HOOFDSTUK XVIII.

Noodlottigheid.

Intusschen was milady dronken van toorn en brulde op het verdek van het

vaartuig als een leeuwin, die werd ingescheept. Zij was zelfs op het

punt geweest in zee te springen, om de kust te bereiken, want zij vond

het denkbeeld ondragelijk, dat zij, na door d’Artagnan beleedigd, door

Athos bedreigd te zijn geworden, nu _Frankrijk_ verliet, zonder zich op

hen gewroken te hebben. Weldra kreeg dat gevoelen zoodanig de overhand,

dat zij, alles wagende wat voor haar hieruit nadeeligs zou kunnen

voortspruiten, den kapitein verzocht haar aan wal te zetten; maar de

kapitein, verlangend uit zijn gevaarlijken toestand te geraken, daar hij

tusschen Fransche en Engelsche kapers zat, als de vleermuis onder de

ratten en vogels, maakte zooveel mogelijk spoed om _Engeland_ te

bereiken; hij weigerde dus halsstarrig aan datgene gehoor te geven, wat

hij een vrouwengril noemde, zijn passagier, die trouwens door den

kardinaal bijzonder was aanbevolen, belovende, haar in een der havens

van _Bretagne_, hetzij in die van _Lorient_ of van _Brest_, aan land te

zetten.

Maar ondertusschen bleef de wind ongunstig en de zee onstuimig; men

laveerde en maakte niet veel voortgang. Negen dagen na uit _Charente_ te

zijn vertrokken zag milady, bleek van verdriet en woede, eindelijk de

blauwachtige kust van _Finisterre_ dagen. Zij berekende dat, om dien

hoek van _Frankrijk_ te doorreizen en tot den kardinaal terug te keeren,

zij ten minste drie dagen noodig had; hierbij gevoegd één dag voor de

ontscheping, maakte vier dagen. Hierbij de vorige negen voegende, zoo

waren er dertien dagen verloren. Dertien dagen, in welke zoovele

gewichtige gebeurtenissen te _Londen_ hadden kunnen plaats hebben! Zij

begreep tevens, dat de kardinaal ongetwijfeld woedend over haar

terugkomst zoude zijn en bijgevolg meer genegen wezen de klachten, welke

men tegen haar zoude inbrengen, aan te hooren, dan haar beschuldigingen

tegen anderen. Zij zeilde derhalve _Brest_ en _Lorient_ voorbij, zonder

bij den kapitein aan te dringen, die van zijn kant zich wel wachtte haar

in het minste iets te herinneren.

Milady vervolgde dus haar weg, en denzelfden dag, dat Planchet zich te

_Portsmouth_ naar _Frankrijk_ inscheepte, liep de zendelinge Zijner

Eminentie zegevierend de haven binnen. De geheele stad was in een

buitengewone gisting; vier pas gebouwde groote schepen waren te water

gelaten. Aan het havenhoofd stond, met goud belegd en volgens gewoonte

schitterende van diamanten en edelsteenen, den hoed versierd met een

witte veder, die langs zijn schouder golfde, Buckingham, omringd door

een staf, bijna even schitterend als hij. Het was een dier zoo zeldzaam

fraaie dagen, op welke _Engeland_ zich herinnert dat een zon bestaat. De

bleeke, maar nochtans schitterende ster ging in het westen onder, tevens

de zee en den hemel in purper hullende en als met strepen vuurs

bedekkende, die op de torens en oude huizen der stad een laatsten gouden

straal wierpen en de glasruiten deden glinsteren als de weerschijn van

een brand.

