezelfde bedaardheid, welke milady
voortdurend in hem had waargenomen, zelfs niet een enkel woord
sprekende, en zich op een gebaar of op een geluid zijner fluit doende
gehoorzamen. Men zou gemeend hebben, dat tusschen dien man en zijn
onderhebbenden de gewone taal niet bestond, of althans onnoodig was
geworden. Eindelijk kon milady het niet langer verkroppen en zij verbrak
de stilte.
„In ’s hemels naam, mijnheer!” riep zij, „wat beteekent toch alles wat
er gebeurt? Doe mijn twijfelingen ophouden. Ik heb moed voor elk gevaar,
dat ik voorzie, voor elke ramp, die ik kan begrijpen; waar ben ik, en
wat ben ik hier? Ben ik vrij? waarom dan die tralies en die grendels?
Ben ik gevangen? wat misdaad heb ik dan bedreven?”--„Gij zijt hier in
het vertrek, dat voor u bestemd is, mevrouw! Ik heb het bevel gekregen u
in zee te gaan ontvangen en u hier in dit kasteel te geleiden. Dat bevel
heb ik volbracht, geloof ik, met al de nauwgezetheid van een krijgsman,
maar tevens met al de beleefdheid eens edelmans. Tot hiertoe bepaalt
zich ten minste de last, dien ik jegens u heb te vervullen; het overige
betreft een anderen.”--„En wie is die andere persoon?” vroeg milady;
„kunt gij mij zijn naam niet zeggen?”
Op dat oogenblik hoorde men op de trap een groot gerucht van kletterende
sporen; eenige stemmen gingen voorbij, doofden van lieverlede en het
gerucht der voetstappen van een enkel persoon naderde de deur.
„Hier is die persoon, mevrouw!” zei de officier, ter zijde gaande en den
doorgang vrijlatende, in een onderdanige, eerbiedige houding staan
blijvende. Tegelijkertijd opende zich de deur. Een man verscheen op den
drempel. Hij was zonder hoed, droeg een degen op zijde en verkreukte een
zakdoek in zijn hand. Milady meende die schim in de schaduw te
herkennen; zij steunde met de eene hand op den arm van haar leuningstoel
en bracht het hoofd vooruit, als om zich van iets stelligs te
verzekeren. Daarop naderde de vreemdeling met langzame schreden, en naar
gelang hij naderde en den lichtkring, welken de lamp van zich wierp,
binnentrad, deinsde milady onwillekeurig terug. Vervolgens, toen haar
geen twijfel meer overbleef, riep zij vol verbazing: „Wel hoe, mijn
broeder! zijt gij het?”--„Ja, schoone dame!” antwoordde lord de Winter,
half beleefd, half spottend groetende; „ik zelf.”--„En dit
kasteel?”--„Behoort mij.”--„En deze kamer?”--„Is de uwe.”--„Ben ik dan
uw gevangene?”--„Ten naasten bij.”--„Maar dat is een vreeselijk misbruik
van vertrouwen!”--„Geen groote woorden; laat ons gaan zitten en met
bedaardheid praten, zooals het een broeder en een zuster betaamt.”--En
zich naar de deur keerende en ziende, dat de jonge officier zijn bevelen
wachtte, zeide hij: „Het is wel, ik dank u; laat ons nu alleen, mijnheer
Felton.”