Toen milady, die bij het naderen der kust de meer doordringende en

balsemgeurige zeelucht inademde, al die toebereidselen en

krachtsontwikkeling zag, welke zij moest vernielen, de macht van dat

leger, dat zij alleen moest bestrijden, zij alleen, met eenige zakken

goud, vergeleek zij zich bij Judith, die vreeselijke Joodsche vrouw,

toen deze, in het Assyrische legerkamp binnendringende, die

ontzaggelijke opeenhooping van strijdwagens, paarden, menschen en wapens

zag, welke zij door een beweging harer hand als een rookwolk moest doen

verdwijnen. Men kwam op de reede; maar, terwijl men zich gereed maakte

om het anker te doen vallen, naderde een kleine, sterk gewapende kotter

het handelsvaartuig, deed zich als kustbewaarder herkennen en liet een

sloep te water, die naar de opgangsladder roeide. De boot bevatte een

officier, een onderstuurman en acht roeiers. Alleen de officier klom aan

boord, waar hij met al de onderscheiding werd ontvangen, welke de

uniform inboezemt.

De officier onderhield zich eenige oogenblikken met den kapitein, liet

hem eenige papieren lezen, welke hij bij zich had, en op bevel van den

koopvaardij-kapitein werd de geheele equipage van het vaartuig, zoowel

matrozen als passagiers, op het verdek geroepen.

Toen die soort van oproeping gedaan was, vroeg de officier met luide

stem, van waar de brik was gekomen en naar haar koers en haar oponthoud,

op welke vragen de kapitein zonder aarzeling of moeite antwoordde. Toen

nam de officier achtereenvolgens al de aanwezigen in oogenschouw, en

voor milady blijvende staan, beschouwde hij haar met de grootste

nauwkeurigheid, zonder haar één enkel woord toe te voegen. Vervolgens

keerde hij tot den kapitein terug, zeide dezen nog eenige woorden, en

alsof hij het ware geweest, wien het schip voortaan moest gehoorzamen,

gaf hij het bevel tot een beweging, die het scheepsvolk onmiddellijk ten

uitvoer bracht. Dadelijk ging het schip weer onder zeil, maar nu

vergezeld door den kleinen kotter, die er naast bleef, met de gapende

monden zijner vijf kanonnen dreigende, terwijl de boot het zog van het

schip volgde, als een kleine stip bij dien grooten klomp vergeleken.

Terwijl de officier milady zoo aandachtig beschouwde, had zij, zooals

men wel kan denken, hem van haar zijde niet minder door haar blik

verslonden. Maar hoe gewoon die vrouw met haar vlammende oogen ook was

in de harten van hen te lezen, van wie zij de geheimen wilde

doorgronden, vond zij nu een zoo onbeweeglijk gelaat, dat niet de minste

ontdekking op haar onderzoek volgde.

De officier, die voor haar was blijven staan en haar stilzwijgend met

zooveel nauwkeurigheid had gadegeslagen, kon vijf of zes en twintig jaar

oud zijn geweest, was blank van vel, met helder blauwe, een weinig diep

liggende oogen; zijn kleine en welgevormde mond bleef onbeweeglijk in

zijn gewone omtrekken; zijn sterk geteekende kin gaf die wilskracht te

kennen, welke bij den gewonen Engelschman gewoonlijk niet meer dan

hoofdigheid is; een min of meer achteroverhellend voorhoofd, als dat

eens dichters, eens geestdrijvers of krijgsmans, werd beschaduwd door

kort en zeer dun haar, dat, evenals de baard, welke het onderste van

zijn gelaat bedekte, van een schoone, donkere kastanjekleur was.

Toen men de haven binnenkwam, was de avond reeds gevallen. De mist

verdikte nog meer de duisternis en vormde rondom de vuren en lichten der

havenhoofden een kring als dien, welke de maan omringt, wanneer het

weder tot regenen dreigt over te gaan. De lucht was treurig, vochtig en

koud. De officier liet zich de goederen van milady aanwijzen en haar

bagage in de boot laden; na het eindigen dezer werkzaamheid verzocht hij

haar er zelve in te gaan, terwijl hij haar hiertoe de hand bood. Milady

beschouwde hem en aarzelde.

„Wie zijt gij, mijnheer?” vroeg zij, „die zoo goed zijt zich zoo

bijzonder met mij bezig te houden?”--„Gij kunt het aan mijn uniform

zien, mevrouw! Ik ben Engelsch zee-officier,” antwoordde de jonge

man.--„Maar is het dan gebruikelijk, dat Engelsche zee-officieren hun

diensten aan hun landgenooten aanbieden, wanneer deze in een der havens

van _Groot-Brittanje_ aanlanden, en zoover de beleefdheid uitstrekken

van hen aan land te geleiden?”--„Ja, milady! het is de gewoonte, niet

uit beleefdheid, maar uit voorzichtigheid, dat in oorlogstijd de

vreemdelingen naar een daartoe bestemde verblijfplaats worden gebracht,

om tot na den afloop van een volkomen onderzoek onder het toezicht van

het gouvernement te blijven.”

Die woorden werden met de grootste beleefdheid en de volmaaktste

bedaardheid uitgesproken. Echter hadden zij het vermogen niet milady te

overtuigen.

„Maar ik ben geen vreemdelinge, mijnheer!” zeide zij in het zuiverste

Engelsch, dat ooit van _Portsmouth_ tot _Manchester_ gesproken is

geworden; „ik heet lady de Winter, en die maatregel....”--„Die maatregel

is algemeen, milady! en gij zoudt vruchteloos trachten er u aan te

onttrekken.”--„Ik zal u dan volgen, mijnheer!”--En de hand des officiers

aannemende, begon zij de ladder af te klimmen, beneden welke de boot

haar wachtte.

De officier volgde haar; een groote mantel was aan den achtersteven

uitgespreid, de officier deed haar er op plaats nemen en zette zich

naast haar.--„Roeit voort!” beval hij den matrozen.

De acht roeispanen vielen in zee, slechts één slag voortbrengende, en de

boot scheen over de oppervlakte des waters te vliegen. Binnen vijf

minuten was men aan wal. De officier sprong op de kade en bood zijn hand

aan milady. Een rijtuig wachtte.

„Is dat rijtuig voor ons?” vroeg milady.--„Ja, mevrouw!” antwoordde de

officier.--„Is dan de herberg zoo ver van hier?”--„Aan de andere zijde

der stad.”--„Welaan!” zeide milady, en zij stapte moedig in het rijtuig.

De officier zorgde, dat de bagage behoorlijk achterop werd vastgemaakt,

en dit verricht zijnde, zette hij zich naast milady en sloot het

portier. Onmiddellijk daarop, zonder dat het bevel hiertoe werd gegeven,

of zonder hem zijn bestemming aan te duiden, vertrok de koetsier in

vollen draf en reed de straten der stad in.

Een zoo zonderlinge ontvangst moest milady veel stof tot nadenken geven,

en ziende dat de jonge officier volstrekt niet genegen scheen in gesprek

met haar te treden, dook zij diep in den hoek van het rijtuig en liet

achtereenvolgens al de vooronderstellingen voorbijgaan, die zich voor

haar geest vertoonden. Na verloop van een kwartier was zij intusschen

over de lengte van den weg verwonderd, en zij boog zich uit het portier

om te zien, waarheen men haar voerde. Maar geen huizen bespeurde men

meer; en alleen boomen verhieven zich in de duisternis als groote,

zwarte, elkander na-ijlende spookgedaanten. Milady ontroerde.

„Maar wij zijn niet meer in de stad, mijnheer!”--De jonge officier

zweeg.--„Ik zal niet verder gaan, indien gij mij niet zegt, waarheen ik

word gevoerd, dat verzeker ik u, mijnheer!”--Op die bedreiging kwam niet

het minste antwoord.--„O, dat is te erg!” riep milady. „Help, help!”

Geen stem beantwoordde de hare; het rijtuig bleef snel voortrollen. De

officier geleek een beeld. Milady beschouwde den officier met een dier

vreeselijke uitdrukkingen, haar aangezicht zoo eigen, en die zoo zelden

haar uitwerking misten. De toorn deed haar oogen in de duisternis

schitteren. De jongeling bleef onbeweeglijk. Milady wilde het portier

openen en uit het rijtuig springen.--„Wees voorzichtig, mevrouw!” zeide

de jongeling koel, „gij zoudt uw leven in groot gevaar brengen.”

Milady zette zich neder, schuimbekkende van woede. De officier wendde

zich tot haar, beschouwde haar op zijn beurt en scheen verwonderd dat

vroeger zoo schoon gezicht, nu bijna afschuwelijk geworden en door

razernij misvormd, te zien. Het doortrapte schepsel begreep, dat zij

zich in het verderf stortte door op die wijze in haar ziel te doen

lezen, zij verzachtte daarom haar gelaatstrekken en op zuchtenden toon

sprak zij: „In ’s hemels naam, mijnheer! zeg mij toch, of ik aan u, het

gouvernement of aan een vijand de gewelddadigheid moet toeschrijven,

welke men mij aandoet?”--„Men pleegt geen de minste gewelddadigheid

jegens u, mevrouw! en hetgeen u wedervaart is het gevolg van een zeer

eenvoudigen maatregel, welken wij verplicht zijn jegens allen, die in

_Engeland_ aankomen, in acht te nemen.”--„Dan kent gij mij niet,

mijnheer!”--„Het is de eerste maal, dat ik de eer heb u te zien.”--„En

hebt gij, op uw eer, niet de minste reden van haat jegens

mij?”--„Volstrekt niet, dat zweer ik u.”

Er lag zooveel oprechtheid, kalmte, zelfs zachtheid in de stem van den

jongeling, dat milady zich gerust stelde. Eindelijk, na ongeveer een uur

te zijn voortgereden, hield het rijtuig voor een ijzeren hek stil, dat

een hollen weg sloot, die den toegang verleende tot een eenzaam, groot

kasteel van strenge bouworde. Dewijl de wielen toen het fijne zand

doorwoelden, hoorde milady een hevig gedruisch, ’t geen zij voor dat der

zee herkende, wier golven zich voor een steile kust komen breken. Het

rijtuig reed onder twee gewelven door en bleef eindelijk op een

vierkante, donkere binnenplaats staan. Bijna onmiddellijk hierop werd

het portier geopend, de jongeling sprong vlug op den grond en bood

milady de hand, die, er op steunende, op haar beurt tamelijk bedaard uit

het rijtuig stapte.

„Het is in alle geval zeker,” zeide milady, rondom zich ziende en haar

oogen met den bevalligsten glimlach ter wereld op den jongen officier

terugbrengende, „dat ik gevangen ben; maar ik zal het niet voor langen

tijd zijn, hiervan ben ik zeker,” voegde zij er bij. „Mijn geweten en uw

beleefdheid, mijnheer! zijn er mij borg voor.”

Hoe vleiend die toespraak ook was, antwoordde de officier echter niet,

maar uit zijn gordel een kleine zilveren fluit nemende, gelijk die

waarvan zich de onderstuurlieden op de oorlogsschepen bedienen, floot

hij tot drie malen op verschillende tonen: dadelijk hierop verschenen

eenige mannen, die de dampende paarden afspanden en het rijtuig in een

koetshuis brachten. De officier verzocht milady met zijn gewone bedaarde

beleefdheid in huis te gaan. Deze, steeds even vriendelijk glimlachende,

gaf hem haar arm en ging met hem door een lage, ronde poort in een

slechts aan het einde verlicht gewelf, dat tot een zware, van steenen

opgetrokken wenteltrap leidde; toen bleef men voor een deur stilstaan,

welke de jongeling met een sleutel, dien hij bij zich had, opende en,

zwaar op haar hengsels draaiende, toegang verleende tot de kamer voor

milady bestemd; met een enkelen blik had de gevangene de kamer in haar

geringste bijzonderheden in oogenschouw genomen. Het was een kamer van

welke het huisraad te zindelijk voor een gevangenis, maar tevens te

eenvoudig voor een vrijen bewoner was. Intusschen pleitten de traliën

voor de vensters en de buitenste grendels der deur ten voordeele eener

gevangenis.

Voor een oogenblik verliet de geestkracht dat in alles verharde

schepsel. Zij viel op een leuningstoel neer, sloeg de armen kruiselings

over haar borst, boog het hoofd en verwachtte elk oogenblik een rechter

te zien verschijnen om haar te ondervragen. Maar niemand trad binnen dan

twee of drie zeesoldaten, die de koffers en kisten brachten, ze in een

hoek zetten en zonder één woord te spreken vertrokken. De officier

woonde al deze bijzonderheden bij met dezelfde bedaardheid, welke milady

voortdurend in hem had waargenomen, zelfs niet een enkel woord

sprekende, en zich op een gebaar of op een geluid zijner fluit doende

gehoorzamen. Men zou gemeend hebben, dat tusschen dien man en zijn

onderhebbenden de gewone taal niet bestond, of althans onnoodig was

geworden. Eindelijk kon milady het niet langer verkroppen en zij verbrak

de stilte.

„In ’s hemels naam, mijnheer!” riep zij, „wat beteekent toch alles wat

er gebeurt? Doe mijn twijfelingen ophouden. Ik heb moed voor elk gevaar,

dat ik voorzie, voor elke ramp, die ik kan begrijpen; waar ben ik, en

wat ben ik hier? Ben ik vrij? waarom dan die tralies en die grendels?

Ben ik gevangen? wat misdaad heb ik dan bedreven?”--„Gij zijt hier in

het vertrek, dat voor u bestemd is, mevrouw! Ik heb het bevel gekregen u

in zee te gaan ontvangen en u hier in dit kasteel te geleiden. Dat bevel

heb ik volbracht, geloof ik, met al de nauwgezetheid van een krijgsman,

maar tevens met al de beleefdheid eens edelmans. Tot hiertoe bepaalt

zich ten minste de last, dien ik jegens u heb te vervullen; het overige

betreft een anderen.”--„En wie is die andere persoon?” vroeg milady;

„kunt gij mij zijn naam niet zeggen?”

Op dat oogenblik hoorde men op de trap een groot gerucht van kletterende

sporen; eenige stemmen gingen voorbij, doofden van lieverlede en het

gerucht der voetstappen van een enkel persoon naderde de deur.

„Hier is die persoon, mevrouw!” zei de officier, ter zijde gaande en den

doorgang vrijlatende, in een onderdanige, eerbiedige houding staan

blijvende. Tegelijkertijd opende zich de deur. Een man verscheen op den

drempel. Hij was zonder hoed, droeg een degen op zijde en verkreukte een

zakdoek in zijn hand. Milady meende die schim in de schaduw te

herkennen; zij steunde met de eene hand op den arm van haar leuningstoel

en bracht het hoofd vooruit, als om zich van iets stelligs te

verzekeren. Daarop naderde de vreemdeling met langzame schreden, en naar

gelang hij naderde en den lichtkring, welken de lamp van zich wierp,

binnentrad, deinsde milady onwillekeurig terug. Vervolgens, toen haar

geen twijfel meer overbleef, riep zij vol verbazing: „Wel hoe, mijn

broeder! zijt gij het?”--„Ja, schoone dame!” antwoordde lord de Winter,

half beleefd, half spottend groetende; „ik zelf.”--„En dit

kasteel?”--„Behoort mij.”--„En deze kamer?”--„Is de uwe.”--„Ben ik dan

uw gevangene?”--„Ten naasten bij.”--„Maar dat is een vreeselijk misbruik

van vertrouwen!”--„Geen groote woorden; laat ons gaan zitten en met

bedaardheid praten, zooals het een broeder en een zuster betaamt.”--En

zich naar de deur keerende en ziende, dat de jonge officier zijn bevelen

wachtte, zeide hij: „Het is wel, ik dank u; laat ons nu alleen, mijnheer

Felton.”

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 70 / 93 题